^>.C.^i>:*/
'**&
' ^W 1
V- >*L>
4 &*%:
>; r
r» 1 ^H"'
. ■
& '- ' A-K
^ \H*
f. .
*?:< <?
4a *^
•■*«*.
■■W 1,
Jhra^s
y* sl
ir
HARVARD UNIVERSITY.
LIBRARY
OF THE
MUSEUM OF COMPARATIVE ZOÖLOGY.
o
"VO^W
MAR 31 1916
VERHANDELINGEN
VAN HET
BATAVIAASCH GENOOTSCHAP
VAN
KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.
DEEL LVI.
B A T A V I A,
ALBRECHT & Co.
's Hag e,
M. NIJHOFF.
19 7.
INHOUD van DEEL LVI.
(Dit Deel bestaat uit vijf stukken.)
M. Joustra, Karo-Bataksche vertellingen. (Ie stuk.)
A. Mathijsen, Tettuin-Hollandsche woordenlijst met beknopte spraakkunst
(2e stuk.)
J. Alb. T. Schwakz en N. Adriani, Het verhaal van den gulzigaard in het
Tonternboansch, Sangireesch en Bare'e. Tekst, vertaling en aan-
teekeningen. (3e stuk.)
J. Seltne Kok, Het Halifoersch zooals dit gesproken wordt ter Z. O. kust van
Ned. Nieuw- (iuinea. (4e stuk.)
R. C. van den Bor, Nederlandsch-Sasaksche woordenlijst (Prajaasch dialect).
(5e stuk.)
o
MAR 31 1916
72)2.
KARO-BATAKSCHE
w«M«
MEDEGEDEELD
DOOR
M. JOUSTRA.
I. SI LAGA MAN.
II. SI ADJI DOENDA KATEKOETAN.
III. SARINDOE TOEBOEH.
IV. RADJA KËTÈNQAHËN.
Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap
vr "- ï 1.
l e Stuk.
BATAVIA,
'S H A G E,
• ALBRECHT & Co.
M. NIJHOFF.
19 04.
MAR 31 1916
KARO-BATAKSCHE VERTELLINGEN.
i.
SI LAGA MAN.
INLEIDING.
Dit verhaal wordt veel aan kinderen verteld, en heeft geheel het karakter
van onze kindersprookjes als Klein Duimpje en dergelijke.
Evenals van de meeste volkssprookjes, zoo niet van alle, kan men ook
van dit verhaal verzekerd zijn, dat het eene bijna onkenbaar geworden mythe is
Voor de vertellers is het een verhaaltje zonder meer, en 't is dus geheel onbewust dat
ze hier en daar een trekje geven, waarin de mythische beteekenis nog doorschemert.
Omdat men evenwel den oorspronkelijken zin niet kent, zijn er allicht
trekken aangebracht, die geen mythische verklaring toelaten, en mag men evenzeer
aannemen, dat de oorspronkelijk mythische bestanddeelen hier en daar van
hunne zuiverheid hebben ingeboet, 't Is dus eene gewaagde onderneming, dubbel
gewaagd voor iemand, die zicli niet bij voorkeur op dit terrein beweegt, eene in
bijzonderheden afdalende verklaring te geven. Ik wil daarom slechts dit zeggen,
dat naar mijn oordeel het geheel den indruk wekt van een mythe te zijn van
de elkander bestrijdende elementen (wind, water, vuur, lichteen duisternis, en dan
zou ik in Laga Man de zon willen zien.
Eene in bijzonderheden juiste verklaring zal eerst dan met vrucht kunnen
beproefd worden, als men den oorsprong van het verhaal kan aanwijzen.
Zooals het hier ligt, is het, evenals met de andere, ontwijfelbaar overge-
nomen verhalen het geval is, naar vorm en inhoud volkomen Bataksch geworden
en mag dus terecht tot de Karo'sche letterkunde gerekend worden.
Toch zijn er aanwijzingen, dat het zijn oorsprong op vreemden bodem heeft,
<>f, wat ook zeer goed mogelijk is, eene samensmelting is van vreemde en oorspron-
kelijke, doch ongeveer gelijksoortige, elementen.
De naam van den in 't slot genoemden grooten roofvogel: manoek si Goerdi 2
(of si Goerda2 ; men hoort beide even dikwijls) wijst op 't Skrt. 1).
1) "Welke is de etymologie? Aan 't Kar. goerda beantwoordt hot Tob. gorda en dit
brengt v. d. T. in verband met skr. grëdhra zr: een gier. 't Mal. wdb. van Pijnappel en
Verh. Bat. Gen. LVI, lste st. 1
De Bataks verklaren dien naam met koelikin, den kiekendief, een vrij
grooten roofvogel, die in vele verlialen voorkomt, en dan meestal als onheilvoor-
spellende vogel. Er was dus in de Bat. verhalen plaats voor eene goerda figuur.
Nu is dit verhaal door den geheelen Ind. Archipel verbreid. Ik behoef
o. m. slechts te herinneren aan het door Dr. N. Adriani uitgegeven verhaal van
Sese nTaola (Verhandel. Bat Gen. Dl. LI, 2de stuk, en Inleiding en vertaling,
Dl. LV 1ste st), waar tal van varianten worden opgegeven, uit het O. deel van
den Archipel. Dat het evenwel ook daar, althans in zijn tegenwoordigen vorm,
geïmporteerd is, blijkt m i. onweerlegbaar uit een schrijven, dat ik van Dr. A. ontving.
Zooals bekend, stak Sese nTaola de zee over op een waringinstam. Zeker
een zonderling vaartuig ! Doch de heele oplossing zit in den naam van dien
boom in 't Barée, nl. nunu.
Daar ik hiertoe vrijheid heb, deel ik hier het op die zaak betrekking
hebbende uit dien brief mede.
Dr. A. schrijft: „Zoo is mij ingevallen dat de waringin
„(Bar. nunu) die in het Galelareesche verhaal de visch Nunu is, misschien niets
„anders is dan de „walvisch'' van Jonas. ,, Visch" is in 't Arab. ,nun' (^jj) en
„Jonas (Junis ^ij.,) heeft dan ook den bijnaam ^ ? iiljj (dzu 'nnun) „de man
„van den visch". Het letterteeken ^ Hebreeuwsch, is oorspronkelijk zoo genoemd,
„omdat het de afbeelding van een visch was . .
„ . . . . „In de Mal. profetenverhalen wordt van „ikan nun" gesproken, en
„is het dus de visch Nun geworden, m. a w. Nun is eigennaam geworden.
„Dit is zeker de Galelareesche „visch Nunu'. Nu kan dus het verhaal, uit
„het oosten ingevoerd door de Barée sprekers, die in „nunu" waringin hooren tot
„een in zee drijvenden waringin zijn vervormd."
Mij zij vergund hier in 't kort mede te deelen een verhaal, dat mij in
mijn jeugd dikwijls als sprookje werd verteld, en dat bij alle verschil in in-
kleeding, en zelfs van bijzonderheden, toch in den grond eene zeer treffende
overeenkomst vertoont met de hier behandelde vertelling. Ik weet niet of het
in eene of andere uitgave van Eur. folklore voorkomt. In ieder geval kan het
hier meegedeelde dan dienen om dergelijke verhalen op 't spoor te komen, en is de
kans niet uitgesloten, dat daardoor meer licht opgaat ook over de in den Ind.
Archipel voorkomende.
Een uit den dienst ontslagen soldaat, niet wetende waar een bestaan te
vinden, trekt een groot bosch in, „op wild avontuur" uit. Niet lang is hij in
het Jav. van Roorda wijzen op 't skr. garoeda, het voertuig van Wisnoe, en vertalen
garoeda (gërda) en garoeda met griffioen. Verder vindt men in v. d. T. nog galoedoe 2 , nm.
van een fabelachtigen vogel met zeven koppen, en in 't bijvoegsel garoedo2 (Mën. Mal.
j. £, griffioen), nm. v. e. fabelachtigen vogel.
't bosch of bij boort een verschrikkelijk gekraak. Bij onderzoek blijkt dat ver-
oorzaakt te worden door iemand, die met reuzenkracbt boomen ontwortelt, en die
alsof ze veertjes waren, wegdraagt.
Na over en weer praten sluit de Boomenontwortelaar zich bij den soldaat aan.
Na eene dagreis komen ze aan een open plek, waar een buis staat op welks'
nok een man zit in erg onbehoorlijke houding, nl. met afgestroopte broek. Op
hunne vraag wat hij daar uitvoert, wijst hij hun op 't omliggende land, dat onder
water staat. Hij zal nu, daar het windstil is, op eene niet nader aan te duiden
wijze het land van 't overtollige water bevrijden.
Ook de "Windmaker sluit zich, daar hij evenals de Boomenontwortelaar vrij-
gezel is, bij den soldaat aan.
Weer een dag later ontmoeten zij een jager, die op de loer ligt. Maar 't wild
zien zij niet. Geen wonder, want hij mikt op eene vlieg, die een half uur ver weg is, om
haar 't linkeroog uit te schieten ! De Scherpschutter voegt zich ook bij hen.
Een ander maal ontmoeten zij iemand, die zijn muts op zonderlinge wijze
op 't hoofd draagt, 't Blijkt dat hij in die muts het middel bezit om 't warm
of koud te maken. Trekt hij haar over zijn ooren, dan wordt het onuitstaanbaar
koud; zet hij ze heel luchtigjes op, dan wordt het onverdragel ijk warm. Ook de
Mutsedrager voegt zich bij 't gezelschap.
Eindelijk ontmoeten zij -een man, die, hoewel op één been loopende, toch
behoorlijk snel voortkomt, 't Blijkt dat hij 't andere op zijn rug draagt. Gespt hij
dit aan, dan loopt hij met de snelheid van den storm. De Hardlooper sluit zich ook aan.
Men bereikt eindelijk den rand van 't bosch en komt aan eene groote
stad. Voor de poort verdringt zich veel volk, want er is eene bekendmaking-
des konings aangeplakt, waarin zijne dochter tot vrouw beloofd wordt aan hem,
«
die harder kan loopen dan zij.
Natuurlijk meldt onze hardlooper zich voor den wedstrijd aan. Den volgenden
dag wordt deze gehouden op eene groote vlakte. Aan 't andere einde is eene
bron. De deelnemers moeten daar eene kruik gaan vullen en wie het eerst met
de gevulde kruik terug is, zal de prinses huwen. In een oogwenk is de hardlooper
bij de bron en laat de prinses ver achter. Hij neemt dus zijn gemak, vindt er 't geraamte
van een paardekop, overblijfsel uit een daar geleverden veldslag, gebruikt dien als kus-
sen, en is weldra in diepen slaap. De prinses rept zich wat zij kan, vult hare kruik en is
reeds op den terugweg. Nu wordt de zaak toch bedenkelijk ! Doch daar treedt de
scherpschutter op. Een goed gericht schot treft den paardekop De slaper schrikt
wakker, bezint zich even, ijlt dan voort en is nog 't eerst aan den eindpaal.
De prinses wil echter van dezen gemaal niets weten De koning weet
echter raad. Hij deelt den soldaat den tegenzin der prinses mede, en men neemt
nu genoegen met eene betaling in geld, zooveel als één man kan dragen. Vooraf
wil de koning hem echter onthalen, doch heeft heel andere bedoelingen. Hij brengt
hen in een vertrek, waar een rijk maal is toebereid en sluit dan de deur. De
kamer is boven een oven gebouwd, dien de vorst nu duchtig laat stoken. De
man met de muts is nu de redder uit den nood ! De koning is dan ook totaal
uit 't veld geslagen, als bij ben na eenigen tijd springlevend aantreft Om maar
gauw van ben af te zijn, zal bij bun 't beloofde geld geven. Maar de boomen-
ontwortelaar is met geen paar zakken tevreden. Weldra torst bij al wat de
schatkamer bevat op zijn rug.
De vorst is wanhopig. Hij zendt echter de vertrekkenden een heel leger
achterna, om de schatten te heroveren. Maar nu vertoont de windmaker zijne
kunsten, en doet alles terngstuiven, kogels en kanonnen incluis. De vorst, uit
het venster toeziende, wordt door een terugkeerenden kogel gedood. Ongemoeid
trekken nu de lieden verder, 't overige van bun leven rustig genietende van de
verworven schatten.
't Karo'sch verhaal dat ik hierachter in Bat. tekst zal laten volgen, vond
ik in de nalatenschap van wijlen J. K. Wijngaarden. Slechts een paar geringe
verbeteringen van den tekst, alleen van taalkundigen aard, heb ik mij veroorloofd.
Met slechts geringe afwijkingen heb ik het zoo eenige malen hooren vertellen.
Eens echter hoorde ik een variant, aanmerkelijk afwijkende van de hier gevolgde
lezing. Te zijner plaatse zal ik dat gedeelte meedeelen, en dan zal blijken de
groote overeenkomst met het correspondeerend gedeelte van Sese nTaola.
Wat den naam van den held van 't verhaal betreft, de beteekenis is
duidelijk genoeg, 't Woord laga komt niet veel voor, maar men heeft pSrkis
loemaga = katjirëngga, een venijnig-bijtende miersoort, en een enkele maal hoort
men mëlaga = mërawa = woest, wild. Laga Man is dus „de geweldige eter".
De loop van 't verhaal is in 't kort aldus:
Bij zijn geboorte gaf zijn vader hem den naam van den geweldigen eter 2),
opdat hij in 't leven zou blijven, daar toch zijne voorgangers telkens
stierven.
Nu, hij deed zijn naam eer aan. Hij was mooi op weg zijne ouders door
zijn geweldigen eetlust te gronde te richten. Zij besloten dus eindelijk, zich van
hem te ontdoen. Eerst liet men een grooten banjaan op hem vallen 3), maar hij
bracht dezen thuis; later beproefde men bet met een groot rotsblok, dat van
boven van een berg op hem neerplofte, doch eveneens zonder gevolg. Door een
en ander bad hij evenwel de plannen zijner familieleden doorzien. Hij deelt hun
dit onbewimpeld mee, eischt van ieder eene vergoeding en gaat dan het
oerwoud in.
2) Een ander voorbeeld van geweldigen eetlust vind men in 't verhaal van Doenda
Katekoetan bij Westenberg, Aanteekeningen omtrent de godsdienstige begrippen der
Karo-Bataks.
3) Soortgelijk geval in 't verhaal van Radja kslewct. Meded. Ned. Zend. Gen.
Deel 47, 2de stuk.
De eerste, dien bij daar ontmoet, is een knap Blaasroerscbutter. Diens
naam voluit (in dit verbaal is die eenigszins verkort) is Pengëltëp ipoeb si mate
begoe, dus een schutter, die ipoeb (bet bekende pijlgif v/d. Antiaris toxycaria)
gebruikt, zóó kraebtig, dat zelfs scbimmen er door ged od worden. 3 il )
Als ze bunne kraebten meten, blijft L. M. overwinnaar en P. wordt zijn
volgzaam dienaar.
De tweede persoon, dien ze ontmoeten, is Pengërintak Boeloeb Soengsang, 4)
d. i. „Bamboe-tegen-den-draad-trekker," alzoo ook iemand van groote licbaams
kracht.
Hij ook wordt overwonnen en sluit zicb bij L. M. aan.
Eindelijk komen ze aan een koeta dagang, 't best te vertalen met man-
nenkolonie.
Het boofd dier kolonie gedraagt zich valscb tegenover hen en gaat hun
met zijne lieden te lijf'. Ze zijn echter onkwetsbaar. Den aanvoerder dooden
zij, maar zijnen volgelingen schenken zij genade.
Na eeirigen tijd oponthoud aldaar, begint het L. M. te vervelen. Hij
trekt dus weer verder met zijn twee makkers, nadat hij eerst enkele gewassen
heeft laten planten. Als deze gaan verwelken, zal dit eene aanwijzing zijn dat
hij in nood is, en men hem te hulp moet komen.
Hij komt eindelijk aan een dorp, dat geheel verlaten is, doordat een
groote roofvogel voor en na de bewoners heeft weggehaald. Een paar vrouwen
zijn overgebleven, die zich in eene versterking verborgen hebben.
L. M. overwint den vogel, zij bet dat hij zelf er ook bijna 't leven bij
inschiet. De verwelkende planten hebben evenwel zijn makkers tijdig gewaar-
schuwd.
Het slot is eene vierdubbele bruiloft.
Niets dus van de latere ontvoeringen van zijne vrouw, van de weder-
ontmoeting zijner ouders, noch ook een spoor van een zusje, gelijk in het Barée
verhaal. Overigens is de overeenkomst in 't oogvallend.
De belangrijk afwijkende lezing luidt in 't kort als volgt :
Toen L M. in 't bosch kwam, ontmoette bij eerst si Roentoen këtang
mbëlno = de Dikke-rotant rekker. Zij worstelen. L. M. blijft overwinnaar. Dan
komt si Silam Tjoeliki 5), die eveneens overwonnen wordt.
da) Wat dit beteekent werd me onlangs duidelijk toen een goeroe als commentaar
gaf: ma nai bantji përoemah begoena — zijn begoe kan niet meer (door een medium)
opgeroepen worden.
4) Deze en dergel. figuren komen in vele verhalen als bewoners van het oerwoud
voor. P. B. S. ook in één verhaal (si Mandoepa) als bewoner der hemelsche gewesten.
5) Eene goede vertaling weet ik er niet van te geven. Silam (Dilam) is lekken van
vuurtongen. Misschien dat silam dus substantief geweest is, met de beteekenis van vuur-
tong. Tjoeliki is de harde pen van de idjoek. Veel is er dus niet van te maken. Of moet
6
De derde dien zij ontmoeten, is si Kangkang loehoeng, een reus dus, die
met zijn beenen een afgrond kan overbruggen, door nl. aan eiken kant één voet
te plaatsen Hij deelt 't lot van zijn voorganger.
Evenzoo No 4, Singkërët batoe pënggiling = de molensteen-stuk-bijter en
No. 5, si Piso tëlap = scherp mes.
Eindelijk, aan den oever der zee treffen zij si Pëmoran toewalang aan,
d. i die een honigboom (men heeft er van 70 M, hoog in Deli !) als hengel-
stok gebruikt. Hij kan dit zelfs met zijn linkerhand. Zijn aas is een hert.
Niettegenstaande zijn reuzenkracht delft ook hij het onderspit.
De zeven makkers willen nu de zee oversteken, doch een boot is er niet.
L. M. weet echter raad.
Hij neemt eene brandende fakkel, gaat aan den oever staan en roept :
„momo ló, momó, als niet alle krokodillen met den kop boven water komen,
steek ik de zee in brand !" 6)
Deze bedreiging helpt en de krokodillen komen in zoo grooten getale, dat
ever hunne koppen heen L. M. en de zijnen droogvoets aan den overkant komen.
't Is middelerwijl donker en koud geworden, en zij verlangen naar een
verwarmend vuur. Aan 't strand is niets, maar in de verte zien zij een licht.
Daar zal eene tuinhut zijn. L. M. vaardigt een der zijnen af om daar vuur
te gaan halen. Doch deze komt niet terug. Achtereenvolgens evenzoo de anderen,
tot eindelijk L. M. zelf gaat. De hut blijkt bewoond door si 'mBëlin takal —
Dikkop, die een hoofd heeft als een këben (ronde rijstbewaarplaats). Deze heeft
de makkers van L. M gedood, maar boet nu zijne snoodheid met zijn leven.
Zijn afgehouwen hoofd schopt L. M. weg en 't valt ergens in eene stad
neer. L. M. wekt vervolgens zijne makkers uit den dood op en gaat met hen
op weg. Ze komen aan de stad, waar de kop is neergevallen, die door zijn
stank de lucht verpest. Hij die 't kan verwijderen zal als belooning de dochter
van den vorst tot vrouw krijgen. L. M. schopt den kop weg, die weer in eene
andere stad neervalt. Zijne rechten staat hij nu aan een zijner makkers af. Tot
zes maal toe herhaalt het zich en daarmede zijn zijn vrienden aan eene vrouw
geholpen. Hij zelf is nog ongehuwd, trekt nu alleen verder en komt aan een
dorp, dat geheel ontvolkt is door 't gezin van een goerda- vogel. Slechts ééne
vrouw is overgebleven. L. M. doodt achtereenvolgens de vogels, die van een
grooten galinggang raja op hem neerstrijken, en huwt daarna de vrouw.
het hier als vergelijking verstaan worden ? Zoo komt voor : lajah2 tjoeliki, zeer lang en
slank, zoo slank als een idjoekpen, ééne van de Bataksche schoonheidseischen. Silam
tjoeliki zou dan een zeer lange, smalle vuurtong zijn, en de gedachte aan den bliksemstraal
ligt dan voor de hand.
6) Hetzelfde middel gebruikt si Pais in eene der dwerghertverhaleD, om eene rivier
over te steken.
En nu de tekst. Wat taalkundige aanteekeningen betreft, zal ik me tot
zeer enkele bepalen, 't Is niet wèl doenlijk, de gansche Karo'sche grammatica
in de aanteekeningen ter sprake te brengen ; er naar verwijzen kan ik niet, omdat
er nog geen spraakkunst bestaat. Trouwens, voor den beoefenaar van de M. P.
talen zullen er niet veel moeilijkheden zijn, nu de vertaling er bijgegeven wordt.
Waar deze vrij is, zal er op worden gewezen. De aanteekeningen betreffen dus
de niet al te zeer voor de hand liggende gevallen.
TOERI-TOERIN SI LAGA MAN.
Maka sëkali llt sada bapa. Toeboeh anakna, tapi mate roesoer. Djadi
anakna sada i-gëlarina si Laga Man, maka pët 1) man ; nina.
I-oekatna nakan sinokat 2), mintës këri ! „Ënggo 'nggëloeh anaktaenda!"
Pëpagina i-oekatna doewa nokat, e pe langnga bësoer, ënggo këri.
Maka ënggo këri ëmpat nokat, sigantang, sitoemba doewa toemba, ëmpat
toemba, sinalih 2), langnga bësoer si Laga Man.
1) Pet = houden van; gaarne lusten; willen hebben (misschien hetzelfde woord
als O. J. pet? „De grondbeteekenis van pet schijnt: zoeken, naar iets trachten, . . . ,
willen hebben." Kern, Kawistudiën pag. 55).
De ë van pët is lang, zou dus eigenlijk ook nog het teeken — eischen gelijk msn, llt
enz. Ik liet het weg om geen verwarring te veroorzaken. Trouwens men zou boven de
eenlettergrepige woorden desnoods het teeken kunnen missen, daar ze alle, ook gesloten,
eeo langen klinker hebben, uitgezonderd de enclitische woordjes en partikels.
De uitspraak der <• is als de Atj. eu. Men komt zeer dicht bij de goede uitspraak als
men ë tracht te zeggen met de mondstelling van de i, waarmee h dan ook nog al eens
afwisselt. Zoo staat llt ook voor let, blijkens locale uitspraak, en het Dairische lot.
±) Nokat = lepel (vol), klaarblijkelijk hangt het samen met oekat = rijstlepel. Hoe
den vorm te verklaren? Ongetwijfeld is deze ontstaan uit sada oekat, dat vlug uitge-
sproken sadokat (sëdokat) moest worden on de d is in de haar verwante n overgegaan.
In sënokat of sinokat word toen, naar valsche analogie së (si) van nokat gescheiden,
en dit laatste als grondwoord beschouwd. Op dezelfde wijze is sinolih — ééne vracht,
doewa nolih, twee vrachten ontstaan uit sada oelih, wat men in één keer haalt of krijgt,
een haalsel (vg. hot Hollandsche gang in „een gang water, d. i. twee emmers)."
Mogelijk is ook nalih zoo te verklaren, doch dit is niet zeker. Ook in 't Atjesch en
Ga'o'sch namelijk vindt men dit woord als rijstmaat voor eene hoeveelheid van 10 toemba
(Gajo : are = toemba). Voor 't Karo'sche gantang hoort men in de doesoen ook wel ëkal,
t zelfde woord dus als het Gajo kal. (Zie Not. Bat. Genootschap 1902 de lijst der door
Majoor van Daalen verzamelde Gajo'sche voorwerpen No. 126).
De juistheid der boven vermelde afleidingen (sinokat, sinolih) wordt treffend bevestigd
door het in 2a behandelde woord.
8
„La nai tërasoeki anakta ende koe-akap", nina bepana; „ënggo këri nakan
sinalih !"
I-soelang sekali, i-pantëni sekali babi, i-bëreken, sisa ija mantja i-bërekënna.
E pe këri, ras babi ras nakan, la nai kenan bapana. „Bage gija, gëlab lampas
'mbëlin anakkoe",
Gelgël i-boewatna sekali nari lëmboe, raskënna 3) kërina Sëkali ija
noetoengsa lëmboe, ras sëninana 2a). Ënggo tasak, dilona anakna i-bërekënna, i pan-
na bëngkaoe 'ndai, këri kërina, lëmboe ras nakan; la nai kënan bapana ras nandena.
„La nai törasoebi kita, asakai terboewat kita, i-panna këri", nina bapana.
Lavvës ija koe kërangën ; lawës ija doewana, ras anakna. „Idje ko
koendoel, ngijani kampilta e, ola bene, ola ko lawës lawës.
I-tabab bapa kajoe boewab, i-oesoer-oesoerna, langnga 'mboelak sada
oewari. „Ota, anakkoe, koe roemab ; ben më"4).
Tempiua 3), lawës ija, man ka i roemah, mëdem ija. Arih-arih bapa Laga
(2a) Sënina. Ook in 't Bat. woordenboek van Van der Tuuk komt sënina voor, en
wel als een Dairüch woord, welks beteekenis wordt weergegeven met het Tob. aequiva-
lent: dongan sa-marga — iemand van deiizelfdon staan. Maar van der Tuuk geeft geen
verklaring van het woord als zoodanig. Toch is de etymologie in verband met de in
de vorige aanteekening behandelde woorden duidelijk aan te wijzen. Dat ze mij zoolaDg
verborgon kon blijven ligt daaraan, dat de tegenwoordige beteekenis in tegenspraak is
met do afleiding. Mijne oogen werden geopend door noot 33 van het verhaal van „Pëtëri
Idjo", eene bijdrage van Dr. Snouck Hurgronje aan het Album-Kern (pag. 46). Deze
noot betreft het woord sarinö = sara inö = van eene moeder, tegenwoordig evenwel ge-
bezigd van agnaten.
S:uk voor stuk stemt het Kar. woord sënina daarmede overeen, zoodat het dus staat
voor sada ina. Wel merkwaardig dat ina tegenwoordig geen Karo'sch woord is, terwijl
het Tob., dat wel ina heeft, daarentegen het woord sénina niet bezit, doch er eene om-
schrijving voor bezigt.
Ook uit een ander oogpunt is sënina een merkwaardig woord, 't Kan nl. slechts als
verwantschapsterm dienen, als de verwante personen tevens van dezelfde kunne zijn. Twee
mannen kunnen dus eikaars sënina zijn (ërsenina), ovenzoo twee vrouwen, maar nooit
een man en een vrouw; dan is 't woord toerang (ertoerang) in gebruik.
Sënina zou men dus kunnen vertalen met: broeders broeder of zusters zuster, en
toerang met zusters broeder of broeders zuster.
Als mijn geheugen mij niet bedriegt, bestaat er in het Fidji iets dergelijks, althans
afgaande op de vertaling door Hazlewood, en vond Prof. Kern meen ik, in zijn: de Fidji-
taal enz," dit niet veel meer dan nonsens. Trouwens zonder nadere toelichting kan
dergelijke vertaling moeilijk een anderen indruk maken.
(3) Raskt-una voor i-raskenna. Deze weglating geschiedt dikwijls met dezen passie-
ven (of wil men : „verbogen") vorm. Begint de substantief- vorm met i, of ook gaat
het voorafgaand woord op i of e uit, dan is die weglating regel. Heel dikwijls valt ook
het pron. suffix 3 den persoon = na af.
9
Man ras toekoermasna : „'Ndai koe-tabah kajoe boewah si galang a, langnga
'ndai 'niboelak, oentoengna langnga mate ; pëpagi rëtap boewak 'ndai koe-tabah ;
si-boenoeh aLakta enda 'ndai".
„Boenoeli" nina dibëroena. — „Pëpagi lampas dage kam ërdakan".
— „Oewe!' nina. Pëpagina man ka. „Ota, tëmpi kampilta e" nina bapa, „gëlah
tabah boewah 'ndai mahan ranting". Énggo ka ija sëh ibas inganna 'ndoebe,
nina bapa : „Idje kam koendoelkën ngijani kampilta e, ola ko lawës ; labo
'mbijar, idas oeroek e ng 4) akoe, ola ko kari 'mbijar".
„Kai pe labo akoe 'mbijar bapa" nina si Laga Man „Bage me dage
'ndo koe-oesoer-oesoer kajoe 'ndai tabah, e maka 'mboelak".
Bén me matawari, 'mboelak kajoe, Önggo i-doempan^na si Laga Man, ma
ne tëridah pe. „Énggo me mate si Laga Man" nate bapa. „Énggo mate anakkoe e ;
ras sëninana ndoebe" nina bapa.
Lawës ija koe roemah. „Ënggo mate auakta 'ndai nakè ' 5) nina bapa-
„Lëgi manoek koeteroeh, gëlah ëmpat a!" E maka i-lëgina.
„Enda manoek 'ndai" nina dibëroena. I-ëlboeh silihna 6) arah djaboe
këndjahe. „Kai silih" nina. „Gëlëhi manoek enda, ënggo mate permainndoe 7)
si Laga fllan." — „Oewe" nina. I-gëlëhina manoek 'ndai kerina
Sangana ënggo doeng, i katakenna: „kekekën lëbe 8) silih! man ita." —
Man ija kërina.
4) mr en rigc zijn nadrukwijzers, meestal onvertaalbaar, en daarom vaak door 't
leggen van den nadruk weer te geven. Het verschil tusschen beide is niet altijd even
duidelijk, en wordt ook wel uit het oog verloren.
Globaal genomen beantwoorden ze resp. aan de Tob. woordjes ma en do (zie Bat.
Sprk. v. d. Tuuk).
Dikwijls smelten ze met een voorafgaand of een volgend woord samen.
5) naké, vertrouwelijk woordje, vooral door man en vrouw jegens elkaar gebezigd,
v. d. T. verklaart het als samentrekking van kalaké.
6) silih = zwager. Zie voor de etymologie van dit woord het „Përsilihi 'mbclin
(Meded. Ned. Zend. Gen. Deel 46; l s!e stuk pag. 2 en 3. Op pag. 3 reg. 2 leze men voor
(een ander) (Hd. einander).
7) Pormain. Aan het Karo'sche woord is de afleiding niet meer te zien, of liever
het kan onmogelijk in dezen vorm een Karo'sch woord zijn, maar moet uit het Tobasch
zijn overgenomen, en toen verbasterd zijn.
het Tob. woord is paroemaen, „de in huis te brengene" en dus 't woord voor
schoondochter. Dit betcekent het ook in 't Karo'sch, doch niet uitsluitend.
Daar ze haar schoonvader bëogkila noemt, d i. man van vaders zuster (bibi), [wat
hij ook meestal is, bij een normaal gesloten huwelijk], wordt ieder, die krachtens die
familieverhouding tot iemand bëngkila moet zeggen, ran dien bëngkila de përmain, en
dus kan dit woord ook neef of nicht beteekenen.
8) Lëbe = eerst, volgt dikwijls op een woord, dat een bevel uitdrukt. Een enkele
maal zou men het met vooreerst, voorloopig, kunnen vertalen, doch in de meeste gevallen
dient het, om liet gebod te verzachten, er het gebiedende aan te ontnemen, geheel analoog
dus met het Maleische dehoeloe, in djangan dëhoeloe e. d.
10
I-oekat nakan, man kërina ras silihna, ras toerangna. I-daboehkën toe-
rangna 2') nakan koetëroeh karang. sinipoekoel, ras bëDgko manoek.
Knggo kërina ëlah man: ,,'ndo, ngisapkën silih! koega kin bantji bahan
pëngindota kin Dge silihkoe/' nina bëngkila si Laga M.ln Ngisap ija. ,,'Ndo
kampilndoe 'udai silih/' nina bapa.
Rëlboeh9) itëroeh nari : „O, bapa!" Nina bapa: „Kai ngc ndija silih?"
— „Bagi sora si Laga Man koe-akap," nina silihna.
„O, bapa! idja koe-tjibalkën ranting enda 'ndai '?'' nina si Laga Man noengkoen.
Tërsënggët bapana, poelkana 3) pintöen, idab ënggo rongga kërina ibas
kësain 10), ampekënna3) kajoe 'ndai ibas toerena, toere pe roentoeh.
„Koegalah e naké! ënggo i-babana kajoe 'ndai kërina, ënggo toere a pe
roentoeh. Mate ningën 11), labo këpe mate! N^tekoe 'ndai mate ija. Koega
dënga gëlab niuta taresa! nina bapana.
„Labo 'mbijar silih" nina bëngkila si Laga Man, „akoe gija 'ndilosa koe
roernah."
9) Rëlboeh. Hier komt duidelijk de algemeene, onbepaalde beteokenis uit, die soms
de werkwoorden met het praefix ër (r, re) hebben, zoodat ze, gelijk in dit geval, soms
't best met eene onpersoonlijke uitdrukking: er wordt geroepen, enz. worden weergegeven,
10) Kesain, dorpsplein, eigentlijk de heele ruimte in het dorp, die niet bebouwd is.
In de dorpen in Toba vormt de alaman = kësaio, inderdaad een soort plein, doch in de
Karo'sche dorpen is er geen regelmaat te bespeuren in de plaatsing der huizen.
Het woord kesain acht v. d. T. waarschijnlijk afgeleid van hasaja, dat in de
uitdrukking tonga ni hasaja = hoeta (dorp), Mandailingsche andoengtaal, voorkomt,
maar anders specerijen, ingrediënten enz beteekent. De Dairische spelling kësejan geeft
hieraan wel cenigen steun. Toch lijkt mij de afleidiing van sai (mësai) = zonder on-
kruid, schoon, onbegroeid enz. waarschijnlijker; kesain is dan cene onbegroeide plaats, wat
een dorpsplein uit den aard der zaak is.
11) Ningen, een afgeleid woord, dat door zijn vorm aan een passie f- verbaal substan-
tief doet denken, en ook zoo kan vertaald worden, zoodat men het eigenlijk zou moeten
weergeven met: „wat behoort gezegd te worden", gelijk bijv. dahln = werk, veldarbeid,
eigenlijk beteekent: „wat behoort nagekomen te worden", van 'ndahi.
Toch bestaat er geen werkwoord ning of ningi.
Ook ning is zelfst. nw., maar 't komt niet meer op zich zelf voor; men heeft het
nog in ningkoe, nindoe (voor ning-ndoe), nina (eig. ning-na) enz. = ik zeg, gij zogt, hij
zegt, of letterlijk : mijn, uw, zijn woord, gezegde.
Terecht stelt v. d. T. ning = O. J. ling.
Ook de vorm ling komt in 't Bat. voor in de woorden aloeling, oeliling = echo,
letterlijk: „die antwoord geeft op (aloë), die herhaalt (oelih), het gezegde. De 1 voor
n is misschien ook te verklaren uit invloed van de voorafgaande 1. Ook aloling (nm.
v. e. dorp) welks klemtoon op do ultima voor v. d. T. duister was, is, dunkt mij, hierdoor
verklaard.
11
,,Enggo baba ko këiïna koe roemab. ranting 'ndai, toere pe roentoeh ! Arah
batang kajoe enda ko koedas," nina bëngkilana, „niaka ko man."
I-bërekënna ngisap. Bapana ënggo 'mbijar. I-katakënna kerina koeta
nastasi dahan-dahan kajoe. I-tastasina kerina djadi ranting.
I-katakën bapana: .Boewatlah kërbo sada gëlah bëre man ija, anakkoe.
Raskën kerina, nasak bëngkona, ënggo akapna latib, i babana rantingta enda
kerina, gëlah 12) e si-bëre man". Enggo tasak, i-atoer kerina, i-dilo si Laga
Man man. „Manken, anakkoe, ënggo kam latib," nina bapana Këri kërbo sada
i-panna, ras bëngkaoe kerina, ras nakan La nai kënan sada pe !
I-bërekën bapana amak, nina : „to, mëdëmkën koe djamboerta." Lawës
ija. Toendoeh, si Laga Man, arih arib kerina bapana ras silihna, ras ginëmgëmna
kerina. „Koegalah përbanta 'ndija, arib arih kia kerina," nina kata ginëm-
gëmna.
„Mësëra me si akap kerina roekoer; bagé galangna kajoe si tabah 13) kam
'ndai, 'ndoempangsa, ibabana koe roemab, e maka koe-akap soesah roekoer,"
nina kalak.
„Ut kap sada dëlëng batoe galaug, tëcahkën sëkali nari ija i bërnëh."
— „Bage, bage," nina bapana, „silih mabaisa koe bërnëh, kita 'ngkoeroeksa
kerina, idas."
Baba 3) bëngkilana si Laga Man koe bërnëh. Maka ërdalin ija ras
bëngkilana, tëgoena 3) sada kambing. Sëh i bërnëh, i-tambatkënna kambing.
„Tjani kambingta enda, akoe moewat roedang kapijas ; ola tadingkën kam,
ola kari i-pan arimo," nina bëngkilana
„Lang ! ola akoe tadingkën. Di langnga kam rëh, labo koe tadingkën, '
nina si Laga Man.
Maka sëh idas dëlëng bëngkilana, i-raskenna 'ngkoeroeksa kerina, ras
ginemgëm, sada koeta kerina. Ènggo me sitëngah batoe idah i-koeroek, e maka
i-ongkilna.
Mëlawën akapna rëh bëngkilana, i-ëlboeh si Laga Man : „Bëngkila, bëngkila,
kotip !"
„Kotip ongkil" nina bëngkila, „llt sorana i-bërneh." E, maka i-kotipna kerina,
mintër ërdelang batoe si 'ndai. E maka i-doempangna si Laga Man, pëlnat !
12) 't Gebruik van gdah is hier vreemd. De vertaling eischt ,, daarom", doch dit
wordt gewoonlijk weergegeven met sabap-e. Gdah beteekent „opdat". Zonder volgende
e, zou men hier ook eon goeden zin hebben. Gdah achter een zin, die dan ook hoofd-
zin kan zijn, is dikwijls te vertalen met ,,laat".
Law ( s akoe gdah = laat ik gaan; dat ik ga.
Heel dikwijls wordt gëlah verkort tot lab en 't is zelfs waarschijnlijk, dat het
enclitische lah in 't Karo'sch, dat evenals het Mal. lah gebruikt wordt, eene verkorting
van gëlah is.
12
Koe roemah kalak kërina, sijakap 13) latili kërina. „Boewat sada lëmboe
bahau bëngkota," nina bapa si Laga Man Maka i-boewatna, i-pantëmna ; deba
ërdakan, deba noetoengsa. E, maka tasak kërina, mintër man kërina.
„Atekoe min ënggo mate si Laga Man, i-doempang batoe 'ndai ; niëgandjang
kal idas dëlëng nari,'' nina bapa.
Latili sijakap kërina. Énggo man, ngisap kërina Lawës koe roemah,
sidabi 13) roemabna. Si tik nari ënggo bën.
Maka danak-danak mëdëm, sintoewa-sintoewa ërtjakap dënga kërina. E
maka ërtjakap idje këriua, rëh si Laga Man Maka i-babana batoe si galang
'ndai, i djoedjoengna.
„O, bapa!' nina, „idjo koe bakan batoe enda 'ndai?' — „ïdjém" nina
bapana. E, maka i-bëntërkënna ibas tëngab kësain. Enggo këna sada sapo,
i tindib batoe si 'mbëlin ; ënggo mëhoeli batoe 'ndai man përkoendoel-koendoelën
djëlma kërina.
E maka 'mbijar ka bapana ras bëngkilana i roemah, idahna batoe 'ndai
ënggo ibaba si Laga Man koe roemah.
„Koega përarihta 'ndilosa koe roemah, e silib ? ' nina bapa.
„Oela nai 'mbijar: 'mbijar kita tëntoe i buenoehna kita; batoe 'ndai si
galang ibabana!' nina silihna. Maka la nai 'mbijar bapana; mate, matelatena.
Lawës ija koetëroeh, 'ndilo si Laga Man. Nina si Laga Man: „Ijani
kambing 'ndai nina bëngkila ibas bërnëk; mëroedang akoe nina bëngkila, tapi
'ngkoeroek batoe si galang 'ndai idas oeroek, moenoeh akoe ate kena kërina,
ras bëngkila, bapa, bibi, ras nande. Di moenoeh akoe noewate, ma bage ; arih-
arih kitalah kërina ras bapa, ras nande ras bëngkila, ras toeraogkoe kërina.
Boewatlah, nande! man bangkoe boenga-boenga pitoe lambar; oetang bibi tjimpa
pitoe 'mpoekoel; bëngkila roetang boelang bo^lang silambar, toerangkoe roetang
kampil si lambar, bapa roetang piso sada, mama pemënting sada".
E maka i-bërekënna kërina.
Ma digé bagé, bapangkoe, nande, bëngkila, bibi kërina, ena kam toerangkoe
kërina sajëp-sajëp, mela kal oekoerndoe ngënëhen akoe, gëlah akoe lawës; ola
ërsajëp; ras kita gija ate, di makan si bën la ne tërboewat? Di bage bage
me kam kërina, endam akoe bërkat, ola akoe ërbangger-banggër'', bage katana
si Laga Man.
Maka idas batoe si galang 'ndai i tëpoekna, lawës ija.
13) Sijakap. Hier is si niet het pron. praefix lsten persoon meerv. inclusief, reden,
waarom ik het niet door eeu trait d'union van akap heb gescheiden.
Het is het Dairische mërsi, voor den ww. stam, dat in de vei taling moet weer-
gegeven worden door ieder (allen, maar dan ieder persoon op zich zelf genomen) :
sidahi roemahna kcrina = ieder ging naar zijn (eigen) huis.
13
Maka lawes ija nijar-nijar ilas tëngah kërangen Limboe 14) raja.
E, maka djoempa ija ras si Pëngëltëp si mate begoe. „Tse e ?"' nina si
Pëngëltëp. „Akoe", nina si Laga Man. „Sëndah akoe djoempam djoekoet radja, '
nina si Pëngëltëp „E, totön maka djëlma ërnijar-nijar 15) pe" nina si Laga Man.
E, i-ëltëp si Pëngëltëp si Laga Man.
„Boewang sija! Man kai e ëltëpën akoe, këna pe labo i-panna," nina si
Laga man, „e maka ola kam nijar-nijar ibas tëngab kërangen Limboer e."
..Kai bijarkoe !" nina si Pëngëltëp. „Toehoe la ko 'mbijar '?" nina si Laga Man.
„Toehoe" nina si Pëngëltëp.
Maka i-ajaki si Laga Man, tipakna, 3) mëstak itëngali awang-awang si
Pëngëltëp! E maka 'ndaboeh; sëh itëroeb ngë tërkëtës
I boewat si Laga Man boenga-boenga 'ndoebe sitik, tjimpa sintjirtjir, enda
i tamana i babah si Pëngëltëp, mintër ija 'nggëloeh. Nina si Pëngëltëp : „Nëmbah
akoe bandoe, ola akoe i-boenoeh kam, si-ëmbali-ëmbab kampilndoe akoe gija."
„Em katangkoe 'ndai, mintës ko merawa ngënëbën akoe, boedjoer katangkoe
man bam," nina si Laga man E maka ras ija ërdalin. I-tëmpi si Pëngëltëp
kampil si Laga Man. Doewa dalinni ras, sijar-sijar kërina Limboe raja, ija doewana.
Maka djoempa ija ras sj Péngërintak Boeloeh Soengsang. „Koedja nge
nijar nijar, nina Boeloeh Soengsang."
„La rarangën djëlma ibas kërangen Limboe raja" nina si Laga Man.
„Kai maka lang nindoe?" nina si Boeloeh Soengsang.
„Ma lït si ngatakën bagé ënggo dëkahkoe sijar-saijar ibas kërangen Lim-
boe raja" nina si Laga Man.
14) Men vindt limboe iaja, rimboe raja, limboer raja. 't Juiste woord is limboer,
want dit woord beteekent de lange dorens van de groote rottan = soorten als 'mbelno,
goewang-goewang, die men vooral in oerwoud vindt. In het Tobasch, dat geen 1 en r
in één woord duldt, moet dit worden rimboer, vg. ook hnggoer K. = ronggoer T. e. a.
Met limboe = spiot van een boom, heeft het niets te maken.
15) Ërnijar-nijar. Naar de wijze waarop dit woord is gevormd, zou men bijv. in het
Maleisch de pracfixa bef en më tegelijk voor liet grondwoord mogen plaatsen.
Gelijk uit het later voorkomende ërnëntoo (van tëntoe) blijkt, is deze vorming in
het Karo'sch geen zeldzaamheid. Ze is alleen mogelijk, doordat verscheidene woorden,
die den aanvangsconsonant in een nasaal verwisseld hebben, geheel het karakter van een
actief-duratief ww. verloren hebben, en geheel objectief zijn geworden.
Zoo is bijv. een manoek nopët (van tëpët) een kip die steen vast op dezelfde plaats
hare eieren legt, (vg lidji nofo = wonen, eigenlijk dus: eene vaste plaats hebben).
't Omgekeerde geval komt ook voor, en wel om dezelfde reden. Zoo zijn er woor-
den, die na er (r, re) aangenomen te hebben, ook nog het act-duratief praef. ngi voor
zich nemen.
ëinbah (i-ëmbah), rëmbah, ngerëmbahi.
oelah (i-oelah) roelah, ngcroelahi.
14
„Akoe pe 'inbëlin, 'mbëlin ibas tëngah kërangën enda!" nina si Boeloeh
Soengsang; „ma llt djëlma, di djoempa, bage tjakapna!"
„Radoe djoempam kita sendah; di la kam mate, akoe mate; sendah kam
mërijah me!'' nina si I.aga Man.
Maka i-rintak Boeloeh Soengsang boeloeh 'mboer, i tjaboetna, ënggo me-
roewah ras tanëh, ras oeratna. E, maka i toetoekënna si Laga Man, noeroek
si Laga Man arab tëroeh.
E maka i-tipak si Laga Man, mintër kitjat si Boeloeb Soengsang. Maka
tangis si Boeloeb Soengsang.
„Enam katangkoe 'ndai mëna kita arih-arih, mintës kam mërawa," nina si
Laga Man.
„Di bagé, nembab akoe, tangtangi nabekoe e" nina Boeloeb Soengsang.
I-tangtang si Pëngëltëp Boeloeb Soengsang „Ènta dage piso e," nina Boeloeb
Soengsang. E maka i-bërekën si Laga Man. I-takilna boeloeb 'ndai maka ïnë-
loewab nabena.
Maka i-bërekën si Laga Man ngisap Boeloeb Soengsang. Ngisap ija
tëloena. Enggo ras ngisap, arib-arih ija.
„Tdjanari kam!" nina Boeloeh Soengsang.
„Akoe ërdalin dalin, ma pet nandekoe, toeraugkoe kërina; poewas ngënëhan
akoe, e maka akoe ërdalin dalin." Si kai dage gëlarndoe, e tëmanV" nina si
Boeloeb Soengsang. „Gelarkoe si Laga Man " — „Tëmanndoe e, sënina kam
doewana'?' — „Lahang". — „E, dage, si kai gëlarna?" „Si Pëngëltëp Begoe." —
„Ola nai kita roebat tëloena" nina si Boeloeb Soengsang, „kam bapa kami
doewana ." E maka la ne roebat ija.
Lawës ka ija ërdalin-dalin, i-lawësina pitoe lapis dëlëng. Ngadi ka ija
ngisap. Lit sada dëlëng nari. Sëb ija idas, i tatapna koe bërnëb. Idabna koeta
sada, nuesoer ija koedje. 'Ndabi djëlma idje, përdagang lada. E maka koe
sapo ija, i-datna 16) i sapo pëngoeloe dagang. I-bërekënna ngisap. I-berekën
pëngoeloe ngisap ka.
„Akoe koetëroeb 'ntisik," nina pëngoeloe Noesoer ija koetëröeb, sijar-sijar 3)
ginëmgëmna kërina lima poeloeb kalak, i-katakënna poeloeng. E, maka arih-
arib kërina idje: „Lit djëlma tëloe kalak koe sapokoe dagangta enda, ma kalak
e pang koebas sapokoe, 'mbijar kalak" nina pëngoeloe dagang.
Si-boenoeb gëlah, si pan", nina ginëmgëm. „Bagé" nina pëngoeloe. E
maka 'nggaroet ija kërina pisona.
16) I-datna. Zelden vindt men deze constructie. Meestal vindt men dat of datsa.
Goed gebruikt geeft men er echter een fijn onderscheid mee aan. Dat in de beteekenis
van „vinden" „verkrijgen" wordt meestal niet vervoegd. Beteekent het echter: ontmoe-
ten, toevallig aantreffen, dan kan de vervoegde vorm gebezigd worden.
't Gebruik geeft dan echter de voorkeur aan het niet samengetrokken woord, nl.
daptt, dus koe-dapet, i-dap^t kam (ko), i.dapitna.
15
Lawës ija koe sapo. Maka sëh ija kërina, nina pëngoeloe: „Koetëroehlah
kam tëloe e silih, gëlah ngisap kita". — „Bantji" nina si Laga Man.
Idah si Laga Man ënggo 'mbëntar kërina piso. Maka i-boewat si Laga
Mrin simpoekoel tjimpa ras boenga-boenga si'ambar, maka i-tjidoerina, i poetarina
tëmanna ras ija.
Noesoer ija, i-bërekënna pëngoeloe ngisap, mintës i takil ginëmgëm kërina
ras pëngoeloe, sigalah matawari asa tjigër, lalap ma mate, sabap ma tëlap.
Knggo latih pëngoeloe, kijam. I-boenoeh si Laga Man pëngoeloe dagang.
„O, tëman kërina, ënggo poewas atena nakili kami, pagi-pagi nari asa
bën matawari. Labo kena i-boenoeh kami; maka 'nggït kam moenoeb kami
tëloena, përbahan kata pëngoeloe dagang. Kena labo i boenoh kami, ola kam
'mbijar," nina si Laga Man.
Nëmbah kami kërina, ola kami i-boenoeh nina ginëmgëm. „Lahang" nina
si Laga Man.
E maka i-bërekënna kampilna man si Laga Man ras tëmanna. Ialokënna,
ngisap. Ginëmgëm deba moewat tëboe, koelitina, 3) i-bërekënna. I pan si Laga
Man ras tëmanna. Unggo mëngoes tëboe: „Koedas kita," nina si Laga Man
Ërdakan përdagang, i gëlëh manoek. Enggo tasak kërina, dilona 3) si Laga
Man ras tëmanna Man kërina ras, lima poeloe doewa, mintër mëdem
Sangana tërang oewari, ariharih ka ija kërina.
„Lawës kita koe djoema, gëlah kita ërtjakap". 'Ndarat si Laga Man.,, Koe
djoema kena kërina, barang-barang la bantji bene," nina si Laga Man. E maka
koe djoema kërina nongkati lada; si Laga Man i sapo tading
Tande siboelan, mëngëlngël akapna; di lawës ija 'mbijar ija bene barang.
„Ma bage tëman kërina. i-bahan sëkalak man tading i sapo." — „Bage pe
mëhoeli", nina kërina.
E maka i-bahanna sada pëngoeloe dagang.
„Ma tërtahan akoe koendoel-koendoel idjenda. Lawës kami, rëh kang,"
nina si Laga Man. I-soewanna koening i doeroe sapo, katjang singkëbëna.
Ènggo koe-soewan sinoewan-sinoewan enda i doeroe sapota. Di meloes
pagi, banggër me silih atendoe, lawës kam doewa, tëloe kalak ngidahi 17) akoe."
E maka lawës ija tëloena ërdalin koempak matawari bën. Sitengah
oewari djoempa ija sada koeta. Enggo mëlëngët kësain. Maka noengkir ibas
benteng nari dibëroe sëkalak, nina: „ola ërdalin-dalin kam ibas kësain. I-djanari
kam 'ndai?
Adjangkoe la nai ërnëntoe 15) bibi" nina si Laga Man. „Di ma nai
17) Ngidahi. Ik heb dit woord hier behouden, doch betwijfel of het goed is. Ik heb
het nooit gehoord. Stam is hier idah = zien. Ik vermoed dat de verteller hier 'ndahi
(gw. dahi, waarvan dahïn, zie boven aant. 11) gebezigd heeft, dat beteekent: nako-
men (oen werk), naar iem- of iets gaan zien, maar iemand toegaan, iemand bezoeken e, d.
16
ërnëntoe, di mësikël kam idjenda, bandji. 01a kam ërdalin-dalin ibas kësain e,
lit mërawa manoek si goerdi-goerdi," nina dibëroe.
, Labo akoe 'mbijar bibi; mate mm totönkoe, la 'mbëra 17 a ) nina pëngin-
dokoe", nina si Laga Man.
, La pe 'mbëra nina pëngindokoe nindoe, 'mboevve kalak mate ibas koeta enda,
ëoggo këri i pan manoek si goerdi-goerdi. Ma idah kam ënggo mëloengoen
koeta enda?" nina dibëroe.
„Idje labo akoe 'mbijar," nina si Laga Man. „Terboenoeh kam manoek
si goerdi-goerdi ënggo kam salib djadi radja ibas koeta enda; ënkgo i-kërikën
manoek si goerdi-goerdi toerang kami", nina dibëroe. „Bantji koe-boenoeh,"
nina si Laga Man.
,,Mari, koebas kam, talangi pintöen enda, ola mëlawën, rëb kaija;idahna
kita, mate kita", nina dibëroe.
„E, bantji koebas", nina si Laga Man. I-talangina, koebas tëloena, i toe-
toepna ka.
Ertjakap ija kërina, pitoe kalak.
„Koega bëlinna manoek si goerdi-goerdi, e bibi?" nina silaga Man. „E
'mbelin mama!" lit kabëngna sidëpa simbëlab 18; bëlangna, em bëlinna," nina
dibëroe.
„E ngentja 'ngkërikën djëlma ibas koeta enda?"
„Oewe mama!"
Bën oewari i asabna, si Laga Man pëdang si boeloeng galoeh. E maka
i-toerapna pëdang 'ndoebe aloë tjimpa. I-tadingkënna Boeloeh Soengsang ras
Pëngëltëp ibas koeboen ras dibëroe 'ndai ; 'ndarat si Laga Man nimai si Goerdi-
goerdi ibas kësain.
Idabna sirang doewa poeloeh dëpa nari 'ngkijap si Goerdi-goerdi.
„E manoek 'ndai'' atena si Laga Man. Irintak pisona, e maka i-kësabina,
djëkdjëk ibas kësain.
Nangkis djëlma manoek si goerdi-goerdi. I-tangkisna, takil si L. M. tamboeri
kabëngna sada ënggo si Laga Man, tamboer, tërkëtës.
„Enggo meloes koening pëngoeloenta, sëndab kita ërdalin koempak mata-
17«) 'mbera = gebeuren, geschieden, een merkwaardig woordje. Het moet wel het-
zelfde zijn als 't Gajo'sche mera (zie boreng. bijdrage Album-Kern, noot 26), dat weer
beantwoordt aan het Tob. ra (zie v. d. T. wdb. ra II), dat het faturum aanduidt : ra
oedan, 't zal gaan regenen, er komt regen. Men heeft nog de uitdrukkingen 'mb ( ra
ola = 't is te hopen van niet (dat het niet gebeure) en 'mbera 'mbera = och of = het
Mal. moedah-moedahan. Min of meer synoniem met 'mbera is teka = gebeuren, toevallig
(gebeurde het) vg. Jav. teka = komen,
18) Sidepa simbelak eene on-Karo'sche wijze van uitdrukken. Ik hoorde nooit anders
dan ttingah doewa.
17
wari ben," nina pëngoeloe dagang i-tama si Laga Man. Lawës ija E maka
ënggo ija djoempa, idabna nabe si Laga Man, nabena këntja, i-tamboeri kabëng
si goerdi-goerdi.
Maka i-rintakna ibas përpandën, emboesina igoengna E maka moelibi ka
'nggëloeb ; ënggo mato manoek 'ndai.
Tjakap si Laga Man ras pëngoeloe dagang. Lawës ija koe koeboën dibëroe
si ëmpat kalak Arib-arih ija kërina. „Sada e ngëntja gëlgël 'ngkerikën djël-
ma?" nina si Laga Man noengkoeni — „Oewe mama'', nina dibëroe; „La nai kita
'mbijar ërdalin ibas kësain." Lawës ija ërdalin-dalin, i-sijar-sijarna kërina roemali,
barang si mëbërga i pëpoeloengna kërina.
Bën më. Nina si Laga Man: „La nai lit djëlma ibas kësain enda; ngëna
atendoe, bangkoe 19) kam."' — „Ngëna", nina dibëroe. E maka i-ëmpowina:
sada man pëngoeloe dagang, sada man si Laga Man, sada man si Pëngëltëp,
sada man si Boeloeli Soengsang Maka i salihkëo si Laga Man, anak-beroena
si Boeloeb Soengsang; si Pëngëltëp djadi anak-bëroe pëngoeloe dagang. Maka
lawës pëngoeloe ras anak bëroena. Ërdalin ija. Enggo sëb i dagang: „Maidab
kam toeboe nge koening si meloes ndoebe, mënam mate pëngoeloenta", nina tare
ginëmgëmna „Enggo kami dat pëngoeloenta, labo mate; i-ëmboes kami igoengna
aloë ëmbi es-ëmboes përpandën, lang kïn mm."
„Di la kïn mate, mëboeli me, ënggo gija meloes boeloeng koening 'ndoebe.
Atekoe kïn ënggo mate koe-idah mëlawen kam rëb," nina ginëmgëm.
„Mëlawën kami rëh ërtjakap-tjakap kami."
„Kai tjakap kena?" tina. — „Tjakap ëmpo," nina. — „Tse man banta 19)?"
nina. — „Endam kap, enggo baba kami doewa, idja tading doewa man si Laga
Man ras si Boeloeh Soengsang. Man banta koeta sada"
«Mëboeli me!"
19) bangkoe, bandoe, bana, banta, (bangkami en bangkena komen niet voor, 't wor.^t
dus alleen met de verkorte pron. person. verbonden).
ba moet vroeger persoon beteekent hebben, bangkoe dus : mijn persoon (in het
Tob. is ibana nog = hij), 't Is gelijkwaardig met diri. Mahan bana = mahan dirina =
van zelf ontstaan, gekomen; moenoeh bana = zich om 't leven brengen, 't Wordt alben
in den accusatief gebezigd, en dan bij voorkeur na 't voorzetsel man = aan, tot, jegens,
dat echter welluidendheidshalve vaak weggelaten wordt.
Si man bangkoe etc. = die aan mij (etc.) behoort is de veelvuldig gebruikte omschrij-
ving voor vrouw (wife).
Daarom heb ik het zinnetje hier vertaald : „als ge wilt, word dan mijne
vrouw."
Verh. Bat. Gen. LVI, 1ste st.
VERTALING.
VERHAAL VAN LAGA MAN.
Fr was eens zeker vader. Hem werden kinderen geboren, maar ze stierven
telkens. Daarom gaf hij (eindelijk) een van zijne kinderen den naam „Laga Man",
opdat hij goeden eetlust hebbe, zeide hij.
Hij schepte (hem) een lepelvol (rijst) op, 't was dadelijk op! „Dit ons
kind leeft 1 ' (zeide hij) Den volgenden dag schepte hij twee lepels op, ook die
waren op, voor hij verzadigd was.
Zoo (at hij) vier lepels vol op, een gantang, een toemba, twee toemba,
vier toemba, een schepel a), nog was L M. niet verzadigd
„Dit ons kind is niet meer te onderhouden, vind ik," zei zijn vader; „hij eet
al een schepel rijst op."
Men zou hem eens voeren ; er werd een varken geslacht ; men gaf hem,
hem alléén gaf men het te eten, ook dat ging op, én 't varken én de rijst; zijn
vader kreeg er niet meer van.
„'t Zij zoo, als mijn kind maar voorspoedig opgroeit" (eig. spoedig groot is).
Steeds nam hij nu voortaan een rund, dat ze gezamenlijk opaten. Eens
was hij een rund aan 't braden (lett. schroeien), met zijn broeders. Toen 't gaar
was, riep hij zijn kind, hij gaf het hem, hij at de toespijs heelemaal op, het rund
en de rijst, zijn vader en moeder kregen niets meer.
„Wij kunnen hem niet meer onderhouden, alles wat we kunnen krijgen
eet hij op," zei zijn vader.
Hij ging naar 'tbosch; met z'n tweeën gingen ze, [hij] en zijn zoon. „Ga
jij hier zitten om op onze kampil (sirihmandje) te passen, dat het niet gestolen
worde, ga niet van je plaats."
De vader ging nu een banjaanboom vellen, hij zette maar door, [maar]
dien heelen dag werd hij niet geveld (eig. viel hij niet om) Toen ging hij naar
huis. „Kom, we gaan naar huis, mijn kind, 't wordt avond."
a. Als eenheid voor 't meten van rijst, maïs enz. gebruikt men de toemba. Ieder
dorp hoeft zijn eigen toemba en deze is niet overal even groot. In Boeloeh Awar, waar
ze vrij groot is, is haar inhoud 2,10 L.
Men heeft de volgende hoeveelheden: gantang = *A toemba; nalik = 10 toemba;
pdgan (si-m-pelgan) = 20 toemba; karoeng = 30 toemba; koentja = 100 toemba.
19
Hij nam [de kampilj in een doek op zijn rug; hij ging, hij at in huis,
toen ging hij slapen. Zijn vader ging [de zaak] bespreken met zijne vrouw: „zoo pas
heb ik gindschen dikken banjaan willen omkappen, hij is nog niet geveld, 't is
zijn geluk (zijn toebedeeld lot) dat hij nog niet dood is; morgen komt de
boom, dien ik vel, dóór, laten we [zoo] dit ons kind ombrengen".
„Breng 'm om", zei zijne vrouw. — „Kook dan morgen-ochtend heel vroeg." —
„Ja", zeide ze.
Den volgenden dag aten ze weer. „Gaan we, draag onze kampil," zei de
vader, „opdat de boom geveld worde, voor brandhout." Toen ze weer op de
plaats van vroeger gekomen waren, zei de vader: „Ga gij daar zitten, om op onze
kampil te passen, ga niet weg, wees maar niet bang, ik ben daar op dien heuvel,
wees straks niet bang."
„Ik ben voor niets bang, vader," zei L. M. — „Nu, goed dan; kom, ik zal
dan doorgaan dien boom te vellen, dat hij omvalle."
De zon stond al laag, toen de boom omviel.
Hij viel boven op L. M., zoodat die zelfs niet meer te zien was. r L. M.
is dood", dacht de vader. „Mijn kind is dood, [hij is nuj bij zijn broers", zei de
vader.
Hij ging nu naar huis. „Ons kind is dood, vrouw," zei de vader. „Haal
kippen van beneden, zoo'n stuk of vier." Wel, ze haalde ze.
„Hier zijn de kippen", zei zijn vrouw.
Hij riep [nu] zijn zwager, van de benedenstroomsche djaboe b) (ruimte
voor één gezin) „Wat is er, zwager?" zei deze. — .Slacht deze kippen, je neefje
L. M. is gestorven." — „Ja", zeide hij. Hij slachtte al de kippen, c)
Toen 't klaar was gebood hij: „Sta op, zwager! laten we eten!" Toen aten
ze allen.
De rijst werd opgeschept, ze aten allen, [hij] en zijn zwager en zijn zuster.
Zijne zuster wierp [wat] rijst onder 't huis, ééne bal, en toespijs van kip. d)
b) Over de inrichting van een Bat. huis, zie mijne lezing, Med. Ned. Zend. Gen.
Deel 46, 4 de stuk pag. 420 e. v.
Het roepen had dus plaats van uit de benedenstroomsche djaboe, daar de vader
van L. M. pëngoeloe van het dorp was.
Uit den Bat. tekst blijkt dit door 't gebruik van 't woordje arah duidelijk genopg.
c) Het bereiden van de toespijs is een werk van vertrouwen. In de Bat. wereld,
waar vergiftiging nog al eens voorkomt, is het dan ook niet onverschillig, wie dit doet.
Als regel geldt dat de anak-bëroe dit doet, gelijk ook in dit verhaal, daar toch silih in
den eigenlijken zin = anak-b fe roe. Zie bovengenoemde lezing pag. 392 e. v. en Med. 46
l ste st. pag. 2 e. v.
d) Als offer nl. aan de daar waarschijnlijk rondwarende begoe van haar dood
gewaanden zoon.
20
Toen ze allen klaar waren met eten, zeide de oom van L. M.: „Kom, rook
eens, zwager! e) wat kunnen we er aan doen, 't is nu eenmaal ons fatum f), o
zwager" Toen rookten ze. „Kom, je kampil, o zwager!" zei de vader.
Er werd van beneden (d. i van buiten) geroepen: „o, vader!" — De vader
zeide: „Wat is dat toch! zwager?" — „Net de stem van L. M. vind-ik", zei
zijn zwager.
„O vader! waar moet ik dit brandhout neerleggen?" vroeg L M. (letterl.
zeide L. M. vragende). Toen schrok zijn vader, hij deed de deur open, en zag
dat het heele dorpsplein met takken versperd was; hij had den boom op de toere
(een uitgebouwde vloer, meest van bamboe, aan de voor- en de achterzijde van
elk. Bat. huis) gelegd; deze was ook ingestort
„Wat is dat tocb, vrouw! daar heeft hij den heelen boom meegebracht, de
toere is [er] ook [van] ingestort. Het heette dat hij dood was, mnar hij is niet
dood! Ik dacht dat hij dood was. Wat zullen we toch tut hem zeggen!" zei
zijn vader.
„Wees maar niet bang, zwager, laat ik hem maar in huis (d.i. binnen)
roepen".
„Daar heb je al het brandhout thuisgebracht, de toere is [er van] ingestort.
Kom nu maar over dezen stam naar boven," zei zijn oom, „dat je kan eten."
Toen gaf hij hem te rooken. Zijn vader was bang! Hij gelastte het heele
dorp, de takken van den boom af te kappen. Ze hakten die alle af, tot brandhout.
Zijn vader beval: „Neem een buffel, opdat hem, mijn zoon, te eten ge-
geven worde. Gaat allen gezamenlijk de toespijs koken, hij is moe, hij heeft
al dit ons brandhout gebracht, laten we hem daarom te eten geven." Toen alles
gaar was, en klaar gezet, werd L M. ten eten genoodigd : „Eet mijn kind, je
bent moe," zei zijn vader. Hij at een heelen buffel op, èn de toespijs, on de rijst.
Niemand kreeg er meer van !
Toen gaf zijn vader hem een slaapmatje, zeggende: „Kom ga, slapen in
onze djamboer" (jongelingenverblijf) g). Hij ging heen.
Toen L. M. sliep, gingen zijn vader, diens zwager, en al de onderdanen
overleggen. „Wat zullen we nu toch doen; laten we samen gaan beraadslagen",
zei hij tot de dorpelingen.
e) Een steenvaste gewoonte bij de Bataks, dat na het eten een strootje gerookt
wordt, terwijl de vrouwen (en ook wel sommige mannen) een sirihpruimpje genieten.
Het is onbehoorlijk terstond na 't eten op te staan en zich te verwijderen.
f) Zie over fatum (pangindo) Meded. 46, 4 de st. pag. 371.
Men zou den zin dus haast kunnen vertalen met:
't Is nu eenmaal onze eigene verkiezing. Eene voor ons merkwaardige opvatting
van fatum, daar toch bij ons noodlot en eigen verkiezing tegenstellingen zijn.
g) Jongelingen eu ongehuwde mannen of weduwnaars mogen niet in huis slapen.
21
„We zijn er mee aan (lett. we vinden 't moeilijk te denken); zoo'n kolos-
sale boom, als gij geveld hebt, is op hem gevallen en dien heeft hij thuis gebracht!
Daarom zijn we er mee aan," zeiden de lieden.
„Er is een berg [met] een grooten steen [er op]; stuur hem een volgenden
keer naar het dal." — „'t Zij zoo," zeide de vader; laat mijn zwager hem naar het
dal brengen, dan gaan wij allen boven den steen uitgraven."
De oom van L. M. bracht hem naar het dal. Hij ging met zijn oom, en
leidde eene geit aan de hand. In het dal aangekomen, bond hij de geit [aan
een boom] vast.
„Pas op deze onze geit, ik ga een kapijas-versiering h) halen, laat haar
niet in den steek, dat ze niet straks door een tijger opgegeten worde," zei zijn oom.
„Neen, [maar] laat mij niet achter. Zoolang gij nog niet gekomen zijt, zal
ik haar niet in den steek laten", zei L. M.
Toen zijn oom op den berg gekomen was, gingen ze allen te zamen den
steen uitgraven, met de onderdanen, het heele dorp. Toen ze zngen dat de helft
van den steen uitgegraven was, gingen ze hem met een hefboom lichten.
Toen hij vond, dat het lang duurde voor zijn oom kwam, riep L. M.
„Oom, oom, [kom] gauw!"
„Licht hem gauw," zei zijn oom; „ik hoor (lett. er is) zijn stem beneden."
Toen gingen ze vlug te werk, en terstond rolde de groote steen naar beneden.
Hij viel boven op L. M., [zoodat deze geheel] verpletterd [werd] !
Toen keerden al de lieden naar het dorp terug, allen waren moe. „Haal
een rund, voor onze toespijs," zei de vader van L. M Zij namen een rund, slachtten
het; sommigen gingen rijst koken, anderen schroeiden het [vleesch] Toen alles
gaar was, gingen ze terstond allen eten.
„Nu, denk-ik, zal toch L. M. wel dood zijn, getroffen door dien steen;
|zoo] heel hoog van boven van dien berg," zei zijn vader.
Allen voelden zich moe. Toen ze gegeten hadden, rookten zij Toen gingen
ze naar het dorp, een ieder naar zijn eigen huis. Even later werd het avond.
De kinderen sliepen al, de oude lui zaten nog wat te praten Terwijl ze
nog aan 't praten waren, kwam L. M. Hij bracht den grooten steen mee ; hij
droeg hem op zijn hoofd.
„O, vader!" zei hij, „waar moet ik dezen steen doen?" — „Daar maar,"
zei zijn vader. Daarop wierp hij hem midden in het dorp. Een rijsthuisje werd
h). Van zoo'n kapijas-versiering vindt men eene afbeelding (belaas van de
binnenzijde) en eene korte beschrijving in Veröffentlichungen aus dem Kön. Museam
für Vülkerk. III Band 1. 2. Heft. Berlin 1893, pag 33, No. 81. De versiering wordt
ook wel in den vorm van een roset gedragen (zie No. 76).
De plant is een parasiet, op hooge boomen voorkomend.
De geur is doordringend en alleen voor Bat. reukorganen aangenaam.
22
geraakt, platgedrukt door dien steen. De steen was mooi om tot zitplaats te
dienen voor al de lieden.
Toen werden zijn vader en zijn oom [die] in huis [waren] bevreesd, ziende
dat L. M. den steen naar het dorp gebracht had,
„Hoe zullen we 't overleggen, hem binnen te roepen, o zwager?" zei de
vader
„Wees maar niet bang; als we bang zijn, zal' hij ons stellig dooden, dien
grooten steen heeft hij gebracht!" zei zijn zwager. Toen was zijn vader niet meer
bang. „Moet ik sterven, 't zij zoo" (lett. dood, dood!) dacht hij.
Toen ging hij naar beneden, om L. M. te roepen. L. M. zeide: „Pas op
de geit, zei oom, in het dal; ik wil een [kapijas] versiering hebben, zei oom,
maar [hij ging] dien grooten steen op den heuvel uitgraven ; mij dooden, dat was
jelui plan, oom, vader, tante, moeder. Als [gij] mij wilt dooden, dan niet aldus;
laten we er allen eens over praten, vader, moeder, oom en zusters, i) Verschaf
me, o moeder, zeven ƒ) rcode bloemen k) (Hibiscus Rosa Sinensis); tante's schuld
zij zeven kluitjes meel, oom's schuld een hoofddoek, mijn zuster een kampil, mijn
vader een mes, mijn oom (van moeders zijde) een gordel.
Toen gaven ze hem dit alles.
,,Nu dan niet aldus, /) mijn vader, moeder, oom, tante, gij al mijne zusters,
die niet om me geeft en u tegenover mij schaamt, dat ik dus ga; vergeet me
niet; al zouden we wel bij elkaar willen blijven; als we het allernoodigste
eten m) ons niet kunnen verschaffen? [wat zit er dan anders op?]. En dus, gij
i) Die zusters komen hier zeer vreemd, het begin van 't verhaal in aanmerking
genomen. Eene oplossing is dat men anak niet neemt in den algemeenen zin van kind,
maar naar de Tobasche beteekenis van zoon, tegenover boroe (dochter).
Hiermee klopt, dat als de vader L. M. dood waant, hij zegt, dat hij bij zijn
broeders (sënina) is.
j) Zeven is bij de Bataks een bijzonder heilig getal, veel meer nog dan de andere
oneven getallen. De Bat. litteratuur wemelt van voorbeelden, 't Zal zijn grond wel
hebben in de vier maal zeven dagen tusschen de verschillende schijngestalten der maan.
k) De boenga-boenga is ook een der bijna bij alle kërdja's of lakön (plechtigheden)
onmisbare ingrediënten, en ze zal dit wel aan hare kleur (rood) te danken hebben. Rood
toch is over 't geheel de kleur der offers aan de hantoes (natuurgeesten) en dit zeker
wel weer omdat het de kleur van 't bloed is. Er zijn aanwijzingen, dat bloedige offers
vroeger veel meer voorkwamen dan nu.
ï) „Nu dan, niet aldus", eene uitdrukking waarmee vaak een spreken begint,
zonder dat het bepaald op iets voorafgaands terugslaat, niet veel meer dan een stopwoord
dus. Deze heele alinea heeft voorts iets gedrongens, en de woordschikking is min of meer
verward. De verteller is blijkbaar door de wel wat lange rede van L. M. den draad
kwijt geraakt. De vertaling is dientengevolge ook vrij.
m) „het allernoodigste eten". Woordelijk beteekent nakan si bën, het „eten voor
den avond". De Batak let slechts twee maal per dag, en 't avondeten is zijn hoofdmaab
23
allen, ik vertrek, moge ik niet met ziekte te kampen hebben," aldus sprak L M.
Hij gaf eerst met de hand een klap op den grooten steen, n) en ging toen.
Hij ging nu het oerwoud in alle richtinsen doorkruisen.
Daar ontmoette hij Pëngëltëp si mate begoe.
„Wie is dat', zei P. — „Ik", zei L. M. — „Dan tref ik vandaag koninklijk
wildbraad", zei P. — „Wel, 't was mijn gebed (stille wensch) dat hier iemand zou
ronddolen, ' zei L. M.
P. schoot nu met het blaasroer op L. M. „Dat is mis; waarom zou je op
me schieten (lett. waarom zou ik het te beschietene zijn), ook al werd ik geraakt,
't zou er toch niet indringen", zei L. M. „Dool dus niet in dit woud rond "
„Waarvoor zou ik bang zijn?" zei P — „Pen ie heusch niet b ng?" zei
LM.— „ Heusch [niet]" zei P.
Toen zette L. M. hem achterna, gaf hem een schop, en daar vloog P. het
luchtruim in! Daarop viel hij naar beneden; beneden gekomen was hij halfdood.
Nu nam L. M een weinig van de roode bloemen, een greintje meel, en
deed dit P. in den mond ; en terstond was hij levend.
P. zeide : „Ik onderwerp mij aan u, dood gij mij niet, laat me maar je
kampildrager worden."
„Dat was 't wat ik zooeven zeide, maar je werd terstond woest tegen me ;
ik sprak [toch] billijk tot je (d. i. behoorlijk en met goede bedoelingen)," zei L. M.
Toen gingen ze samen. P. droeg L. M.'s kampil. Hun beider wegen waren
[nu] een; met hun beiden doorkruisten zij het oerwoud
Vervolgens ontmoetten ze Pëngërintak 1'oeloeh Soengsang.
„'t Is niet verboden, [dat er] menschen [komen] in 't oerwoud," zei L. M.
„Hoe zegt ge zoo van niet?" zei B. S. „Niemand heelt [me] zulks gezegd zoo
lang ik dit oerwoud doorkruis", zei L. M.
„Ik ben ook groot, groot (d i. beteeken ook wat, heb ook nog wat te
zeggen) in dit bosch!" zei B. S. „Niemand, als ik hem tegenkwam, heeft [ooit]
aldus gesproken."
„Dan gaan we heden elkaar tegelijk te lijf; als jij niet dood gaat, ga ik
dood ; je zult vandaag plezier hebben !" zei L. M.
Toen trok B S. aan een dikke bamboe, hij trok die uit den grond, met
wortel en al. Toen stiet hij er mee naar L. M , [maar] deze slipte, bukkende er
omdat hij dit geniet na afloop van den arbeid. Als iemand dus 's avonds niet te eten
heeft, kan men gerust zeggen dat hij aan 'tnoodigste gebrek heeft 't Is dan ook eene
stereotype uitdrukking geworden voor groote armoede.
n) Wat deze haodeling beteekent, ben ik niet te weten kunnen komen. Misschien
zit er ook niets bijzonders achter, maar waarschijnlijk acht ik dit niet. Ik ben geneigd
het te houden voor een teeken dat bij het dorp met den ban slaat, ofschoon dit liier
niet gelijk in 't verhaal van Sese nTaola, uitdrukkelijk verhaald wordt.
24
onder door. Daarop gaf L. M. hem een schop, en dadelijk zat B. S. [in de
bamboe] bekneld. Toen huilde B. S.
„Dat zei ik zoo pas, toen we begonnen te praten, [maar] jij werd terstond
woest," zei L. M.
„Indien 't alzoo is, onderwerp ik mij; bevrijd toch mijn voeten," zei B. S.
P. zou B. S. gaan bevrijden. „Geef dan toch dat mes aan," zei B 8. Toen gaf
L. M. het. Hij hakte in de bamboe en zijne voeten werden bevrijd. L. M. liet
nu B. S. rooken. Ze rookten met hun drieën. Toen ze gerookt hadden, beraad-
slaagden ze.
„Waar komt ge vandaan?" zei B. S. — „Ik, ik reis rond, mijne moeder
en mijne zusters mogen me niet, ze hebben genoeg van me, daarom ben ik op
reis gegaan." — „Hoe heet ge dan, o vrind?" zei B. S. — 'k Heet L. M. — „En
je vrind daar, zijt ge broers ?" — „Neen." — „Wel, hoe heet die dan ?" — „P. B." —
Laten wij drieën niet meer vechten," zei B. S., „gij zult ons beider vader zijn."
Toen vochten ze niet meer.
Ze gingen nu weer op reis ; zij trokken over zeven bergketenen. Toen
hielden ze even stil, om te rooken. Er was nog één bergketen. Toen ze boven
gekomen waren, zagen ze naar beneden. Daar zagen ze een dorp, daarheen daalden ze
af. Ze gingen naar de lieden daar, peperplanters o). Toen gingen ze naar de tuinhut,
daar troffen ze den baas Ze gaven hem te rooken. Hij gaf hun ook te rooken.
r Ik moet even naar buiten," zei de baas. Hij ging naar buiten, en zocht
al zijn lieden op, vijftig man, en gelastte hen zich te verzamelen. Toen gingen
ze samen overleggen. „Er zijn drie lui in mijn hut, in onze nederzetting, anderen
durven mijn hut niet binnen gaan, ze zijn bang," zei de aanvoerder.
„Dat we ze dooden, en opeten" zeiden de lieden. „Goed", zei de aanvoer-
der. Toen gingen ze allen hunne messen slijpen.
Zij gingen naar de hut. Toen ze daar allen waren, zei de baas: „komt
naar buiten, gij alle drie, dat we rooken." — ,,Goed", zei L. M.
L M. zag dat hunne messen blank waren. Hij nam toen een handvol
meel en eene roode bloem, hij spoog er op, en bestipte daarmee zich zelf en zijne
makkers p).
o) Vroeger was peper een voornaam uitvoerartikel, en vonden heel wat lieden,
die op de hoogvlakte geen bestaan hadden of om eene of andere reden de wijk moesten
nemen, als kalak pérdagang in 't verbouwen daarvan hun brood.
De koeta dagang, die men nu nog in de Deli-doesoen aantreft, zijn allen koloniën
van gambir-bereiders.
Wil men nu peper planten, dan gaat men naar de Alaslanden, waar eene kolonie
moot zijn, die in de verhalen Dagang Ranto heet, en tot het gebied van këdjoeroen van
Batoe 'mboelan behoort. Dit ranto moet wel het Atjehsche rantö zijn (zie Dr. Sn. H.
Do Atjc'hers, Deel 1 : 297.
p) Dit „moetari" is nog een algemeen gebruik bij de lieden die ten oorlog
25
Ze kwamen naar buiten en gaven den baas te rooken, terstond ging deze
met zijn lieden [op hen] bakken, van 's morgens zeven uur r) tot 's middags,
ze wouen maar niet dood, omdat ze onkwetsbaar s) waren. De aanvoerder werd
moe en vluchtte. L. M. doodde hem.
„O, vrienden, 't is nu genoeg [lett. 't hart heeft er genoeg van] met op
ons in te hakken, van den ochtend tot den avond. U zullen we niet dooden;
dat ge ons drieën wildet dooden [kwam], omdat uw baas het gezegd had U
zullen we niet dooden, wees maar niet bang", zei L. M.
„Wij bieden onze onderwerping aan; dat we niet gedood worden," zeiden
de lieden. „Neen", zei L. M.
Toen gaven ze hunne kampils aan L. M. en zijne makkers Ze namen
die aan en rookten. Sommigen van de lieden haalden suikerriet, schilden het,
en gaven het [hun]. L. M en zijne makkers aten het. Toen ze suikerriet ge-
kouwd hadden, zei L. M : „komt, laten we naar binnen gaan."
De planters kookten, kippen werden geslacht. Toen alles gaar was, riepen
ze L. M. en zijn vrienden. Ze aten allen gezamenlijk, met hun 52, en gingen
toen slapen.
Toen 't dag geworden was, beraadslaagden ze weer. „Laten we naar den
tuin gaan, opdat we kunnen praten." L. M. kwam nu naar buiten: „Gaat allen
maar naar den tuin, de goederen kunnen niet gestolen worden," zei L. M. Toen
gingen ze allen naar den aanplant, om de peper te stutten; L. M, bleef in de
hut achter.
Na eene maand begon 't hem te vervelen ; [doch] als hij wegging, vreesde
hij dat het huisraad gestolen zou worden.
„Niet aldus (d. i. 't gaat zoo niet langer), er moet iemand aangesteld
trekken. Zoo'n stip op 't voorhoofd heet sarang timah = kogel- af weerder.
Zulk eene ,, bestipping" heeft ook bij sommige plechtigheden plaats als bijv. bij
huisinwijding. Dan geschiedt deze evenwel met tëpoeng tawar, is dus niet rood, maar
geel en zoo'n stip heet dan pagar, en vrijwaart tegen invloed van booze geesten.
r) De Batak noemt zijn tijdstippen naar den stand der zon of naar eene op een
bepaalden tijd te verrichten werkzaamheid matawari sigalah^zon van één staak hoogte =
omstr. 7 uur; pëngoeloewi anaks = het hooger komen dan 't hoofd van een kind ?, ongeveer
van 8 tot 9 uur; pëngoeloewi 'mbëlin = van 9-10; nandangi tjigër = den rechten stand
naderend = ll uur; tjigër of pantëk tjigër = precies rechtop staan = 12 uur; gelang = hel-
lend = 1 uur 's nam; linge = ? = van 2 tot 3; karang-kambing = tijd van 't stallen der gei-
ten = van 3 tot 4; bën, bën oewari of — matawari = donker, van 4 — 6.
s) lëlap beteekent scherp en gold dus eigenlijk oorspronkelijk van 't wapen alleen.
Maar in 't gebruik is men het ook gaandeweg gaan toepassen op den te verwonden
persoon en is het dus onkwetsbaar gaan, beteokenen =këbal. Ik hoorde eens van mijn
regenjas zeggen dat die was een: badjee la tëlap [oedan] = ondoordringbaar voer [regenj.
26
worden 0111 in de hut te blijven." — „Dat is ook goed", zeiden allen. Toen stelde
hij een als hoofd aan.
„Ik kan 't niet uithouden, hier al maar te zitten Wij gaan weg, [maar]
komen weder," zei L. M. Hij plantte curcuma bij de hut, en één bos (stoel)
katjang (zekere boonensotrt, met korte, platte peulen).
„'k Heb hier bij de hut planten geplant. Als deze later verwelken, denk
dan : „onze vriend is ziek," en kom gij dan met uw tweeën of drieën naar mij kijken."
Daarna gingen ze met hun drieën /) op reis, naar het oosten. Na een halven
dag kwamen ze aan een dorp. Het plein was geheel verlaten. Van uit eene aarden
versterking gluurde eene vrouw naar buiten : „Loopt niet in het dorp rond ! Waar
komt ge vandaan?"
„Mijn deel (lot) is, dat ik nergens meer thuis hoor, tante," zei L. M. —
„Als ge geen thuis meer hebt, en ge wilt [u] hier [vestigen], dan kan dat. Loop
niet in het dorp rond, dan wordt de Goerda-vogel boos," zei de vrouw.
„Ik ben niet bang, tante; mijn gebed is dat ik moge sterven, maar mijn
fatum zegt, 't zal niet gebeuren," zei L. M.
„Al zal 't niet gebeuren, zegt uw fatum, zegt gij, velen zijn in dit dorp
omgekomen, allen opgegeten door den Goerda-vogel. Ziet ge niet dat het dorp
geheel verlaten is?" zei de vrouw.
„Ook dan ben ik niet bang," zei L. M.
„Als gij bij machte zijt den Goerda-vogel te dooden, dan zult ge vorst in
dit dorp worden; de vogel heeft al onze broeders opgegeten," zeide de vrouw.
„Ik kan hem dooden," zei L. M.
„Komt, komt binnen, open deze deur, treuzel niet, dan komt hij; als hij
ons ziet, zijn we verloren (dood)," zei de vrouw.
„Goed, we komen binnen," zei L. M. Hij opende de deur, ze gingen met
hun drieën naar binnen, en sloot [de deur] weer.
Zij praatten met elkaar, met hun zevenen
„Hoe groot is die Goerda-vogel, o tante?" zei L. M. „Wel, [heel] groot!
oom, zijn vleugels zijn l 1 ^ vadem breed, zoo is zijn grootte," zei de vrouw.
„Ts deze 't alleen, die de menschen in dit dorp opgegeten heeft?" — „Ja, oom."
Toen het donker werd, sleep L. M. zijn zwaard „Boeloenggaloeh" (Pisang-
blad). Daarna bestreek hij het met meel. B. S. en P. liet hij in de aarden ver-
sterking achter, met de vrouwen. L. M. trad naar buiten, om den Goerda-vogel
op het plein op te wachten.
t) Deze lezing is blijkbaar niet de oorspronkelijke, als men de andere verhalen
hierbij vergelijkt, ook de boven meegedeelde Karo'sche variant. Als gevolg hiervan moet
de verteller nu ook wel later vier vrouwen laten overblijven in het uitgemoorde dorp,
in plaats van ééne. En het tehulpsnel'en der lieden uit de kolonie zou ook niet noodig
zijn geweest, als L. M. inderdaad zijn twee makkers bij zich gehad had. Zoo wijst ook deze
innerlijke tegenstrijdigheid reeds op verminking van 't oorspronkelijke verhaal.
27
Daar zag hij, op een afstand van twintig vaam, de Goerda- vogel [met de
vleugels] klappen.
„Dat is de vogel," dacht L. M. Hij trok ziju zwaarJ, beademde het, en
vatte post op 't plein.
De Goerda-vogel placht menschen aan te vallen.
Hij schoot op [L. M ] af, deze hakte hem, hij werd door een der vleugels
bedolven; L. M. raakte er ontler en lag op sterven
„ De curcuma van onzen vorst is verlept, laten we heden op weg gaan naar
het oosten," zeide de opzichter der peperplanters, die door L. M. was aangesteld.
Zij gingen. Toen ze hem vonden, zagen ze de beenen van L. M., de beenen
alleen, [hij] was onder den vleugel der Goerda-vogel bedolven.
Zij sleepten hem naar de smidse, en bliezen hem in den neus. Toen werd
hij weer levend; de vogel was dood. u)
L. M. sprak met den opzichter. Zij gingen naar de schans der vier vrou-
wen. Zij overlegden met elkaar. „Was deze alleen het, die steeds de menschen
op-at?" vroeg L. M. „Ja, oom", zeide de vrouw „wij behoeven nu niet meer bang
te zijn in het dorp te loopen." Zij gingen rondloopen, bezochten al de huizen en
verzamelden al de kostbaarheden.
't Werd donker. L. M. zeide: „Er is niemand meer in het dorp, als ge
wilt, word dan mijne vrouw." — „[Ik] wil', zeide de vrouw. Toen trouwden ze
haar: éen werd de vrouw van den opzichter, één van L. M., één van P., één van
B. S. Nu stelde L. M. B. ?. als zijn anak-bëroe v) aan; P. werd anak-bëroe van
den opzichter. Toen gingen deze en zijn anak-bëroe weg- Zij gingen op weg.
Toen ze de kolonie bereikt hadden, zeide hij tot zijn lieden: „Ziet ge wel, dat
de curcuma, die verwelkte, waarheid sprak ; bijna was onze vorst dood. Wij troffen
hem aan, [nog] niet dood; wij hebben hem in den neus geblazen met den blaasbalg-
der smidse, dat het mocht blijken van niet."
„Als hij niet dood is, dan is 't goed, al waren dan ook de bladeren der
curcuma verlept. Wij (lett. ik) dachten dat hij dood was, omdat ge, zagen we,
zoo laat kwaamt", zeiden de lieden.
„Wij kwamen zoo laat, omdat we allerlei besproken hebben." — „Wa&rover
hebt ge gesproken?" zeiden ze — „Over trouwen," zei hij. — „Wie is onze (beleefd
voor: uwe) vrouw?" — „Wel deze, we hebben twee meegebracht, ginds zijn twee
gebleven, voor L. M. en B. S. Wij hebben [nu] een dorp", w) „Mooi zoo!"
u) Eens hoorde ik dat uit den in stukken gehakten goerda-vogel de tegenwoordige
roofvogels zouden ontstaan zijn.
v) Zie hierover de in aanteekening c opgegeven plaatsen.
tv) Door 't aanwezig zijn der vrouwen hield de vestiging op eene koeta dagang
te zijn. 't Werd nu een dorp als elk and p r waar men inderdaad thuis hoorde, niet meer
als vreemdeling tijdelijk verkeerde.
KARO-BATAKSCBE VERTELLINGEN.
il.
SI ADJI DOEN DA KATEKOETAN
of 't verhaal van den Batakscheii Tooverstaf.
INLEIDING.
Waar van alles, wat in 't Bataksche leven eene min of meer belangrijke
plaats inneemt (en dit geldt zoowel voorwerpen als zeden, gebruiken) een verhaal
bestaat, dat oorsprong en (of) doel wil verklaren, is het waarlijk geen wonder dat
men ook een verhaal aantreft omtrent den Batakschen tooverstaf. Deze toch speelt
eene belaDgrijke rol bij een bepaald soort van „godsdienstige" 1) plechtigheden.
Die plechtigheden zijn tot drie typen terug te brengen, gelijk er dan ook
drie verhalen bestaan, waarop die gebruiken, naar Bataksche opvatting, zijn gegrond.
Dat ik in de eerste plaats 't verhaal van den tooverstaf behandel, is niet
omdat het voor de Bataks het voornaamste is. Maar 't is actueel.
Het tweede verhaal heet Sarindoe toeboeli, het derde, Radja Ketengahen. Zoo
spoedig doenlijk hoop ik deze te doen volgen. De algemeene opmerkingen in deze
inleiding gelden dus voor alle drie, en ik kan later met eene verwijzing naar 't
hier gegevene volstaan.
De drie typen zijn:
a. het krachteloos maken van den boozen invloed van een toovermiddel,
inzonderheid van het penoeroeni. Dit heet ngoelak, en hier komt de tooverstaf bij te
pas. Een met grooten luister en veel (zeven) goeroe s gevierd ngoelak heet nabari.
b. Het terugroepen der tendi (ziel). De eenvoudigste vorm is het 'ngkiljik.
Hiertoe behooren ook het 'ngkijap en erleboes koe deleng.
e. 't Bestrijden van ziekten en ongunstige invloeden, hetzij door 't over-
brengen van de ziekte op iemand of iets anders, hetzij door 't bevrijden, losmaken
1) 't Woord „godsdienstig" zegt eigenlijk te veel en Ie weinig. In zeer veel
opzichten laten die plechtigheden eene vergelijking toe met de „sacramenten" van de eene
of andere afdeeling der christelijke kerk, natuurlijk mutatis mutandis. Die op sommige
punten treffende overeenkomst zal beneden duidelijk blijken. Men zou dus eigenlijk van
„sacramenteele" plechtigheden kunnen spreken. Wat bij ons uitzondering is, is bij den
Batak regel.
29
uit de macht van ongeluk aanbrengende invloeden. Vandaar twee ondertypen, het
persilihi en 't ngarkari, die weer met meer of minder luister en omslag kunnen
gevierd worden, en dan soms afzonderlijke namen hebben.
Nu spreekt het wel vanzelf, dat het verhaal in zijn geheel, als eene ver-
klaring willende geven, jonger moet zijn, dan 't gebruik. Doch aan den anderen
kant is het evenzeer duidelijk, dat die gebruiken gegrond zijn in bepaalde opvat-
tingen, daaruit zijn opgegroeid, hoezeer het mogelijk is, dat die opvattingen thans
niet meer of nist ongewijzigd bestaan.
't Is dus mogelijk, zoo niet waarschijnlijk, dat er van die opvattingen iets
doorstraalt in 't verhaal, dit dus bestanddeelen kan bevatten, die ouder zijn dan
't gebruik. Verschillende gevallen zijn dus denkbaar: 1. 't Verhaal is geheel een
uitvindsel van later tijd. 2. 't Bevat, hoewel onbewust voor den Batak, nog
elementen, die ons licht geven omtrent de idee der plechtigheid. 3. De zin der
plechtigheid wordt nog door den Batak met bewustheid gevoeld en 't verhaal is
dus in hoofdzaak eene juiste verklaring.
Daar 't mij hier in de eerste plaats te doen is om 't verhaal zelf, kan ik
niet al deze dingen in bijzonderheden behandelen. Dit zou op zijne plaats zijn
in eene verhandeling over de plechtigheden zelve, een haast onuitputtelijk rijk
en zeer leerzaam onderwerp, maar ook een gebied vol moeilijkheden en tal van
niet of nog niet voldoende opgeloste kwesties, dat als zoodanig een onderwerp
van speciale studie is, en eischen stelt w r aaraan ik bij lange na niet kan voldoen.
Alleen waar het tot recht verstand van den tekst onmisbaar is, zal ik een
enkele toelichting van dien aard moeten geven. Laat ik overigens nog een paar
algemeene opmerkingen mogen maken.
1°. Zal eene plechtigheid effectief zijn, dan moet noodwendig het verhaal
daarbij verteld worden. Men noemt dit matpat (van patpat), een woord, dat eigen-
lijk beteekent: in 't lange en breede iets nagaan, uitpluizen, ontwikkelen, fig.
bijv. gebruikt in de uitdrukking, bagi si ni-palpati, van een kind, dat voor zijn
leeftijd buitengewoon in de lengte gegroeid is, dus a. h. w. uitgerekt is. Patpal
is 't best te vertalen met : omstandig en met redenen omkleed verhaal, formulier.
2°. Naast het verhaal komt voor de tabas, het prevelformulier, de aan-
roeping der goden en geesten, het gebed.
3°. Verder vindt plaats het ermangmang, d. i. het uitspreken van een of
meer mangmang = korte formule, soms een zegenspreuk over den zieke, of over
de bij elke plechtigheid onmisbare.
4». poeloengen, letterlijk, dat wat bijeengebracht moet worden, dus de
bcnoodigdheden, ingrediënten (1).
(1) Hier blijkt de overeenkomst met onze sacramenteele handelingen. Neemt bijv.
het bedienen van den Doop, met het lezen van 't formulier (patpat), het uitspreken der
gebeden (tabas), 't bezigen der Doopformule (mangmang) en het Doopwater {poeloengen).
30
Wat nu speciaal 't verhaal van den tooverstaf betreft, in zooverre dit eene
verklaring tracht te geven van 't bezigen van dien staf, en waarom deze uit het
hout van den tenggolan (1) moet vervaardigd worden, is het natuurlijk van betrek-
kelijk jongen datum. De eigenlijke kern echter is ongetwijfeld een mythe.
In het artikel van den Heer Meerwaldt: de Bataksche tooverstaf (Bijdr.
T. L. en V. kunde v. N. I. 6 de volgr. X) heeft deze met groote scherpzinnig-
heid de opvatting verdedigd, dat de staf in verband gedacht moet worden met
regen en bliksem. Die scherpzinnigheid kwam vooral uit in de ontleding der
namen van de twee hoofdpersonen, en 't in verband brengen der beteekenis met
de reeds als bij intuïtie gedane ontdekking, dat de eigenaardige vorm van den
staf aan een neerslaanden bliksemstraal deed denken, inzonderheid zooals die zich
meermalen aan den schrijver had vertoond, in het dal van Silindoeng.
Prof. Kern heeft in 't Intern. Archiv. für Ethnografie Band XV, Heft IV
reeds eene welverdiende hulde gebracht aan 't scherpzinnig betoog van den Heer
M. en gaf naar aanleiding daarvan eenige mededeelingen over den Vajra van
Indra. Prof. K. eindigt het artikel aldus: „Het behoeft niet gezegd te worden, dat
de door M. gegeven verklaring hierdoor [nl. door het volgens Prof. K. onafhan-
kelijk van elkaar gekomen zijn tot dezelfde beschouwing van den bliksemstraal
als symbool van een vijanden verdelgend tooverwapen, door Bataks en Indiërs]
zoo'n hooge mate van waarschijnlijkheid erlangt, dat ze aan zekerheid grenst."
De Heer M. mag zich met dien lof gelukkig rekenen, te meer, omdat zijne
verklaring niet maar alleen in zeer hooge mate waarschijnlijk, doch ontegenspreke-
lijk juist is. Het Karo'sche verhaal nl. heeft veel beter het ten deele mythisch
karakter bewaard, dan de door den Heer M. gegeven Tob. lezing (2) en er komt
ééne zinsnede in voor, die het tot volkomen zekerheid verheft, dat de tooverstaf
in verband staat met het onweder.
Bij de geboorte van den held van 't verhaal, tegelijk met zijne zuster, de
zeven honden en de slang, heeft nl. het volgende verschijnsel plaats, dat ik hier
eerst met de Bataksche woorden beschrijf: „E, meroeroes langit, mesoewak me
papan, metjëpik palas, metemboek tanëh, dat letterlijk vertaald, luidt: Toen kwam
de hemel naar beneden (nl. als eene aard storting), werden de planken (de vloer)
afgerukt; de steenen neuten kregen barsten, en er ontstond een gat in den
(1) Tenggolan is dezelfde boom als de pijoe-pijoe tanggoehan of tanggoelan bij
den heer Meerwaldt. Waarschijnlijk is het de cassia fistula (zie Filet op „tangoeli").
(2) 't Verhaal van den heer Westenberg, voorkomende in zijn : „Aanteekeningen
omtrent de godsd. voorstell. der Kaio-Bataks," wijkt in vele hoofdpunten zeer af van
de door mij verzamelde lezingen. Hoe belangrijk en in vele opzichten verdienstelijk de
bovengen. studie van den heer W. ook is, ze werd na een nog niet zeer lang verblijf
van den Heer W. onder de Bataks, uitgegeven, en vertoont daarvan al de sporen,
't Verhaal geeft stellig de Karo'sche traditie onjuist weer.
31
grond. Als dat niet eene nauwkeurige beschrijving is van de uitwerking en de
verschijnselen van den inslaanden bliksem, wat is het dan?
En zoo opgevat, dit wil ik terstond hierbij voegen, is, dunkt mij, aan de
verschillende personen in de mythe eene bepaalde plaats aan te wijzen. Doenda
Katekoetan is nl.i de verpersoonlijking van het onweder in zijn geheel, hoewel
't meest op den voorgrond treedt het geduchte, vreeswekkende, en dus vooral
donder en bliksem, zijne zuster is de regen, de honden de wolken, en de slang óf
de bliksemstraal in 't bijzonder, of, wat ik voor waarschijnlijker houd, de ten
gevolge van het onweder gezwollen rivier (1).
De Karo'sche namen zijn over 't geheel zoo verminkt, dat men zonder
kennis van de Toba'sche niet zoo licht tot hunne ware beteekenis zou hebben
kannen doordringen. Door de Tobaneezen is dus de mythe wel tot de Karo's
gekomen, en mede daarom twijfel ik er aan of ze in oorsprong wel zuiver Ba-
taksch is. Wel vertoont ze zich geheel in een Bataksch gewaad, 't Woord doenda
(T. donda) alleen zou kunnen doen denken dat men hier het Skr. danda, den
staf der Brahmanen (zie Wdb. v. d. T. bijvoegsel, op donda) voor zich heeft.
In overeenstemming hiermee is, dat vreemde woorden, die in het Tob. eene o heb-
ben, in 't Kar. als dit ze heeft overgenomen eene oe vertoonen (2), [bijv agoni —
agoeni het Z. O. (van agni), banoewa holing — banoewa koeling, terwijl toch
't Kar. zelf ook këling heeft], zeker wel omdat het Tob. teeken voor o, 't zelfde
is als 't K. voor oe, en dus de overname schriftelijk, d. i. door de tooverboeken
heeft plaats gehad, zoodat die woorden eerst do r goeroe's zijn gebruikt en eerst
langzamerhand 't eene meer, 't andere minder, algemeen eigendom zijn geworden.
Niettegenstaande het zeer Bataksche karakter der inkleeding, en der namen,
ben ik daarom toch nog niet zoo zeker er van of er geen historisch verband
bestaat tusschen den Vajra van Indra en den Batakschen tooverstaf. Ik wil niet
ontkennen, dat mijn twijfel aan vermetelheid grenst, waar eene in deze dingen
onaangevochten autoriteit als Prof. Kern zoo stellig spreekt.
Toen ik mijn in de Med. v/h. Ned. Zend. Gen. Deel 47, 2 de st. verschenen
vervolg-artikel over Bat. litteratuur schreef, kende ik de bijdrage van Prof. Kern
nog niet ; ik wees daar terloops op eenige overeenkomst tusschen het Bat. verhaal
en de mythe van Indra. Later voerde eene nauwkeurige beschouwing van een toen
nog in mijn bezit zijnden Tob. tooverstaf (afkomstig van Samo Sir) mijne gedach-
ten nog verder in die richting, en toen ik dien staf aan het Bat. Gen. v. K. en W.
afstond, wees ik op een eigenaardig „versieringsmotief", dat de eerste twee hoofd-
figuren van de volgende scheidt. En nu is eene als terloops gedane mededeeling
in het artikel van Prof. Kern wel geschikt, om mijn twijfel nog te doen toenemen.
(1) Vergel. J. H. Neumann: De përminakan, Mei Ned. Zend. Gen. Dl. 43, 3e stuk.
(2) Men denke niet, dat de omgekeerde stelling ook waar is, dus dat elk Tob.
woord met o, dat beantwoordt aan een Kar. met oe, noodwendig een vreemd woord is.
32
Prof. Kern schrijft »Wel heet de hemelsche Vajra irisandhi, d. i.
drie geledingen of voegen hebbende," doch wat hieronder verstaan moet worden
is niet duidelijk."
Nu vertoont evenwel het door mij afgestane exemplaar iets, dat al heel veel
op drie geledingen (voegen) gelijkt. Het zoo even genoemde „versieringsmotief",
een soort uitgeschulpte rand, bevindt zich onder een soort band of ring, niet onge-
lijk aan den knoop in een bamboe, en behalve deze komen er zoo nog twee ringen
voor, nl. een boven en een beneden het voor 't vasthouden met de hand glad gelaten
gedeelte van den staf.
't Is mogelijk dat het aanwezig zijn van deze drie ringen, die zeer veel
aan voegen doen denken, een bloot toeval is, maar voorshands is hiermede vol-
doende gemotiveerd, waarom ik de stellige uitspraak van Prof. Kern omtrent
de historische onafhankelijkheid nog niet aanvaard, integendeel ik een inniger
verband vermoed, dan ik vroeger zelfs durfde denken.
Bijzonderheden komen van zelf in de aanteekeningen ter sprake. Wat taal-
kundige opmerkingen betreft, zal ik mij nog meer moeten beperken, dan in 't
verhaal van si Laga Man. De zoo getrouw mogelijke vertaling geve het noodige
licht. Waar de vertaling vrij is, zal dit worden aangegeven. Hoeveel moeilijk-
heden het opteekenen der verhalen uit den mond van den verteller ook geeft,
er is één groot voordeel aan verbonden, men kan onmiddellijk interpuncteeren, en
weet dus later hoe men te lezen heeft.
De loop van 't verhaal is in 't kort als volgt.
De goeroe Pakpak Pertandang komt (1) in Toeding si noe Poerba. De
vorst is zeer rijk, maar zijne vrouw mist zeer de moedervreugde. Van de aan-
wezigheid van den beroemden goeroe onderricht, gaat de vorstin hem opzoeken
en krijgt na gunstige uitlegging van verschillende omina de toezegging dat ze
moederweelde zal smaken.
Na verloop van een jaar brengt zij onder vreemde verschijnselen een zoon,
eene dochter, zeven honden en eene slang ter wereld. Zij laat den goeroe roepen,
die na 't raadplegen van zijn kalender haar den raad geeft, den jongen zoo
spoedig mogelijk te doen trouwen en ook voor 't meisje een man te zoeken.
Maar de jongen en zijne zuster zijn onafscheidelijk en niettegenstaande
vele waarschuwingen misdragen ze zich. De gevolgen blijven niet uit: langdurige
droogte, misgewas enz, zeven jaar zeven maanden lang. Op de jacht zijnde ontmoet
de jongeling een bërnawët (groote viperra-soort), die hij achtervolgt. Deze vlucht
op een tënggolan-boom. De jongeling, het meisje, de honden en de slang haar
achterna! Deze boom wordt bewoond door een vrouwelijk wezen, beroe Tijang
(1) Ik bezig hier 't enkelvoud. Maar eigenlijk is er sprake van 7 goeroe's, die
altijd samen reisden. In 't verhaal wordt dit wel eens vergeten. Evenwel één is toch de
hoofdpersoon, de anderen, hoewel goeroo's, zijn toch eigenlijk zijn leerlingen (zie Med.
47. 2. 149).
33
Manik, die, verstoord over de schennis van haar woonplaats, dreigt ze allen op te
eten. De jongeling heeft bier volkomen vrede mee; hij heeft toch niets dan
onheil over zijne ouders gebracht, en hij vertelt dit aan beroe T. M. Deze weet hem
nu te bewegen bij haar te blijven^ en zijne zuster, de honden en de slang weg-
te zenden. Zij spiegelt hem voor, altijd overvloed van spijs en drank te hebben.
Maar na een dag of vier kwam er gebrek, en de jongeling zegt heen te willen
gaan, om ook niet haar in zijn ongeluk mee te sleuren. Zij zegt hem, zich te
wenden tot zekeren vorst en toovenaar Datoek Roembija Gande. Van dien vorst
terugkeerende, ontmoet hij zijne zuster, die op weg is naar Datoek Roembija
Gande, om medicijn voor haar zieke moeder te vragen. Zij herkennen elkander
niet. Hij geeft haar de verlangde medicijn en weldra is haar moeder genezen.
De dochter vertelt hare ontmoeting, en de moeder acht het billijk dien onbekende
te laten halen en hem hare dochter uit dankbaarheid, zonder koopsom te eischen,
tot vrouw te geven. Zoo geschiedde.
Intusschen wacht bëroe T. M. vergeefs op den terugkeer van haar min-
naar, en nu wendt zij zich om hulp tot Datoek Roembija Gande. Deze groote
toovenaar slaagt er in, haar minnaar terug te doen keeren, met diens zuster, de
honden en de slang, die allen vergroeien met den tënggolan. Toen ze na vier
dagen nog niet teruggekomen waren, liet de vorstin ze opsporen, en vond ze
eindelijk, één geworden met den boom. De goeroe Pakpak përtandang werd nu
weer ontboden, om de betoovering op te heffen. Maar daartoe is hij niet in
staat. Hij verklaart ze wel naar huis terug te kunnen brengen, doch niet in
hun gewonen menschelijken verschijningsvorm. Eerst is de moeder hiermee niet
tevreden, doch ze moet van den nood een deugd maken. De boom wordt nu
gekapt, naar huis gebracht en daar bewerkt tot een staf met meuschelijke figuren,
terwijl de goeroe omtrent het gebruik enz. eenige aanwijzingen geeft.
Op punten van overeenkomst en verschil met de verhalen van den Heer
Meerwaldt en den Heer Westenberg behoef ik niet te wijzen; die komen van
zelf uit bij vergelijking met de hierachter volgende volledige vertaling.
II. DOENDA KATEKOETAN.
E, lit me 'ndoebe toeri-toeilo goeroe, goeroe Pakpak Përtandang, pitoe
ija sidalinën, ërtjikën-tjikënkën toengkat na mangalekat, ërsoenting-soentingkën
përminakan ambat toewah na bolon, ërkadang-kadangkën poestaka na djati.
Tandang m'ija 'ndoebe koe tanëh Toeding si noe Poerba i lanëh Poelo Tjim-
tjimën nari. E, koendoel m'ija 'ndoebe itëroeh sapo sëndi gading, ërtjakap-tjakap
m'ija 'ndoebe: „A, di koe-bëligaï oewari-tëloe-poeloeh, koe titik desa-oewaloeh,
koe oge mamis si-lima, katika si-tëloe, di radja-n-ta tanëh salialoerën enda, Toe-
ding si noe Poerba enda 'mboewe ng' min djendalëmboe man arak-arakën, 'mboe-
we koeda man pandjangën, 'mboewe ng' kërbo man ténggalankën, 'mbojwe ng'
Verü. Bat. Gen. LVJ, 1ste s t. 3,
34
enias i-boenikën, 'mboewe nakan pe man pangan; si man me k : -idah koerang,
si mëligaï ëmas m? koe-idah koerang, si ngarak-ngarak lëmboe, si nënggalaken
kërbo k'-idah hing, si mandjangi koeda, koeda idjenda lang.
E megi-mëgi përmakan kambhig. Lompat përmakan kambing koe roemab,
i-atakënna man kembërabën- „O këmbërabën ! adah k'-idah goeroe itëroeb sapo
sëndi gading".
E ; sërsëri kembërabën kampil, kampil toemba, i-dabi këmbërabën koetë-
roeh, i-kapoerina bëlo pitoe-ng këbabah „Di enggo man bëlo goeroenami, man
kita koe roemab, ëng^o nakan koe-soempitkën ; ënggo pola koe kitangken".
. E, man më goeroe koe roemab.
Enggo bësuer man bësoer minëm i-kapoeri këmbërabën ka, bëlo pitoe-ng-
këbabab. „Akoe enda këmbërabën/' nina mamana, ,,bëlo si kapoeri kam enda,
lït koe-akap oekoerndoe" — „Llt ngë toeboe goeroenami, rëh m'atekoe goeroe-
nami, lëbe gija raïn akoe ërsingkih maka ërdakan, lëbe gija mïn akoe 'ndja-
roemi maka roewis ; e maka si-bahan ambat toewab natekoe, goeroenami Kai
deba poeloengën goeroenami?" — „I-boewat tongkap tëroelang, këmbërabën, i-boe-
wat balbal tëroelang, i- boewat laloe tëroelang". — „E, ënggom' poeloeng goeroe-
nami".
„E, i-sëmakën ëmpat bërngi". Enggo ërtoebis boelueb tongkap tëroelang,
ënggo ërdaban laloe tëroelang, ërboeloeng balbal tëroelang.
r E, bantji më koe-akap i baban ambat toewab goeroenami", nina këm-
bërabën. — „A, si-baban, ka pëngoedji-ngoedjïn sëkali nari, këmbërabën" nina.
„Si-tjoeba si-oelak lobang koeroeng si toekatoeka, di si roetoe ngë dënggo isina
ibas, la nai pada baban pëngoedjïn tole;'adi si lïk ngë kari isina ibas. i-baban
ka ngë oedjin tole".
E tjoebam' i-oelak loebang koeroeng si toeka-toeka aloë toengkat na
mangalekat, si roetoe ngë toehoe isina ibas, E pëpoeloeng më poeloeng poeloengën
boeloeng-boeloeng tawar siratoes doewa poeloeh, e igiling djadi tawar, tawar
ambat toewab na bolon. F, ënggi doeng tawar i-giling, „moelib m'akoe," nina
goeroe ,,Seh pagi sitaboen këdaboehën pagi toewah kembërahën koe-tadingken,
e maka bëkas kata kinigoeröen goeroe Pakpak Përtandang pitoe si dalanën,
ërtjikëntjikënkën toengkat na mangalekat, ërsoentingsoentingkën përminakëu
ambat toewab na bolon. ërkadacg-kadangkën poestaka na djati, bagelah pagi
natendoe këmbërabën. Di sëh me pagi doewa taboen, tande pagi tël.e tahoen,
a mïn këdaboehën toewab pe pagi këmbërabën, se nai më bëkas goeroe Pakpak
përtandang natendoe pagi këmbërabën!"
E, tandem' sitaboen, këdaboehën toewah këmbërabën E, lit me sora ër-
djaga idatas boengboengën tëngah bërngi simbagas.
E, i-bëgikën më sora ërdjaga-djaga i-datas boeog-boengën me sora ërdjaga-
djaga. E, i-bëgikën më arah toere këndjahe, arah toere kendjoeloe sora ërdjaga-
djaga; i-bëgikën më sora arah toere kendjoeloe, arah toere këndjahe sora
35
ërdjaga. E, i bëgikën ka moelih koe roemah, idas boengboengën sora ërdjaga-
djaga: „Pantëk pantangënkoe sëndi gading pitoe-n-tingkat bilang-bilangën, i-paloe
gëndang pitoe bangoenen, i-pantëm lëmboe pitoe, i-boewat nakan doewa-poeloe-
ëmpat garoewën, i boevvat pola doewapoeloe-ërnpat kandi kandi, i-pëpoeloeng
radja si'rdémoe oerat-noe-djaba, si pësanggëh roehi-noe page".
E, ënggora poeloeng kërina, doesoen pe kërina.
„E, tërang oewari pëpagi", nina kata toewa toewa (lit toewa-toewa sada,
la nai kësali koe toere pe), „akoe, pëpagi koe nangkih pantangën", nina.
„E, di pëpagi ruëhoeli akap kam nangkih pantangën, pëpagilab" nina.
„E, katavvari koe-nangkih?" nina anak radja. — „Nangkih bapa, di nangkih kam,
pantëk tjigër kal matawari", nina. E, tjigër matawari, ënggo lit oewis pitoe
lambar kirah, lit amak pitoe lambar datas, lit riino pitoe si-n tangke nina. E,
sora ërdjaga-djaga lTt më gëlgël ibas pantangën, djëlma la idab. E, tande ëmpat
bërngi nina. E, toeboeh më danak-danak nge. Toeboeh me danak-danak, sada
dilaki, sada dibëroe, bijang pitoe, nipe sada, E, mëroeroes langit, mësoewak me
papan, mëtjëpik palas, mëtemboek tanëh. E, lëgina goeroe Pakpak përtandang koe
taoëh Poelo Tjimtjimën. E, sëh më goeroe. „Kai kësikel, këmbërahën?" bagem
nina goeroe. — „K.ai pe seja goeroenami. Ngoge oewari danak-danak toeboeh". —
„Enggo akoe, këmbërahën, koe-bëligaï oewari tëloe-poeloeh, koe-titik desa-oewa-
loeh, koe oge rnauiis si lima, katika si-tëloe, si-angkoep-angkoep. Anak si dilaki
pagi lampas i-pëmpo, anak si dibëroe lampas i-sërëhkën, em kata oewari koe-
oge këmbërahën; akoe, moelih ng'akoe" nina, „ngoelihi amangkoe inangkoe, koe
tanëh Poelo Tjimtjimën".
E moelih më goeroe
Tade sëpoeloe-doewa tahoen, bagi si ni-ëtehna si djile si dibëroe si dilaki.
E, lawës më si dibëroe noetoe page koe lësoeng e ngikoet-ngikoet ngë si dilaki;
lawës me si dibëroe 'ndjoedjoeng koeran koe lajo, ngikoet-ngikoet ngë si dilaki
koe laoe. AmTn 'mboewe dibëroe i tanëh Foerba, sada toerangna 'ndai i-akapua
dibëroe; si dibëroe pe bage: 'mboewe dilaki i tanëh Poerba, sada toerangna
i akapna maka dilaki.
E, lawës më ërboeroe toerangna si dilaki, Dgikoet-ngikoet si dibëroe.
„Oela ikoetkën kam toerangndoe ërboeroe amé", nina këmbërahën, „soeinbang me
pagi, lego dënggo oewari ' nina këmbërahën, „mate dënggo sinoewan, moewas
mëlëhe dënggo lëmboe, moewas rnëlëhe dënggo kërbo, moewas mëlêhe dënggo
djëlma kërina, 'mbëltang dënggo tanëb, mëlakar më dënggo kërangën i tanëh
Poerba enda amé!"
E soesoer dilaki arah toere këndjahe, soesoer dibëroe arah toere këu-
djoeloe. E, lego koenoe oewari pitoe tahoen, pitoe toela. E, moewas mëlëhe
lëmboe moewas mëlëhe kërbo, moewas mëlëhe më djëlma.
E, salih djëlma djadi moewas, salih më lëmboe djadi bëlkih, salib më
kërbo djadi gadjah, salih më koeda djadi badak, salih më babi djadi oewili,
36
salih me manoek djadi 'mboelajan, salili më page djadi sesa, salih më djaoeng
djadi bëski, salih inë bëlo pe djadi gambang.
E, lawis m'ija ërboeroe, bérnawët simboelan i-përboekënna bijang si pitoe.
E, ngikoet me nipe si mangamboes. E djoempa m'ija ras kajoe tënggolan i kë-
rangën Limboer Raja; nangkih bérnawët, e nangkib më bijang, nangkib nipe,
nangkib m'ija dilaki dibëroe. Eënggo: „ Ah maina" nina djëlma so begoe, si ngijan-
ngijani kajoe tënggolan, „akoe 'ndëkah më djenda koe-pimaï idas kajoe tënggolan
enda", nina, „mëntji pe la lit ënggo 'nggarang arab tëroehkoe, koeliki pe la
kabang arab bobokoe, enda rëh djoekoet 'mbëlin man pangan".
„Akoe pe, i-pan akoe sëndab natekoe bibi ! ' nina. Toeiï-toerïu maka akoe
i-pan natekoe, la nai koe-akap lït ingan i këgëloehën, lëbe 'ndoebe akoe ngidab
oewari tërang, tërang ngë ndoebe pëngidab bapangkoe, tërang ngë ndoebe pëngidab
nande, tërang pëngidab anak-bëroena, tërang pëngidab sëninana" nina „Enggo akoe
Dgidab oewari tërang, oewari maka tërang, de pëngidab nandikoe gëlap, pëDgidab
bapangkoe gëlap, pëngidab anak-bëroe pe gëlap, pëngidab sënina pe gëlap. Toeri-
toerïnna maka bage ningkoe", nina „lëbe akoe 'ndoebe ngidab oewari tërang lït ngë
lëmboe i-arak arakna, lït ngë koeda i-pandjangina, lït ngë kërbo i-tënggalakënna, lït
ngë ëmas i boenikënna, 'mboewab ngë page i-tjamëti nande, ërboewah cgë djaoeng
i-soewanna, mërib nge manoek i-asoebi nande, 'mboewe ngë babi i-bërena. Di
ënggo akoe ngidab oewari tërang papan pe 'ndoebem mësoewak, palas pe mëtjë-
pik, tanëb pe metémboek, langit pe mëroeroes; lëmboe pe salih djadi bëlkib,
kërko si man tënggalankën 'ndoebe salih njadi gadjah, koeda si ni-pandjangina
'ndoebe salih djadi badak, kambing i-përmakanna salih djadi baloewa, anëm babi
si ni-bëre nande pe salih djadi oewili; manoek si ni-bëre pe salih djadi 'mboelajan,
page si ni-soewanna salih djadi sesa, djaoeng si ni-soevvanna salih djadi bëski,
ginëmgëmna pe salih djadi mawas. Em'dalinna, kite-kitena maka i pan kal ngë
akoe sëndab natekoe."
„Ënggo di bage kïn këpekën mama ! ras më gëlab kita ngijan-ngijani
kajoe tënggolan enda; soeroeh gëlab nipe enda moelih, dibëroe ena pe soeroeh
ras bijang ena kita më lab doewa-doewa ngijani kajoe tënggolan enda; man
bandoc akoe la 'rtoekoer natekoe. La me djenda matah nakan man pangan, la
me koerang pola man inëmën, la koerang goeie man pangan, la me koerang
oewis man baban."
Moelih koe roemah dibëroe ras bijang, ras nipe.
E, tande ëmpat bërngi, matah më nakan man pangan, koerang më pola
man inëmën, matah më goeie man pangan, koerang më oewis man baban.
„E, akoe, lawës m'akoe lëbe," nina anak radja sahaloerën Toeding si noe
Poerba. „Di akoe, ënggo kïn pëngïndokoe kïn, kata ërtak dagingkoe kïn 'ndoebe,
kata toeboehkoe nge 'ndoebe; kam pe dënggo koe-tawin, la nai man, la nai
minëm, la nai roewis."
— „Ah, e, ola kam lawës" nina djëlma so begoe. „Di nakan koerang
37
man pangan ngë, dahi nini-n-ta, ikoet-ikoet lo e koloe-koloe, djoeuipa kam ras
nini-n-ta anak Tarigan mërgana, radja Poestima, Datoek Roembija Gande,
përpëkën-pëkën salah oekoem, përbëlo tandang sinoewan."
E, lawës ngë anak radja sahaloerën, ikoet-ikoetnam, lajo koloe-koloe. E,
djoempam' toehoe ras anak Tarigan mërgana, radja Poestima, Datoek Roembija
Gande, përpëkën-pëkën salah oekoem përbëlo tandang sinoewan.
„Enda sëndah rëh djoekoet' mbëlin man pangan. Dëkah koe pimai, mëntji
pe la 'nggo 'nggarang arah tëroehkoe, koeliki pe la 'nggo kabang arah bobokoe."
„A.koe pe, i-pan ngë akoe natekoe nini. I-soeroeh këmpoendoe akoe 'ndai
koedjenda, këmpoendoe sibëroe Tijang Manik, ngijan-ngijani kajoe tënggolan.
I-ban ras kami dje ënggo ëmpat bërngi, ënggo matah nakan man pangan, ënggom'
koerang pola man inëmen, la nai lït oewis man baban, la nai lït goeie man
pangan."
„E, di bage kin këpe, soekati djena bëras, baba sada toeldak. La nai
me matah makan pangan, la nai me koerang goeie pangan, la nai me koerang
pola inëmën, la nai me koerang oewis man baban."
E, lawës më anak radja Toeding si noe Poerba, djoempa ras anak
radja tanëh Sahaloerën si dibëroe, ma ija si tandan. „Ah koedjang' kam enda
bibi?" nina. — „'.Ndahi nini. Mësoewi akap nande i roemah ; mindo tambar
atekoe man nini, nini Datoek Roembija Gande, ërpëkën pëkën salah oekoem,
ërbëlo tandang sinoewan."
— ..Koetëra i akap nandeta përsoewina i roemah bibi?'' — „Ngalah dagingna
e kërina, mama," nina; i-përkoewanken la nai bëloeh ngalowi."
E, i-tabasina agëng bangkar. Ënggo: „sémboeri koe ringring nandeta"
nina; „ënggo me kari akapna malëm bibi."
E, moelih si dibëroe koe roemah, i-sëmboerina ringring nandena, ënggo
nandena mëgëgëh.
„Idja ngë djoempa goeroe 'ndai mëlaga mësinting ame! lëbe koe-akap
kam sëh 'ndai koebas pëkën-pëkën ninindoe Datoek Roembija Gande, ënggo
kam sëh koe roemah." — „Lëbe, toehoe nande" nina. „Lit akoe 'ndai djoempa
djëlma, la ija roewis, la ija ërboelang, la ija ërbadjoe,'erkampil pe lang, ërpiso pe lang.
Koetoekas kalak adön, lompat ngë ndai atekoe la nai 'ndai terlompatkën akoe ; ém
si mërekën tambar e nandé!" nina. — „Di bage këpe ame, lëgilah koe roemah;
bana kam la 'rtoekoer natekoe. Baba oewis e, baba badjoema, baba boelangna, baba
pisona, baba kampilna." E, lëgina. Djoempa ija: „koe roemah nina nande, mama."
— „Koega ningkoe koe roemah bibi, di kalak la 'rkampil ngë, di la 'rpiso, di la
'rboelang, di la 'rbadjoe. Lit ngë kalak man nëhënën. Enda, ërgondje pe akoe
lang; koetëra ningkoe nijar kësain?" — „Koe baba 'ndai boelang mama," nina,
„koe-baba badjoendoe, koe-baba gondjendoe 'nina, „koe-baba tjabinndoe, koe-baba
ng' kampilndoe, koebaba pisondoe." E, koe roemah më anak radja Toeding si
noe Poerba. Sëh i roemah i pepoekoelna.
38
E, sëh inë Öinpat boelan, e djëlma so begoe 'ndoebe si ngijan-ngijani kajoe
tënggolan 'ndoebe, tërgëlar sibëroe Tijang Manik: „Ah." I-dahina ninina Datoek
Koembija Gande. „Nini!" — „Kai amé?" nini. „Kai deba boelawan djëlma
inanoesija?" — „Pëgaga toebing, sanga-sanga toebang" nina, „sanggar siDgawan man
papöen, padang man oewakën, taboe-taboe man oesahën. Enggo, man kadendoe
boelawan amé djëlma manoesija?' nina — „ Ndekah më këmpoendoe nini! la nai
rëb koe bëna kajoe tënggolan." — *Di ém' këpe amé! kap erilab bëlo saloengsoeng
pitoe-ng-këbabah, maka koe-soeroeh i-ëmbabkën koeliki mangki angki " E, doeng
bëlo pitoe ngkëbabah, bëlo saloengsoeng, i soeroehna i-ëmbabkën koeliki si mang-
ki-angki E, kabang koeliki koe sahaloerën, tjinëp koeliki idatas tandoek. E,
'ndarat më anak radja sahaloerën, i-bëntërna koeliki mangki angki, 'ndaboeh
koeliki koetëroeh, salih djadi koetjing sijam Kijam koetjiDg koe roemah. E,
di koendoel radja i dëgës-dëgesna, di mëdem radja, i-koewitina. „A, di bagenda
koetjing labo ësah ërkoetjing" nate radja. I-pëkpëk radja koetjing sijam, salih
djadi bijang.
E, di man radja, i-dilatina pinggan përpangan, i tjekoehna koedin përda-
kanën ,Di bagenda ng' bijang, la ësah ërbijang' nate radja. I-pëkpëk radja b.jang
salih djadi bernawet simboelan. Kijam bërnawët koetëroeh. E, ërboeroe m'
bijang si pitoe, përboeroewi bërnawët simboelan. E, ngikoet më si dilaki si dibë-
roe, nüikoet më bijang, ngikoet mënipe. kijam bërnawët simboelan koe kërangën.
Limboer Kaja, djoempam ras kajoe tënggolan, naügkih bërnawët simboelan,
nëngkih nipe, nangkih bijang, nangkih dilaki, nangkih dibëroe, salih djadi goetoel
kajoe tënggolan.
„O, mama," nina sibëroe Tijang Manik, „enda koe-akap soesoer pe la nai
dorëk, nangkih pe la nai bantji," nina sibëroe Tijang Manik.
E, tande më ëmpat bërngi, la rëh koe roemah anak radja si noe Poerba,
si dibëroe ras si dilaki. E, daram-daram më këmbërahën Toeding si noe Poerba,
i-paloe më gëndang, i-pasang bëdil, i-doedoe ngë këlewët koeta, lalap la djoempa.
I-baba gëndang koe kërangën Limboer Haja, i-pasang bëdil.
„Koedja ngë kam ena ërbëdil ërgëndang nande," nina anak radja Toeding
si noe Poerba. — „Kam man daramën ras kela me" nina. — „Kami endam djenda
ras kelandoe amé" nina; „soesoer la nai bantji nangkih pe la nai dorëk; ënggo
salih djadi goetoel kajoe tënggolan enda," nina. „To m' gëlah koe roemah ras
si maloe gëndang ena ras si maba bëdil ena kërina." — „La nai goenana akoe
koe roemah amé," nina, „di la kam koe roemah ras kela. Ise dahinkoe koe
roemah?" — „Ènggo, kami la nai dorëk. „Di", „„ola la koe roemah anakkoe""
„ua tendoe," „„ras kelangkoe,"" „natendoe, lëgi sëkali nari goeroe si ërbahan ambat
toewah ndoebe." E, i-lëgina goeroe koe tanëh poelo Tjimtjimën. E rëh më goeroe
Pakpak Përtandang pitoe si dalinën si ërtjikëntjikënkën toengkat mangalekat, si
ërsoenting-soentingkën përminakan ambat toewah na bolon, si 'rkadang-kadangkën
poestaka na djati.
39
„Kai kësikël këmbërahën ?" bagein' nina goeroe. Kai pe seja goeroenanii.
Anak si dilaki si di-bëroe si ni- oge kam oewariraa 'ndoebe, idah kam, di anak
si dilaki 'ndoebe mintër 'ndoebe mamboer përdalinna; bëritana mate pe la lït,
bëritana 'nggëloeh pe Lang. Bagem! lab 'n>;gëloeh anak si dibëroe a natekoe.
Di lït anak dibëroe lït ngë anak dilaki natekoe. Em' koe sërëbkën, goeroenami
Enggo rëh anak dilaki 'ndai. Ënggo ija lawës ras kela, nina djadi goetoel-goetoel
kajoe tënggolan itëngab kërangën Limboer Radja." — ,Em' kap kata oewari
koe-oge 'ndoebe," nina goeroe; „anakndoe si dilaki kela nindoe. E, 'ndoebe pe:
lampas kal ngë sërëbkën anak si dibëroe ningkoe, lampas kal i-pëmpo anak si
dilaki ningkoe; kata ng-koe la i-pake kam këmbërahën. Enggo, de goenana kïn
i-akap kam, i-baba pe bantji ng'ija koe roemab, 1 ' nina. „Anakndoe si dilaki
ërrjakap kam pëlepar dingding. Ui pëntjarinna pagi, s-ada oewari ija pagi
ërlandja," nina „lït ngë sërpi man alönkënndoe," nina, „lït ngë pagi sira, lït
nge pagi bëlo, lït nge pagi gambër, lït nge pagi 'mbako. Anakndoe, si
dibëroe e, ërpagi pagi i-bënakënna 'mbajoe, karabën dorëk më najangisa; de
soempit pagi bajoena", nina, „ërpagipagi bënaïna," nina, „karabën dorëk më
ngisisa; de noetoe ija pagi," nina, „sada bërngi ija noeloe doeng bëras tëloe
toemba ; sada bërngi ij i pagi ërsërka, doeng më bënaog tëloeh poeloeb. Di
goenana kïn bage i-akap kam këmbërabën, bantji si-légi koe kërangën," nina.
— „Akoe, la nai koe-akap goenana mïn, goeroenami. Anakkoe si dibëroe
man kandoe-kandoe ngk< e noetoe koe lësoeng, man tëman tëmankoe 'ndjoe djoeng
koeran koe lajo, man arönkoe koe djoema natekoe. Anak si dilaki e, de ben
oewari, koedilo i oempe oempe toere; rëh ija koe roemab," nina „koe-kiinbangi
amak 'mbëntar, koe oekat nakanna natekoe, koe doedoerkën përboerihënna ; de
ënggo ija ëlah man, koe kapoeri bëlo panganna natekoe " — „Enggo, di bage
këpe natendoe, këmbërahën," nina, „akoe, la nai ngasoep akoe; e moelih m' akoe,"
nina goeroe, „ngoelihi ama-ng-koe, ina-ng-koe koe tanëh Poelo Tjimtjimën." —
„Ola kam lëbe moelih goeroenami," nina. „Di bagé nari kïn ngëntja bantji naten-
doe, bagemlah gija lëgi koe roemab. kela-ng-koe 'ndai ras anakkoe 'ndai." —
„Seja kelandoe, anakndoe e, kembSrahën," bagem'kap ningkoe. — „Di e, e; lëgi koe
roemah goeroenami.'' — „E, boewat kampil 'mbëlin," Lina; „boewat oewis toe-
doeng toedoeng," nina goeroe; „boewat bënang tëng," nina ,,'mboemböen sangkëp
ërpoeloeng; i boe wat amak silambar, lawës kita koe kërangën.
E, sëh i kërangën, djoempa ras kajoe tënggolan, i-antari kajoe nina.
I-oge ëmpakna, mëhoeli ëmpak kajoe I-kërët sibar gëdang, i-tadingkën 'mboem-
böen ibas bëm.na, i-baloet kajoe koe roemah. Sëh i roemah ipëngkah djadi
gana nina. E, ënggo doeng ipëngkah nina. „Di lit manoek, këmbërahëo,"
nina goer >e, „i-gëlëh manoek," nina, „megara; i-boewat atena, i-boewat ërakna,
i boevvat poesoehna, i-boewat bahing, boewat sira kiboel i-boewat latjina. Em'
gëlarna dalang-dalangën Em i-bërekën, i panna; i-boewat pola toelak poerba
djati, djatikën kita ërtoewah bajak. I-bëre minëm ija aloë ikoer kitang.
40
„Ènggo, enda këinbërahën, aüakndoe si dilaki enda, em gëlarna: „„si
Toewan Adji Doenda Katekoetan,"" „anakndoe si diberoe enda" : „si Beroe Poewang
Tampe Radja BenewasSn,"" „'ntërëm kap kakandoe," nina, „'ntërëm agindoe, 'ntë-
sëm anak-bëroendoe, 'ntërëm ngë sëninandoe, ëntërëm ginëmgëmndoe. Apai kal
pagi nipindoe goeloet," nina, „apai kal pagi ëntah lït bahan-bahanën oe kalak,
anakndoe si dilaki enda tahoe ngoelakkën bahan-bahanën noe kalak; ëntah lït
pagi mësëngget boerawan, anakndoe si dibëroe e pagi tahoe m3n përalëng tëndi.
VERTALING.
Er bestaat van ouds een verhaal van goeroes, de Goeroe Pakpak Pertan-
il ii hij 1), die met hun zevenen reisden, bij zich dragende den staf mangalekat,
het potje met de toovermedicijn ambat toewah na bolon en het oorspronkelijke
wichelboek. 2)
1) Zie over Goeroe Pakpak Pertandang en de beteekenis van den naam iets
naders Meded. N. Z. G. Dl. 47, 2 de st. pag. 149 e. v.
2) In 't oorspronkelijke is telkens een ander woord voor ,, dragen" gebezigd,
naar de verschillende wijze waarop die voorwerpen gedragen worden.
ErtjikMtjïkïnken = dragen bij wijze van staf;
ërsoenting-soentingkin, dragen als soenting.
Do Mal. beteekenis van soenting is bekend. Hier heeft men te donken aan het
dragen aan een punt van den hoofddoek, en wel zooals deze door de Timoer-Bataks
gedragen wordt, nl. met afhangende punten.
ërkadang-kadangkén is, dragen over den schouder, nl. zooals men een lossen doek
(oeivis kadang-kadangeri) draagt. De poestaka nl. wordt gewoonlijk in een soort buidel
meegenomen.
Wat de namen der drie attributen van den toovenaar betreft, het volgende :
toengkat mangalekat is wel eenvoudig te vertalen met , tooverstaf". 't Kar. manga-
lekat (ook wel mangaleka en mulekat) is natuurlijk eene verhaspeliug van het Tob. woord.
Of men hierbij aan het Ar. (Mal.) woord voor , engel" heeft te denken, weet ik niet. Ik
maak hier opmerkzaam op het Atj. woord malakaf, dat ,,tooversteen," „wondersteen"
beteekent (Dr. Sn. Hurgr. Atjèhers II, pag. 140).
Pënmnakan beteekent taalkundig natuurlijk, plaats voor de olie'. Deze ,,olie" is
dan de ambat toewah na bolon, het groot (beroemd) zegenaanbrengend (d. i. kroost-
verwekkend) middel.
In een opstel van den Heer J. II. Neumann in de Meded. v h N. Z. G. (Dl. 47,
3 de St.) wordt een verhaal medegedeeld omtrent den oorsprong der pcrminakan '). De
naam, aldaar aan die „olie" gegeven : minak djadln mzratah '>nb,>niar, d.i. blauw- witte
l) Dit vertoont Ir er en daar eenige gelijkenis met een door mij in bovengen. - Meded.
Dl. 47. 2'ie st. gegeven verhaal, dat als inleiding op 't verhaal van Doenda Katekoetan kan be-
schouwd worden.
41
Zij gingen [eens] naar het land Toeding si noe Poerba, komende van Poeh
Tjimljimên 3). Ze zetten zich neder in een mpo sendi gading 4) en praatten
daar met elkander: „Wel, als ik de dertig dagen tel (d. i. de kalender naga), de
wordings-olie, in verband gebracht met het gebruik, dut in ons verhaal, blijkens den
naam, van die perminakan gemaakt wordi, geeft ons het recht in die olie eene zinspeling
te zien op het sperma.
Ik geloof dan ook dat des Heeren Neuraann's opvatting van de perminakan als
oorspronkelijk een vruchtbaarheid verwekkend middel (in algemeenen zin) te zijn, onge-
twijfeld juist is en 't verhaal daarvan eene mythe is. De nadere bevestiging en toelich-
ting in bijzonderheden zij den folkloristen en mythologisten aanbevolen.
Poestal-a na djati. Voor mijne vertaling van djati met oorspronkelijk, verwijs ik
naar mijne opmerking Med. Dl. 47, 2 lU st. pag. 15^, noot.
Over den tooverstaf mangalekat nog een enkel woord. Deze staf is geheel g.ad.
Alleen de „knop" bestaat uit een ruiterbeeld, dat in niets verschilt van' 't ook op den
stop der perminakan voorkomende. Onder het ruiterbeeld vindt men een krans van 7
menschelijke aangezichten. Vragende wat dit alles moet voorstellen, krijgt men van den
Karo steeds ten antwoord, dat de ruiter si Doenda Katekoetan is en de 7 koppen zijn
zeven honden voorstellen, welker namen een goeroe mij als volgt opgaf: 1 si darih na
mangalele, 2 si tëmbaga toewa, 3 si d-mbaga bost, 4 si kaUmpang] 5 si kaLinping, 6 si
darih na manangkap, 7 si alioeng na r'siboe-siboe. Van 4, 5 en 7 weet ik niets te maken.
Daar volgens ons verhaal de toovenaar dien staf reeds bezigt, nog vóór or van de
geboorte van Doenda Katekoetan c. 8. sprake is, is die verklaring onjuist. Ik verwacht
eerst opheldering als er een Tob. meer speciaal een Simtloengoensch verhaal zal ontdekt
zijn, dat van het Karo'gche het origineel moet zijn. Ik vermoed dat de oplossing in
Timoer of Raja (de landstreken beroemd om hunne goeroe's) moet gevonden worden, en
't is te hopen, dat, nu dit gebied heel onlangs door zendelingen der Rhein.-Missionsgesell-
schaft bezet is, dezen spoedig daarover iets doen verschijnen. Ook met het oog op de
namen zal dit van belang zijn. Die zijn in 't Karo'sch, voor zooverre wij ze kunnen
controleeren, zoo verhaspeld, dat ze. zeer onbetrouwbaar materiaal zijn, om daarop gissingen
te bouwen.
3) Gelijk in de vorige aanteekening reeds werd opgemerkt, mag men uit de
namen geen vèr reikende conclusies trekken. Al is 't verhaal een mythe, over 't geheel
is de voorstelling locaal. Bij Toeding si noe Poerba heeft men dan ook niet aan de
windstreek Poerba (Oosten) te denken, hoewel dit oorspronkelijk de bedoeling is, gelijk
blijkt uit het later voorkomende Poestima (westen). Neen, in de voorstelling der Karo's
ziet dit ongetwijfeld op het landschap Poerba. Wat Toeding moet beteekenen weet ik tiet;
't kan het Tob. woord toding zijn = tig 'an (sijan), van, from (zie v. d. T. Wdb). — Daar de
goeroe nadrukkelijk goeroe Palpak genoemd wordt, kan Poelo Tjimtjimcu hier moeilijk
iets anders beteekenen dan de Pakpaklanden. De naam is dan niet onaardig gevonden,
want van Poerba uit gezien over het Noordelijk bekken van het Toba-meer, vertoont
zich het gebergte waarachter Pakpak ligt, inderdaad tjimtjim, d. i. overal even hoog;
de kam van 't gebergte vertoont eene zuivere rechte lijn, met slechts eens eene kleine
verheffing. In 't bovengenoemde, inleidende verhaal op Doenda Katekoetan heeft de
42
acht windstreken (de kompasroos) raadpleeg, de vijf mamis en de drie katika 5)
onderzoek, dan heeft onze vorst van Sahaloerën 3) bier, van Toeding si noe Poerba
hier wel veel koeien om te drijven, veel paarden om te stallen, veel buffels om er
mee te ploegen, veel geld om te bewaren, veel rijst om te eten, maar die ze
moeten eten zijn er m i te weinig, die 't vee moeten drijven, die met de buffels
moeten ploegen zijn er, naar ik zie, niet, die de paarden moeten stallen, de
paarden hier, zijn er niet
ontmoeting der goeroe's met de geitenhoeders plaats op 't schiereiland Sibolangit, een
fraai voorgebergte aan de N. zijde van het Toba-meer, ongeveer halfweg het eigenlijke
Poerba en 't bedoelde gebergte.
Iets verder heet de landstreek S'ihaloeren Toeding si noe Poerba. Ik durf
slechts gissen wat sahaloerën beteekent. Ik vermoed dat het synoniem is met het zuiver
Karo'sche s : ngaIoer, het gansche gebied, nl. stroomgebied. Singaloer Lo Bijang b. v. betee-
kent: stroomgebied van de Lo Bijang. Dit ngaloer moet wel samenhangen met maler,
vloeieD, en dan is aioer hetzelfde woord als 't Gajö aroel, klein riviertje, daar toch als
/ en r in één woord voorkomen, de volgorde in 't Gajö juist omgekeerd is; voorb.
gAar, K. = g e ral G. naam, eigennaam.
4) Sapo sëndi gading, eig. een sapo (tuinhuis, rijstschuur) met ivoren verbindings-
balken tusschen de stijlen, een in de verhalen omtrent huizen enz. veelvuldig gebruikt
epitheton ornans.
5) 't Is misschien niet ondienstig hier de namen der dagen, desa's enz. op te
geven. Men zal dan zien dat na iedere week van 7 dagen feitelijk dezelfde namen
terugkeeren, op een paar uitzonderingen na, en er dan nog twee aan toegevoegd worden.
1. Aditija 8. Aditija naik
2 Soema poeltak (opkomend) 9. Soema siwah
3. 'Nggara teloe oewari 10. 'Nggara sipoeloeh
4. Boedaha 11. Boedaha ngadep
5. Bëraspati poeltak 12. Bëraspati tangkëp
6 Tjoekëra ënëm berngi 13. Tjoekëra laoe
7. Bëlah naik 14. Bëlah poernama
15.
Toela
22.
Aditija toeroen.
16.
Soema tjepik (afgebrokkeld)
23.
Soema
17.
'Nggara ënggo Toela
24.
'Nggara simbëlin
18.
Boedaha gok
25.
Boedaha mëdëm
19.
Bëraspati sipoeloesiwah
26.
Bëraspati mëdëm
20.
Tjoekëra doewa poeloeh
27.
Tjoekëra mate
21.
Bëlah toeroen
28.
Mate boelan
29. Dalin boelan. 30.
Samisara.
Do acht desa beginnende bij het Oosten, door het Zuiden zijn: Poerba, Agoeni,
Daksina, Nariti (soms Narita), Poestima, Mangabija, Oetara (soms Boetara), Irissn.
De vijf mamis zijn: mamis, kala, soeri, boerma en bisnoe. Men telt ze veelal af'
op de vijf vingers, gelijk men dan de katika «ftelt op de drie leden van een vinger.
43
Een geitenhoeder bad zitten luisteren. Hij snelde naar het dorp en zeide
tot de vorstin 6) : O, vorstin, daar ginds in de sapo sëndi gadang is, naar 'k
verneem, een goeroe."
De vorstin bracht haar sirihmandje in gereedheid, een kaïnpil toemba,
ging het huis uit naar hem toe, en maakte zeven sirihpruimpjes gereed. „Als
gij met sirihkauwen klaar zijf, laten we dan naar 't dorp gaan om te eten; de
rijst heb ik al in de soempil gedaan, en den wijn in de kitamg."
De goeroe ging in 't dorp eten.
Toen hij verzadigd was van eten eo drinken, maakte de vorstin weer
zeven sirihpruimpjes gereed. „Wat mij betreft, vorstin, zeide haar „oom ' (d i.
de goeroe): ik geloof dat gij met die sirih die gij gereedmaakt, eene bedoeling
hebt" — „Dat heb ik inderdaad, goeroe, er kwam een wensch in me op, goe-
roe. Ik moge eerst rijst te leen vragen vóór ik kan koken, ik moge eerst
aan 't naaien, vóór ik kleeren zal hebben; daarom, dat we het middel maken
om kinderen te krijgen, dacht ik, goeroe ! Wat behoort alzoo tot de benoodigd-
heden, goeroe?"
— „Men neme een niet meer gebruikt wordende palmwijnkoker, o vorstin,
een dito palmwijnklopper, en een dito rijststamper .'' — „Alles is er, goeroe." —
„Men legge deze vier dagen in 't natte gras " Toen had de bamboe van den
palmwijnkoker scheuten gekregen, de oude rijststamper had takken, de oude
klopper bladeren.
„Het middel kan nu, dunkt me, bereid worden, goeroe," zeide de vorstin.
„Nee, laten we nog eens een toetsingsmiddel beproeven, vorstin!" zeide hij.
Veelvuldiger gebruikt men de katika si-a ngkoep-ang Loep (angkoep-angkoep is tangetje),
zoo genoemd, omdat men duim en wijsvinger op elkander legt en weer opent, net als
eene tang. Staan duim en wijsvinger open, dan heet dit katika ngangngang — gapende,
openstaande katika. Dit is de eenige naam, dien ik ooit hoorde van een katika. De k.
ngangngang is ongunstig. Het „werken" mèt de mamis en katika is zóó ingewikkeld,
(omdat van allerlei omstandigheden afhangt, bij welken vinger men aanvangt), dat ik er
geen duidelijke beschrijving van kan geven. Dit zij hier nog medegedeeld, dat iedere
vinger één der vijf hoofdmërga's vertegenwoordigt. De duim is de mërga van hem, ten
wiens behoeve de wichelarij plaats heeft.
6) Ki'tnberahën, met dezen titel noemt men de vi ouwen der hoofden, 't Woord
bestaat blijkbaar uit kë + 'mb e rah + m. Dit 'mb ( rab kan moeilijk een ander woord
z^n dan het Tob. mora, hoewel dit beteekent man van eene vrouw, husband. Het
Mand. aequivalent hamoraon beteekent vorstelijke icaardigheid. De Karosche beteekenis
van: de persoon (d. i, eigenlijk de plaats), die de waar ligheid draagt, vindt een tegenhanger
in het Tiraoer (Simëloengoen) woord : haradjaon, dat vorst be'eekent.
In 't Gajö is mèrah een titel. In Atjeh geldt die als algemeene titel van hoofden
vóór 't ontstaan van geregelde staten (Dr. Sn. H., Het Gajöland, pag. 99 noot).
44
„Laten we eens met een stok in 't gat van een koeroeng si toelca-toeka 7) steken ;
als er in zitten met oneffene (puisterige) huid, dan behoeven we geen nieuw
toetsingsmiddel te beproeven; als er in zitten met gladde huid, moeten we nog
een proef nemen."
Er werd nu met den tooverstaf in een koeroenggat gestoken, er zaten
heusch in met oneffen huid !
Nu werden de benoodigdheden bijeengebracht, honderd en twintig soorten
tooverkrachtige bladeren, en deze werden tot medicijn fijngewreven, tot het beroemde
kinderverwek- middel. Toen het middel fijngewreven was, zeide de goeroe:
„Ik keer terug Als gij, die ik nu verlaat, over een jaar kinderzegen geniet,
houd het er dan voor, dat dit het werk is van den goeroe 8) Pakpak Pertandang
en zijn zes reisgenooten, die bij zich dragen den toengkat mangalekat, de permina-
kan ambal toewah na bolon en de poeslaka djali. Maar als er twee of drie
jaren verloopen zijn, ook al wordt ge dan met een kind gezegend, houd het er
dan voor, dat het niet mijn werk is, o vorstin."
Na verloop van een jaar smaakte de vorstin den kinderzegen. Diep in
den nacht werd boven den nok van het huis een geluid als van neuriën vernomen. 9)
Als men naar dat geneurie luisterde, was het boven den nok van 'thuis.
Luisterde men er naar op de loere benedenstrooms, dan kwam het van de toere
bovenstrooms, luisterde men er naar op de loere bovenstrooms, dan kwam het van
de toere benedenstrooms. Ging men weer in huis er naar luisteren, dan was het boven
den nok: ,, Richt mij een pantangen 10) sendi gading op, met zeven verdiepingen,
slaat zeven stel muziekinstrumenten, slacht zeven runderen, neemt vier en twintig
7) De koeroeng is eoo insect, niet ongelijk aan de veenmol. Op de Hoogvlakte
geldt zij als lekkernij en 't veld is daar vol gaten, ontstaan door 't met een stok uitgraven
dier beesten
8) „Het werk van den goeroe." Letterlijk staat er: het werk (gevolg, spoor)
van de ivoorden en de iooverkunst van den goeroe. De Batak drukt zich bij voorkeur
op dergelijke wijze uit, den persoon vervangende door ieU dat van den persoon is, of
een deel van hem uitmaakt, of vau hem uitgaat. Hij drukt zich dus omslachtiger,
maar nauwkeuriger uit dan wij.
9) Dit neuriën is eigenlijk het „opdreunen van een litanie" c. d., 'ndjaga-djagaï
bijv. beteekent bij de huisinwijding ,,over het huis eene litanie opdreunen".
Ook in andore verhalen, bijv. dat van Anak litki si Onan katana, wordt de geboorte
van een bijzonder kind op dergelijke wijze aangekondigd. Ik geloof te mogen beweren,
dat het oorspronkelijk een myJrsche trek is, en ons verhaal geeft ons de aanwijzing er
het geluid in lo zien, dat aan een tropisch onweer met hevigen regen voorafgaat. De
Bataks geven dat ,. deinende" (Couperus zou zeggon ,,aandonzende") geluid weer met so,
so, en hiervan is gevormd wdiso. ruischen van aankomenden regen.
10) Een punh>)Kji)i is een huisje op één paal. Hier zondert de goeroe zich af,
of hij die voor gceroe etudeeren wil (r-rladjar g<ercc). Men zou het des noods met kluis
I
45
garoewen 11) gekookte rijst, vier en twintig bamboekokers met palmwijn en roept
de vorsten der omliggende dorpen bijeen 12).
Alles was klaar, ook de [lieden der] onderhoorige dorpen waren bijeen.
..Morgen, overdag", zei hij tot een oudje (er was een oudje, die geen kracht
meer had om naar de toere te gaan), „morgen zal ik de pantangën bestijgen". —
„Wel, als gij goed vindt morgen de pantangën te bestijgen, morgen dan", zei ze. —
„Om hoe laat 13) zal ik ze bestijgen?" zeide 't vorstenkind. — „Ze bestijgen,
vadertje, wel als gij ze bestijgt, laat het juist op den middag zijn 14)", zeide ze.
's Middags hingen er zeven kains, lagen er zeven matten en waren er zeven
citroenen aan één steel, zegt men, Het geneurie was steeds in de pantangën,
maar een mensch zag men niet. Zoo verliepen vier dagen, zegt men. Toen werd
het kind geboren. Er werden geboren: één jongen, één meisje, zeven honden,
ééne slang. De licinel plofte neder, de vloer werd afgerukt, de sternen neuten scheur*
den, de aarde kreet/ een gat 15). De goeroe Pak pak Përtaudang werd nu van
Poelo Tjimtjimën gehaald. Toen de goeroe gekomen was, zeide hij: „Wat
verlangt gij, vorstin? 16) — „Niets bijzonders, 17) goeroe; den dag „lezen' 18),
waarop de kinderen geboren zijn."
kunnen vertalen. Een ladder, die opgehaald kan worden geeft den toegang. De goeroe
kan zich dus tegen ongewenscht bezoek, dat hem zou kur.nen afleiden, vrijwaren.
11) Een garoeicën (garöen) is vier toemba = + 8 Liter, 't Woord moet afgeleid
zijn van 'nggaroe, indigo-verfstof bereiden, hetwelk men in groote steenen potten (koedin)
doet. Tegenwoordig raken dfze breekbare dingen hoe langer hoe meer in onbruik en
worden vervangen door de haast voor alles te gebruiken ledige petroleum-blikken.
12) De omliggende dorpen. De Bataksche uitdrukking, woordelijk vertaald
luidt: „Welker gierstwortels tegen elkaar komen, welker rijstaren el knar beruiken. Dit
wijst er op dat de tuinen aan elkaar grenzen. De djaba (gierst) wurdt steeds 8an den
kant geplant. De uitdrukking wordt soms nog aangevuld met: ti ptsawen saww oerat
noe djambe = welker laboe-wortéh door elkaar (/roeien.
13) Om hoe laat — katawari. Ik houd dit voor eene samentrekking van : v koega
matatcari — hoe [staat] de zon? omdat het antwoord is: „bagé matawari," aldus de zon,
terwijl men dan met de hand den stand der zon aanwijst.
14) Tjigtr alleen beteekent reeds „middag." Etymologisch is het verwant met
tegër = rechtop staan. Pantek is ook recht overeind staan. Pantek tjigrr kal is dus
eigenlijk een pleonasme, daarom weergegeven met „juist op den middag."
15) Hierover is 't noodige in de Inleiding gezegd.
16) KêsikU — wensch, vorlaDgen. Dit is een der weinige woorden in'tKaro'sch
die alleen 't pre6x ke-(ka) hebben. Merkwaardig dat de meeste dezer woorden beantwoorden
aan Maleische met eveneens slechts 't voorvoegsel ka: kèsikei — kahmulaJc; k'ésajang = kakasih.
17) Kai pe seja, kai pe lahang (lang), lett. „wat ook niet" het stereotype antwoord
van een Karo op een dergelijke vraag, ook al blijkt uit zijn onmiddellijk volgende woor-
den dat hij wèl wat op z'n hart heeft.
18) Lezen = ngoge, dat is hier: nagaan, onderzoeken wat de dag omtrent het
lot van den pas-geborene, of ook van zijne bloedverwanten voorspelt.
1
46
„Ik, o vorstin, 'k heb de dertig dagen geteld, de acht windstreken ge-
raadpleegd, de vijf marais en de drie katik* si-angkoep-angkoep gelezen. De
jongen moet spoedig s»an eene vrouw, t meisje spoedig aan een man geholpen
worden 19), dat is wat de dag, dien ik gelezen heb zegt, o vorstin; ik keer
terug, ga weer naar mijn vader en mijne moeder 20) in Poelo Tjimtjimën", zeide
hij. Toen keerde de goeroe terug.
Toen er twaalf jaar verloopen waren, begonnen de jongen en het meisje
oog voor de andere sekse te krijgen 21) Ging hét meisje naar de lësoeng rijst-
stampen, dan liep de jongen achter haar aan; ging 't meisje naar 't water met
het watervat op 't hoofd, d*n ging de jongen achter haar aan naar 't water.
Al waren er veel meisjes in Poerba, in zijn oog was alleen zijn zuster een meisje;
zoo ook het meisje, al waren er veel mannen in Poerba, haar broer alleen was
in haar oogen een man.
Ging haar broeder jagen, dan gïog het meisje achter hem aan. „Ga
gij toch niet met je broer mee jagen, moedertje," zeide de vorstin, „dat loopt
op bloedschande 22) uit, dan mocht het droog weder blijven," zeide de vorstin,
„dan mochten eens al de cultuurgewassen sterven, de koeien, de buffels, de
menschen honger en dorst lijden, de aarde scheuren krijgen, het bosch ontbladerd
worden, hier in Poerba, moedertje."
Ging dan de jongen bij de benedenstroomsche toere naar beneden, dan
deed het meisje dat bij de bovenstroomsche.
19) Voor het trouwen, resp. v. e. man en v. e. vrouw gebruikt men een ander
woord. Van een man, die trouwt zegt men ngimpo. Merkwaardig dat het etymol. gelijk-
waardige Toba- woord èmpo (èppo) of èmpe (èppe) gebezigd wordt van een meisje, dat
door op klaarlichten dag het huis van den jongeling te betreden, die met haar eene
amourette heeft gehad, dezen dwingt met haar te trouwen. Ik vermoed daarom dat ëmpo
eigenl. beteekent : dwingen, met geweld in bezit nemen.
Van een meisje dat trouwt bezigt men: tërsmJt, wat moeilijk iets anders kan
beteekenen dan: overgeleverd, toevertrouwd (vg. Mal. s^rah).
20) De woorden bier voor vader en moeder gebruikt zijn de Toba'sche.
21) Letterlijk staat er „dat ze gingen weten wat mooi was". Eene andere uit-
drukking voor „groot" worden, van een meisje is: *rladjar mëdjele. Van een jongeling
bezigt men vaak : mina ngë.na = beginnen te houden, nl. van de meisjes.
Zijn ze nog een stapje verder op dezen weg, dan heet het : „i'iiggo i Uehna bitjara
manoesija", wat men eenigszins vrij zou kunnen vertalen met : „ze weten, hoe 't bij de
menschen toegaat."
22) Soembang = bloedschande heet elke verbinding van man en vrouw, die in-
druischt tegen de op dat punt heorschende adat. Veel gevallen kunnen met eene boete
(pëngaroesi = eig. 't middel dat maakt dat het „aroes ' = gepast, is) worden goedgemaakt.
Zoon huwelijk wordt dan verder geheel als wettig erkend en men vreest ook niet meer
de kwade gevolgen.
47
Het werd, naar luid der overlevering, droog, zeven jaren, zeven maan-
den 23) lang. De koeien, de buffels, de menschen leden honger en dorst. De men-
schen veranderden in orang-oetan, de runderen in herten, de buffels in olilanten,
de paarden in neushoorns, de varkens in wilde zwijnen, de kippen in boschkippen.
de rijst in sesa a), de maïs in glagab, de sirih in gambang. b) 24).
Hij ging jagen, hij joeg op een witte viperra, met zijn zeven honden. De
sissende slang volgde. Zij kwamen aan een tenggolan boom in het oerwoud.
Limboer Raja, de viperra, klom er in, de honden klommen er in, de slang klom
er in, zij, jongen en meisje klommen er in. Toen dit gebeurd was, zeide het
spook 25), dat den tënggolan-boom tot verblijfplaats had: „Zoo, oom, ik heb al
lang [op je] gewacht op dezen tenggolan, geen muis heeft nog ooit onder mij
gekropen, geen kiekendief heeft boven mij gevlogen, nu komt er groot wild
tot spijze."
„Wat mij betreft, tante! ik verlang vandaag opgegeten te worden", zeide
hij. „De verklaring (lett het verhaal), dat mijn wensch is opgegeten te worden, is
dat er [voor mij] m.i. geen plaats is in 't leven ; vroeger, eer ik het levenslicht aan-
schouwde, had mijn vader het goed 26), had mijne moeder het goed, had mijn
anak béroe het goed, had mijn sënina het goed," zeide hij. Sinds ik het levens-
licht aanschouwd heb, ziet mijne moeder ook den lichten dag donker, ziet mijn
vader hem donker, ziet mijn anak-bëroe hem donker, ziet mijn sënina hem donker.
„De verklaring dat ik zoo spreek," zeide hij, „is: Vóór ik het levenslicht aan-
23) 't Woord hier met maand vertaald (toela) beteekent eigenlijk volle maan
(15 de dag der maan-maand). Tegenwoordig gebruikt men meest boelan. Oudere lieden,
vooral vrouwen gebruiken gaarne bintang = ster, voor maand. Iu een dorp van VII
koeta is bintan;/ het eenig-gebruikelijke woord geworden, omdat het hoofd si Boelan heet.
a) eene plant haast niet van de rijst te onderscheiden. Alleen schiet ze geen aren.
b) eene kruipplant welker bladeren als surrogaat voor sirih dienen.
24) Blijkbaar worden hier al die rampen voorgesteld als een gevolg van de onge-
oorloofde betrekking tusschen broeder en zuster. Speciaal langdurige droogte geldt bij de
Bataks als straf op dit misdrijf. De andere rampen zijn als 't gevolg van die droogte te
beschouwen. De voorstelling is alleon sterk gechargeerd.
Later in 't verhaal, als de jongeling nl. zijn hartelced uitstort bij Bëroe Tijang
Manik, spreekt hij er van, dat sedert hij geboren werd, al die rampen zijne familie troffen.
Deze voorstelling is een terugslag op de woorden van zijne moeder, dat ze wel een kind
wil hebben, al moet ze dan ook eerst rijst leenen om te kunnen koken, enz. zie boven.
25) Djelma so begoe is letterlijk: mensch noch geest, 't Wordt veel in verhalen
gebezigd van menschen die zich tot onkenbaarwordens toe toegetakeld hebben, en is veelal
te vertalen met ,, monster". Dat woord leek me hier minder op zijne plaats, waarom ik
„spook" bezigde. De rol die ze hier speelt is vrij wel die van eene sirene.
26) Mijn vader [had] het goed enz. Letterlijk staat er: het zien (de wijze van
zien, het gezicht) van mijn vader was licht, dus hij zag alles licht, hij was voorspoedig.
48
schouwde, hadden ze koeien die ze dreven, hadden ze paarden, die ze stalden,
hadden ze buffels, die ze voor den ploeg spanden, hadden ze geld, dat ze bewaar-
den, leverde de rijst, waarvoor moeder 't land met den hak bewerkt had, een ruim
beschot, droeg de maïs, die ze geplant had, vrucht, vermenigvuldigden zich de kip-
pen, die ze verzorgde, waren die varkens vele, de ze voerde Zoodra ik het levens-
licht aanschouwde, werden de planken afgerukt, de neuten scheurden, kwam er een
gat in de aarde, stortte de hemel neder, veranderden de koeien in herten, de
buffels om mee te ploegen, in olifanten, de paarden die ze stalden in neushoorns,
de geiten die ze hoedden in baloeiva o) ; ook de varkens zelfs, die moeder voerde,
werden wilde zwijnen; de kippen, die ze voerde, boschkippen, de rijst die ze
plantte werd ses 5 », de maïs die ze plantte glagah-riet, de onderdanen werden
orang oetan. Dat is de weg, de brug (d. i. dat heeft er toe geleid), dat mijn
wensch is nog heden opgegeten te worden."
„Wel, als 't er inderdaad zóó mee gelegen is, oom, laten we dan te zamen
dezen tënggolan-boom bewonen 27); stuur de slang terug, en deze vrouw en deze
honden; dat wij met z'n beiden den tënggolan-boom bewonen; ik wil zonder ge-
kocht te worden, je vrouw zijn. Hier is nooit de rijst om te eten half gaar,
bier is geen gebrek aan palmwijn om te drinken, aan toespijs om te eten, aan
kleeren om te dragen."
De vrouw, de honden en de slang keerden naar het dorp terug.
Wel, na vier dagen was de rijst om te eten half gaar, was er gebrek
aan palmwijn om te drinken, de toespijs om te eten halfgaar, gebrek aan kleeren
om te dragen 28).
„Ik, laat ik gaan, zeide de zoon des vorsten van Sahaloerën Toeding si noe
Poerba. Wat mij betreft, zoo is nu eenmaal mijn voorbestemd lot, de beteekenis
(lett 't zeggen) van de structuur mijns lichaams, de beteekenis van mijn geboren
worden; 'k mocht ook iï meesleuren in het geen eten, en drinken en kleeren
hebben."
„Ach neen, ga niet heen", zeide het spook. Als er gebrek is aan rrst om
te eten, ga dan naar onzen grootvader, volg dat riviertje stroomopwaarts, dan
zult ge onzen grootvader vinden, van den stam Tarigan, den vorst van Poestima
u) een kleine reeönsoort.
27) Weer een echt Bataksche trek, in bijna alle verhalen voorkomende, dat onge-
lukskinderen door allerlei geduchte wezens en krachten ontzien worden. Ook als zij den
dood zoeken, vinden zij die niet. Ze moeten tot de maat van hunne ellende vol is (krri
scrana, k*-rï atena mcsoewi) hun last dragen.
28) Deze nieuwe beproeving was niet het gevolg van vaïsche voorspiegelingen
van Beroe Tijang Manik. Neen, 't is, gelijk ook uit het antwoord vau den jongeling ten
overvloede blijkt, weer zijn „pcngindo," zijn noodlot, dat hem deze parten speelt.
49
(het Westen), Datoek Roembija Gande 29), eigenaar van den tuin salah oekoem,
van de sirih tandang sinoewan." 30)
De zoon des vorsten van Sahaloeren ging heen, en volgde het riviertje
stroomopwaarts. Hij vond toen heusch den man van den Tarigan-stam, den vorst
van Poestima, Datoek Roembija Grande, eigenaar van den tuin Salahoekoem, van
de sirih Tandang sinoewan.
„Daar komt me vandaag groot wild tot spijze. Zoolang ik er op gewacht
heb, heeft zelfs geen muis ooit onder mij gekropen, heeft geen kiekendief boven
mij gevlogen."
„Wat mij betreft, grootvader, 't is mijn wensch om opgegeten te worden.
Je kleinkind heeft me hierheen gezonden, je kleinkind Bëroe Tijang Manik, die
den tënggolan boom bewoont. Doordat wij daar samen vier nachten geweest
zijn, was de rijst om te eten niet gaar, was er gebrek aan palmwijn om te
drinken, aan kleeren om te dragen, aan toespijs om te eten."
„Wel, als dat de zaak is, meet hier rijst uit, neem eene weefspoel vol 31)
mede. Dan zal de rijst tot, spijze niet meer ongaar sijn, zal er geen gebrek meer
zijn aan toespijs om te eten, aan palmwijn om te drinken, aan kleeren om te
dragen."
De zoon des vorsten van Toeding si noe Poerba ging heen, en ontmoette
de dochter van den vorst van Sahaloeren, maar ze herkenden elkaar niet.
„Wel, waar gaat gij heen, tante?" zeide hij. — „Naar grootvader. Moeder
ligt thuis ziek; ik wil medicijn vragen aan grootvader, aan grootvader Datoek
Roembija Gaude, eigenaar van den tuin Salah oekoem, van de sirih Tandang
sinoewan.
29) Datoek Roembija Gande. Een toovenaar, eveneens in de meeste verhalen
voorkomende. Veelal draagt hij 't karakter van een oemang of kcmang (Tob. homang),
dwerg, kabouter; dikwijls is er sprake van zijn „badplaats', zoodat voor de hand ligt aan
een „brongeest" te denken. Ook in ons verhaal moet de jongeVng 't riviertje stroom-
opwaarts volgen, om hem te vinden, 't Gebruik hier van Datoek (ilatoe) in den zin van
toovenaar, zoowel als de uitsDraak gan-de, in plaats van de Karo'sche gii-nde, wijzen op
overname uit het Toba'sch of Timoersch. Bij Westenberg heet deze toovenaar, die vorst
is der „oerang boenïn", anders. In 't gebruik der namen heerscht vaak schromelijke
willekeur. In 't boven door mij genoemde verhaal van Radja Ketëngaheo is Datoek
Roembija Gande niet minder dan de opperste God, de God der goden!
30) Wat deze op zich zelf bekende woorden hier moeten betee^onen weet ik niet.
Salah oekoem = verkeerd vonnissen. Biïo tandang is sirih, die over den grond kruipt (bij
gebrek aan een steunsel). Belo tandang sinoewan in zijn geheel kan beteekenen sirih
die naar een [cultuur] plant kruipt.
31) De toeldak of schietspoel is een bamboetje van circa 2 dM. lang en ongeveer
2 cM. middellijn. Er gaat dus maar heel weinig rijst in. 't Is dus wonderrijst die
nooit opraakt.
Veru. fiat. Gen. LVJ, i«u stuk- *
50
„Hoedanig is bet zich-ziek-voelen van moeder thuis, o tante?" — „Haar
heele lichaam is loom, oom," züde ze; „als men haar aanspreekt, kan ze niet
meer antwoorden." Hij prevelde een spreuk over kool van bamboe a). Toen:
„Bespuw hiermede de gewrichten 32) van moeder, dan zal ze zich weldra beter
voelen, tante", zeide hij.
Het meisje keerde naar huis terug, zij bespuwde de gewrichten van haar
moeder, toen werd die weer sterk. „Waar heb je dien knappen, onfeilbaren
goeroe ontmoet, moedertje ? Nog vóór je m. i. bij den tuin van je grootvader
Datoek Roembija Gande kon zijn, ben je al weer thuis" — .Dat is inderdaad
zoo, moeder", zeide ze „Ik ontmoette zooeven iemand, hij had geen [lang] kleed,
geen baadje, geen hoofddoek, geen kampil, geen mes Jk hield hem voor een
krankzinnige, ik wou de vlucht nemen, maar ik kon het niet meer. Hij heeft
me de medicijn gegeven, moeder," zeide zij.
„Als 't zoo gelegen is, moedertje, haal hem dan hier; dan wensch ik, dat
jij zijne vrouw wordt, zonder koopsom. Neem een (lang) kleed mee, een baadje
voor hem 33), een mes, een kampil." Zij haalde hem Toen ze hem ontmoette,
zeide ze: „Gij moet in 't dorp komen, oom! zegt moeder" — „Hoe zou 'k er
aan denken (letterl hoe zou 'k zeggen) in 't dorp te komen, tante, iemand zonder
kampil, zonder mes, zonder hoofddoek zonder buisje. Daar zijn menschen om
te zien (d i. te ontzien). Zie hier, ik heb geen lang kleed, hoe zou 'k er aan
denken in het dorp rond te loopen ?" „'k Heb een hoofdd-ek meegebracht, oom,"
zeide ze, „'k heb een buisje voor je meegebracht, een lang kleed, een omslag-
doek, een kampil, een mes." Toen ging de vorstenzoon van Toeding si noe
Poerba naar het dnrp Daar gekomen, werden ze getrouwd.
Vier maanden verliepen er. Het spook, genaamd Béroe Tijang Manik,
dat den tënggolan boom bewoonde [zuchtte] : „Och" ; zij ging naar haar groot-
vader Datoek Roembija Gande: „Grootvader!" — „Wat is er, moedertje?" zeide
hij — „Wat behoort alzoo bij een onder eede bekrachtigd verbond onder de men-
schen?" 34) — „Pégaga loebing, een geschaarde smeltkroes," zeide hij. „een ge-
leding sanggar om te aaien, padang om van elkaar te trekken, een kalebas om te
wrijven 35). Maar, wat wil je met een beëedigd verbond, [zooals dat] bij de
a) bangkar noemt men oude bamboe, die tot brandstof gebruikt wordt.
32) ringring is een woord van nog uitgebreider beteekenis dan gewrichten.
Wij hebben er geen algemeen woord voor. Behalve op de gewrichten, slaat het ook op
oogen, ooren, neus, mond, de hartkuii, kortom op al die plaatsen aan ons lichaam,
waardoor naar Bataksche opvatting ziekten (eigenl. ziekte verwekkende geesten) ons
lichaam kunnen binnensluipen.
33) een baadje voor hem, enz. In 't Bataksch staat zijn baadje. Op dezelfde
wijze geeft de Batak onzen zoogenaamden possessieven datief weer.
31) Hier wordt alleen bedoeld de eed van trouw tusschen twee gelieven.
35) De hier genoemde dingen behooren tot de „poeloengm" (benoodigdheden) bij
51
raen8cben [bestaat], moedertje?" „'t Is al zoo lang, grootvader, dat je kleinzoon
niet meer op den tënggolan-boom komt."
,,Als dat de zaak is, moedertje, maak zeven als een peperbuisje opgevouwen
sirihpruimpjes gereed, dat ik den boogzwevende kiekendief zende ze te brengen".
Toen de zeven sirihpruimpjes klaar waren, gelastte bij den hoogzwevenden kie-
kendief ze weg te brengen.
De kiekendief vloog naar Sahaloeren, en ging daar op de borens 36) zitten.
De vorstenzoon van Sahaloeren kwam naar buiten, en wierp den hoogvliegenden
kiekendief met een steen 37).
De kiekendief viel naar beneden, en veranderde in een Sijam kat. De
kat vluchtte in huis.
Als de vorst zat, wreef ze zich tegen hem aan, als de vorst sliep zij op
zijn hoofdkussen, als de vorst at, raakte ze hem telkens aan. „Ach, als de kat
zoo doet, hoef ik geen kat," dacht de vorst. Hij sloeg de Sijam kat, en deze
veranderde in een hond.
Wel, als de vorst at, belekte de hond den schotel waarop het eten was,
stak hij zijn snuit in den pot waarin gekookt werd. „Als de bond zoo is, heb
ik liever geen bond", dacht de vorst. Hij sloeg den bond, en deze werd een
witte viperra. De viperra vluchtte het huis uit. De zeven honden gingen aan
't jagen, zij jaagden op de witte viperra.
De jongeling en 't meisje volgden, de honden volgden, de slang volgde.
De viperra vluchtte naar 't boscb Limboer Kaja; hij kwam bij den tënggolan
boom, bij klom er op; ook de slang klom er op, de bonden klommen er op, de
jongeling en bet meisje klommen er op en [allen] veranderden in knoesten van
den tënggolan boom.
„O, oom", zei Bëroe Tijang Manik, „nu kan je geloof ik niet meer naar
beneden, en naar boven kan ook niet," zeide Bëroe Tijang Manik.
't afleggen van dien eed. Pigaga toehing is een kruipplant met diep ingesneden blade"
ren (toebing = schaarde, geschaard). Deze voorwerpen zijn natuurlijk zinnebeelden.
Bij 't afleggen van den eed, zegt men dat men ia geval van ontrouw, door die
verschillende dingen mag worden gestraft. Kinderen met eon hazelip (eveneens toebing) zijn,
zegt men, 't bewijs dat de vader of de moeder hunne trouwbelofte aan een ander gebro-
ken hebben.
Wat overigens deze passage hier beteekent, is niet recht duidelijk. Of wil Bëroe
Tijang Manik, ingeval haar minnaar tot haar mocht terugkeeren, dezen door een „boe-
lawan" aan haar verbinden ?
36) De horens, nl. de butt'elhorens, waarmede de twee uiteinden van den nok
versierd zijn.
37) Hij wierp den kiekendief met een steen, hetzij om hem te dooden, 't zij om
hem te verjagen, daar toch deze vogel, en vooral zijn doordringend geroep: koeli'k,
koeli'k, onheil voorspelt.
52
Vier nachten waren verloopen, nog kwamen de zoon en de dochter van den
vorst van si noe Poerba niet thuis. Toen ging de vorstin van Toeding si noe Poerba
aan 't zoeken; de gëndang werd geslagen, geweren afgeschoten, de heele omtrek
van het dorp aldus doorzocht, men vond hen maar niet a). Toen ging men
met de gëndang naar 't bosch Limboer Raja, en werden de geweren afgeschoten.
„Waar gaat gij heen met die gëndang en die geweren, moeder?' zei de dochter
van den vorst van Toeding si noe Poerba.
„Gij waart het die wij zochten en mijn schoonzoon," zeide ze. — „Ik ben
hier met uw schoonzoon, moeder', zeide ze; „na*r beneden gaan kunnen we niet
meer, naar boven gaan kunnen we niet meer; we zijn veranderd in knoesten van
dezen tënggolan-boom," zeide ze „Ga dus maar weer naar 't dorp met die
gëndang-slagers, en die geweerdragers." — „'t Heeft geen zin meer, dat ik naar
huis zou gaan, moedertje", zeide ze; „als gij en mijn schoonzoon niet thuis komt.
Wie heb ik thuis om voor te zorgen ?" — „Ja ! wij kunnen niet meer; als gij
denkt: „„mijn kind en mijn schoouzoon moeten absoluut naar huis,"" haal dan
nog eens den goeroe, die het kinder- verwek- middel gemaakt heeft ''
Men ging nu den goeroe van Poelo Tjimtjimën halen. Zij kwamen, de zeven
te zan en reizende goeroe s, met den foengkat mangalekal, de përminakan ambat
toewah na bolon, de poestaka djali.
„Wat is er van uw dienst, vorstin?" zeide de goeroe. Niets bijzonders,
goeroe ! De jongen en het meisje, van wie gij den dag gelezen hebt, ziet ge,
wat den jongen betreft, die is vroeg aan 't zwerven geraakt; we weten niet of
hij dood is of leeft (lett. 't bericht van zijn sterven is er niet, en van zijn leven
ook niet). Dat zij zoo! Als mijn dochter maar in levea blijft, dacht ik. Als
er een dochter is, is er ook een zoon. Ik heb haar uitgehuwlijkt, goeroe Zoo
kwam ook een zoon; maar nu is zij heengegaan met mijn schoonzoon en ze zijn
boomknoesten geworden, zegt ze, in 't bosch Limboer Raja" — „Dat was 't zeggen
(de voorspelling) van den dag, dien ik las", zeide de goeroe; „'t is je zoon, dien
je schoonzoon noemt. Vroeger heb ik al gezegd: huwelijk je dochter spoedig
uit, geef je zoon spoedig eene vrouw; gij hebt mijn woord niet opgevolgd,
vorstin. Maar, als gij vindt, dat het van belang is. kunnen ze wel naar huis
gebracht worden," zeide hij. „Met je zoon kan je spreken, ieder aan een kant
van den wand 38). Wat zijn kostwinning betreft, als hij later één dag eene vracht
") De Bataksche constructie lalap la enz. beantwoordt aan de Franschc: conti-
nuer de ne pas
38) Ieder aan een kant van den wand. De tooverstaf nl. mag niet in huis komen,
anders dan bij de plechtigheid van 't nyoelak. Hij wordt buitenshuis bewaard, en wel
onder den overhangenden dakrand. Tegenwoordig echter bergt men hem toch wel in huis
op, uit vrees voor diefstal. Over 't geheel begint er een sceptische geest onder de Bataks
te heersenen. Zou vroeger de vrees van door onheil getroffen te worden de lieden
terughouden zoo'n staf te ontvreemden, nu zijn er genoeg die het er op durven wagen.
53
draagt," zeide hij, „zult gij dollars in ontvangst te nemen hebben", zeide hij, „dan
zal er zout zijn, en sirih en gambir en tabak En je dochter, wat zij 's ochtends
begint te vlechten, kunt gij 's avonds beslapen; als zij een soempit (rijstmand)
vlecht, als ze daaraan 's ochtends begint, kunt ge die 's avonds vullen ; als zij later
rijst stampt, als ze één nacht stampt, is er drie toemba gepelde rijst; als ze één
nacht spint, is er dertig streng «jaren. Als gij vindt, dat dit van nut is, vorstin,
kunnen we naar 't bosch gaan om ze te halen," zeide hij.
„Ik, 'k vind dat dat geen nut meer heeft, goeroe. Ik zou willen, dat
het meisje mijn gezellin bij 't stampen in de lësoeng was, mijn gezellin bij 't
dragen van 't watervat naar de rivier, mij o helpster bij 't gaan naar 't veld.
En de jongen, als het donker is, dat ik hem roep van den rand van de
toere; komt hij thuis," zeide ze, „dat ik een blanke mat uitspreid, hem de rijst
opschep, hem 't vingerkommetje aanreik; als hij klaar is met eten, dat ik hem
een sirihpruimpje om te kauwen . gereed maak."
„Ja, als dat uw verlangen is, vorstin, daartoe ben ik niet bij machte;
ik ga terug naar mijn vader en mijne moeder, naar Poelo Tjimtjimën," zeide
de goeroe.
„Keer toch niet terug, goeroe, als ge meent, dat het zóó alleen nog
maar kan, haal ze dan zoo naar huis, mijn schoonzoon en mijne dochter." — „'t Is
niet je schoonzoon, 't is je zoon, vorstin, zei ik immers,''
„Mijn zoon dan (lett. als dat, dat) ; breng ze naar huis, goeroe." — „Neem
dan een groote kampil, een vrouwen hoofddoek", zeide de goeroe; „neem een vol
streng garen," zei hij, „offerspijs waar niets aan ontbreekt. Neem een mat en
laten we dan naar 't bosch gaan
In 't bosch gekomen, kwamen ze aan den tenggolanboom; deze werd
„bediend" (d i. te eten gegeven) 39) zegt men; zijn er af vliegende houtsplinter
werd „gelezen"; deze was gunstig; hij werd op de vereischte lengte gehakt, de
offerspijs werd bij het ondereind van den stam achtergelaten, de boom werd in
doek gewikkeld naar 't dorp gebracht. In het dorp gekomen werd hij tot
beelden bekapt. Wel, hij was klaar, zegt men. „Als er kippen zijn, vorstin,
dat er een kip geslacht worde, vorstin," zei de goeroe, „een roode; men neme
haar lever, men neme haar longen, men neme haar hart, men neme gember, men
neme grof zout, men neme spaansche . peper.
39) De boom wordt met zooveel eerbied behandeld, omdat hij de verblijfplaats
van Bëroe Tijang Maoik is.
Het breDgen van een offer aan een boom, vóór men hem kapt, komt nog voor
bij 't vellen van den 'nderasi, een boom die veel en koel water bevat, en de eerste boom
is, die geveld wordt, als men een huis gaat bouwen. Deze boom zou de eerstgeschapene
van alle boomen zijn.
54
Dat heet „dalang-dalangeri" 40). Dat werd hem te eten gegeven; men
nam palmwijn loelak poerba djati, die maakt dat wij gezegend en rijk worden.
Deze werd hem te drinken gegeven uit de „staart" 41) van het palmwijnvat.
„Nu, vorstin, deze je zoon heet: Toewan Adji Doenda Katekoetan, deze je doch-
ter: Bëroe Poewang Tampe Radia Bënewasën 42), talrijk zullen uw „oudere
broeders", talrijk uw „jongere broeders", talrijk uw „anak-baroe", talrijk uw
„sënina", talrijk uwe onderdanen zijn. Welke ook in 't vervolg uw verontrus-
tende droom zij," zeide hij, „welke ook in 't vervolg de kwade praktijken der
menschen mogen zijn, deze uw zoon is bij machte die booze praktijken af te
weren; en mocht er iemand hevig geschrokken (en dientengevolge) onwel zijn,
dan is deze uwe dochter te gebruiken als middel om de „ziel" terug te halen 43).
40) De dalang-dalangën wordt rauw gegeven.
't Werkwoord dalang wordt in eene verwensching of bedreiging wel gebruikt:
koe-dalang ko = 'k zal je tot moes hakken !
41) De Jcitang is het fraaie palmwijnvat, waaruit men in huis den palmwijn
drinkt. (De bamboe waarin de wija uit den palm wordt opgevangen heet tongkap, die,
waarin men 't vocht overgiet, om 't naar huis te brengen kandi-kandi.) De kitang heeft een
fraai zwart deksel, waaraan eene tuit en een oor. Dit oor heet in 't Bataksch de staart.
Er is eene kleine opening in, waardoor bij 't uitschenken uit de tuit, de lucht kan
toetreden, zoodat de straal regelmatig doorloopt. Men zet de tuit niet aan den mond,
maar houdt haar hoven den geopenden mond. 't Is een waar kunststuk zoo te kunnen
drinken, zonder er in te verschieten !
42) De naam van het meisje is al heel erg verhaspeld. Bij Westenberg is ze
heel wat nauwkeuriger. Haar ware naam, dien de Heer Meerwaldt opgeeft, is : si
Tapi radja na oeasan. d.i. die water schept voor de dorstige vorsten.
43) Men ziet, dat het gebruik, dat de Karo-Bataks van dezen staf maken, nog al
wat verschilt van dat bij de Tobaneezen. Bij deze laatsten is er verband tusschen het
gebruik en de mythe. Er leeft nog een flauw besef van zijne ware beteekenis. Bij de
Karo's is dit verloren gegaan en 't mag wel een wonder heeten, dat de vorm van 't
verhaal daaronder niet meor geleden heeft, en nog zoo duidelijk de mythische trekken
bewaard hoeft.
v
KARO-BATAKSCÏÏE VERTELLINGEN.
lil.
SARINDOE TOEBOEH.
INLEIDING.
Het onder dezen titel hier behandelde verhaal, wordt ook wel genoemd
naar een der andere personen, die er eene rol in spelen. Zoo komt het ook voor
als: „verhaal van Radja Boelan en Radja Perkoelljapi", of „verhaal van den witten
vogel", of „verhaal van Beroe Dajang , (bij von Brenner, en overgenomen door
Pleyte in ziin ,Bataksche vertellingen' ten onrechte Boroe Dagang).
Deze laatste betiteling verdient wel de voorkeur, omdat toch B. D. wel
de hoofdfiguur is in het verhaal, hoezeer ook R. B en R. P. belangrijke neven-
personen zijn. Ik behield den titel, waaronder het mij verteld werd door een zeer
intelligenten Batak, Pa-Nompar, van Boe/al, van de mërga Simbiring, aan wien ik
ook de duidelijke en uitvoerige lezing van Docuda Kalekoeten, en van 't m>g te
behandelen verhaal van Radja Kétengahen te danken heb.
De benaming is ont eend aan 'teerste deel van 't verhaal, wat de Bataks
meermalen doen, ook al verdwijnt, gelijk hier 't geval is, later die persoon.
Sarindoe locboeh beteekent : een met z'n tweeën geborene, tweelingen van 't
stamwoord indoe, dat nog gevonden wordt in ngindoewi — voor de tweede maal
de rijst stampen.
Uit den eersten zin van 't verhaal zou men kunnen opmaken, dat er
eigenlijk drie kinderen tegelijk geboren worden De heer Neumann, van wien in
de Mededeel, v/w. het Ned Zend. Gen. eene studie staat te verschijnen over de
tcndi in verband met sidajang, deelde -mij mede van een Batak gehoord te hebben
dat er inderdaad sprake is van een drieling. Titel en inkleeding van 't Lier
medegedeelde verhaal passen evenwel bij die voorstelling niet, gelijk o. m. hieruit
blijkt, dat de meisjes haar jonge broertje in slaap sussen, op den rug dragen, enz.
Trouwens het hl ij ft vooralsnog eene open vraag of het eerste gedeelte,
dat eigenlijk eene inleiding is. een soort van genealogie van de hoofdpersonen,
een wezenlijk bestanddeel van t oorspronkelijke verhaal uitmaakt, wat ik voor
mij overigens wel geneigd ben bevestigend te beantwoorden. Zeker is echter, dat
het latere gedeelte duidelijker onmiskenbaar mythische trekken vertoont, die
misschien niet in alle bijzonderheden met voldoende zekerheid te verklaren zijn,
doch die blijkbaar met de maan verband houden.
56
Daar de heer Neumann zijne studie bovengenoemd wil doen volgen door
een aanhangsel dat speciaal de Dajang mythe behandelt, wil ik hier niet in al
te uitvoerige bijzonderheden treden. Met het oog echter op den allicht eenigszins
anderen kring van lezers, en ook omdat ik op enkele punten tot eene zelfstandige
opvatting gekomen ben, wil ik er toch iets van zeggen, doch eerst na mededeeling
van den bcofdinhoud van 't verhaal.
Voorop sta nadrukkelijk de mededeeling, dat ik de opvatting van het wezen
van si Dajang aan den heer Neumann te danken heb.
Deze eenmaal gegeven zijnde, was de weg tot het recht verstaan der
andere trekken niet zoo moeilijk meer, dank zij ook de tamelijk duidelijke
gegevens van het verhaal zelf.
Hier volge de korte inhoud.
Onze „grootvader" kreeg twee dochters en één zoon. Kort na de geboorte
van den laatste stierven achtereenvolgens zijne moeder en zijn vader. Natuurlijk
dat het „verweesde kind" (Anak Méloemang) 1) dikwijls huilde en daardoor den
anderen bewoners van 't huis hinderlijk werd, die dan ook verre van liefderijk
gezind jegens den stumper waren, zoodat ze zelfs zijnen zusters bevalen hem in
de rivier te werpen. Dit gebeurde, doch hij dreef tegen den stroom in en
spoelde bij de badplaats aan wal. Hij kroop van hier naar 't dorp en groeide
met de varkens op onder 't huis. Grooter geworden kreeg een buffelhoeder
medelijden met hem, en gaf hem van zijn eigen armoedig deel. Eens, terwijl
A. M. op de karbouwen paste kwam „de bereisde kapitein" (Anakoda Per-
lajar) daar voorbij. Door dezen liet hij zich overhalen mee naar de beneden -
Janden te gaan. Hier verdiende hij aldra met handelen een aardig geldsommetje
en gaf nu met A. P. geschenken mede voor zijne beide zusters „de tweelingen"
(Sanndoe Toeboeh). Zij beantwoordden deze attentie met tegengeschenken en nu
kreeg A. M. verlangen naar zijn geboorteland. Met A. P. ging hij er dus heen.
Hij werd door A. P. aan een vrouw geholpen, terwijl deze zelf A. M.'s beide
zusters huwde, waarvan hij de oudste in 't Oosten, de jongste in 't Westen deed
wonen, terwijl A. M. zich in 't midden vestigde. Na verloop van tijd kregen de
zusters in 't O. en 't W. ieder een zoon. Later werden deze naar hun oom in
't midden gezonden om van hem hun naam te ontvangen, geheel conform de
Bataksche adat. Die uit het O. kreeg den naam van Koning Maan (Railja Boelan
Malela 2) en ontving als geschenk een mes, de tweede dien van Koning Mandoline-
speler (Radja Pérkoeltjapi) met als geschenk een mandoline (kc eltjapi of koetjapi).
1) Ik zal in deze inhoudsopgave de vertaling der namen geven, voor zoover mogelijk,
om later met de Bataksche namen (en de beginletters) te kannen volstaan, ten einde eene
te omslachtige vertaling te vermijden.
2) Of Malela de juiste naam is durf ik niet zpggen. 't Kan een epitheton ornana
zijn, zooals in bësi maleh, een bijzondere fraaie ijzersoort, eig. staal. Misschien ziet het
op 't mes dat hij als geschenk ontving.
57
Eindelijk kreeg de vorst van 't midden eene dochter, die toen ze groot
werd, van haar tante in 't 0. den naam ontviDg van „de Jongejuffrouw" (de Godin?)
die de vorsten vragen (Sibëroe Dajang Minta Radja 1), Als geschenk ontving
ze een fraaie haarkam. Ook werd ze terstond aan R. B. uitgehuwelijkt. Na vier
dagen kwam ook Radja Perkoeltjapi in 't O. aan en betooverde door zijn spel
zoozeer Bëroe Dajang, dat ze haar plicht vergat en R. P. naar 't W. volgde.
R. B. riep daarop de hulp in van een toovenaar, die B. D. aan 't malen bracht,
zoodat ze allerlei dwaze dingen deed.
Als oorzaak daarvan beschouwde ze den kiekendief, die de toovermiddelen
gebracht had, maar noch haar (tegenwoordigen) man, noch een te hulp geroepen
knappe blaasroerschutter, si Adoe Amang, waren in staat den vogel te dooden.
De iijtusschen in eene witte kip veranderde kiekendief werd de oorzaak van R.
P's dood, waarbij trouwens B. D. een handje hielp!
Zij vertelt nu haar schoonmoeder, dat haar zoon op reis gegaan is, en dat
men nu een tuin moet aanleggen. Als daarvan geoogst is, zal R. P terugkomen.
Eindelijk komt uit, dat B. D. schuldig is aan den dood van R. P. Haar schoon-
moeder wil haar nu eveneens om 't leven brengen, wat B. D. ook accepteert,
doch eerst heeft ze nog eene boodschap, en deze is eene uitvoerige onderwijzing
in de kunst om verschrikte zielen terug te roepen. Als ze daarmede gereed is, ver-
zoekt ze haar schoonmoeder, haar in eene groote kalebasvrucht te stoppen en in
zee te werpen. De stroom voert haar naar 't Oosten. R. B. vindt daar een kalebas
drijven in zijn visch-staketsel. Hij klooft de vrucht, en Bëroe Dajang komt levend
te voorschijn. Nu zijn ze weer als man en vrouw vereenigd.
Om dadelijk tot de hoofdzaak van het verhaal te komen: deze is blijk-
baar, dat twee machten, een in 't O. en een in 't W., elkander het bezit van iets,
in casu Bëroe Dajang, bewisten
Nu is de heer Neumann op verschillende deugdelijke gronden en langs
meer dan één weg tot de overtuiging gekomen, dat Bëroe Dajang of si Dajang
eigenlijk is de levenwekkende, leven aanbrengende en dat we bij haar vooral te
denken hebben aan hel lichtende hemelgewelf en dit weer opgevat als eigenlijke sta-
pelplaats van het licht (en de warmte) in 't algemeen, naar de kinderlijke opvatting
der natuurmenschen gedacht als eene op zich zelve bestaande iile, luchtige sub-
stantie, gelijk, bijv. ook in 't Bijbelsche scheppingsverhaal de schepping van
het licht op den eersten dag als iets afzonderlijks wordt verhaald, afgescheiden
van de dragers van 't licht (zon, maan, sterren), welker schepping op den vier-
den dag gesteld wordt.
1) Men besebouwe Minta Radja bloot als naam-, niet als bepaliny, want dan kan
deze, gegeven den vorm, niet anders beteekenen dan : die (Ie nv.) de vorsten (den vorst)
vraagt. Mijne taalkundig onjuiste vertaling berust echter op 't gegevene in 't verhaal
zelf. De beide vorsten toch betwisten elkaar haar bezit.
58
Dat lichte, luchtige, vluchtige wordt mythologisch zeer goed weergegeven
door den witten vogel, die het attribuut is van B. D , soms met haar vereenzelvigd
wordt en dan ook zeer goed als 't lichte hemelgewelf is op te vatten. Daarmee
stemt prachtig en logisch overeen des heeren M's opvatting van den vaal-zwarten
koeliki als den nachtelijke», althans den donkeren hemelkoepel. Ook wij spreken
dichterlijk van den nacht met zijn vale vlerken.
Twee machten bestrijden dus elkaar de heerschappij over den lichtenden
hemel, en dan kan men moeilijk falen, als men daarin de zon en de maan ziet.
Reeds blijkens den naam vertegenwoordigt Radja B elan de maan. Uit het verhaal
blijkt dat het natuurverschijnsel om zoo te zeggen beschouwd wordt van uit het
standpunt van de maan Deze staat (woont) bij ons verhaal in 't Oosten. Het is
dus duidelijk, dat hel uitgangspunt der mythe is het verschijnen der volle maan.
Immers dan bevindt zich de zon juist in 't Westen, 't Lijdt geen twijfel of R. P.
is de zon, in de eerste plaats de ondergaande zon en zijn attribuut, de twee-
snarige mandoline, beeldt mythologisch zijn laatste stralenbundel uit, eene aan-
schouwingswijze die haar tegenhanger vindt in de dichterlijke benaming voor de
naar alle zijden stralende ochtendzon, malawari singgargar (zie Med. N. Z G. Dl.
47, pag. 172, noot), waarbij ik hier nog voeg, dat het gw. gargar stellig 't zelfde
is als 't woord voor kippenest, nl van die soort, die men vervaardigt door een
ronde bamboe aan 't eene einde in talrijke fijne staatjes te splijten, die uit te
buigen en dan te doorvlechten.
Daar de maan gedurende haren loop zich ook als sikkel vertoont, mogen
we met den heer N. daarin wel het mes zien.
Volgens 't verhaal komt na vier dagen ook R. P. naar 't O. Daar dit
het conventioneele getal is in tal van Bat verhalen, behoeven we dit niet al te
strikt op te vatten. Een feit is, dat na volle maan de zon weer op haar gaat
inhalen. Zelfs na vier dagen is reeds merkbaar dat de maan aan licht verloren
heeft, en als eindelijk zon en maan tegelijk opkomen, of in mythische taal R. P.
bij R, B. in 't O. is, is de maan haar licht, dus K. B zijne vrouw kwijt! Ze
is aan R. P. overgegaan!
Ook het daarop volgend pogen van R. B. om zijne vrouw terug te krij-
gen, is in hoofdzaken verstaanbaar, doch ik ga hierop niet verder in, gelijk
ik ook de b?spreking van andere dingen achterwege laat, die hoewel onge-
dwongen eene mytbische verklaring toelatende, toch misschien toevoegsels van
later tijd z ; jn.
Het optreden van Adoe Amang, met wiens naam ik ook geen weg weet,
lijkt wel ongemotiveerd. Ik weet hem geen plaats aan te wijzen. Deze episode
maakt op mij den indruk van hier eigenlijk niet thuis te hooren
Het verhaal van den Heer De liaan, althans indien de Heer Pleyte dit
nauwkeurig weergeeft ('t verslag van den heer De H. heb ik niet ter beschikking)
is al zeer verward, wat den opzet betreft. Men weet niet recht of men met twee
59
Radja's te doen heeft, of met een, die beide namen vereenigd draagt, en wat
Adoe Amang daar voor rol speelt is heelemaal diister. Voor 't overige, hoe kort
het daar medegedeelte verhaal (Pleyte Bat. Vert. Aant. 18, pag 28!) ook zij, in
hoofdzaak stemt het toch vrijwel met het hier gegevene overeen. De lezing van
von Brenner vertoont belangrijke afwijkingen, en ik vrees, dat het door genoemden
heer wel wat heel romantisch is aangekleed.
Vreemd is overigens in de verschillende verhalen de samenkoppeling van
maanmythe, landontginning en, euphemistisch gezegd, medisch onderwijs.
Hier kan moeilijk iets anders zijn dan samensmeltiog van twee mythen,
die beide evenwel op Bëroe Dajang betrekking hebben
't Moet ieder opvallen, hoe de Dajangfignur meer dan oppervlakkige
gelijkenis vertoont met de bekende Dewi Tri der Javanen. Wel onderwijst deze vooral
in landbouwzaken, en is in 't Kar. verhaal sprake van onderwijzing in zieken-
behandeling, toch is merkwaardig- dat aan dat onderwijs voorafgaat eene in details
nauwkeurige beschrijving van de ontginning van een veld, met al de technische
benamingen voor de verschillende werkzaamheden Ook is er sprake van 't planten
van allerlei nuttige gewassen, vooral van die welke als poelo&ngen bij de verschil-
lende plechtigheden eene rol spelen. Ik vermoed, dat ook dit gedeelte oorspron-
kelijk den vorm heeft gehad van een pèdah of leering.
Dat ook de landbouw afhangt van de 'levenwekkende Dajang is duidelijk.
Merkwaardig is wel dat het hoofdprodukt van den landbouw, de rijst, ook bij
godsdienstige handelingen als Bëroe Dajang wordt aangesproken en zeer eerbiedig
behandeld. Zij is dan ook eigenlijk de gematerialiseerde en geconcentreerde Dajang,
op haar beurt weer levenwekster en levenonderhoudster Overigens verwijs ik
nogmaals naar de weldra te verschijnen studie van den den heer N., die ook
belangrijke opmerkingen over 't iroord Dajang bevat.
Nog moet hier even eene belangrijke vraag gesteld worden: Is si Dajang
eene oorspronkelijke conceptie, nl. in dien zin, dat ze als algemeen M. P. ook
door de Bataks reeds uit hun stamland is meegebracht?
Ofschoon niet afdoend te bewijzen, acht ik het wel waarschijnlijk, gegeven de
algemeene verbreidheid van 't woord jang (godheid, geest enz.) in zijne verschillende
vormen, gegeven ook de gewichtige plaats, die het woord (als drager van 't
begrip) in het godsdienstig denken der Bataks inneemt. Zoo ergens, dan ligt
in de vereering van Dajang iets van echte religie. Aan den anderen kant is
evenwel zonneklaar, dat op den vorm van het tegenwoordig verhaal (en dit ^eldt
alle verhalen van deze soort, ook <».a. Doenda Katekoeten en 't nog te behandelen
Radja Ketëngahën) het Maleisch invloed heelt gehad. Bij de behandeling van
laatstgenoemd verhaal hoop ik dit punt nader te bespreken.
Het gedeelte, handelende over het terugroepen der tëndi, zal vanzelf in de
aanteekeningen nadere toelichting vinden, zoo'at ik nu gevoegelijk tot mededeeling
van den tekst kan overgaan.
60
KARO'SCHE TEKST.
SARINDOE TOEBOEH.
E, toeboeb me koenoe 'ndoebe anak nini, doewa dibëroe, sada dilaki.
Empat bërngi ija, mate nandena, oewaloeh bërngi mate bapana. E, tangis më
Anak Mëloemang roesoer; némbëh sibas roemab.
„Doewab-doewjibkën agindoe koe toere", nina, „langlang kami mëdëm".
E dowabkënna agina koe toere.
„Ola kam tangis agi; di kam tangis akoe pësip kam, di akoe tangis, ise
ngapoel akoe?" nina.
E, pijab sinik Anak Mëloemang 'ndai, latih; latih i-akapna tangis. E
tëngah bërngi simbagas më.
„Bibi, poelkaï! agingkoe ndai sinik. 1 ' E, pëkoelab sibas roemah toendoeb.
E, tëkoewak manoek më koenoe. Koe toere sibas roemah, koe roemab
Anak Mëloemang ras Sarindoe Toeboeb Sëh i roemab tangis ka Anak Mëloemang.
„Ah, roesoer ngë agindoe tangis, ëmbahkënlah koetëroeh karang." E
langlang lëmboe kalak koe karang. I-émbahkënna koe karang kërbo, kërbo pe
la nggit 'ndëdëhsa; ëm^ahkenna koe pintoe lavvang, e langlang më kalak koe
djoema, langlang më lëmboe loewar, langlang më kërbo.
E, nëmbëh më këmbërahën koeta. „Omhakken agindoe koe laoe araé!"
E tandangina lo 'mbëlin. S^h m'ija i pintoe-pintoe, djoempa ka ras përdjoedi
dodas, përboelang hoelang pasa tjinggaloeng.
„Totokënlah begoe nandendoe, sëboetlah begoe bapandoe. Di menang akoe
kari ërdjoedi koe-ganda tjimpa, koe-ganda galoeh, koe-ganda pola".
Mënang përdjoedi doewa tahil, i gandana tjimpa, ibërekënna man Anak
Mëh emang, tërkoejam koejam Anak Mëloemang. I-gand na pola sitjaloeng,
i-bërekënna man Auak Mëloemang, tfirsiroep-siroep Anak Mëloemang. I-gandana
ka galoeh, i-bërekënna man Anak Mëloemang, tërdilat-dilat Anak Mëloemang.
E mëntas koe roemab këmbërahën koeta: ,01a sijar sijar 'mbal-mbal
'mhëlang e amé; ombakkënlah pgindoe koe laoe." E, sëh m'ija i laoe i-totokënna
ka begoe nandena, i-totokënna ka begoe bepana:
„ Uokënlah anakndoenda", nina, „akoe pe lampas lëgikën nandé, la nai
lit ingan i këgëloehën "
E, poelahina agina koe laoe. E, kalak mombak kahekahe, ija mombak
koloe-koloe E, masir m'ija koe tapïn dilaki. E 'nggawang ija koe roemah,
'nggawang koetëroeh karang. E, lit kalak mëre babi tërdilat-dilat Anak Mëloe-
mang. E pijah 'mbëlin Anak Mëloemang; ngasoep m'ija ërdalin dalin, ërdalin-
dalin ija koe karang kërbo.
61
„Ingani kërbota ena agi", nina anak përmakan, „man akoe Iëbe koe roemah."
E man më anak përmakan koe roemah, i-daboepkënna singkëbabah, i-sapoekënna
koe këldoengënna. E, lawës koe baroeng anak përmakan, i bërekënna man
Anak Mëloemang. E man më Anak Mëloemang.
E, ngasoep m'ija küam-kijam, kijam kijam ija koe 'mbal-mbal. „Ijani
kërbota ena agi", nina përmakan kërbo, „ënta koe-lëgi gadoeng toetoengën."
E, mëntas Anakoda Përlajar. „Asakai ërgana kërbota e?" nina Anakoda
Përlajar. „Akoe, ërgana pe la koe-ëtëh'' nina Anak Mëloemmg, „oetang ngem-
bari ngëntja adjangkoe", nina.
Asakai oelihndoe ngembari?" nina. „Gadoeng simpënggël ngë ërpagi-pagi,
gadoeng simpënggël nge rëbi-rëbi", nina. „Di bagé, raslah kita 'ngkahe" nina
Anakoda, „e sambar gondjendoe" nina, „sambar boelangndoe, sambar badjoendoe"
nina, „sambar tj^binndoe" nina. E 'ngkabe Anak Mëloemang, i bereken Anakoda
bëlandjana doewa ratoes. Sëh ëmpat boelan ënggo dat oewaloeb ratoes. „E, ras
kita sëkali nangkëng agi", nina Anakoda, „ngëlëgi kërbo, babanta ngepar."—
Kam më gëlah lëbe nangkëng kaka". nina. Anak Mëloemang. „Ënggo koe-
toekoer taboeng doewa më, ënggo koe-djaroemi badjoe doewa; bereken man
toerangta i goegoen, toerangta Sarindoe Toeboeh." — „Sarindoe Toeboeh la koe
ëtëh", nina Anakoda — „Bagelah nindoe pagi i goegoeng", nina.
E, nangkëng më Anakoda Perlajar. Sëh i goegoeng më Anakoda Përlajar
tëngahna djoema taka-takan. Naka-naka Sarindoe Toeboeh, mëntas Anakoda Për-
lajar. „Lawës koedjangëkam enda mama," nina Sarindoe Toeboeh — „Idja Sarindoe
Toeboeh bibi," nina Anakoda Përlajar — „Man kadendoe Sarindoe Toeboeh," nina
Sarindoe Toeboeh. „Enda tenah toerangna" nina Anakoda Përlajar, „badjoe doewa,
taboeng doewa. — „Idja goendari Anak Mëloemang?" nina Sarindoe Toeboeh ;
„taroehkën kal kami koedje," nina. „De atendoe djadi, enggom gija lang" nina
Sarindoe Toeboeh, „sada pagi kami mëre bijangndoe, sada kami si ngëlëgi pola
man inëmënndoe." — ,E sëkali nari kami ras nangkëng" nina Anakoda Perlajar.
„E, di bage këpe kaka, kaka ningkoe kata kam, duewa kam toerang di
laki, doewa kami toerangndoe dibëroe, enda amak doewa, enda kampil doewa,
enda oewis doewa, tërnonggal kam ras Anak Mëloemang."'
E, sëh më i djahe Anakoda Përlajar. „Enda tënah toeroengta," nina kata
Anak Mëloemang, „amak doewa, kampil doewa, oewis doewa " E, tangis Anak
Mëloemang. „Ras m'italah nangkëng," nina Anak Mëloemang. E sëh m'ija
i goegoeng i-pëmpo Anakoda Përlajar Anak Mëloemang, i-empowina Sarindoe
Toeboeh. E, sintoewa ndoebe koe këpoeltakën si ngoeda koe kësoendoetën,
Anak Mëloemang itëngah.
E, tande më doewa tahoen, toeboeh më anak oe 1) nini, anak dilaki ni
këpoeltakën, anak dilaki ngë i kësoendoetën, anak dibëroe itengah.
1) Oe=noe en evenals i = ni ter vorming van een genitief-constructie, die echter
62
E, 'nibëlin anak radja i këpoeltakën. „Si kai gelarkoe nandé?" nina. —
„E, inamandoe 'nggëlar kam, bapa" nina nandena. „Enta koe tënoen lëbe tjabin
mamandoe," nina, „koe-tënoen sada toedoeng mamindoe" nina, „koe-bajoe sa
kampil mamandoe, koe-bajoe sa kampil mamindoe." Enggo më doeng kampil
i-bajoe, ënggom doeng oewis i tënoen, e dahina niamana koe këtëngahën. „Enda
sada mama man tjabinndoe" nina, „bereken sa man toedoeng mami." nina, „enda
sa man kampilndoe, bereken sa man kampil mami," nina.
„Koe-tandaï pe kam so pe," nina Anak Mëloemang. — „Doewa koenoe
ndoebe nande dibéroe, sada kam ngë ndoebe dilaki" nina, „bibi singoeda 'ndoebe
koe kësoendoetën nande i këpoeltakën, kapangkoe Anakoda Përlajar, nandekoe
Sarindoe Toeboeh'', — „AL, akoe ngë pintër 'nggëlar kam bapa," nina Anak
Mëloemang. „Enta koe-tépa lëbe pisondoe" nina, „gëlarndoe si Radja Boelan"
nina, „si Radja Foelan Malela" nina.
E, rëb më radja kësoendoetën, nina. „Enda sada man tjabinndoe mama"
nina, „bereken sada soedang mami" nina. „enda sa kampilndoe mama," nina,
„bereken sa man kampil mami" nina. — „Ah, koe-tandaï pe kam so pe," nina
Anak Mëloemang. — „üoewa koenoe ndoebe nande dibëroe" nina, „sada kam ngë
dilaki," nina. „Bibi 'ntoevva ndoebe koe këpoeltakën, nande i kësoendoetën,
bapangkoe Anakoda Përlajar, nandekoe Sarindoe Toeboeh."
Tangis Anak Mëloemang. „Akoe ngë pintër 'nggëlar kam bapa" nina;
„koe-bahan lëbe koeltjapindoe" nina, „gëlar koeltjapi si celoeng-oeloeng" nina,
r oeloeng-oeloeng parang 'mbëlin, oeloeng oeloeng anak përana, oeloeng-oeloeng
sintoewa-sintoewa ' nina, oeloeng oeloeng singoeda-ngoeda" nina, oeloeng-oeloeng
danak-danak, gëlarndoe si Radja Përkoeltjapi."
E, moelih koe këpoeltakën radja këpoeltakën, moelih koe kësoendoetën
radja kësoendoetën.
E, 'mbëlin anak radja këtëngahën. „Si kai gelarkoe nande" nina anak
radja këtëngahën. — „Pëladjari 'mbajoe amé" nina, „i-bajoe kampil bibindoe"
nina, „i-pëladjari ërtënoen amé," nina, „i-tënoen oewis bëngkilandoe" nina
E, doeng kampil i-bajoe, doeng oewis i-tënoen, e dahinam bibina koe
këpoeltakën. „Enda sada man toedoengndoe bibi," nina, bereken sa tjabin bëng-
kila" nina, „enda sada kampilndoe" nina, „bereken sa man kampil bëngkila"
nina. — „Koetandaï pe kam so pe amé" nina. — „Ah, doewa kam koenoe dibëroe,
sada bapangkoe 'ndoebe dilaki, kam i këpoeltakën, bibi singoeda koenoe 'ndoebe
koe kësoendoetën, bapangkoe 'ndoebe itëngah" nina. Tangis Sarindoe Toeboeh.
„Akoe ngë pintër 'nggëlar kam amé" nina; „i-bahan bëngkilandoe lébe soerindoe"
nina, „gëlarndoe si Bëroe Dajang ; si Bëroe Dajang Minta Radja" nina. E. pëpoe-
koelna ras anakna si Radja Boelan, nina.
weinig gebruikelijk is, doch nog wel voorkomt om afkomst of afstamming aan te duiden.
Vandaar nog wel achter woorden, die eene familie-verhouding uitdrukken en ook bij
mërga's, bijv. ei noe Lingga = de onderstam Lingga, letterlijk „die van Lingga".
63
E, tande më ëmpat bërngi, nina, e rëh më Radja si Përkoeltjapi i kë&oeu-
doetën nari, radja kësoendoetën E, goewalna më koeltjapi nina, gëlar koeltjnpi
si-oeloeng-oeloeng. E ; roeloeng-oeloeng më parang 'mbëlin, roeloeng oeloeng anak
përana, roeloeng-oeloeng më toevva toewa, r eloeng-oeloeng më singoeda-ngoeda,
roeloeng- oeloeng më danak-danak nge, ërdësap-dëso më darëh i Dajang Minta
Radja, e tadingkënna më amak daboehën, nina, ngikoet m'ija koe kësoendoetën.
E, sëh më i kësoendoetën i-pëpoekoel ras Radja Përkoeltjapi.
E, sëh më oewaloeh bëmgi, i-dahi si Radja Boelan goeroe sibaso nina.
„Koega dëngang enda përoekoer goeroe", nina si Radja Boelan kata goeroe sibaso.
„I kapoeri bëlo saloengsang pitoe-ng-këbabab' nina. E, soeroeb goeroe koeliki
mangki-angki ëmbabkën bëlo saloengsoeng. E, kabang koeliki mangki angki
kabang koe kësoendoetën. Tëngab ërtënoen si Dajang itëroeh ; ërkoelik koelik
koeliki ibobona 'ndaboeb bëlo pitoe-ng-këbabah koe tënoenën e. Ërdësap-dëso
darëh i Dajang, i-tangtmgina tënoenënna, i-tadingkënna tënoenën itëroeh i-dahina
si Radja Përkoeltjapi koe roemah. Tëngahna man si Radja Përkoeltjapi i roemah.
„Langlangkënluh nakan ena i-pil» kaka" nina si Bëroe Dajang; „ëltëp kam gëlah
koeliki si mangki angki". E, i-ëltëpna koeliki si mangki angki, salih djadi manoek
simboelan, i-ëltëpna ërtëroeknang 1), i-bénterna, ërdëhërna, lalap la dat manoek
simboelan.
E, lawës koe djoema si Berue Dajang. Koe djoema ija, ërbaba koeran,
kiranting ija, ërbaba 'ndiroe, koe laoe ija ërbaba tjoewan nina, koe lë«oeng ija
ërbaba sëkin, këna si odjar-odjari si Radja Boelan.
„E, lit sada nari koe-ëtëh oekoer," nina. „Lawëslak kam kahe," nina.
„ngélëgi toerangkoe si përuèrëo, oerang pengëltëp si Adoe Amang " E, bërkat
më si Radja Përkoeltjapi kahe. Sëh m'ija i kërangën Limboe Raja, djoempam
ras oerang pengëltëp „Ise ng'ena rëh koedjenda?" nina oerang pengëltëp.
„Di gëlgël mëntji pe langnga ënggo 'nggarang arah tëroehkoe, koeliki pe la
kabang arah bobokoe," nina, „enda rëh djoekoet 'mbëlin man pangan; këna
ipoeh si mate begoe, begoendoe pe ma nai bantji koe roemah," nina. — „Akoe
pe, mate ng'akoe natekoe" nina si Radja Përkneltjapi, „i-soeroeh toerangndoe
akoe koedjenda," nina, „ngëltëp manoek manoek semboelan.
E nangkëng më ras Radja Përkoeltjapi si Adoe Amang. E, sëh i goegoeng
si Adoe Amang nina.
E, ëltépna manoek simboelan idatas tandoek, i-ëltëpna, këna toebina, tër-
koepir koepir manoek simboelan, 'ngkoepirkën bangka këlesa. E, ëltëpna doewa
kali nina, këna takalna, koemoekoe ngéntja manoek simboelan. E, ëltëpna tëloe
1) teroek, nevenvorm van teroeh (Tob. toroe) en wel opzettelijke verbastering,
om de beteekonis laag zittend uit te drukken. Si-tëroek-tëroekën, de een lager zittend
dan de ander; daarentegen Si-tëroeh-tëroehën : iemand, bijv, zijn compagnon minder geven
van de winst, dan hem rechtens toekomst.
64
kali nina, këna kabëngna, 'nggoeuioerpas këntja manoek simboelan. E, i-ëltëpna
empat kali, i ëltëpna këna nahena nina, 'ngkaiskën banga këlesa, noelpatkën nipi
sambar nina, noelpatkën si ngalah daging, si rantje koela, si badat mata, si
ngërepat nahe, si ngaloengang babah; lalap la dat manoek simboelan.
E, moelih si Adoe Amang. ënggo moelih banga këlesa.
„E, akoe lit sa koe-etëh oekoer" nina si Bëroe Dajang. „Marilah koe
tëngah lawët." E, kabang manoek simboelan arab bobona, i-tjinëpina ka kajoe
si galinggang raja i tëngab lawët. E, toedoehkënna awih man si Radja Përkoel-
tjapi. „Si nidatas a la kam gija bëloeb moewatsa, si nitëroeh bëloeh kam
ërkënëng" nina, „tangtang gondjendoe" nina, tangtang badjoendoe" nina, „tang-
tang boelangndoe" nina, „tangtang bentingndoe enda, koedjenda kampilndoe ras
pisondoe. E tarekën awakndoe, ënta koe-tambatkën batoe përanggoe, maka kam
lampas sëh itëroeh," E, tambatkënna batoe përanggoe, i-daboebkënna koetëngah
lawët.
E, lawës më koe roemah si Bëroe Dajang Minta Radja, nina: „bibi, enda
kampil anakndoe" nina, „pisona ras boelangna, gondjena ras bëntingna". — „Idja
si Radja Përkoeltjapi, Dajang?" niua Sareudoe Toeboeh. — „Anakndoe
ënggo ërlajar bibi, 1 nina si Bëroe Dajang. — 'Ndigan ija rëh koedjenda
Dajang?" nina Sarindoe Toeboeh. — „Ngërabi kita lëbe bibi" nina si Bëroe
Dajang. — ,Enggom doeng djoema i-rabi bëroe!'' nina Sarindoe Toeboeh. — „Di
enggo i-rabi, i-tab»hi," nina Bëroe Dajang. „Di ënggo tabah i-ërdah" nina
si Bëroe Dajang. „Di ënggo i-ërdah, i-soeloeh" nina, „di ënggo i-soeloeh,
i-angkoet" nina, „di ënggo i-angkoet, i-lingke," nina, „di ënggo i-lingke,
i-ërdangi" nina si Bëroe Dajang.
„Ënggo ni'enda doeng djoema ërdangën bëroe,' nina bibina. — r E, soe-
wan soewan-soewanën, i-soewan galoeh, i-soewan tëboe, i soewan bëlo, i-soewan
majang, i-soewan boenga-boenga, i-soewan rimo." — Ënggo tjoekoep soewan-
soewanën, bëroe," nina bibina, „E mëtoewa më page, ërboewah më galoeh, ka-
gëdang tëboe, ërboenga boenga-boenga, ërboenga majang, ërboeloeng bëlo, ërboe-
wah rimo" nina. „E, di ënggo bage bibi, i-toetoe tjimpa, i-pëtasak galoeh, i-përës
tëboe, i-nangkih majang, i-nangkih rimo, i-nangkih bëlo, i-boewat boenga-
boenga." — «Ënggo më poeloeng kërina, bëróe ! ' nina bibina. — „E i-kanting
gantang 'mbaroe koe laoe bibi" nina si Bëroe Dajang kata bibina.
„E, ënggo m'enda kita rëh i lo nari, Dajang, katawari rëh si Radja Për-
koeltjapi?" nina bibina. — „Ënta lëbe koe-tënahkën koetjing ras tëmpoelak" nina
si Dajang. — „Akoe përlandëkna" nina koetjing tëmpoelak. „E, akoe maloe gën-
dang" nina katak. „Akoe naroene'' nina gaja. „Akoe maloe pënganak" nina
ampoek. „Akoe maloe goeng" nina toengtoeng kërangën. „E, akoe 'ndai ndewal-
këntja" nina poene. „Akoe goeroena" nina koeliki.
E, ërkoelik-koelik koeliki si mangki-angki. E, tangis tërsëmbëp koeliki si
mangki-angki. „Enda më kap anakndoe 'ndoebe bibi" nina si Bëroe Dajang kata
65
bibina — „Ënggo këpe mate si Radja Përkoeltjapi. Dajang" nina bibina; „ekoe-
boenoeb ëngko maka atekoe malëm" nina bibina. — „Akoe pe mate ng'akoe
natekoe bibi" nina si Bëroe Dajang. „Enda tenakkoe ërmanat manat, padanta
enda ërmake":
I. „Di lit pagi danak-danak niësënggët, i-giling-gilingkën tanëh sipoeloeb
kali, i-ampekën koe kalimboeboena, i-sëboet nini bëraspati tanëb. Sai me oetang,
gantji ido ; sai mara, koe roemah tëndi".
II. „Bëlidën sitik pagi boerawanna, bibi, i-kitjik-kitjikkën bëras sigantang,
bëlo tjawir ras badja minak, boenga-boenga sintangke, i-oge padi-padina, sai
mara tan si kawës, koe roemah tëndi arah kërnoekoen, i-dewal-dewalkën goeroe
si baso; sai oetangna, gantji idona; sai marana, koe roemah tëndina. Gambër
timbako silëkanna ras goeroena".
III. „Bëlidën pagi sitik boerawanna, rëmboe-'mboewën tiga roepa, rëtjibal
roedang, ampar ampar gana tonggal pagi, boewatën ërtoekoek-toekoek, ërtangkal-
tangkal, ërmanoek pijak-pijak, ërtambe-tambe, bëras sitoemba poekoelën goeroena,
sira siiitjoepak përsilëkrmna Sai me oetangna, gantji më idona, sai marana,
koe roemak tëndina "
IV. „Bëlidën sitik pagi boerawanna em 'mboe-'mböen sangkëp ërpoeloeng,
përsilih-silihi tjoer-tjoer, po'a binërkat, galoeh binërkat, sijang-sijang si roengkas,
sijang toengkas banga këlesa Si poekoelën goeroena tëloe toemba bëras, nina, sira
si gantang përsilëkanua Sai oetangna, gantji idona; sai marana ; koe roemah tëndi.
V. Bëlidën sitik pagi boerawan, e erpantar pantar, ra ndjap- andjap, ërbër-
toek ëmpat, ërlambe sarsar, narsarkën banga këlesa, ërmanoek 'mboelan, ërtoe-
walah moembang, ërtjimpa rambe rambe, ërgoele-goelën, gana doewa, pagi boe-
watën ërtjibal roedang mëhalëp, ërtoekoek-toekoek, ërtambe-tambe, ërmanoek
pijak, ërtangkal, përsilih-silihi tjoer-'joer, pola binërkat, galoeh binërkat, bëski
tinampoel silando ngawan, sijang sijang si roengkas, toengkas nipi sambar, toengkas
banga këlesa; i-tjoekoepi, përalëng tëndi koe roemah, nini begoe dëlëng, i-ogena
majang tandan-tandanën, i ogena toewalah moembaDg soerega, i ogena tjimpa
lëpat-lëpatën, i-ogena tinaroeh manoek radja moelija, ikan i këlajar naring' sira
i kërijah nari, i-lajari tëndi si ënggo boerawan, mërijah ate toendi •) ni roemah.
Si matana koeroengën manik, gëlarna tëroes sikat i-lajari tëndi ënggo boerawan,
pëkoeroeng koeroeng tëndi roemah, tëroes mëdjingkat sidang sisln, kampilna
kampil sinëndi; bëlona soesoen-soesoenën, ërsoesoen tëndi koe roemah: taganna
*) Toendi hoort men even dikwijls als tëodi. Zie voor de gelijkstelling met het
O. .T. nismnarn (tonde) mijn jaarverslag over 1903, dat fpoedig in de Meded. N. Z. G.
zal verschijnen.
Verh. Bat. Gen. LVI, 1ste stuk. 5
66
lagan kinoekoet, kalakatina pëndjabat, kapoerna mëtjiho, mëtjiho përlaban përoe-
lihën, i-djabat: i-koekoet tëndi si rnëhoeli i roemab. E, sai më oetang, gantji ido.
E, silëkanna sitoemba sira, poekoelën goeroena lima toemba bëras, amak
silambar, dagangën sada; oetaDgna ëmpat amas, soelpat me banga këlesa, soelpat
nipi sambar, soelpat singalab daging, soelpat si rantje koela, soelpat si badat
niata, soelpat si ngërepat nahe, soelpat si ngaloengang babab. Sai me oetang,
gantji ido, sai mara, koe roemab tëndi."
VI. Bëlidën sitik pagi boerawan, i- tandangi koe oeroekoeroek, ërpantar-
pantar, randjap- andjap, erbërtoek ëmpat, ërlambe sarsar, ërtjimpa rambe-rambe,
ërgoele-goelën, ë toewalab moembang, ërmanoek 'mboelan. E, ërgana gëdang,
ërpersilib silibi tjoertjoer, pola binërkat, galoeb binërka', bësti tinampoel silando
ngawan, sijang siroengkas, oengkaskën banga këlesa, ërtoekoek-toekoek, ërtambe-
tambe; ërtangkal, ërmanoek pijak. I-tjoekoepi ka përalëng tëndi koe roemah
nini begoe dëlëng, naroebken tëndi si ënggo boerawan; i-ogena majang si lajarën,
ngëlajari tëndi si ënggo boerawan, i-ogena toewalab moembaDg soerega, i-nëhën-
nëbën toendi i roemab, i-ogena galoeb tingkël-tingkëlën, ërtingkel toendi i roemab
ras anak dilaki, ras anak dibëroe 'ntërém, ërtingkel kinibajak-kinitoewah 'mboewe;
i-ogena tjimpa lëpatlëpatën, lëpat téndi ircemab; ikan i këlajar nari, ngëlajari
tëndi si ënggo boerawan; sira i kërijabën nari, mërijab ate tëndi i roemab ; i ogena
tinaroeh manoek radja moelija, ërmoelija tëndi i roemab; pija pe roenggoe, la-
soena pe roenggoe përoenggoe- roenggoe toendi i roemah ras anak dilaki dibëroe
'ntërëni ras anakbëroe sënina 'ntërëm noempak-noempak kalimboeboe mëhceli;
simata - pe roente-roentën, gëlarna koeroengén manik koe.oeng toendi i roemab.
E i-oge baka-baka, baka nasi, ngasikën anak dilaki dibëroe 'ntërëm, ngasikën
kinibajak kinitoewab 'mboewe; baka ndoe ërtoedoeng-toedcengkën oewis arintënëng,
tënëng toendi i roemab, ërboelang-boelangkën bënang tëng, pëteng bana toendi
i roemah ; bëligaï roedang-roedangndoe, roedang sëpoeloesa gëlarna, përsada tëndi
koe roemah; gëlarna roedang-roedangndoe: tandëk ërboewah, simbëra bajak
djaka ërtoewak mingen bajak; e gëlarna roedang roedaDgndoe: tjinta-tjinta sarin-
dapët, bëras-bëras, padang tegoeh, piso përënggi, pënabah galoeb, sada koe-pinta,
kërina dapët, djaka mëkëras ningën mëtëgoeh goendari enda koe roemah tëndi.
Tërang oewari pëpagi moekoel tinaroeh. E gëlarna roedang roedangndoe: djabi-djabi
roemindang, beringen toemboeh djati oeratna pe tëroes përtibi, langgamënna sikoe-
ntja benib, boeloengna pe tëloemtoem, boewabna ërdagoel-dagoel, ngëmboes pe
angin i barat nari, i timoer nari, i tëba nari, i djawi nari se 'mbëra këtartarën
boeloeng, la 'mbëra këdaboehën dango, la 'mbëra lapat, la 'mbëra giling la 'mbëra
mëtëmbak so 'mbëra mërirën, bage salindoengën koe roemah. Maka i-oewekën;
oewe me ningkoe nindoe, nina tëndindoe oewe kang, tëndindoe si toempak tare,
nare nare anak dilaki dibëroe, i-pëtare-tare anak bëroe sënina, i-toempak-toempak
kalimboeboe mëhoeli. Em tandingënna salindoengën koe roemah, tanding- tandingën
67
salindoengën koe roernab bagi galoeh sitabar ibas bërnëb-bërnëb, oeratna pe man
tëpoeng tawar, laklakna pe man pëngarkari, boeloengna lape-lape tëndi, boevvahna
mëtjapët sitik moelana, mëkëtkët tingtang tëngabna, rëb tëboena pëngënggowina,
i-këlewëti anakna indoengna, bagi si la nai këtandan indoengna ras anakna; ëm
tandingënna salindoengën koe roemab man oe^ënkën nina nini begoe dëlëng.
E, poekoelën goeroe siwab toemba bëras, oetangna ënëm ringgët, dagangën
sada, amak sa, nang: tang oewis sibas dagingna man sinajona man goeroena.
E sai m'oetangna, gantji idona; sai mara, koe roemab tëndi'.
VII. „Bëlidën sitik pagi boerawan e 'mboe-'mböen sangkëp mërpoeloeng,
përsilih-silibi pe tjoer-tjoer, pola \ inërkat, galoeb binërkat, bëski tinampoel
silando ngawan, sijang*sijang siroengkas, toengkas banga këlesa. E, ërpantar,
pantar kf», rangdjap-andjap, ërbërtoek ëmpat, ërlambe sarsar, ërtjimpa ranibe,
ërgoela-lën, ertoe walah moembang ka, ërmanoek 'mboelan E, ërgana gëdang,
ërgana galoeb, ërtënggijang begoe, ërgana 'ndoelpak, ërgana 'ndapdap, napsapkën
anak si ilat, ërtoekoek-toekoek, ëitambe-tainbe, tangkal tangkal, ërmanoek pijak«
pijak, ërtjibal roedang mëbalép, ipasang bëdil sëpoeloesa kali. E, silëkanna
sitoemba sira ka man goeroena, poekoelenna bërasna rëpoeloesa, oetangna sëpoe-
loedoewa, dagangën sada, amak ka sada, mërekën smajo idas itëroeb, sai
oetangna, gantji idona, sai mara, koe roemab tëndi."
VIII. „Bëlidën sitik ka boerawanna, e tandangi koe oeroek mëgandjaüg,
i-paloe gëndaug, i-ëmboes saroene, i-boewat goei\,e pitoe, i bereken amak pitoe
lambar, bënang pitoe sangkilën; e ërgana 'ntërëm, ërtëDgijang begoe, galoeb
ërb ewab, ërndoelpak nina ërgana 'ndapdap, ërtjimpa ganün. E, bahan ka ngë
përsilihi tjoer-tjoer, pola binërkat, galoeb binërkat, bëski tinampoel silando nga wan,
sijang si roengkas, toengkas banga këlesa; ërtjibal roedang mëhalép, ërkëdjërën
pitoe soendoet, oetangna lima poeloe koerang doewa, sira ëmpat toemba përsilë-
kanna, nangtang ka sinajo idas itëroeb, dagangën pitoe lambar. Em oetang man
goeroe, maka sai oetang gantji ido, sai mara koe roemab tëndi, mcelib nini
begoe dëlëng."
„E, ënggo doeng tënabkoe bibi" nina si Bëroe Dajang Minta Radja.
„F, daram-darami taboe goembang, asakken akoe koebas, maka lampas
akoe djoempa ras anakndoe, anak si Radja Perkoeltjapi".
E, asakkën m'ija koebas. E, ombakkën më koe tëngab lawët. E, mom-
bang- mombang më taboe goembang, mombang koe këpoeltakën.
E, sangkoet m'ija i kërangën Radja Mërare. Ngëlar bëlat si Radja Boelan,
dongkël-dongkël taboe goembang. I koewiskën si Radja Boelan taboe goembang.
I-koewiskënna rëb dongkëlna. E, i-taka si Radja Boelan si taboe goembang.
E, 'ndarat si Bëroe Dajang, E, tjirëm si Radja Boelan. E, si arak-arakën ija
koe roemah i-oelibina amak daboebënna.
VERTALING.
SARINDOE TOEBOEH (DE TWEELINGEN)..
Er werden, zoo verhaalt men, onzen grootvader kinderen geboren, twee
meisjes, éen jongen. Toen hij vier nachten oud was, stierf zijne moeder, acht
nachten stierf zijn vader 1). Anak Mëloemang schreide gedurig; toen werden de
bewoners van het huis boos.
„Ga je broertje op de toere sussen," zeiden ze, „we kunnen haast niet
slapen". Toen gingen ze op de toere haar broertje sussen.
„Schrei toch niet, broertje; als jij schreit, breng ik je tot bedaren, als ik
schrei, wie zal mij troosten?" zeiden ze.
Eindelijk zweeg Anak Mëloemang, hij was moe, moe van 't schreien, 't
Was toen diep in den nacht.
„O, tante! doe [me] open, mijn broertje is stil". De huisbewoners hielden
zich of zij sliepen.
't Werd, verhaalt men, de tijd van 't hanengekraai. Die in huis gingen naar de
toere, A. M. en S. T. gingen in huis. In huis gekomen begon A. M. weer te
schreien.
„Ah, je broertje schreit telkens, breng hem onder 't huis". De koeien
der lieden wilden haast niet naar den stal (de ruimte onder 't huis). Toen brachten
ze hem naar den buffelstal, ook de buffels wilden hem niet vertrappen; ze
brachten hem naar de dorpspoort 2), de menschen wilden haast niet naar 't veld,
de koeien niet naar buiten, de buffels ook niet.
Toen werd de vorstin van het dorp boos. „Werp (lett. doe afdrijven) je
broertje in de rivier, meisje!" Toen gingen ze naar de rivier toe. Bij den uit-
1) Ofschoon hier niet vermeld, is dit feit volgens Bataksche opvatting, een
gevolg van het tijdstip waarop de jongen geboren werd. De vergelijking met tal van
Bataksche verhalen, leert ons, dat de geboorte plaats had op Toela, êrpagi-pagi, katikana
ngang-ngang, op den vroegen morgen van den loden der maand.
2) De dorpspoort, pintoe lawang d. i. de hoofdtoegang tot het eigenlijke dorp,
het huizen-complex, het. hmtin, (vgl. 't Jav. natu I. K. N. ingang tot een spelonk,
2 N. K. i]hni°), deur). Zie verder Aant. 3.
69
gang 3) van 't dorp gekomen, ontmoetten ze een ongelukkigen speler 4), die als
hoofddoek een kneveltouw droeg, met het eene einde afhangende.
„Bid tot de schim van uwe moeder, roep de schim uws vaders aan. Als
ik straks met spelen win, zal ik meelkoeken koopen 5), en pisang en palmwijn".
De dobbelaar won, twee tahil ($ 20. — ), hij kocht meelkoeken, en gaf deze
aan A. M , deze mummelde er aan Hij kocht een beker palmwijn, en gaf dien
aan A. M , hij slurpte er even van. Hij kocht pisang, en gaf deze aan A. M.,
hij likte er even aan.
Daar kwam de vorstin voorbij op weg naar het dorp : „Dwaal niet op
het wijde veld rond, meisje, werp je broertje in 't water". Bij de rivier aange-
komen, bad zij weer tot de schim van hare moeder, bad ze weer tot de schim
van haren vader :
„Ontvangt dit uw kind", zeide ze, „en kom mij ook spoedig halen, moeder,
er is geen plaats (voor mij) in 't rijk der levenden".
Toen liet ze haar broertje los in 't water. Wel, anderen drijven met den
stroom mee, hij dreef tegen den stroom op. Hij spoelde aan land bij de bad-
plaats der mannen 6). Toen kroop hij naar het dorp, en kroop onder 't huis.
3) Uitgang (of toegang) tot het dorp pintoe-pintoe, niet van het eigenl. gezegde dorp,
maar van het dorpsgebied, bijv. een der toegangen tot de poelo, het bosch (eig. eiland)
dat de verschillende dorpen der hoogvlakte omgeeft, 't Wordt ook geheel in denzelfden
zin gebruikt als het Gajö'sch pintoo rimbö, „ woudpoort" (Grajoland. pag. 2.)
4) Pprdjoedi dodas, een speler die altijd déveine heeft. De uitdrukking is waar-
schijnlijk van Mandelingsche afkomst. Dodas betcekent daar vaak, dikwijls. Hoezeer
de man overtuigd is, dat hij weer verliezen zal, blijkt hieruit, dat hij zelf het touw
(pasa of tali pasa) waarmee men een insolventen speler bindt, bij zich heeft; bij de Karo-
Bataks heeft alleen de „spelhouder" (gmpoe-djoedi) eenige van zulke touwen bij zich. In
Toba sch^nt het overigens adat te zijn, dat ieder speler een touw bij zich draagt (zie vd.T. op Z).
5) Ganda, in den zin van versnaperingen koopen, is alleen bij het kansspel in
gebruik. Daar is het de „technische" term. Anders beteekent het woordt dubbelvoud,
en als ww. verdubbelen. De verklaring van 't gebruik van dit woord in den zin van
„consumptie" is deze: Indien de schuldenaar zijne vertering niet betaalt, kan de venter
der eetwaren zijn schuld „bevestigen" (ngesahkm). Hij slacht daartoe een kip die door
alle spelers genuttigd wordt. De schuld is dan verdubbeld. Hier mogen enkele voor-
beelden volgen van 't gebruik van ganda als speelterm: h-pas fantja ganda, slechts zooveel
winnen, dat men daarvan zijne vertering betalen kan; èrganda, geld leenen tegen eene kleine
rente, als dikwijls, na afloop van 't kansspel de verliezers doen, om dadelijk te kunnen
betalen, 't Geld dat men zóó leent, heet sërpi gandan. Péjanda-g •andaken, iemand, indien
hij wint, het dubbele geven, van wat hij naar de gewone regels van 't spel zou krijgen.
6) De badplaats der mannen is steeds afgezonderd van die der vrouwen. De
afscheiding laat echter dikwijls te wenschen over, en meestal zijn beide badplaatsen vlak
bij elkaar. De mannen als „heeren" der schepping genieten het voorrecht van hun
badplaats bovenstrooms te hebben.
70
Als de menschen de varkens voerden, likte hij rnee er een beetje van. Zoo werd
hij langzamerhand groot ; toen hij kon loopen, ging hij naar den karbouwenstal.
„Pas (even) op deze onze karbouwen, broertje", zei 't jongetje dat de
buffels hoedde, „dan ga ik thuis even eten.'' De buffeljongen ging thuis eten, hij
greep een hap (rijst) en veegde dezen in zijn schoot 7). Hij ging naar de buffel-
kraal, en gaf A. M. te eten Toen at A M.
Toen hij hard kon loopen, draafde hij naar 't vrije veld. „Pas [evenj op
deze onze karbouwen, broertje", zeide de buffelhoeder, „dan ga ik oebi halen om
te roosteren".
Daar kwam Anakoda Përlajar voorbij. „Wat kosten die buffels van je?'
zeide A, P. „Ik, wat ze kosten weet ik niet," zeide A M., „ik krijg alleen maar
wat voor 't hoeden." „Hoeveel krijg je voor 't hoeden?" zeide hij. „Een stuk
oebi 's morgens, 'n stuk oebi 's avonds", zei hij. „Als 't zoo gelegen is, laten we
dan samen naar de benedenlanden gaan", zeide A. „dat is om je lange kleed te
verwisselen, zeic'e hij, dat voor een anderen hoofddoek, dat voor een ander baadje*
zeide hij, „dat voor een ander overkleed," zeide hij. Toen ging A M. naar de
benedenlanden ; A. gaf hem twee honderd [dollar] als kapitaal Na vier maan-
den had hij al acht honderd, „Kom, laten wij eens naar. de Hoogvlakte gaan,"
zeide A. „om karbouwen te halen, die we naar den over wal zullen brengen.' 1 „Ga
gij eerst maar [alleen] naar de hoogvlakte, broeder," zeide A M. „Ik heb twee
spiegeltjes 8) gekocht, ik beb twee baadjes genaaid; geef die aan onze zusters
op de hoogvlakte, onze zusters Sarindoe Toeboeh." „Ik weet niet van S. T."
zeide A. „Zeg dat maar als ge op de hoogvlakte zijt", zei hij.
Toen ging A. P. naar de hoogvlakte. Toen hij daar aankwam, was 't juist
de tijd van 't voor de tweede maal wieden 9). S. T. waren aan 't wieden, toen
A. P. er voorbij kwam. „Waar gaat gij heen, oom ?" zeiden S. T. „Waar zijn
S. T., tante?" zeide A. P.
7) Këldoengm, schoot, nl. een door het lange kleed gevormde zak, [-ki-ldoeny
aldus iets in zijn kleed dragen, op de wijze als dikwijls eene Hollandsche werkmeid iets
in haar schort draagt.
8) De oorsponkelijke beteekenis van taboeiig is een koker, een busje, waarin
men iets bewaart Deze beteekenis is overgegaan op de veel geïmporteerde blikken
doosjes, waarin men tabak doet, en daar het deksel daarvan meestal een spiegeltje draagt
is taboeng eindelijk spiegel gaan beteekenen.
9) De rijstbouw op de hoogvlakte heeft onder geheel andere omstandigheden
plaats, dan in de warmere en ook sterk geaccidenteerde doesoen-landen. Vandaar dat
ook de werkzaamheden zeer verschillen en er nauwelijks een enkele term gelijk is
voor de respectieve stadiën van den veldarbeid op de hoogvlakte en in de doesoen.
Omtrent den drogen rijstbouw in de doesoen geeft een artikel van den Heer J. H. Neumann
in Med. Ned. Zend. Gen. Deel 47. (1902 4e st. pag. 373 e. v.) tamelijk volledige inlichtingen,
terwijl wat het hier behandelde verhaal betreft, het medegedeelde van het voor beplan-
ting gereed maken van de velden door de schoonmoeder van Bëroe Dajang, ook voor de
71
„Wat moet gij met S. T. ?" zeiden S. T. „Dit hier zendt haar broer",
zeide A. P. „twee baadjes, en twee spiegeltjes." — „Waar is A.M tegenwoordig?''
zeiden S. T., „breng ons er toch heen," zeiden ze. „Als gij ons wilt hebben (dan
willen we uw vrouwen zijn) en zoo niet (ook: goed) 10), zeiden S. T , „één van
ons zal je hond te eten geven, één van ons zal palmwijn halen voor je drank."
„Een volgende keer komen wij beide op de hoogvlakte", zeide A. P.
„Wel, als het zoo gelegen is, broeder ! broeder zeg ik maar tot je, gij
tweeën zijt onze broeders, wij tweeën zijn uwe zusters, hier zijn (dan) twee matten,
hier zijn twee kampils, hier zijn twee kains, voor jou en A. M. ieder een."
A. P. kwam weer in de benedenlanden aan, „Dit zenden onze zusters",
zeide hij tot A. M, „twee matten, twee kampils, twee kains". Toen weende
A. M. „ Laten we samen naar de hoogvlakte gaan", zei A. M. Toen ze op de
hoogvlakte aangekomen waren, gaf A. P. aan A. M. eene vrouw, en hijzelf huwde
8. T. De oudste ging in 't Oosten wonen, de jongste in 't Westen en A. M. in
't midden.
Na verloop van twee jaren werden onzen grootouders (voorouders) kinderen
geboren, in 't Oosten een jongen, in 't Westen een jongen, in 't midden een meisje.
doesoen geldt, 't Is hier de plaats niet om eene uitvoerige vergelijkirg te geven, noch
om de raison aan te wijzen van de verschillen. Slechts mogen, omdat hiervan in ons
verhaal sprake is, de termen voor „wieden" bewijzen hoe 't woord in overeenstemming
is met den aard van 't werk. Voor de eerste maal wieden heet in de doesoen: ngiskis =
afschrappen, met een soort schrapmes (kiskis). Men maakt hierbij maar zeer weinig
aarde los, wat ook geraden is met het oog op de hellingen, die toch al zoo licht afspoelen.
Voor de tweede maal wieden heet ngsramboesi, omdat het tusschen de reeds hoogo rijst
opgeschoten onkruid en gras zóó lang is, dat men telkens een bosje met de hand kan
omvatten, evenals grazend vee het lange gras met de tong (ngéramboes). Op de hoogvlakte
daarentegen heet de eerste maal wieden 'nggarisi — strepen (kleine voren) maken.
Meestal doen dit twee meisjes met een kleinen ploeg, welks kouter van palmhout {pang'
gosh) het nog niet diepgewortelde onkruid los woelt. De tweede maal wieden geschiedt
met de hak (tjoewari) en wel in dwarse richting op de vroeger gemaakte garis. Deze
op hout-kloven (naka) gelijkende bezigheid noemt men daarom met de woordherha-
ling: naka naka. Op écn belangrijk verschil zij 't mij vergund nog de aandacht te vestigen. In
de benedenlanden oogst men met een rijstmesje (pmgetam.) de aren é°n voor een, die men
tot bossen (poengo) bijeenbindt; op de hoogvlakte gebruikt men den sikkel (sabi'Scibi),
snijdt de halmen tamelijk dicht bij den grond af, en bindt ze tot schoven (raden).
10) Jn alendoe djadi, enggom gija lang. Een stereotype spreekwijze, in haar
geheel een elliptische zin. 't Is alsof na de eerste helft, waarin 't meisje zich als aan-
biedt, de vrouwelijke schuchterheid aan 't woord komt en zich beijvert den indruk der
eerste woorden uit te wisschen. Overigens geeft het daarop volgende aanbod van voor
zijn hond te willen zorgen, toch bedektelijk te kennen dat ze zijne vrouw wil zijn. Een
van de vele nederige benamingen voor: „iemands vrouw" is: „is mere bijangna".
72
Toen de vorstenzoon in 't Oosten groot was, zeide hij: „Hoe heet ik (welke
is mijn naam), moeder" ?
„Wel, je oom moet je een naam geven 11), jongenlief," zei zijn moeder.
„Kom, 'kzal eerst een overkleed voor je oom weven", zeide ze, .,'k zal een hoofd-
doek weven voor je tante," zeide ze, ,,'k zal een kampil vlechten voor je oom,
en een voor je tante'. Toen de kam pils gevlochten en de kains geweven
waren, ging hij naar zijn oom in 't Midden „Ziehier, oom, een [kleed] voor
uw overkleed", zeide hij, „[en] geef een als hoofddoek voor tante,' zeide hij,
„en dit is een kampil voor u, geef een als kampil voor tante", zeide hij.
„Ik ken u zelfs nog niet" zeide A. M. „[Met] mijn moeder, waren er,
zoo verluidt het, twee meisjes, en één nl. gij, was een jongen" zeide hij ; „tante
(de jongere zuster van moeder) is naar 't Westen gegaan, moeder is in 't Oosten,
mijn vader is Anakoda Përlajar, mijne moeder Sarindoe Toeboeh". — „Wél,
wèl! Mij komt het rechtens toe, je een naam te geven", zeide A. M. „Maar laat
ik eerst een fraai mes voor je smeden", zeide hij, „je naam zal zijn Radja Boelan",
zeide hij. „Radja Boelan Malela"; zeide hij.
Wel, toen kwam de vorst van 't Westen, zegt men. „Dit hier is een
overkleed voor U, oom!" zeide hij, „geef aan tante den hoofddoek", zeide hij, „en
hier hebt ge een kampil oom, geef een als kampil aan tante", zeide hij.
„Wel, ik ken U zelfs niet eens", zeide A. M. — „Twee meisjes waren
er, zoo verluidt het, [met] moeder, en één jongen, nl. gij", zeide hij. „Tante
(moeder's oudere zuster) is naar 't Oosten gegaan, moeder is in 't Westen, mijn
vader is A. P. en mijne moeder S. T.
Toen weende A. M. — „Mij komt het inderdaad toe, je een naam te geven,
vadertje," zeide hij, „'k zal eerst een mandoline voor je maken" zeide hij, „die
zal heeten, de mandoline si-Oeloeng-oeloeng 12) (= die bijeen brengt, verzamelt),
11) Zie over naamgeving bij de Karo-Bataks een opstel van wijlen J. K. Wijn-
gaarden, Med. Ned. Zend. Gen. (Di. 38, 4e st. pag. 311). A's daar sprake is van den
kalimboeboe, die den eersten jongen een naam geeft, is dit niet anders dan de mama.
Mama = moeders broeder, is ook de naam waarmee een man zijn schoonvader noemt.
Kalimboeboe (letterl. beteekenis kruin v/h. hoofd) is hij, die recht heeft op de koopsom
van 't meisje, in de eerste plaats dus ook haar vader, dus haar mans mama, verder evenwel
ook haar broeders. De naam kalimboeboe voor schoonvader is kenschetsend. Hij is inderdaad
de persoon, dien men 't meest te ontzien en te eeren heeft, meer dan zijn eigen vader.
De schoonouders der vrouw heeten bèngkila en bibi eig. ook oom en tante, deze
laatste nl. vaders zuster. Van haar schoonvader sprekende zegt eene vrouw soms adjinta,
wat blijkbaar beteekent: onze vorst.
12) Oeloeng-oeloenrj. Dit woord bewijst, dat poeloeng een secundaire stam is, in
den grond een causatif ww., gevormd door 't caus. praefix pé- van oeloeng. Poeloeng is op
zijn beurt weer 't gw. van het nu als causatief gebezigde pepoeloeng. 't Bataksch bevat
73
„dan stroomen de volwassenen samen, dan stroomen de jongelingen samen, en
de ouden van dagen, en de jonge dochters en de kinderen 13)", zeide hij, „en
gij zult Radja Përkoeltjapi heeten'.
Toen keerde de vorst van 't Oosten naar 't Oosten, die van 't Westen naar
't Westen terug.
(Ook) 't vorstenkind van 't midden was groot geworden. „Hoe heet ik
moeder?" zeide het vorstenkind van 't midden. — „Leg U ijverig op 't vlechten
toe, moedertje, vlecht gij (dan) een kampil voor je tante", zeide ze, „leer ijverig
weven, moedertje", zeide ze," weef gij dan een kain voor Uw oom", zeide ze.
Wel, toen de kampils gevlochten, en de kains geweven waren, ging ze
haar tante in 't Oosten een bezoek brengen. „Hier is een hoofddoek voor U,
tante", zeide ze, „en geef dit als overkleed aan oom", zeide ze, „dit is een kampil
voor U", zeide ze, „geef eeu als kampil aan oom", zeide ze..— „Ik ken U zelfs
niet eens, moedertje!" zeide ze.-— „Wel, gij waart, zegt men, met uw tweeën
meisjes, (en) één jongen, nl. mijn vader, gij in 't Oosten, mijn jongere tante in
't Westen, mijn vader in 't midden", zeide ze. Toen schreide S T. „Ik heb
inderdaad 't recht U een naam te geven, moedertje", zeide ze: „eerst zal je oom een
haarkam voor je maken", zeide ze, Jij zult Bëroe Dajang heeten, Bëroe Dajang Minta
Kadja", zeide ze. En ze verbond haar met haar zoon R. B in den echt, zegt men 14).
Vier nachten waren er verloopen, zegt men, toen kwam R. P. van 't
Westen, de vorst van 't Westen. Hij tokkelde de mandoline, zegt men, de mando-
line si-oeloengoeloeng Daar stroomden de groote menschen samen, en de jonge-
lingen en de ouden van dagen en de jonge meisjes en de kinderen, en D. Minta
Radja werd hartstochtelijk ontroerd (letterl. haar bloed zeide sap, só, d. i. ging
door haar aderen bonzen), en ze verliet haar echtelijk verblijf 15), zegt men, en
volgde [R P.] naar 't Westen. In 't Westen aangekomen, werd ze met R. P. in
den echt verbonden.
nog enkele dergel. secundaire stammen, bijv. padji-h naast adjzk. M. i. werpt dit een
nieuw licht op de vormirg van een woord als mate (Mal. mati).
Men (o. a. v. d. Tuuk) neemt gewoonlijk aan, dat mate rechtstreeks van pate is
afgeleid door 't infix-oem. Doch afdoende bewijzen ontbreken. Na 't biven medegedeelde
lijkt het mij redelijker pate te beschouwen als sec. stam, als een causatief van een nu
niet meer bestaand ate (niet te verwarren met het Kar. ate, Mal. hati. Dair. /.'ate!) van
welken stam dan op regelmatige wijze mate-oemate is gevormd.
13) Wat hier van de uitwerking van de mandoline gezegd worlt, is dunkt mij
eene zeer afdoende bevestiging van de door mij in de Inleiding gegeven opvatting van
Radja Pcrkoeltjapi als de zon.
14) Een huwelijk, naar Bataksche opvatting geheel „comme il faut".
15) Amak daboehm, door „echtelijk verblijf" vertaald, beteekent letterlijk: „de
neer te laten mat," en doelt dus op de plaats, die men tegen onbescheiden blikken kan
afsluiten.
74
Na acht dagen ging R. B. een goeroe si baso 16) opzoeken, zegt men.
„Wat zullen we daar nu nog op vinden (lett. Hoedanig is hierover het denken)
goeroe! ' zei R. B. tot den goere si baso.
„Er moeten zeven in den vorm van peperhuisjes gevouwen, siribpruimpjes
gemaakt worden", zeiie hij.
Toen gebood de goeroe den hoogzwevenden kiekendief de sirihpruimpjes
weg te brengen De kiekendief vloog weg. hij vloog naar het westen. Si Dajang
was juist buitenshuis aan 't weven; daar riep de kiekendief boven haar: koelik,
koelifc, daar vielen de sirihpruimpjes in 't weefsel. B. D. geraakte in hevige ont-
roering, zij maakte het weefsel los [uit den weefstoel], liet het buiten liggen en
ging naar R. P. in huis. R. P. was in huis juist aan 't eten. „Laat je eten
even staan, broeder" (lett. stel deze rijst even uit van gegeten te worden), zeide
B. D. ; „schiet gij toch den hoogvliegenden kiekendief met het blaasroer". Hij
blaasroerde den kiekendief, deze veranderde in een witten vogel; hij schoot er
op, hij kwam meer naar beneden, hij gooide hem, hij kwam dichterbij, (maar)
krijgen deed hij den witten vogel niet (lett. hij kreeg hem aldoor niet) 17).
Toen ging B D. naar den akker. Ging ze naar den akker, dan nam ze
't watervat mee, ging ze brandhout halen, dan nam ze de rijstwan mee, naar
't water dan de hak, zegt men, naar het rijstblok dan het kapmes, ten gevolge
van het toover middel (si odjar-odjari) van R B. 18).
16) Goeroe si baso, is de benaming voor die goeroe's (mannen en vrouwen, in
de doesoen naar ik gezien heb steeds vrouwen), die de begoe kunnen op roepen, een
shamane, een soort, spiritistisch medium.
17) In het later te behandelen verhaal van Radja Këtëngahën komt een soort-
gelijke opisode voor, betreffende den vogel si Nanggoer Dawa-dawa.
18) Bij von Brenner heet dit toovermiddel minder juist hodjar-hodjar. Als Pleijte
dit verhaal in zijne Bataksche vertellingen overneemt (pag 70 e. v.), verandert hij dit
eigenmachtig in Jioedjoer-hoedjoer, ,,wijl volgens het Bataksch "Woordenboek hodjar-
hodjar niet bestaat!" 1) Naar dit beginsel (?) handelende zal de Heer P. in mijne later
te verschijnen Karo'sche woordenlijst heel wat te schrappen hebben!
De naam van het toovermiddel is zeer gemakkelijk te verklaren. Si-odjar-odjari
als naam van een middel of werktuig wijst op een verbum ngodjar, van odjar. Dit
odjar is het Mal. oedjar, tmngoedjar spreken, zeggen, stellig wortelverwant met odjar,
leering. Evenals nu het Kar. ngadjar-ngadjari eene ongunstige beteekenis heeft, is dit
ook 't geval met ngodjar-ngodjari, dat beteekent: iemand allerlei dwaasheden in H hoofd
praten. De zonderlinge handelwijze van Bëroe Dajang is met deze beteekenis in over-
eenstemming.
Had de Heer P. goed gezocht, dat is bedacht dat de Dairische (dus ook Karo'sche)
h niet is de Tob. h (= k) en dat volgens door v. d. T. gegeven regels de Tob-oe dikwijls
= de Dairische o, dan bad het woordenboek hem niet geheel en al in den steek gelaten
1) Ib. pag, 282.
75
„Ik weet er nog één ding op", zeide ze. „Ga naar de benedenlanden",
zeide ze, „om mijn broeder (volgens de bëbëre) te halen, den blaasroerschutter
Adoe Amang" 19). R P. ging op weg naar de benedenlanden. Toen hij in 't
oerwoud Limboe Eaja kwam, trof hij daar den blaasroerschutter aan „Wie is
dat, die naar hier komt", zei de blaasroerschutter. „ Tot nog toe (lett. steeds, per-
manent) heeft nog nimmer een muis onder mij gekropen, noch ooit een kiekendief
boven mij gevlogen," zeide hij, „daar komt nu groot wild tot spijze; getroffen
door het i poeh gift si mate begoe, kan zelfs Uw schim niet meer naar huis"
(d. i. opgeroepen worden door een goeroe), zeide hij. — „Wat mij betreft, ik wensch
niet anders dan te sterven", zei R P. ,/maar) Uwe zuster beeft mij hierheen
gezonden", zeide hij, „om den witten vogel te schieten (d. i. dat gij den witten
vogel komt schieten).
Toen ging A. A. met R. P. naar de hoogvlakte A. A. kwam boven, zegt
men. Wel, hij schoot op den witten vogel, (die op de karbouwenhoorn (van 't huis
zat), hij schoot op hem, en raakte zijn snavel, de witte vogel schudde met zijn
kop, (dit beteekende): 't afschudden van ramp en onheil 20). Hij schoot op hem
(zie 't Wdb v.d.T. op oedjar, eu ook vooral 't bijvoegsel !). In dit bijvoegsel geeft v.d.T. op: Si
Dajang Paroedjar, eigennaam van een hemelsehe princes, aan wie door sommigen de maan-
eclipsen worden toegeschreven. Ook geeft do heer P. zelf een verhaal si Boroe Deak parodjar
(Bat. vert. pag. 52), dat op z'n Karo'sch zou heeten si Bëroe Dajang Përadjar. Hoe ver-
schillend dit verhaal is van 't onze, uit een ander verhaal (Mombang Oeloebalang, ib*
pag. 74) blijkt hare verwantschap met onze Bëroe Dajang. V.d.T. geeft geen verklaring
van den naam.
Ik zou dien durven vertalen met Bëroe Dajang de Onder richtster. Nogmaals wijs
ik hier op hare treffende gelijkenis met de figuur van Dewi Cri.
19) In de mythe kan ik, gelijk ik in de inleiding opmerkte, geen plaats vinden
voor Adoe Amang. In 't verhaal is hij echter de schakel tusschen de mythe en het
onderwijs betreffende het terugroepen der verschrikte triidi. Hij is m. i. om het meteen
Karo'schen term te noemen de „tandingw" van den in de voorschriften genoemden
„berggeest" nini begoe dekny- Men veigelijke 't slot van de vogel-schietepisode met
het slot van voorschrift VIII.
20) 't Verhaal van 't schieten van den vogel, en de telkens door dezen gemaakle
bewegingen is blijkbaar geheel symboliek. "Wel raken de pijlen van A. A. hem, d. i.
allerlei rampen naderen hem, maar ze overweldigen hem niet, hij schudt ze af. Beneden
zullen we in bijzonderheden zien, hoe ook alles wat met het terugroepen des tëndi ge-
paard gaat symboliek en nogmaals symboliek is.
't Woord hier door onheil vertaald, is het Skr. klega = moeite, verdriet. Eigenlijk
geeft onheil ook niet zuiver de Bataksche opvatting weer. 't Is meer : het zich in een
ongelukkig en staat bevinden, het uitermate vatbaar zijn voor allerlei OBheil en ziekte, het
onder verderfelijke invlo2den staan. De uitdrukking „moewang banga fa-lesa 1 ' beantwoordt
dus aan de Dajaksche termen: boewang rasi, boewang stel (Zie Bijdr. tot de kennis van
den Godsdienst derDajaks vau Landak en Tajan, door M. C. Schadee : Bijdr. K. I. v/d.
T. L. V. v. N. I. Deel 55. (1903) pag. 321. e. v.).
76
voor de tweede maal (lett. twee keer) en raakte zijn kop. De witte vogel knikke-
bolde maar even. Hij schoot op hem voor de derde maal, zegt men, en trof
zijn vleugel, de witte vogel klapwiekte slechts Hij schoot op hem voor de vierde
maal, hij schoot hem en trof zijn poot (dit beduidde :) 't wegkrabben van ramp
en onheil, het te niet doen van ongunstige droomen, zegt men, het wegnemen van
de loomheid van 't lichaam, de slapte van 't lijf, de bezwaardheid der oogen, de
krachteloosheid der beenen, de onmacht van den mond (tot spreken) 21), doch
den vogel kreeg men maar niet.
Toen keerde A. A. terug, en (ook) ramp en onheil keerden terug (d. i.
gingen heen, weken).
„Wel, ik weet nog één middel", zeide B. D. „kom, laten we in 't midden
van de zee gaan". De witte vogel vloog boven hen, en streek neer op den
galinggang-raja-boom 22), midden in de zee. Nu wees zij het spiegelbeeld aan R. P.
„Al kunt ge hem die daarboven is niet machtig worden, die daar beneden
kunt ge opduiken", zeide ze „leg uw lang kleed af", zeide ze, „trek uw buisje
uit", zeide ze, „zet uw hoofddoek af", zeide ze, „maak uw gordelkleed los, geef
je kampil hier en je mes. Presenteer me je rug (eig. je lendenen), dan zal ik er
een zinksteen 23) aan binden, opdat ge spoedig beneden zijt". Toen bond ze
[hem] den zinksteen [op den rug], en wierp hem in de zee.
Toen ging B. D. M. R. naar huis, zegt men; „O tante, hier is de kampil
van je zoon", zeide ze, „zijn mes en zijn hoofddoek, zijn lang kleed en zijn gordeldoek".
— „Waar is R. P. Dajang?" zeide S. T. — „Uw zoon is op reis gegaan,
tante," zeide ze.— „Wanneer zal hij weer hier komen, Dajang?" zeide S. T. —
„Laten we eerst het onderhout gaan kappen, tante", zeide B. D. — „'t Onderhout
van den akker is gekapt, meisje!" zeide S. T. — „Als 't onderhout gekapt is, dan
moeten de boomen geveld worden," zeide B. D, „als de boomen gekapt zijn,
moeten de takken afgehouwen worden".
21) Uit de opsomming der hier genoemde kwalen (vg. ook 't voorschrift V) blijkt
duidelijk, dat men alleen de behandeling beoogt van de door schrik veroorzaakte ver-
schijnselen, 't Is een gedetailleerde en juiste beschrijving van den verlammenden invloed
van eene hevige ontsteltenis. Als dus de Haan dit verhaal noemt: „de oorsprong der
geneeskunde" dan is dit te algemeen.
22) Deze mythische boom komt in vele Bat. verbalen voor, een enkele maal
onder een anderen naam. Zoo spreekt men soms van een boehara (samentrekking van
boewah arah), een groote ficussoort. In een Timoer'sch verhaal, dat ik uit een poestaka
overschreef en dat feitelijk eene „verhandeling" is over vergiften, speciaal het ipoeh-gift,
is sprake van een boom, die toeminggang — of minggang raja heet.
Welke de beteekenis en de oorsprong dezer mythische boomen zijn, is mij voor-
alsnog duister.
23) Batoe përanggoe = zinksteen. 't Grondwoord van pzranggoe is niet in gebruik,
maar is dit ongetwijfeld geweest, en is wol identisch met 't Jav. mh|«i! (anggo) = plaats.
77
„Als de takken afgehouwen zijn, moet er gebrand worden", zeide ze; „als
't branden klaar is, moeten de on verbrande restanten op hoopen gesleept worden ;
als dat afgeloopen is, moet de grond van wortels enz. gezuiverd worden", zeide
ze; „als dat afgeloopen is, moet bet veld bepoot worden", zeide B. D.
— „De tuin is nu bepoot [met rijst, die in de pootgaten gestrooid wordt]
meisje", zei baar tante. „Plant dan allerlei gewassen, er moet pisang geplant
worden, en suikerriet, en pinang, en roode bloemen [Hibiscus rosa sinensisj, en
citroenen." „Alle mogelijke gewassen zijn er nu, meisje", zei baar tante. „De
rijst is rijp, de pisang draagt vruchten, het suikerriet is zeer hoog, de Hibiscus
bloeit, de pinang heeft kolven, de sirih heeft bladeren, de citroenboom draagt
vruchten," zeide ze.
— „Als 't zoo is, tante, dan moet er meel gestampt worden, de pisang gerijpt
worden *), 't suikeriet uitgeperst, de pinang beklommen, de citroenboom beklom-
men, de sirih beklommen, de Hibiscusbloemen geplukt worden." — „Alles is al
aanwezig, meisje!" zie haar tante. — „Dan moet er een nieuwe gantang 24) [aan
de hand] naar de rivier gebracht worden, tante ', zei B. D. tot haar tante.
„Wel, nu zijn we van de rivier teruggekeerd, Dajang! Om hoe laat komt nu
R. P. ?" zei haar tante. — „Kom, 'k zal eerst de kat en de boschkat ontbieden',
zei si Dajang. — „Ik zal de voordanser zijn", zeiden de kat en de boschkat.
„Ik zal de trommels slaan", zeide de kikvorsen. „Ik zal de klarinet bespelen",
zeide de regenworm. „Ik zal het kleine bekken slaan", zeide de specht. „Ik zal
de gongslager zijn", zeide de boomkikvorsch. „Ik zal 't keelgeluid maken", zeide
de groene boschduif. „Ik zal de goeroe zijn," zeide de kiekendief 25).
Batoe përanggoe is nl. ook: de steen dien men aan eene vischlijn bevestigt, opdat deze in
de snelstroomende rivieren niet van haar plaats gaat. 't Is synoniem met batoe ppndmdw
verder heeft men 't verbum : i-batoe peranggoewi — een beest verdrinken met een steen om
den hals, en 't subst. pèrat?ggoen = een stel gereedschappen, muziekinstrumenten
*) Men plukt deze meestal lang vóór ze rijp zijn en laat ze thuis rijp worden
of in den rook, of in de warme, broeiende padi.
24) Wat dit eigenlijk beteekent is mij duister. Wel is er bij het terugroepen der
tendi ook steeds een gantang rijst (zie voorschrift II), en bij het ërdoemange het zingende
voordragen, waarin allerlei omtrent de 'mboe-mboen verhaald wordt, hetwelk steeds eene
vrouwelijke goeroe verricht, slaat deze de maat op de gantang.
25) Dit is eene opsomming van wat er noodig is bij het përoemah begoe, de
ziel van een doode oproepen. Desnoods kan dit ook zonder orkestbegeleiding geschieden.
Het fluiten in de keel (dewal-dewal, of diwël-diwël, wortelverwant met siwël =
fluiten) wordt toegeschreven aan den djinoedjoeng (een bijz. geestensoort) van den goeroe.
Deze djinoedjoeng is het eigenlijke medium {perkentas) tu?schen den goeroe en de op te
roepen ziel.
't Een met het ander was dus voor de schoonmoeder van Bëroe Dajang eene dui-
delijke aanwijzing van het gestorven zijn van Radja Përkoeltjapi.
78
Toen riep de hoogzwevende kiekendief: Koelik, koelik. Toen schreide hij
tot snikkens toe. „Dit is nu je zoon van vroeger, o tante", zei B. D. tot haar
tante.— „R. P. is dus blijkbaar gestorven, o Dajang," zei haar tante; „nu zal ik
jou ook doodcn, opdat mijn hart getroost zij", zeide haar tante. — „Ik, 'k wensen
niet anders dan te sterven", zei Bëroe Dajang. „Dit is mijn [laatste] opdracht,
die nauwgezet in acht genomen moet worden, onze overeenkomst, die stipt ge-
houden moet worden'' 26):
I. „Als in 't vervolg een kind schrikt, moet tienmaal aarde fijngewreven
worden, dit moet op zijn kruin gelegd worden, en grootvader Beraspati tanëh
(de aardgeest) moet worden aangeroepen. Dan is de schuld gedelgd, veranderd
in een te goed, dan is de ramp afgewend en gaat de tëndi naar huis."
II. „Als de ontsteltenis wat erger is, tante, moet er eene gantang rijst
bij beetjes uitgestort 27) worden, (er behooren bij) : ongeschonden sirih, tandzwartsel
en olie, ééne Hibiscus bloem, de (op de handen uitgestorte) beras korrels *) moeten
gelezen (d. i. met het oog op de omineuze beteekenis, geraadpleegd en geteld)
26) De nu volgende voorschriften geven bij lange na niet eene nauwkeurige
beschrijving van de handeling van bet terugroepen der verschrikte tëndi. (Zie de opmer-
kingen daarover in de Inleiding op Doenda Katekoetën). 't Is hier slechls de vermelding
van alles wat bij die plechtigheid noodig is, hier en daar verbonden met eene min of
meer bewuste motiveering. Gtlijk ik toch reeds opmerkte is feitelijk alles symbool.
Het symbolieke zit of in het voorkomen, de geaardheid, de eene of andere eigenschap
der vereischte ingrediënten of in den naam. Voor een Batak geldt in al zijne volheid
het „nomen est omen!" voor elk der benoodigdheden dit afzonderlijk aan te wijzen, zou
tot te lange uitweidingen leiden. Dat o verigerjs de Bataks aan den naam kracht toekennen,
heb ik ook in de vertaling doen uitkomen door het tusschen haakjes plaatsen van
de in klank op elkaar gelijkende woorden.
Bij den gedrongen zinsbouw was de vertaling niet altijd even gemakkelijk; hier
en daar is ook eene andere opvatting mogelijk, vooral is soms niet met beslistheid te
zeggen of een nomen agens of patiëns is. Maar tot het wezen der zaak, den geest van
de uit deze voorschriften sprekende Bataksche opvattingen doet het niets toe of af.
Zeer duidelijk komt de kracht van 't praefix e>' in deze voorschriften uit. In
't algemeen kan men zeggen dat het beantwoordt aan ons ,me£", er bij".
Nog dient even opgemerkt dat het „grooter zijn der ontsteltenis" zoowel kan slaan
op den graad, als op het aantal der ontstelde personen, ja dit laatste het meest in aanmer-
king zal komen. Dienoverkomstig zal men dan ook tëndi dikwijls mH meervoud dienen
te nemen.
27) Hiernaar is ook de algemeene term voor het terugroepen der tëndi gevormd,
nl. 'ngkitjik.
*) 't Is inderdaad bras, geluisterde rijst, hoewel de naam padi-padi aan 't Mal. padi
30U doen denken.
79
worden, (die in) de linkerhand voor 't afwenden van 't onheil, (die) rechts voor
het „naar huis gaan" der tëndi. De goeroe si baso moet het fluitend keelgeluid
maken; dan is de schuld gedelgd, veranderd in een te-goed; dan is 't onheil afgewend,
en keert de tëndi Laar huis terug. Gambir en tabak zijn z'n ^scheidingsmiddel"
van den goeroe."
III. „Is de ontsteltenis nog wat erger, dan moeten er bij : een uit drie
bestanddeelen bestaand geestenoffer 28), bloemen (bladeren enz. die ook ter
versiering dienen), een enkel liggend beeldje, er zijn noodig : toekóek (zich nog
niet volledig ontplooid hebbende vruchtstengels der palmen, als aren, pinang, enz \
afweermiddelen, een klein kuiken, een watervat, een toemba rijst als spijs voor den
goeroe, een halve gantang zout tot zijn scheidingsmiddel. Dan is de schuld
gedelgd, veranderd in een te goed ; dan is de ramp afgewend, en keert de tendi
naar huis.
IV. „Is de ontsteltenis nog wat erger, dan zijn noodig: een uit alle ingre-
diënten bestaand geestenoffer, een klein „wisselbeeldje" 29), uit den grond getrokken
arèn-palm, uit den grond getrokken pisang, sijang-sijang si roengkas (zeker hout-
achtig plantje), opdat het helder (sijang) worde en ramp en onheil omver
geworpen (toengkas) worden. Het spysbedrag aan den goeroe is drie toemba rijst,
het scheidingsmiddel een gantang zout. Dan is de schuld gedelgd, veranderd in
een te goed; dan is het onheil afgewend en keert de tendi naar huis.
V. Is de ontsteltenis nog wat erger, dan moeten er bij pantar-pantar
(soort offertafeltje op stijlen, waarop de 'mboe-'mbdën geplaatst worden),
andjad-andjap (ongev. 't zelfde : doch niet op stijlen, een soort presenteer-matje,
28) Het compleete „geestenoffer" (mboe-mhüen) bestaat uit: 4 handvollen meel,
4 halve pisangs, één ei, ,, gepofte" rijst, vier soorten (eig. stammen = rrnrga) bras, nl.
zwarte, gele, roode en witte), een halve sangkilm garen, sirih, tandzwartsel, olie, hibiscus,
een zeker weefsel (oeiris pota), halsketting (simata), en topbladeren (boeloeng oedjoengm).
't Woord 'mboe-'tnbben is ongetwijfeld het Toba'sche amboe- amboewan (pmboe-omboewan),
ingrediënten voor een offerande (v. d. T.), en dus niet „een zuiver Karosch begrip",
gelijk de heer Pleijte geneigd is te meenen (Ib. pag 284.), misleid trouwens door de
foutieve schrijfwijze bij contr. Westenberg: bambuën *). Hiermee vervalt dus vanzelf
(etymologische bezwaren nog daargelaten) de poging, aldaar gedaan om het met babo
in verband te brengen.
29) Dit „wisselbeeldje" (pérsüih-silihi)) stelt den zieken of bedreigden persoon voor
in tegenstelling van de beelden (gana), die afbeeldingen van geesten of goden, zijn, zie
voor de beteekenis van silih Med. N. Z. G. Dl. 46. pag. 3, waar men voor een ander
leze einander.
*) Zoo schrijft de heer P. Mij blijkt echter bij 't naslaan van t artikel zelf, dat de heer
W. schrijft boemboeën, alzoo tamelijk zuiver.
80
ngandjapken = iets aanbieden, offeren), vier berloek bladeren (het waaiervormig
nog niet tot losse blaadjes ingesneden blad van een pas opgekomen arènpalm),
uit één gerafelde sarcar lambe (het jongste blad der palmen, vooral der
arènpalmen, dat zich nog niet ontplooid heeft ; de jonge, lenige nog teer-groen-
gele bladen spelen als versiering, en vaak in allerlei vormen gevlochten, bij alle
plechtigheden, feesten e. d. eene rol), die ramp en onheil uiteenjagen (narsarkên),
een witte kip, jonge klappernoot, trossen meelkoekjes, allerlei groenten, twee
beeldjes. Verder moeten er liggen, een jonge pinang kolf, loekoek, lambe, een
jong kuiken, afweermiddelen, kleine wisselbeeldjes, uit den grond getrokken arèn-
palm, uit den grond getrokken pisang, afgehakt beski-riet met lange geledingen,
sijang-sijang si roengkas, opdat de ongunstige droom, opdat onheil en gevaar
omvergestort worden; alle de-tëndi-naar-huis-brengende-middelen 30) van groot-
vader, den geest van 't gebergte moeten bijeengebracht worden ; de aan trossen
zittende pinangnoten moeten worden geraadpleegd, zoo ook jonge soerega-kla^-
pernoot, in bladeren gevouwen meelkoeken, het ei van de kip Radja Moelija,
gedroogde visch uit het land „Vèr" (kélajar), zout uit het land „Vroolijkheid"
[kerijahm), opdat de verschrikte ziel opgespoord (i-lajari) worde, en de toendi
het vroolijk vinde (mêrijah) in huis. Het collier koeroengen manik, genaamd
leroes sikal (waarsch. bedoeld teroes iket =. terstond binden), opdat de geschrikte
lendi worde opgesloten (lett. „gekooid", koeroeng) in huis en de patiënt terstond
weer vlug ter been zij (medjmgkat). De kampil moet zijn een kampil sinèndi,
de sirih in pakjes (soesoen-soesoenen), opdat de tendi veilig (eig. of met pak
en zak, of „goed ingepakt" (soesoen) naar huis ga; de kalkdoos moet zijn
een tagan kinoekoet, de notenkraker (nl. om de pinangnoot te verbrijzelen)
een nijptang (pendjabal), de kalk helder wit, opdat winst en voordeel duidelijk
aan 't licht treden (of ook : onvermengd zijn), en de fraaie tendi in huis wordt
vastgehouden (i-djabat) (als met een nijptang) en met rust gelaten (i- koekoel).
Dan is de schuld gedelgd, verwisseld door een te goed. Het „scheidings-
middel is een loemba zout, het spijsbedrag aan den goeroe vijf toemba bras,
ééne mat, en een lap wit-goed ; zijn schuld vier (empat) amas 31), opdat ramp
en gevaar afgewend (soelpal of selpat) worde, de booze droom verijdeld, weg-
genomen de loomheid van 't lichaam, de slapte van 't lijf, de bezwaardheid der
oogen, de krachteloosheid der beenen, de onmacht van den mond. Dan is de
30) De fèralwg-Undi bestaat uit de volgende bladeren, die gezamenlijk boeloeng
si tmlijasgüar, d. i. bladeren met mooie namen, heeten: bërtoek, bëras-bëras , padang
tëgoeh, tandëk ërboewah, simhra bajak, sangkëiën, djabi-djabi, beringen, si përadêp, djoe-
ngojoengm boekit. Kleine afwijkingen komen voor.
31) Amas. De waarde hiervan is niet geheel standvastig. Bij boeten enz. is één
amas eigenlyk 1 toemba (± 2 L.) zout, maar in geld berekend ± 20 dollarcenten. Bij
de waardebepaling der padoeng (zilveren oor versierselen) is 2 amas = 1 dollar.
81
schuld gedelgd, verwisseld door een te goed, dan is de ramp afgewend, en keert
de léndi naar huis".
VI. Is de ontsteltenis nog wat erger, dan moet men naar een heuveltje
gaan, en gebruiken: pantar pantar, andjap- andjap, vier fóWtW.-bladen, uitéén-
gehaalde lambe, in trossen hangende meelballetjes, allerlei groenten, jonge klap-
pernoten, een witte kip. [Verder] : lange (groote) beelden, kleine wisselbeeldjes,
uitgetrokken arènpalm, uitgetrokken pisang, afgehakt &es/a'-riet met lange gele-
dingen, si xijang roengkas, die ramp en onheil omvèrstoot, toekoek, tambe, af-
weermiddelen, een jong kuiken. Ook weer de voltallige de tendi-naar-kuis roepende
middelen, van grootvader den berggeest, om de verschrikte léndi te begeleiden;
er moet geraadpleegd worden: de hier en daar neergevallen pinangnoten, om de
ziel die geschrokken is te zoeken ; de jonge soerega klappernoot, om na te gaan
of de léndi thuis is; de opeengepakt zittende pisangvruchten (tingkél-lingkëlén),
opdat de léndi blij ve (Jingkel) bij de mannen, bij de vrouwen, opdat veel rijkdom en
zegen beklijve; het in een blad gevouwen meelgebak (lépal lépalën), opdat de léndi
plat ligge (lepat), d.i blijve, in huis; gedroogde visch uit „Vèr land'' om de ont-
stelde ziel te zoeken; zout uit ,,Vroolijkheids-land', opdat de ziel het vroolijk
vinde in huis; het ei van de kip Eadja Moelija, opdat de ziel tot aanzien kome
(ermoelija ): ook de prei spreekt recht, ook de knoflook spreekt recht 32) (rornggoc),
opdat de léndi 's in huis rustig blijven (péroenggoe roenggoe; eig. rustig, ordelijk
doen zitten) bij de mannen en de vrouwen, bij de anak-bëroe sënina, die de kalim-
boeboe ter zijde staan ; een uit snoeren bestaande kalsketen genaamd koeroengën
manik, dat de loendi in huis opgesloten worde. De mand (baka nasi) moet
geraadpleegd worden, om de mannen en vrouwen krachtig te maken (ngasiken
eig. sexueel krachtig; la ngasi, impotent) om rijkdom en zegen duurzaam te maken ;
een mand moet als vrouwenhoofddoek dragen het weefsel arinlénéng, opdat de
lendi rustig blijve (seneng) in huis, als mannenhoofddoek een vol streng (leng)
garen 33), opdat de lëndi's zich op sterkte (voltallig) houden in huis; tel Uwe
32) Mij is niet bekend dat de prei (pija) en de knoflook (lasoena) ook bij de
poeloengen bohooren. Vele Bataks, die ik er naar vroeg, ontkenden het beslist, 't Is
dus waarschijnlijk een stijlfranje, een „aanloopje" om op het rijmwoord te komen.
33) Een vol streng garen (bênang Ung) is één sanghiUn. Een s'ingkikn bestaat
uit 20 kleinere strengen (rehan). De veelvuldig gebruikte uitdrukking bênang sipoeloeh
beteekent dan ook 10 rehan, dus u, groot streDg. Eén rehan bestaat weer uit 4 nog
kleinere strengen, goelamit, die elk met een klein bandje vastgebonden worden. Is een
vol streng garen het symbool van een welvarende têndi, of van het voltallig aanwezig
zijn der tëndi's van de dorpsbewoners, de onderverdeelingen hebben ook 't leven geschon-
ken aan figuurlijke uitdrukkingen, die na 't bovenstaande ten volle verklaarbaar zijn.
Zoo beteekent nn-rehan, verlicht van 't gemoed, verlicht van pijn, niet meer in barensnood,
al bevallen, terwijl men van iemand, die een ellendig of onzeker bestaan leidt zegt: la
nat èrgoelamit.
Verh. Bat. Gen. LV1, Ie stuk. 6
82
plantversieringen, de planten met de elf namen, dat de tendi'ë gezamenlijk naar
huis gaan; de namen van Uw planten zijn: tandek erboewah, simbêva bajak, opdat
ge gezegend (ertoewah) en rijk (bajak) moogt zijn; de namen Uwer bloemen
zijn: tjintja-tjintja sarindapet, beras-beras, padang tegoeh, piso pcrcnggi 34), pënabah
galoch, één verzoek ik (pinla), alle krijg ik (dapcl), opdat bard (mekeras) en
vast (metegoeh) met de tendi naar buis terugkeere. Dit zijn de namen Uwer planten:
de djabi-djabi roemindang, de waringin toemboeh djali, wiens wortels dwars door de
wereld gaan, wiens overschaduwde plaats een kocnlja zaaipadi groot is (nl. zóó
groot, dat men er 100 toemba padi op uitzaaien kan), wiens bladeren evenredig
dicht zijn, wiens vruchten overal op hoopen bijeenzitten ; al blaast ook de wind uit
het Westen, uit het Oosten, uit het Tobasche land, uit het Maleische land, hij
verliest zijne bladeren niet, hij laat geen doode takken vallen, hij valt niet tegen
den grond, hij rolt niet om, er komen geen gaten in den grond, hij wordt niet
afgebrokkeld, zóó gaat de salindoengcn 35) naar huis.
Hierop moet „ja" gezegd worden ; laten ik en gij „ja" zeggen, dan zegt ook
uw tendi „ja", uw tendi si loempalc-lare, opdat mannen en vrouwen elkander
eerbiedigen, opdat de mak beroe senina voor den kalimboeboe instaan *) en hem
in alles ter zijde staan.
Dit is de gelijkenis van de salindoengcn, (die) naar huis (gaat). Zij is als
de sitabar pisang in een valleitje : de wortels dienen tot lepoeng tawar, zijn bast tot
ngarkari- middel ; zijn bladeren tot schaduw-gever voor de tendi] zijn vruchten
zijn in 't begin een weinig wrang, op de helft melig, op 't laatst worden ze zoet,
de moeder is omringd door hare kinderen, zóó dat men moeder en dochters niet
uit elkaar kent. Dit is de gelijkenis van de salindoengcn naar huis, waarop „ja"
gezegd moet worden, zegt grootvader de berggeest.
Het spijsbedrag voor den goeroe is negen toemba rijst, de schuld (d. i.
34) Piso pïrénggi kan niet anders beteekenen dan „Frankisch mes" : mes der Wester-
lingen. De bijvoeging pénaba galoeh, dat men met dat mes de pisang moet omkappen,
nl. de pisang die bij deze plechtigheid gebruikt wordt, en waarvan het „wisselbeeld"
gemaakt wordt. De piso pïrénggi is geen Bataksch maaksel, wordt integendeel van de
benedenlanden ingevoerd en gelijkt op een voorsnijmes. Wegens zijn dunheid gebruiken
de Bataks het ook veel om te kerven (iris).
Verder zij hier opgemerkt, dat het niet alleen dit mes is, dat niet van alledaagsch
gebruik is. Ook de karnpil, de kalkdoos (tagari), de verschillende weefsels enz. hebben
andere vormen, dan de tegenwoordig in gebruik zijnde, en zijn ten deele wel ouderwetsch,
ten deelo van vreemden oorsprong, 'k Behoef wel niet te bewijzen hoe men analoge ge-
vallen bij alle volken, ook de meest beschaafde aantreft.
35) Salindoengln is hier een andere naam voor Undi en wel voor de tHdi die in
veiligheid is (llndoeng).
*) De vertaling is eetiigszios vrij. Tare heeft verschillende boteekenissen, doch
do grondgedachte is die van „opzien naar", „naar omhoog zien".
83
betaling) zes dollar, één lap wit goed, één mat, bij moet een kleed dat hij aanheeft,
afdoen en als geschenk aan den goeroe geven. Dan is de schuld gedelgd, ver-
wisseld door een tegoed, dan is de ramp afgewend en keert de lendi naar huis terug".
VII. „Is de ontsteltenis nog wat grooter, dan moeten er zijn : de volledige
geestenspijs, kleine wisselbeeldjes, uitgetrokken arènpalm, uitgetrokken pisang,
afgehouwen beski-r\et met lange geledingen, sijang-sijang si roengkas, opdat ramp
en onheil omvèrgestort worde. Ook weer pantar-pantar, andjap-andjap, vier
/>r/7w7.--bladeren, uitééngebaalde lambe, in trossen hangende meelballetjes, allerlei
groenten, ook weer jonge klappernoot, een witte kip. Groote beelden, beel-
den van pisangstam, van (éhggijang hci/ue, van 'ndoelpak, van 'ndapdap, die
de slechte menschen doet te gronde gaan (napsapl.én), loehoel;, tambe, afweer-
middelen, een jong kuiken, pinangkolven 36), en elf maal moet er geschoten
worden. Het „seheidingsmiddel" is weer een toemba zout aan den goeroe, 't
spijsbedrag elf toemba rijst, de schuld twaalf dollar, een lap wit goed, een mat;
en hij moet een aflegger van beneden en van boven geven (dus bijv. een kain
en een hoofddoek), dan is de schuld gedelgd, verwisseld door een te goed,
dan is 't onheil afgewend, en gaat de tendi naar huis."
VIII. „Is de ontsteltenis nog wat grooter, dan moet men naar een
hoogen heuvel gaan, dan moeten de trommels geslagen ; dan moet de klarinet
bespeeld worden, er moeten zeven goeroe's gehaald worden, zeven matten gege-
ven, zeven volle strengen garen; er moeten veel beelden zijn, van tmggijang
begoe, van vruchtdragende pisang, van 'ndoelpak, van 'ndapdap en een
meelkoek in den vorm van een beeldje 37). Maak ook weer kleine wissel-
beedjes, uitgetrokken arènpalm, uitgetrokken pisang, afgehakt &ëó7»>riet met
lange geledingen, sijang si roengkas, opdat ramp en onheil omver gestooten
worde; er moet liggen, een pinangkolf, er moet zijn een kedjerën *) van zeven
verdiepingen ; de schuld is vijftig dollar min twee, vier toemba zout als „af-
scheidsmiddel", een aflegger van boven en van beneden, zeven lappen wit-goed.
36) De naam roedang rmhaUp voor pinangkolf (boenga majang) is hier ook niet
zonder zin. M. m. is a!<p = hoera\ aUp-atépken, juichen, alp, alép\ roepen. Doch de
eigenlijke beteekenis is halen (het Tob. alap). De karo-Bataks kennen deze beteekenis
niet meer. Zij gebruiken dan hetzelfde woord met een anderen sluiter, nl. alêng (zie
boven ylraleng Inidi). Dit aléo-alëp roepen gebeurt bij verschillende werkzaamheden,
bijv. bij het manUk roemah (huisbouw). h«t aanbrengen der zware zolderbalken, en ook
wordt een feestelijke maaltijd met dit roepen begonnen. De beteekenis kan ^een andero
zijn, dan dat de téndi gehaald worde, dus veilig zij en welvarend.
37) Dit beeldje ligt gedurende de plechtigheid onder een doek en na afloop zou
de goeroe daaraan kunnen zien of de plechtigheid de gewenschte u^werking heeft gehad
of dat er nog krachtiger middelen noodig zijn.
*) Zie Med. N. Z. G. 46e Dl. pag. 4.
84
Dat is zijn schuld aan de goeroe's, opdat zijne schuld gedelgd zij, verwisseld
door een te-goed, opdat de tëndi naar huis ga en grootvader, de geest van
't gebergte terugkeere" 38).
„Nu is mijne boodschap gedaan, o tante! 1 ' zeide Beroe Dajang Minta Radja.
„Zoek nu een groote kalebas, en stop ruij daarin, opdat ik spoedig Uw
zoon ontmoete, Radja Perkoeltjapi."
Ze stopte haar er in. Ze wierp haar midden in de zee. Daar dreef de
kalebas, ze dreef naar het oosten.
Ze bleef hangen in 't bosch van Radja Mërare 39). Radja Boelan kwam
de vischstaketsels nazien, daar zat de kalebas hem in den weg. Hij duwde
haar op zij. Hoe meer hij haar op zij wilde duwen, hoe meer ze den weg ver-
sperde. Toen kloofde R. B. de kalebas. B. D. kwam te voorschijn. Toen glim-
lachte R. B. Zij gingen achter elkaar loopende naar huis, en zij zocht haar
echtelijk verblijf weer op.
38) Zie aant. 19 omtrent Adoe Amang.
39) Wie dat is, is mij onbekend. Vermoedelijk is „het bosch R. M." eene ver-
sierde naam voor het vischstaketsel, dat toch uit dicht tegen elkaar staande stokken
bestaat.
KARO-BATAKSCHE VERTELLINGEN.
IV.
RADJA KËTËNGAHËN.
(de vorst van 't Midden).
INLEIDING.
Van het, onder dit op zichzelf niet veelzeggend bovenschrift, hier mede
te deelen verhaal, bestaan naar 't schijnt heel wat lezingen, die, al zijn ook de
hoofdzaken vrij wel dezelfde, toch hier en daar belangrijke verschillen vertoonen,
inzonderheid ook in de namen.
't Verhaal, zooals De Haan dit geeft (Verh. Bat. Gen. Deel XXXVIII (1875),
buiten beschouwing latende, omdat mij, sedert ik de gelegenheid heb gehad van
diens reisverslag kennis te nemen, gebleken is, dat daar bijna doorloopend klok-
en-klepel-wijsheid aan 't woord is, staan mij ter vergelijking twee verhalen ten
dienste, nl. 1° het algemeen bekende van den heer Westenberg, voorkomende in
diens studie: Aanteekeningen enz. (Bijdr. T. L. V. 5e volgr. Te Deel 2 d e an\),
ook opgenomen in Pleyte's Bat. vertellingen; 2° een door den heer J. H. Neumann
gedeeltelijk in 't Hollandsch, gedeeltelijk in 't Karo'sch opgeschreven verhaal, dat
deze mij welwillend afstond.
Intusschen heeft de vergelijking mij niet veel verder gebracht, en moet
ik afzien van 't geven van eene in alle deelen bevredigende verklaring, Doch daar-
over straks. De gang van 't verhaal is in groote trekken als volgt:
Terwijl Radja Këtëngahën ijverig aan 't studeeren is, passeert er eene
„godendochter" (of godendochters), die zich blijkens luidgeuite zinspelingen
over hem vroolijk maakt. Hierdoor terneergeslagen, gaat hij de eenzaamheid
zoeken op 't voorgebergte Sibolangit, waar hij eindelijk door boodschappers van
zijn „grootvader" Datoek Roebij a Gande gevonden wordt. Met hen gaat hij naar
huis, en vertelt na afloop van den maaltijd wat hem 't hart bezwaart. Zijn
grootvader roept de godendochter ter verantwoording. Zonder aarzelen bekent
ze die ondeugende zinspelingen te hebben gemaakt, maar weigert R. K.'s vrouw
te worden.
Eerst is deze daarover bedroefd, maar hij laat zich spoedig door zijn
grootvader troosten. Immers, deze heeft „kleindochters'' genoeg, waaruit hij eene
86
keuze kan doen. Voorloopig moet hij maar ijverig doorstudeeren. Intusschen
laat D. R. G. door afgezanten den vorst van Irisën polsen. De zaak loopt even-
wel op niets uit, omdat diens dochter, hoe schoon overigens, gebrekkig ter been is.
Ontmoedigd door den uitslag, gaat R. K. andermaal naar 't gebergte
Sibolangit. Daar komen zouthalers voorbij, die hem wonderveel vertellen van de
ongeëvenaarde schoonheid van Bëroe Sindar ni Mata ni Ari, dochter van den
vorst van Poerba.
Onder belofte dat hij (R. K.) later voor 't benoodigde voor hunne reis
naar de benedenlanden zorg zal dragen, vertrouwt hij hun een fraaien ring toe,
dien ze in den verfpot van Bëroe S. M. moeten doen, hetgeen gebeurt
Toen nu Bëroe S. M. 's avonds zou gaan blauwverven, en daartoe het deksel
van den pot met indigo nam, werd het plotseling daghelder! Verschrikt snelt
ze naar huis, maar hare moeder verzekert haar, dat ze in Poeba niets te vreezen
heeft Ze gaat dus weer, en ontdekt nu den ring, die juist aan haar wijs-
vinger past.
Hare moeder, eene knappe goeroe, weet nu te vertellen, dat er blijkbaar
iemand op de komst is. die èn als vorst, èn als toovenaar, èn als kunstenaar
uitmunt.
Juist op dien tijd vraagt R. K. zijne moeder om eene flinke portie rijst-
meel. Hij kneedt daarvan een vogel, dien hij levend maakt. Op zijn bevel gaat
deze vogel vliegen, maakt allerlei hem voorgeschrevene bewegingen, 't welk allen,
die het zien, zoo in vervoering brengt, dat ze op staanden voet gaan dansen.
Na een tweede kunstbewerking verandert de vogel in een „manoek-manoek
si nanggoer dawa-dawa." Ook hiermede herhaalt hij de bovengenoemde proefne-
mingen.
Daarop vliegt de vogel naar Poerba, waar hij ook allen in vervoering
brengt, zóó dat Bëroe S. zich zelve als prijs uitlooft aan hem, die den vogel weet
te vangen. Doch dit lukt niet, en ten slotte keert de vogel naar Këtëngahën terug.
Vier dagen later vaardigt R. K. eene vlieg af, die ongegeneerd den vorst
en de vorstin op 't gezicht gaat zitten. Als de laatste er naar slaat, valt haar eeo
touw met knoopen in den schoot, en dit is hun eene aanwijzing, dat nu de beroemde
vorst over een bepaald aantal dagen zal komen.
R. K. verschijnt ook vier dagen later met een talrijk gevolg, en 't resultaat
is een huwelijk met Bëroe S. M.
Dit huwelijk werd met vijf kinderen gezegend, en wel in deze volgorde :
jongen, meisje, jongen, meisje, jongen. Telkens als er één volwassen was, ontving
hij (zij) naam, mërga en bëbëre van grootvader D. R. G, die ze tevens meteene
of andere macht bekleedde, en hun eene woonplaats aanwees, met uitzondering
evenwel van den middelsten zoon, voor wien eene woonstede moest worden gemaakt.
De namen der kinderen waren: lo Papoekah ui Adji (in de onderwereld) ;
2° Dajang SembaKén (in 't Oosten); 3<> Toewan Banoewa Kpeling (later op deze
87
aarde); 4o Béroc Katjih-katjih (in 't Westen); 5° Toewan Samsah Hme-hine (inde
bovenwereld).
Hierop volgt dan 't verhaal van de schepping dezer wereld, welke telkens
door Padoekah ni Adji, die over de stormen gebiedt, wordt verijdeld, tot hij einde-
lijk door list wordt overmand, en vruchteloos tracht de stevige aarde te verwoesten.
De aarde wordt nu Banoewa Koeling tot verblijfplaats aangewezen, terwijl
hij als makker in zijne eenzaamheid Toewan Mandileka Soeri naast zich krijgt.
Alvorens deze daarin bewilligt, vraagt hij verlof naar zijn „grootvader, die aan
de overzijde der zee" is, te mogen gaan ter verkrijging van de geneeskrachtige
f/aran<'ja-b\a,&eren. Na een paar vergeefsche reizen gelukt hem dit, terwijl ook
de vederen en lichaamsdeelen van den vogel Nanggoer dawa-dawa in allerlei
planten enz veranderen, en hij tevens onderricht ontvangt omtrent het „loskoopen"
van zijn lichaam en deszelfs samenstellende deel en.
T. M, S. keert daarop naar Këtengahën terug, en zal nu samen met
B K. de aarde gaan bewonen' Ze vreezen echter dat dit leven op den duur
zeer eenzaam zal zijn, en geven, als ze dit uitspreken dus hun verlangen
naar „eene hulpe tegenover zich" te kennen. D R. G. geeft hun daarom
zeven eieren van het wijfje van den Nanggoer Dawa-dawa vogel. Na een jaar
geduldig wachten zou dan hun wensch vervuld worden, mits ze zich niet lieten
verleiden om te lachen, als ze reeds, vóór die termijn om was, druk gepraat en
gelach binnen in de eieren hoorden. Doch die voorwaarde bleek hun te zwaar.
Als gevolg van hunne ongehoorzaamheid braken achtereenvolgens de eieren vóór den
bepaalden tijd, en ontstonden wel daaruit allerlei planten en dieren, maar niet de zoo
vurig verlangde wederhelft. Een offer aan D. R Gr. had geen uitwerking, en aldus alle
hoop vervlogen ziende, troostten ze zich ten slotte met verschillende dieren, waaruit
dan het tegenwoordige menschengeslacht is gesproten, waarvan elk individu in
zijne gedragingen zijne afkomst van een of ander dier dieren verraadt.
Wat in dit verhaal allereerst treft, is wel het zoo sterk in 't oog
vallend tweeslachtig karakter. Terwijl toch aan den eenen kant in woorden?
die niets aan duidelijkheid te wenschen overlaten, van de schepping dezer
aarde wordt gesproken, treft men aan den anderen allerlei aan, dat feitelijk
het bestaan dier aarde onderstelt, onderstelt zelfs in haar tegenwoordige geografi"
sche gesteldheid, althans voor zoover de Bataks haar kennen. Immers R. K. begeeft
zich naar 't schiereiland Sibolangit, het fraaie voorgebergte in het Noordelijk
bekken van het Tobameer, dat blijkbaar als 't middelpunt wordt beschouwd, van
waar men naar 't O. en naar 't W., naar het gebied der Toba's en dat der
Maleiers kan komen, van Bat standpunt volkomen begrijpelijk. Doch deze eigen-
aardige vermenging vau geografische bijzonderheden en mythologische gegevens
maakt de verklaring niet gemakkelijk. Eene der hoofd-oorzaken van deze, ook
den anderen mythischen verhalen min of meer eigene, verwarring zal wel zijn
88
't woord Poerba, dat èn de naam is van een mythisch rijk der desa-na-oewaloeh,
het oosten, èn tevens de benaming van een ook ten oosten van het Karoland liggend
landschap, welks bewoners oerang timoer, dus „Oosterlingen" heeten, waaruit men
haast wel zou moeten besluiten, dat beide namen door de Karo's het eerst op dat
land en volk werden toegepast.
De naam van den hoofdpersoon, Radja Ketëngahën (is het dezelfde als R. K. uit
Sarindoe Toeboe?) doet veronderstellen dat deze „in 't midden" moet wonen. Doch
in 't midden waarvan? Van 't heelal, zoodat hij de personifieering is van het voor
den mensch waarneembaar gedeelte daarvan, dus de aardschijf met daarover uitge-
spannen hemeltent, waarboven dan de opperste God, de Godheid bij uitnemendheid,
hier Datoek Eoebija Gande geheeten, verblijf houdt? Of in 't midden (ook weer
naar Bat. voorstelling) van deze aarde?
Hij zou dan min of meer als de stamvader inzonderheid der Karo-Bataks
te beschouwen zijn, en in zijne verbintenis met de vorstendochter van Poerba
zien we dan als eene afspiegeling van de niet te loochenen nauwe verwantschap
tusschen de Karo's en de Oerang Timoer, die immers naar Bat. genealogie
behooren tot den stam Tarigan, een der vijf Karo'sche hoofdmërga's. Ik wijs
hier op de voorstelling in mijn verhaal, dat zoowel Radja Ketëngahën als zijne
zonen en dochters geheel het menschelijk type vertoonen niet alleen (want dat
doen alle mythol. personen min of meer), maar zich ook menschen (manoesija)
noemen, die door hun „grootvader" (D. R. G.) geschapen en „tot eene levende
ziel" gemaakt zijn. Geheel anders dan in 't verhaal bij Westenberg, waar Fm-
poeng Boetara zelf, de opperste god, de rol heeft, hier aan R. H. toebe-
deeld. Merkwaardig ook, dat het verhaal van Neumann óók spreekt van Empoeng
Boetara Goeroe, doch in 't karakter van D. R. G , terwijl eerst een zijner
nakomelingen in het vierde geslacht, onder den naam Radjanami = „onze vorst"
optreedt geheel in den geest als R. K. hier, zoodat beider geschiedenis zelfs in
kleine onderdeelen overeenstemt. Ik geloof dan ook wel eenigen grond te hebben
voor de uitspraak dat het verhaal in zijn tegenwoordigen vorm eene dooreen-
werking is van legendarische genealogische en mythologische gegevens, onder welke
bewerking beide bestanddeelen geleden hebben, zooals dit steeds gaat.
Zeer zeker, gelijk vele namen bewijzen, is er ook uitheemsch materiaal
in opgenomen en verwerkt.
Heel duidelijk is Maleische invloed merkbaar, evenzeer als in de vroeger
behandelde verhalen van Doenda Katekoeten en Sarindoe Toeboeh ; en ook andere
uitheemsche elementen zijn wellicht door intermediair van 't Maleisch binnengeslopen.
Getrouw aan mijne vroegere belofte, moge ik hier iets naders omtrent
dien Maleischen invloed zeggen.
Voorop sta, dat niet het voorkomen van een enkel schijnbaar Maleisch
woord dit vermoeden zou wettigen.
Met name in de taal, die bij bijzondere gelegenheden gesproken wordt (te
89
vergelijken met het Sangir. sasahara ; voor het Tob. en Dair. vergelijke men
hierbij o. a. de taal der kamferhalers) komen woorden voor, die in 't dagelijksch
leven niet meer in gebruik, geheel beantwoorden aan tegenwoordige Maleische.
Ook bezit het Karo'sch afleidingen (als voorb. noem ik slechts tinaroeh, binangoen),
die bewijzen dat de grondwoorden daarvan vroeger de beteekenis hadden, die ze
uu nog in 't Mal. hebben, terwijl de huidige Bataksche eene min of meer afwijkende
is. Afgezien van de algemeene verwantschap der M. P. talen, geloof ik dat de
Bataks inzonderheid in vroeger tijd nauwer verbonden zijn geweest met de Mal.
stammen in engeren zin, dat daarna, door welke oorzaken dan ook (Auswanderung?)
min of meer verwijdering is ontstaan, waarop in de laatste tijden door handel
en verkeer weer nauwere aanraking is gevolgd.
Ik meen zelfs grond te hebben tot de veronderstelling dat, betrekkelijk
lang geleden, onder de Karo-Bataks een zuiver Maieiseh element is opgenomen,
zelfs een deel van dien stam of tak, waarnaar tegenwoordig het gansche volk
Maleiers (Mëlajoe) heet. Gelijk bekend, zijn al de verklaringen omtrent de beteekenis
van dit woord min of meer onzeker, gelijk van zoovele volksnamen, doch wat de naam
ook moge beteekenen, mij lijkt waarschijnlijk, dat die van een bepaalde clan, misschien
de eigenlijke kern van 't volk, op 't geheele ras is overgegaan, gelijk, om dicht
in de buurt te blijven, toch ook de Karo-Bataks zoo heeten naar één der vijf hoofd-
stammen (Karo-karo nl.) of juister nog naar een onderstam daarvan, de Karo,
dikwijls ter onderscheiding van Karo-karo genoemd Karo sëkali = Karo éénmaal.
Hetzelfde merkt de heer Meerwaldt op omtrent den naam Toba.
Den naam van dien Mal. stam nu meen ik terug te vinden bij een der
ondermërga's van de Sëmbiringstammen In mijn opstel over het Sëmbiringsche
doodenfeest heb ik er reeds op gewezen, dat die zoogen. stam zeer goed uit ver-
schillende elementen kan bestaan en waarschijnlijk ook bestaat. Wat ik reeds
niet geheel zonder grond omtrent de afkomst van althans een deel er van ver-
moedde, is door Prof. Kern, in diens opstel „Drawidische Volksnamen op Sumatra"
ontegensprekelijk bewezen. Omtrent andere onderstammen blijft vooralsnog onze-
kerheid heersenen. Doch één er van, nl. de Pélawi, meen ik vooreen Mal. element te
mogen houden, waarmede de toch reeds zeer problematische gelijkstelling van dien
naam met Pahlawi vervalt
Tegenwoordig heeten de Maleiers bij de Bataks algemeen kalak of oerang
Djawi, doch als ze een enkele maal den naam Mëlajoe willen bezigen, zeggen ze
geheel in overeenstemming met hun klankwetten Mèlawi. Blijft nog te bewijzen
dat Pëlawi met Melawi gelijk gesteld mag worden. Doch voor ieder, die iets aan de
vergelijkende studie der M. P, talen heeft gedaan, behoeft dit geen
bewijs meer 1).
1) Men zie o. a. de aanhaling van v. d. T.'s woorden op pag. 26 (overdruk) van
„Mal. taalstudiën" door Ch. A. van Ophuijzen, Tijdschr. Bat. Gen. XLVI.
90
Nog zij als merkwaardigheid, niet als een afdoend bewijs voor 't boven
geuit vermoeden medegedeeld, dat de Datoek van Hamperan Perak, een Maleisch
vorst, docli van Bat. afkomst, als zijn mërga opgeeft Sëmbiring Pëlawi! 2)
Geeft een en ander de verklaring van sporen van Mal invloed van,
betrekkelijk gesproken, ouden datum, zeer duidelijk is in het Bataksch Mal.
invloed van den nieuweren tijd. Wat het hier medegedeelde verhaal betreft,
is deze vooral te bespeuren in de episode die op het „ërsilihi" betrekking
heeft, de reis dus van Mandileka Soeri naar zijn grootvader „aan de
overzijde der zee" isibërang lahoetën). Merkwaardig is wel in dit verband,
dat ik een verhaal bezit, ook handelende over den oorsprong van het „ërsilihi"
(gebruik maken van een „wisselbeeld'' ter vervanging van den patiënt), dat in
niets gelijkenis vertoont met het hier behandelde, behalve op één punt, nl. dat
de held van 't verhaal si Adji Marim (Malim Deman?), de eerste die het ërsilihi
toepaste, aan de overzijde der zee woonde
Hij komt dan ook naar deze streken (en naar Atjeh) per prauw, in gezel-
schap van Anakoda Përlajar, ons reeds uit Sarindoe Toeboeh bekend.
Men versta mij wél! Ik bedoel niet te beweren dat plechtigheden als het
ërsilihi, ngarkari, ngoelah enz. van vreemden (in casu Maleischen) oorsprong zijn.
Verre van dien. Ze zijn ongetwijfeld zuiver Bataksch, of liever gemeengoed van
alle Mal. Pol volken, ja eigenlijk van alle volken, wier wereldbeschouwing die
is, welke men met het woord animisme pleegt aan te duiden. Die vreemde invloed
geldt voornamelijk, als ik het zoo noemen mag, de ritus, de daarbij gebruikt
wordende labas (prevelformulieren), enz. enz Doch genoeg hierover. 't Aangestipte is
voldoende om aan te wijzen dat de achtereenvolgens besproken verhalen ons voor een
zeer ingewikkeld probleem stellen, dat ik reeds daarom niet zal trachten nauw-
keurig te formuleeren, laat staan op te lossen. Ik hoop slechts dat mijne aan-
duidingen, zoo ook sommige der in die verhalen voorkomende persoonsnamen,
meer bevoegden aanleiding mogen geven, daarover licht te doen opgaan. Ik zal
mij dus verder in hoofdzaak tot de litterarische behandeling bepalen en spaarzaam
zijn met ethnologische opmerkingen.
2) De Sultan van Deli zou zijn een Sembiring Mclijala (= Malayalam), wat dan
èn met zijn uiterlijk en met de „on dit's", dat h[j van Klingsche afkomst is, strookt.
Vergel. over zijne beweerde afkomst van een slaaf, PoeiTi Idjo, Med. N. Z. G. XLVII
pag. 161 e. v.
91
KARO'SCHE TEKST-
RADJA KÈTENGAHEN.
Erladjar goeroe Radja Këtëngahën; i-pantëk ka pantangën sëndi gading
pitoe-n-tingkat bilang-bilangën.
E, erladjar goeroe m'ija, ngoge soerat idas pantangën
E, pantëk tjigër matawari, koe laoe anak radja Dibata; naling-naling m ija,
„nina naling-naling: „Këri gija kata kinigoeröcn, kata kinipandên, bëloeb kita
„gija nitipkën piso toebing, ngarkari nipi sambar, kita ka gija 'ndija roekoen), roekoem
„kalak roebat itëngab djaboena, roebati nakan mëlawën tasak, kai ^.oenana, kai na-
„namna, di la lit iugan bëras ërgantang-gantang, di la lit ingan sira ërlajap-lajap, la lit
„ingan bëlo ërlambailainbar, boewah majang ërkiboel-kiboel, gambër kiboel-kiboel. '
E, tangis anak nini Radja' Këtëngabën, soesoer ija idatas nari koetëroeb»
lawës ija nangkib oeroek-oeroek goegoeng Sibolangit, sërpang dalin koe Barat,
koe Timoer, koe Tëba koe Djavvi.
Pantëk me tjigër matawari: „A, so pe ka më rëb këmpoeng-koe man koe
roemab," nate ninina, Datoek Roebija Gande, i-soeroebna karab-karabën lima
poeloeh koerang doewa Bërkat karab-karahën lima poeloeb koerang doewa,
'ndapëtsa la idas pantangën. I-daramina, djoempa ija idatas oeroek goegoeng
Sibolangit, sérpang koe Barat, koe Timoer, sërpang koe Tëba, koe Djawi.
„Man kita koe roemab, radja-ng-kóe; ënggo nakan i soempitkën, ënggo
pola i-kitangkën."
E, miln m'ija koe roemab. Enggo bësoer man. besoer minëm: „bapa! kai
kal nge lësëk atendoe?" nina ninina, Datoek Roebija Gande; „lampas ndoebe
nakan isoempitkën, mëlawën i-pan kam; lampas ngë pola i kitangkën, mëlawën
inëm kam." — „Kai pe seja nini! I-ban koe laoe 'ndoebe anak radja Dibata,
isaling salingna kal akoe idatas pantangën erladjar goeroe, ngoge soerat." — „Di
éng këpekën bapa, bantji nge koe-panggil ." E, tabaskënna tabas pëmanggil. E,
rëh anak radja Dibata.
„Kai dabln man dabln nini?" nina anak radja Dibata kata ninina Datoek
Roebija Gande.
„Kai pe seja amé! Lit kam man soengkoenën; i-saling-saling kam koenoe
rëbi këmpoe-ng-koe ija erladjar goeroe ngoge poestaka idas pantangën sëndi
gading pitoe-n-tingkat bilang-bilangën."
„E, toeboe ng'kempoendoe i-saling-saling kami nini. I-ban tengabna pantëk
tjigër matawari koe laoe kami rëbi ras këmpoendoe sibëroe Dnj<i>i(j Tapi Gerege
ras siberoe Dajang Tapt' Goerantan, ningkami naling-naling këmpoendoe: „I-kërikën gija
„kata kinigoeroën, i kërikën gija kata kinipandën, bëloeb kita gija 'ndija ni'ipkën
B piso toebing, bëloeb kita gija 'ndija ngarkari nipi ënggo sambar, kita gija roekoem
92
„kalak itëngah djaboena roebati nakan mëlawën tasak, kai goenana, kai nanamna,
,,di la lit ingan'bëras ërgantang-gantang, sira ërlajap-lajap, gambër kiboel-kiboel,
„boewah majang ërkiboel-kiboel, bëlo ërlambar-lambar, bagem 'ningkami nini,
„naling-naling këmpoendoe ërladjar^goeroe, ngoge soerat idatas pantangën."
— „E kam më gija amé roekat nakan panganën këmpoe-ngkoe, 'ngkapoeri
bélo pangan këmpoe ng koe, 'ngkimbangi amak pëdëmën këmpoe ng-koe." — „Nini,
di ngoekat nakan, de 'ngkapoeri bëlo, de 'ngkimbangi amak man pëdëmën
këmpoendoe Radja Këtëngahën, la kap akoe mëparas, la kap mëtoenggoeng, de
'ngkapoeri bëlo de ngoekat nakan, de 'ngkimbangi amak man pëdëmën këmpoendoe
Radja Këtëngahën; mëparasna mëparas ngë akoe mïn tceboe ngëlëgi pola man
inëmën këmpoendoe, man si mëre bijang këmpoendoe, e maka akoe mëparas,
eng' maka akoe mëtoenggoeng."
Lawës më anak radja Dibata, tërgëlar sibëroe Poelen Bangsoe si ërbadjoe-
kën kadjang na kedjoeng, si roewiskën sotëra kolam 'ndoemajoeng, bërtjintjin
sarirawang, djari djarina beroe-lo-kahekën, ipënna bagi boewah aroem sëding,
boekna bagi oewas riman ngoeda, roepana bagi matawari sigalah, përdëmpakënna
bagi bintang tala-toemala, koeroemna bagi soewasa i-bëudoel. E, lawës m'ija
koedatas, koe inganna. Taügis anak Radja Këtëngahën i-tadingkënna.
„Ola kam tangis bapa," nina Datoek Roebija Gande; „i-pëladjari gëlah
ërladjar goeroe, ngoge poestaka idatas pantangën pitoe-n-tingkat bilang-bila-
ngën; i-pëladjari gëlah ërladjar pantas, i-rapati gëlah ërladjar pande," nina.
„Di ënggo kam pa»i ngasoep nitipkën piso ënggo toebing, ngarkari nipi kalak
ënggo sambar, di ngasoep më kam pagi roekoem kalak roebat itëngah rijaboena,
roebati nakan mëlawën tasak, oelïn bage pe; ëntërëm ngë këmpoe-ng-koe," nina;
„dantji kam pagi milihi" nina; „këmpoe-ng-koe anak radja Dibata ni Poerba;
këmpoe-ng-koe anak radja uibata Agoeni, anak radja Dibata Daksina, Narita 1),
këmpoe-ng koe anak radja Dibata Oetara, këmpoe-ng-koe anak radja Dibata
Irisan."
E, i soeroeh Datoek më karah-karahën lima poeloeh koerang doewa,
ngindang-ngindangi anak radja n-ta Toewan di Agoeni. E, bërkat më karah-
karahën lima poeloeh koerang doewa ngindang ngindangi anak radja-n ta. Sëh
më karah-karahën itëngah dalin, i bahan anak radja Toewan di Agoeni pe koe
noe 'ndoebe mëligaï oewari tëloe poeloeh, tërtitik desa oewaloeh, mamis silima,
katika sitëloe:
„Akoe nandé, di koe beügaï oewari tëloe poeloeh, di koe-titik desa oewa-
loeh, di koe oge mamis lima, katika tëloe, enam' reh temoewe itëngah dalin man
dakanën me nakan pitoe garöën, man tasakënkën më goeie pitoe bohan, man
pepoeloeng me pola pitoe tërboeng."
E, ënggom' tasak nakan, tasak bëngkaoe, poeloeng pola, e sëh më karah-
1) Veelvuldiger vindt men nariti.
93
karahën lima poeloeh koerang doewa i tanëh radja Toewan di Agoeni. E, bëre
man më karab karahën lima poeloeh koerang doewa.
Enggo bësoer man, bësoer minëm: „kade baritam?" bage nina radja Toewan
di Agoeni kata karab-karahën lima poeloeh koerang doewa.
..Nami 2), radjanami, nami soeroeh-soeroehën radjanami, soeroeh-soeroehën
Datoek Roebija Gande ras Radja Këtengabën; nina Radja Këtengahën: „Mëtoewa
„kal më djenda nande ; la nai kësabna noetoe page koe lësoeng, la nai kësahna
„'ndjoedjoeng koeran koe laoe; 'mbelin më impalkoe nina, i-poepoes mama ras
„mami i tanëh radja Toewan di Agoeni", nina Radja Këtengabën, radjanami,
„eng'maka kami koedjenda".
,,'mBëlin ngë toehoe djenda impalna," nina, „i-poepoes kami ras mamina.
Akoe seja man soengkoenën, mamina seja man soengkoenën, si danak-danak ngë
man arihën".
E, mëgandjang më raatawari, 'ndarat më anak radja n-ta ibas pëti bësi
nari. E, koendoel m'ija man bëlo m'ija, tëridah koemoloen koedatas koetëroeh
tjampah bëlona ibas tëldanna, djari djarina bëroe-lo kahekën, roepana bagi mata-
wari sigalah, boekna bagi oewas riman ngoeda, ipënna bagi boewah aroem sëding
gantoeng; tërgëlar sibëroe Dajang Mehoeli Kalana, Soesoer m'ija idatas nari koe-
tëroeh, ërdawit tjikën i-tjikënkënna, ban sibëlidën nahena.
Moelih karah-karahën koe Këtengabën, la nai soeroeng tjakap i tjakaphën.
Séh koe tanëh Këtengabën: „Kadena bëritana?" nina Datoek Roebija Gande ras
Radja Këtengabën. „Baritanami, radjanami, la nai soeroeng tjakap i-tjakapkën
ban sibëlidën nahena anak radja-n ta Toewan di Agoeni tërgëlar sibëroe Dajang
Mëhoeli katana."
E, lawës anak radja Këtengabën nangkih oeroek goegoeng Sibolangit,
mëntas përlandja tëloe kalak.
„Silih! lawës koedja kam ena?" nina Radja Këtengabën. — y Kami, lawë-
sën kahe, silih!" nina përlandja tëloe kalak. — „Koetërang' përkahendoena, silih?"
nina Radja Këtengabën; „di kalak e koe-idah bage: „„'ngkahe akoe,"
nina, i-përsanna landjanna, i-tëmpina bëkalna, i-bëntingkënna moedalna ;
ena: „„kahe akoe"" nindoe, landjanndoe pe koe-idah la lit i-pérsan kam; koe
bëligaï oewari tëloe poeloeh, koetitik desa oewaloeh, koe-oge mamis lima, katika
tëloe-tëloe, amin bëkalndoe pe la lit i-tëmpi kam, moedalndoe pe la i-bëntingkën
kam." — „E, labo lepak kata oewari oge kam e silih, pëngidah matandoe pe
la lepak. Ënggom' 'ndoebe bëras i-soekati, ëDggoin' 'ndoebe moedal i-pësërsër,
ënggom' 'ndoebe landjan i-pësërsër, iban mëntas 'ndoebe anak radja-n-ta
Toewan Dibata ni Poerba, tërgëlar sibëroe Sindar mala ni art, roepa-nam'
pajo bagi matawari sigalah, përdëmpakënna bagi bintang tala toemala, ajona
bagi soewasa i bëndoel, djari-djari bagi bëroe«lo-kahekën, ipënna bagi boewah
2) Dit is geen Karo'sch, maar Timoer-Bataksch.
94
aroem seding gantoeng, boekna bagi oewas riraan Dgoeda. E, ërdalin m'ija 'ndoebe
i tanëh Poerba, i-odak-odakkënna pengodakna lima poeloeh koerang doewa. E,
soemengging koe kawës më kami, soemengging koe kemoehoen. E pijah ërdalin
kami la nai gëdjapkën karni nadiDg bana landjan si ënggo i-pësërsër 'ndoebe,
nading bana moedal si ënggo i-pësërsër 'ndoebe, nading bana bëras si enggoi-soe-
kati 'ndoebe, edi la kin kepe lepak silib kata si-toeri-toerikën kam e."
Nina Radja Këtëngahën kata perlandja téloe kalak: „Moelih kam koe
tanëb Poerba. Akoe m' pagi ngatoer bëkalndoe, akoe ngad^ng moedalndoe, datkën
pagi djenda landjanndoe, baba tjintjinkoenda 1) sarirawang, daboebkën ko tëkari
koe pëlaboebën anak oe radja Toewan Dibata ni Poerba, tërgëlar sibëroe Dajang
Sindar mata ni ari. '
E, moelih më perlandja tëloe kalak koe tanëh Poerba. E, i-daboehkënna
tjintjin sarirawang koe pëlab^ehën anak oe radja.
Gëlap mata ni ari ërpëlaboeh më anak oe radja, i-talangina toetoep
pëlaboehënna las rëndihawa! 'mBijar sibëroe Dajang Sindar mata ni ari, lompat
ija koe roemah, i-dahina nandena këmbërahën radja-n ta Toewan Dibata ni Poerba,
goeroe simbaso Boenga 'mboeloe.
„Koegang 'kam e amé?" nina nandena. „So pe koe-akap 'ndai sahoen
pëlaboehënndoe i pëlaboehi kam, ënggo kam' kam rëh koe roemah !" — „'mBijar akoe
'ndai nandé!" nina; „koe-talangi 'ndai toetoep pëlaboehënkoe, las rëndihawa. E,
lompat akoe lawës koe roemah 'udahi kam." — „La lit këbijarën amé, i tanëh
Poerba enda. Tatang tëndang e, ola pëlaboehën la i-pëlaboehi, ola dënggo tombang."
E, tatanginam' tëndang nina, i-talangina toetoep pëlaboehënna. E, las
sitëngah tanëh Poerba. E, tjëkoehna koebas, nina pahe këntja sëndëng tjintjin
sarirawang ibas toedoeh toedoeh anak radja n ta Toewan Dibata ni Poerba,
sibëroe Sindar Mata ni ari. Em'kap man tëndangna lawës koe roemah 'ndahi
nandena këmbërahën Toewan Dibata ni Poerba, goeroe simbaso Boenga 'mboeloe.
„Enda më kap si'ndai nandé" nina anak oe radja kata nandena. — „Di bage kin
këpe amé, koe bëligai k'idah oewari tëloe poeloeh, koe-titik desa oewaloeh, koe
oge mamis lima, katika tëloe- tëloe "
„Rëh më kap radja se langlang kiniradjfinna, rëh kap pande se langlang
„kinipandënna, rëh më kap goeroe se langlang kinigoeroënna."
E, ënggo soeng bage, nina, „O. nandé!" nina Radja Këtëngahën kata
nandena: „i boewat kal baogkoe bëras nandé; bëras page si arang, narang gërëk-
gërëk la mëhoeli, bëras page si së.angsang, nangsan^kën nipi sambar, nangsangkën
banga këlesa; i boewat ba-ng-koe bëras, bëras page si pande lëkët, bëras page
si sampe toewah, maka lëkët anak dilaki dibëroe 'ntërëm, maka lëkët kinibajak
kinituewah 'mboewe."
1) Koenda, samentr. van koe en
'nda moet zijn gevormd of afgeleid.
indawari, nu dezen dag.
énda, welk laatste woord yan een ouder ënda of
senda = Tob sou en het Karo'sch
Vg. het Dair
95
E, i-boewat me bëras, i-soekating' pitoe toeinba, pitoe gantang, pitoe-ntjoe-
pak, pitoe lajap, pitoe-ng-këlih, pitoe-n-djëmpoet, pitoe ng-këboewah. E, toetoe më-
loemat, nina ; i-sëinakën ëmpat bërngi; e djadikënnam' djadi manoek si tjaboer
bintang, i-bahannam' kabëngna, 'ngkepaskën banga këlesa, i bahennam'nahena,
ërnabekën si kaiskais, 'ngkaiskën nipi sambar, ërsiloe-eiloekën piso pënaboeng,
i bahanna takalna,. ërtakalkën-takal tënggëling. E, i-djadikënna këraboengna,
ërkërahoengkën si dolok gënting, ërmatakën kandoe na saga, marbërëmbingkën
si boenga-boenga, martoebikë-dawa arab bobo
nini si ngijani sibërang laboetën. E, rapëtna aloë poerib tonggal pitoe, ampoeb
'mboeloena koetëroeb; e djadim 1 këdjadïn nina: takalna djadi galoeh sitabar,
lajoekna djadi kalindjoebang, 'mboeloe kërahoengna djadi si balik angin, boek-
boekna djadi soempaling, atena djadi silantam, darëbna djadi boenga-boenga,
bilalangna djadi kapal-kapal, nabena djadi sangka soempilët, b?si besi, kabëngna
djadi sipoetoer balik, 'mboeloe doeroe nabena djadi salab ërnipi.
„E, moelib kam sëkali nari" nina, „sëb pagi reb oewari pëmoekoewi rëh
kam koedjenda, ('je maka bantji si-sapaï gërëk la mëboeli, nipi sambar." E, rëh
oewari pëmoekoewi, rëh ka Toewan Mandileka Soeri, e maka i sapaï gërëk
la mëhoeli.
„Kai poeloengën nini?" nina Toewan Mandileka Soeri. — „Lit kap 'ndoebe
këdjadïn manoek si nanggoer dawa-dawa, gëloehna pe 'ndoebe man soeroeh-
soeroehën, pate patena pe endam' man soeroehën: E, di përtëboesna ënde-ën-
dënndoe 'ndai, i-ëmboes saroene, di përtëboes tjakap-tjikapndoe i-paloe g onding,
di përtëboes toewa-toewa, i-goewal tjala-tjajak, di përtëboes darëbndoe i-boewat
laoe mëntoerge, i-boewat kalindjoebang si-përkas, i-pijoeh bënang bënaloe, i pirpir-
kën arah bobondoe; e, di përtëboes batang dirindoe, lit kap 'ndoebe këdjadin
101
galoeh si tabar, e më radja, radja djëlma, i-bahan babahna la bëloeh ngërana,
i-bahan matana la 'rpëngënëhën, i-bahan tjoepingna la 'rpëmëgi, i-bahan igoengna,
la 'rpënganggëh, i ban tan na la bëloeh ngodak, i-bahan nahena la bëloeh ërdalin,
em djadikën man toekar tëboesndoe, man përsilihi, man silindakën.''
E, moelih ija koe Këtëngahën.
„E, di noesoer kin ngëradjaï tanëh këtëngahën 'ndai, di kami kal ngë
doewa-doevva ras Toe wan Banoewa Koeling, ëntah mëloengoen kal pagi akap
kami," nina Toewan Mandileka Soeri. — „Enda tinaroeh manoek simbëlin pitoe
'ndëhara manoek si nanggoer dawa-dawa, e baba pitoena koetëroeh ; lo pe pagi sëh
sipoeloe-doewa boelan, ainin lit pe sora tjakap, amin mëgang pe sora tawa, ola
kam tërtawa, si ënggo mërijah nge pagi ngëradjaï tanëh këtëngahën," nina ninina
Datoek Roebija Gande.
E, tantankënna aloë sotera itam, sotera idjo, i-tantankënna tinali gëlangën.
E, sëh më koenoe itëngah awan-awan ; e sëh koenoe ëmpat boelan, mërijah sora
tawa 'ndai, mëgang sora ër tjakap-tjakap.
„E, labo këpe goewak nini katana 'ndoebe. Piga boelan nari la lit si
roekat nakan panganenta? piga boelan nari la lit si 'ngkapoeri bëlo panganënta,
si 'ngkimbangi amak man pëdemënta?''
Tawa koenoe ija, pëtjah tinarceh manoeh simbëlin, djadi kajoe silemak,
silislis, sijalang, i tanëh djahe-djahe enda, përmajan-majanën anak oe radja sibëroe
Gandarijah doedoek di oempe-oempena.
E, tande lima boelan, rëh gangna ka sera tawa, rëh rijahna kang sora
ërtjakap; tawa ka Toewan Mandileka Soeri, pëtjah tinaroeh manoek simbëlin
djadi bëraspati, bëraspati tanëh, bëraspati laoe, beraspati kërangën, bëraspati
'mbalmbal, bëraspati kabang.
Rëh ka boelanna rëh gangna ka sora tawa, rëh rijahna ka sora ërtjakap;
tawa Toewan Banoewa Koeling, pëtjah tinaroeh manoek simbëlin, djadi gajo,
djadi nipe, djadi sibakoet, djadi itik, djadi binoeroeng, djadi ilik, djadi bindoran,
djadi saringgoepgoep.
E rëh ka boelanna, rëh gangna ka sora tawa 'ndai, rëh rijahna ka sora
ërtjakap 'ndai; tawa Toewan Mandileka soeri, pëtjah tinaroeh manoek simbëlin,
e djadi page, djadi djaba, djadi dawa, djadi djaoeng, djambe, goendoer, ritik,
tjimën, latjina.
E, rëh ka boelanna rëh gangna ka sore tawa, rëh rijahna sore ërtjakap;
tawa Toewan Banoewa Koeling, pëtjah tinaroeh manoek simbëlin, e djadi koeda,
djadi kërbo, djadi lëmboe, djadi kambing, djadi babi, djadi bijang, djadi manoek.
E, ënggo këri tinaroeh manoek pëtjah.
„E, lit m' enda asoeh-asoehen, roebija- roebija, lit m'enda pangan-pangam
di kita ng' doewa manganisa pangan-pangan, kitang' doewa 'ndjagaïsa asoeh-
asoehën, ëntah lalap mëloengoen i-tanëh këtëngahën enda," nina Toewan Mau-
dileka soeri kata Toewan Banoewa Koeling.
102
„Ah, lit kap' ndoebe kata nini-n-ta, Datoek Roebija Gande, si noerihi
boekta, djari-djari n-ta, si moeboehkën kita djacli djëlma rnanoesija, si nantankën
kita koetëngah awan-awan enda": „„di kai pagi kësikëlndoe koerang ëntah matab,
soengkoen kam, soeloebi pagi saboet toewalah idjo; sëh pagi tjimbërna idatas,
koe-anggeh pagi tjimber saboet toewalab idjo, koetalangi më pagi pintoe lawang
arah radja Kima-kima, koe-tantankën pagi tinali gëlangën koetëroeb aloë sotëra
itam, sotëra idjo, em pagi talindoe nangkih maka koe-pëdahken pagi tole
pëdab, koe-adjarkën pagi tole adjar," ! ' „bage kap 'ndoebe nina ninin-ta Datoek
Roebija Gande 'ndoebe."
E, soeloeb me koenoe saboet toewalah idjo. F, pintër më koenoe nangkih
me. Sëh koenoe itëngah awan-awan, i-bahan sabap la toehoe nina kata Datoek
Roebija Gande 'ndai, lapat tjimbër saboet toewalah idjo, la nai anggëh Datoek
Roebija Gande idatas.
Sëh më koenoe ëmpat tahoen, lalap ma nantan tinali gëlangën koetëroeh.
„E, koetëra dëngang' enda përoekoer dage?" nina Toewan Mandileka Soeri. —
„Akoe, la nai koe-ëtëh oekoerkoe lit," nina Toewan Banoewa Koeling. — „Akoe
lit dëngang' oekoerkoe," nina Toewan Mandileka Soeri.
„Di toehoelah mindoe, koe-katakën: „tijakën koeda, tijakën kërbo,"nina;
„tijakën lëmboe," nina, „kambing ras babi," nina; „tijakën manoek ras bijang."
E, i tijakën Toewan Banoewa Koeling nina, e maka pirah sindoebe enda
kita rnanoesija. Di pirah babi: ënggo këntja man, nadahkën pëlangkah; di pirah
manoek 'rigkaisi; di pirah bijang, di man, roebati; di pirah kërbo, di tërang
oewari koe djoema, di bën oewari koe roemah; adi pirah kambing, mëlawën
koe djoema, lampas koe roemah.
VERTALING.
RADJA KÈTËNGAHÈN (de Vorst van 't Midden).
Radja Këtëngahën studeerde voor goeroe; men had [voor hem] een pan-
tangën sëndi gading 1) opgericht, van zeven verdiepingen.
Wel, hij was [eens] aan 't studeeren, aan 't lezen van [toover] boeken.
Daar, juist op den middag ging eene dochter van Dibata 2) (God) naar de rivier;
zij maakte zinspelingen, ze zeide r zinspelende: „al ken je alle wetenschap op je
„duimpje, al ben je bedreven in alle kunsten; al kan je een geschaard mes van
„schaarden ontdoen, al kan je booze droomen krachteloos maken ; al zou je
„ kunnen richteD, uitspraak doen omtrent lieden die in huis vechten, oneenigheid
„hebben, omdat de rijst laat gaar was, wat nut heeft het, wat voor aantrekkelijks
„(eig. smaak) als je geen plaats hebt, waar de rijst bij gantangs aanwezig is, geen
1) Keeds bij de bespreking van Doenda Katekoetën deelde ik mede wat een
pantangën is. De bijvoeging sëndi gading = met ivoren verbindingslatten, is slechts eene
versieringsnaam, gelijk men gaarne in verbalen bezigt.
't Woord pantangën houdt natuurlijk verband met pantang = ongeoorloofd, ver-
boden, en is bier wel op te vatten als : plaats, die het verboden of ongeraden is, te
naderen.
De hooge bouw (meestal op één paal) maakt, als de ladder opgetrokken is, de
beklimming moeilijk. Overigens zal iemand, die niet tot bet gilde der goeroe's hoort,
het niet licht wagen, zich in een pantangën te begeven, uit vrees voor allerlei kinigoerdën
(tooverij).
Alles wijst er op, dat de pantangën als eene plaats van afzondering bedoeld is.
Men zou 't woord kunnen weergeven met studeercel, kluis, en ik acht het voor de
hand liggend, dat we hierin eene flauwe navolging van het Indische kluizenaarschap te
zien hebben. De Bataks kennen ook het begrip tapa, en verbinden daaraan inzonderheid
het verwerven van bovennatuurlijke eigenschappen, onder welke vooral onkwetsbaarheid.
2) „Dochters van Dibata" is de naam, waarmede in de Bat. verhalen wezens
worden aangeduid, die geheel beantwoorden aan de bekende widadari's of hemelnimfen.
Een steenvaste trek is, dat ze gaan baden, en dat ze dit doen juist op H midden van
den dag. Verder dat ze „vliegbaadjes" dragen.
We mogen in die „godendochters" zeker wel de zonnestralen zien. Zou het gaan
baden juist op den middag, niet kunnen beteekenen, dat eerst dan de zonnestralen door-
dringen tot de op den bodem der bewoude ravijnen loopende riviertjes?
104
„plaats voor zout bij lajaps, voor sirih bij bladeren, voor pinangnoten in z'n geheel,
„voor gambirkoekjes in z'n geheel." 3)
Toen schreide de zoon van (onzen) grootvader, Radja Këtëngahën, hij kwam
naar beneden en ging heen den heuvelrug Sibolangit op, het kruispunt der wegen
naar 't Westen naar 't Oosten, naar 't gebied der Toba's, naar dat der Maleiers
Daar 't al middag was, dacht zijn grootvader, Datoek Roebija Gande 4):
„He, nog is mijn kleinzoon niet thuis komen eten," hij zond (dus) boodschappers,
vijftig min twee 5) in getal. De vijftig min twee boodschappers gingen op weg,
zij vonden hem niet in de pantangën (lett. zij vonden hem, niet in de pantangën
zijnde). Zij gingen hem zoeken, en troffen hem aan op den heuvel Sibolangit, den
kruisweg naar 't Westen, naar 't Oosten, den kruisweg naar 't land der Toba's,
naar dat der Maleiers.
„Laten we naar huis gaan om te eten, o, mijn vorst; de rijst is al in de
soempit gedaan, de palmwijn in de kitang."
Toen ging hij naar huis om te eten Toen hij verzadigd was van eten en
drinken, zeide zijn grootvader, Datoek Roebija Gande : „vadertje ! wat schort er aan ?
de rijst was al vroeg in de soempit gedaan, 't is laat nu ge ze eet, de palmwijn was
al vroeg in de kitang gedaan, 't is laat nu ge dien driukt." — „Niets bizonders, groot-
vader! ['t Is] omdat, toen de dochter van Dibata naar de rivier ging, zij zinspe-
lingen maakte juist op mij, die in de pantangën aan 't studeeren, aan 't lezen
Avas." — „Als het dat is, vadertje, dan zal ik haai* oproepen". Hij sprak het
oproepformulier uit. Daar kwam de dochter van Dibata.
„Wat werk is er om te doen, grootvader?" zei de dochter van Dibata tot
haar grootvader Datoek Roebija Gande.
„Niets bijzonders, moedertje! Jou heb ik wat te vragen; je hebt, zoo
verluidt het, gister zinspelingen gemaakt op mijn kleinzoon, dat hij studeerde
en in de tooverboeken las, in de pantangën sendi gading van zeven verdiepingen."
3) Der langen Rede kurzer Sinn is: wat heb je er aan, als je niet getrouwd bent.
Is men nl. getrouwd, dan heeft men een djaboe (ruimte voor een gezin), een eigen huis-
houding, en als kenmerken van eene ordentelijke, geregelde huishouding naar Bataksche
opvattingen zijn de hier opgesomde van 't grootste belang. Gantang en lajap zijn maat-
of hoeveelheidsnamen, en zien op zulke hoeveelheden als direct voor 't gebruik noodig
zijn. Zie voor de hoeveelheid ongeveer, aant. 20).
4) Deze naam kwam ook reeds in 't verbaal van D. K. voor, daar als benaming
van een brongeest, doch hier ongetwijfeld als de opperste godheid, als de c-mpoeng Boetara
in 't verhaal van Westenberg. De naam is mij onverklaarbaar, ook wanneer men in
plaats van roebija roembija leest. Uit de uitspraak van Gande als gan en de, niet naar
Kar. trant ga-nde blijkt dat de naam geen Karo'sche is. Waarschijnlijk is ze uit het
Mandelingsch overgenomen.
5) Deze verouderde wijze van tellen is nog alleen in verhalen gebruikelijk (zie
ook 't aantal der „bekoorlijkheden" van b^roe Sindar Mata-ni-ari), en bepaalt zich meestal
tot het aantal stormwinden, en het aantal gt-ndang-wijzen.
105
„We hebben inderdaad zinspelingen gemaakt op uw kleinzoon, grootvader.
Omdat het juist middag was, ben ik gister met je kleindochters sibëroe Dajang
Tapi Gërege 6) en sibëroe Dajang Tapi Goerantan 6a) naar de rivier gegaan,
en zeiden wij, op uw kleinzoon zinspelende : Al maak je je alle wetenschap
„eigen, en alle kunstvaardigheid, al kan je de schaarden uit een geschaard mes
„verwijderen, al kan je booze droomen krachteloos maken, al zou je recht doen
„over lieden die in huis getwist hadden, omdat de rijst laat gaar was, wat voor
„nut heeft het, wat voor aantrekkelijks, als je geen plaats hebt voor de rijst bij
„gantangs, het zout bij lajaps, gambirkoekjes in z'n geheel, pinangnoten in z'n
„geheel, sirih bij bladeren," zoo zeiden we, grootvader, zinspelende op uw klein-
zoon, die in de pantangën zat te studeeren en te lezen."
„Wel, word jij dan, moedertje, [de persoon die] de rijst tot spijs voor mijn
kleinzoon opschept, de sirih om te kauwen van mijn kleinzoon gereed maakt
(lett. van kalk voorziet), de mat om op te slapen van mijn kleinzoon uitspreidt" 7).
— „Grootvader! wat aangaat het opscheppen van de rijs', 't gereedmaken van de
sirihpruim, het spreiden der slaapmat voor je kleinzoon, Radja Këtëngahën; ik
ben niet waardig, ik kom niet in aanmerking, als 't betreft sirih gereed te ma-
ken, rijst op te scheppen, de slaapmat te spreiden van uw kleinzoon, Radja
Këtëngahën; wat ik waardig zou ?ijn? 't Zou me inderdaad voegen den palmwijn
te halen tot drank voor uw kleinzoon, de etengeefster van zijn honden te zijn 8),
dat zou me voegen, daarvoor zou ik in aanmerking komen "
Toen ging ze heen, de dochter van Dibata, genaamd sibëroe Poeteri Banq-
soe 9), die het baadje kadjang na kedjoeng 10) droeg, het zijden kleed kolam
'ndoemajoeng 10a), den ring sarirawang 10a), wier vingers waren als de béroe lo
(een spichtig, zeer wit vischje), wier tanden als de zaadjes der aroem sëding
(zekere spinazie- soort), wier haar was als de jonge vruchttros van den riman-palm,
6) 6a) Ook deze namen zeggen mij niets. Het Tob. woord garege (manggarege)
beteekent: den grond met de pooten omwerken, van buffels.
De eerste naam komt ook voor in een door mij opgeteekend verhaal omtrent den
oorsprong van het (Bataksche) oorlogvoeren. Zoo heet daar eene vrouw van Poerba
(stam Tarigan), die trouwt met een zoon van Banoewa Koeling.
7) M. a. w. word zijne vrouw.
8) M a. w. Ik zou alleen waard zijn, zijne slavin te wezen.
9) Deze mij eveneens onverklaarbare naam is mij ook van elders niet bekend.
10) 10a) 10a) Kadjang na kedjoeng moet wel eone verbastering zijn van mahi-
djang (zie v. d. T. Bat. Wdb. op hidjang), benaming van een buis der hemelingen, waarmee
men vliegen kan Kolam ndoemajoeng zou men kunnen vertalen met wapperend (ofgol-
vend) schouderkleed. Këlam heet in 't Karo'sch een smal, dun weefsel, dat men veolal
als schouderdoek (oewis kadangkadang c n) of als peDgalkal, kleed ter bedekking der
borsten bezigt. De beteekenis van sarirawang ken ik niet. Misschien mag men het
ontleden in si + ari + rawang, welk laatste woord beteekent : a jour bewerkt.
106
wier voorkomen als de ochtendzon, wier voorhoofd als het zevengesternte (?), wier
wangen als gebold spinsbek 11). Zij ging naar boven, naar hare plaats. Radja
Këtëngahën liet ze schreiend achter.
„Gij moet niet schreien, vadertje', zeide Datoek Roebija Gande; „blijf u
ijverig er op toeleggen om goeroe te worden en de tooverboeken te lezen, in de
pantangën van zeven verdiepingen; leg er u op toe om knap te worden, leg er u
met de borst op toe om bedreven te worden," zeide hij. „Als je in staat zult
zijn een geschaard mes in orde te brengen, booze droomen van anderen krachte-
loos te maken, als ge in staat zult zijn recht te spreken over lieden, die in huis
twisten, twisten omdat de rijst laat gaar was, dan is dat zelfs beter; ik heb zeer
veel kleindochters," zei hij, „dan kunt ge een keuze doen", zei hij; „de dochter
van Dibata in Poerba is mijn kleindochter; die van Dibata Agoeni is mijn klein-
dochter, die van Dibata Daksina, en Narita, die van Dibata Oe'ara is mijn klein
doch'er, die van Dibata Irisan is mijn kleindochter." 12)
De Datoek zond nu vijftig min iwee gezanten om eens poolshoogte te
nemen 13) omtrent de dochter van onzen vorst, Toe wan di Agoeni. De vijftig
min twee gezanten gingen op weg, om eens poolshoogte te nemen omtrent de
dochter van onzen vorst. Toen ze halverwege waren, [zeide de prinsesj, omdat
ze, zegt men, da dertig dagen geteld, de acht windstreken geraadpleegd, de vijf
mamis en de drie katika onderzocht had; „Wel moeder! als ik zoo de dertig
dagen tel, de achr, windstreken raadpleeg, de vijf mamis en de drie katika
onderzoek, dan zijn er nu gasten op de komst, voor wie te koken valt zeven
11) Met kleine afwijkingen komen dergelijke stereotype schoonheidsbeschrijvingen
in bijna alle Bataksche verhalen voor. De aroem- zaadjes zijn in-zwart, en zwarte tanden
vindt men mooi. De vergelijking op 't haar toegepast, wijst op het mooi gekamd zijn
en het recht neerhangen in wat wij Friezen teekenachtig noemen „veterbandjes''.
De ochtendzon, eig. de één staak (galah) hoogstaande zon.
Het zevengesternte heet anders bintang pyjama. Toch geloof ik, dat dat hier
bedoeld is. Bintang tala toemala beteekent feitelijk: de met de aangezichten naar elkaar
gekeerd staande sterren, 't Gebolde spinsbek ziet zoowel op de fraaie ronding als op den
roodachtigen gloed (blos) der wangen.
12) De opsomming is niet volledig, daar toch de bedoeling is, alle windstreken
(mythische rijken) op to noemen. Hier ontbreken Mangabija en Poestima. Elders gaf
ik reeds de vertaling (Vleded. XLVI, 1902, pag. 19).
13) Zoo vertaalde ik ngindang-ngindangi, een woord dat blijkbaar de meeste
Bataks niet kennen.
Ngindangi is: met kritischen blik beschouwen, eigenlijk wel schiften, scheiden.
Ngindang is nl. zand uitwasschen op een houten bord, om stofgoud te winnen. De
gezanten gaan dus met het doel om te zien of de prinses in alle deelen voldoet aan de
schoonheidseischen. Vandaar dat ze de zaak niet eens ter sprake brengen, als ze zien,
dat er wat aan hapert
107
garden rijst, zeven bohan toespijs, voor wie verzameld moet worden zeven vat
palmwijn 14).
Wel, toen de rijst en de toespijs gaar waren, en de palmwijn er was,
bereikten ook de vijftig min twee gezanten 't gebied van Toevvan di Agoeni.
Men gaf hun te eten. Toen ze gegeten en gedronken hadden zeide Toewan di
Agoeni tot hen: „welk nieuws brengt ge?"
„Wij, o vorst, we zijn gezanten van onze meesters Datoek Roebija Gande,
en Radja Këtëogahën; Radja Këtëngahën zeide: „Mijne moeder hier is zeer oud,
„ze is niet meer in staat naar de lësoeng te gaan rijststampen, ze is niet meer
„bij machte met het watervat op 't hoofd naar de rivier te gaan; mijn „impal" 15),
„zeide hij. die mijn oom en tante in 't land van Toewan di Agoeni verwekt
„ hebben, is volwassen," [zoo] sprak Radja Këtëngahën, o, vorst; dat is de reden
dat we hier komen."
„Zijn „impal" hier, die ik en zijne tante verwekt hebben, is inderdaad
volwassen. Niet mij heeft men 'te vragen, noch zijne tante, dat moet met het
kind zelf uitgemaakt worden."
Wel, toen de zon al hoog stond, kwam de dochter van onzen vorst te
voorschijn uit een ijzeren kist. Zij ging zitten, zij kauwde een sirihpruimpje,
men kon het kauwsel in haar keelholte op en neer z en gaan, haar vingers waren
als de bëroelo kahekën, haar voorkomen als de ochtendzon, haar haar als de
jonge vruchttros van den rimanpalm, hare tanden als de zaadjes van aroem së-
ding gantoeng; zij heette sibëroe Dajang Mchoeli Kalana („die mooie woorden
spreekt"). Toen ze van boven naar beneden kwam, gebruikte ze een stok als
steun, omdat haar eene been dikker was dan het andere.
De gezanten keerden naar Këtëngahën terug, de zaak werd verder niet
meer besproken. Toen ze in Këtëngahën waren aangekomen, zeiden Dateek Roebija
Gande en Radja Këtëngahën: „Welke tijding brengt ge?" — „Wij hebben te
berichten, o vorst, dat de zaak niet ter sprake is gebracht, omdat de dochter
van onzen vorst Toewan di Agoeni, sibëroe Dajang Mëhoeli Katana genaamd, haar
eene been dikker was als 't andere" 16).
14) Een meer algemeen bekend voorteeken, dat er gasten op de komst zijn, is
bij de Bataks het zich als slangetjes kronkelen van kleine vonkjes om de kookpot,
een gevolg natuurlijk van 't gaan gloeien van het zwarte roetachtige aanbaksel.
15) Impal is een onvertaalbaar woord, al heeft het dikwijls den zin van nicht
(dochter van den mama = moeders broeder) of neef (zoon van de bibi = vaders zuster).
Een jongen en een meisje zijn eikaars „impal" als ze naar Batak-adat met elkaar mogen
trouwen.
16) Ofschoon hier niet verhaald, is mij van elders bekend, dat ze het geheele
rijtje der windstreken afgingen, doch op ieder der overigens schoone prinsessen was iets
aan te merken. Eerst te Poerba bleek de vorstendochter aan de hooge eischen te beant-
woorden.
108
Toen ging Radja Këtengahën heen op den heuvel Sibolangit ; daar kwamen
drie zouthalers voorbij.
„O, zwager, waar gaat gijlieden heen?" zeide Radja Këtengahën. — „Wij,
we gaan naar de benedenlanden, zwager!" zeiden de drie zouthalers. — ,,Wat is
dat voor een manier van ulieden, om naar de benedenlanden te gaan?" zeide Radja
Këtengahën; „anderen, als die zeiden: „„ik ga naar de benedenlanden"" droe-
gen, zag ik, hun draagstok op den schouder, hun leeftocht in een doek op den
rug, het geld in hunnen gordel; jelui: „ik ga naar de benedenlanden" zeggen
jelui, jelui draagstokken draagt ge det op den schouder; [en als] ik de dertig
dagen tel, de acht windstreken raadpleeg, de vijf mamis, de drie katika onder-
zoek, dan draagt ge zelfs uw leeftocht niet op den rug, noch uw geld in uwen
gordel." — „Wel, wat de dagen, die gij gelezen hebt, zeggen, is niet onjuist, het
zien van uw oogen is niet ais We hadden de rijst al uitgemeten, het geld al
klaargelegd, de draagstokken al in orde gebracht, toen (lett. omdat, maar de zin
loopt eigenlijk zoo niet af) de dichter van onzen vorst Toewan Dibatain Poerba,
sibëroe Sindar Mata-niari geheeten, voorbijkwam, wier voorkomen precies is als
de ochtendzon, wier voorhoofd als het zevengesternte, wier gelaat als gebold
spinsbek, wier vingers als de bëroe lo-kahekën, wier tanden als de zaadjes van
aroem sëding gantoeng, wier haar als de jonge vruchttros van den riman-palm.
Wel, zij wandelde in Poerba, vertoonende hare bekoorlijkheden 17), vijftig min
twee in getal. Wel, we zagen tersluiks naar links, en naar rechts. Eindelijk
gingen we op weg, en (merkten) niet, dat de draagstokken die al klaar waren,
achterbleven, dat het geld, dat al klaargelegd was, achterbleef, dat de rijst, die
al uitgemeten was, achterbleef *), dat is 't, dat dus blijkbaar wat ge verteldet,
juist is, zwager."
Toen zeide Radja Këtengahën tot de drie zouthalers: keert gijlieden naar
Poerba terug. Ik zal later voor je leeftocht zorgen, ik zal je van geld voorzien;
hier zult ge later uw draagstokken krijgen, neemt dezen mijn ring sarirawang
mede, laat gij dien straks vallen in den pot met indigo van de dochter van
Toean Dibata ni Poerba, sibëroe Dajaug Sindar Mata ni ari IS) geheeten.
Toen keerden de drie zouthalers naar Poerba terug Zij lieten den ring
vallen in den pot met indigo van de prinses.
17) „Vertoonende hare bekoorlijkheden" is de wel wat vrije, doch tamelijk
juiste vei taling van i-odakkënna pëngodakna. Eigenlijk is nyodak „met de handen slin-
geren bij 't gaan". Pëngodak dus: de wijze waarop dit geschiedt, langzamerhand uit-
gebreid tot: iemands gaog, wijze van loopen, en nu komen juist iemands gratie en be-
valligheid, als hij die heeft, 't best tot haar recht bij 't gaan, vooral voor den Batak,
die let op lenigheid der bewegingen en rankheid van postuur.
*) Er staat letterlijk dat die dingen uit zichzelf achterbleven.
18) Deze naam is zeer doorzichtig. De beteekenis is: „Glans der zon".
109
Toen het donker werd, ging de prinses blauw verven. Ze nam het deksel
van den pot; daar werd het daghelder!
Siberoe Dajang Sindar Mata-ni-ari werd bang, ze snelde naar huis, en zocht
hare moeder op, de gemalin van den vorst Toevvan Dibata ni Poerba, de goeroe
simbaso Boenga 'mboeloe.
„Hoe (is dat met) jou, moedertje?" zei haar moeder. „Je kunt, dunkt
me, je te verven goed nog niet geverfd hebben, daar kom je al weer thuis!"
— „Ik was bang moeder!" zeide ze; „ik nam het deksel van den pot, (daar
werd het) helder als de dag. Toen snelde ik naar huis, naar U." — „In dit
land van Poerba is niets te vreezen, moedertje. Neem de lamp mee (lett.
draag de lamp op je hand), 't mag niet dat het te verven goed niet geverfd
worde, en (de verf) misschien omvalle."
Toen nam ze, zegt men, de lamp in de hand, en deed het deksel van den
pot. Wel, half Poerba was verlicht alsof 't dag was. Wel, ze stak haar hand
in den pot, zegt men, (en zie) de ring sarirawang paste juist om den wijsvinger
van de dochter van onzen vorst Toewan Dibata ni Poerba, siberoe Sindar Mata-
ni-ari. Deze (ring) was haar nu tot lamp, naar huis gaande naar hare moeder,
de vrouw van Toewan Dibata ni Poerba, de goeroe simbaso Boewga 'mboeloe.
„Dit is 't nu van daar straks moeder," zeide de prinses tot hare moeder. „Als
het dat is, moedertje, dan zal ik de dertig dagen tellen, de acht windstreken
raadplegen, de vijf mamis, de drie katika lezen".
„Er zal een koning komen, wiens koningschap buitengemeen is, een
kunstenaar, wiens kunstvaardigheid buitengemeen is, een goeroe, wiens wetenschap
buitengemeen is."
Wel, toen dit zoo was, zegt men, zeide Radja Ketëngahën tot zijne moe-
der: „O moeder, verschaf me toch bëras, bëras van si-arang-rijst 19), om ongunstige
voorteekenen af te weren (narang), bëras van si sërangsang rijst 19a), om on-
gunstige droomen los (= krachteloos) te maken (nangsangkën), om ramp en on-
geluk krachteloos te maken *), verschaf me bëras, bëras van si pande lëkët-
rijst 196), van si-sampe toewah 19c) rijst, opdat er bestendig veel zonen en
dochteren zijn, opdat er bestendig veel rijkdom en zegen zij (lëkët = kleven,
blijven hangen)."
19) Page si arang is eene zwarte kleefnjstsoort (page poeloet), die inzonderheid
gebezigd wordt tot het maken van een tamelijk bedwelmend gerecht (tape), welke bedwel-
mende werking veroorzaakt wordt door de alcoholische giststof (ragi).
19a) Page sërangsang is eene rijstsoort, waarvan de korrels wijd uit elkaar staan,
en lijkt zeer veel op onze haver.
*) Men kan ook vertalen : die ongunstige voorteekenen afweert, booze droomen
krachteloos maakt, enz.
19è en c) Als rijstsoorten ken ik deze niet. De „kracht" der vier soorten zit in
den naam dien ze dragen, gelijk uit de woordspelingen van den Bat. tekst blijkt.
110
Wel, er werd bëras verschaft, er werd uitgemeten, zeven tuemba, zeven gan-
tang, zeven tjoepak, zeven lajap, zeven këlih, zeven dj ëmpoet (vingergreep), zeven
korrels 20). Dat werd fijn gestampt, zegt men, en vier nachten in de week gezet;
hiervan maakte hij een si-tjaboer bintang vogel (of kip) 21), hij maakte dien vleu-
gels, die ramp en ongeluk verdrijven [lett. wegwaaieren], hij maakte hem pooten,
tot pooten had hij krabbers die booze droomen verdrijven [lett. wegkrabben],
tot nagels de sporen van een vechthaan; hij maakte hem een kop, tot kop had
hij den kop van een tënggëling [Stenops Tardigradus]. Hij maakte hem een
hals, tot hals had hij een slanken berg 22), tot oogen een paar saga -vruchtjes 23),
tot kam een boenga-boenga (Hibiscus Rosa Sinensis), tot sneb een Këlingsche
notenkraker 24) in den vorm van een nijptang. Tot ingewanden had hij een
ankertouw, tot hart de bloesemknop van de si tabar-pisang, tot lever een gladde
wetsteen, tot gal[blaas] [een vrucht van] de boengke rimbang 25), tot staart een
plumeau (wand-afstoffer, -veger), die ramp en ongeluk wegvaagt, die booze droomen
wegvaagt.
Toen blies hij hem den adem [ziel] in; zoo werd het een tjaboer-bin-
tang- vogel.
„Als gij inderdaad een tjaboer-bintang vogel zijt, vlieg dan in kringen
20) Ter bepaling van de hoeveelheid diene, dat een toemba ongeveer 2 liter is.
Verder is: 1 toemba = 4 gantang, 1 gantang = 2 tjoepak, 1 tjoepak — 2 lajap, 1 la-
jap = 2 këlih.
21) Manoek si-ijaboer-bintang is de naam van kippen met veel witte spikkels.
De letterlijke beteekenis is: .,met sterren bestrooid", en waar we hier met eene mythe
te doen hebben, is hier ongetwijfeld sprake van den nachtelijken sterrenhemel. Men
vergelijke hierbij 't verhaal van Bëroe üajang (Sarindoe toeboeh). De overeenkomst
der beelden is onmiskenbaar en wijst wel op samenhang der mythen, dunkt mij.
22) Gmting is eigenlijk: smal, dun in 't midden.
23) Zóó heb ik kandoe na saga meenen te moeten vertalen, hoewel de constructie
zeer vreemd is. Doch misschien is ! t geheel een verbasterde Tob. of Timoersche uit-
drukking; kandoe beteekent zooveel als makker. De saga is de abrus praecatorius L.
bekend om de fraaie zaden. O. a. gebruiken de Bataks deze veel els voor de op de
tooverstaven, përminakan en derg. voorkomende monschen- en dierenfiguren.
24) De gewone Bataksche notenkraker of juister notensplijter is een werktuigje,
dat wel iets gelijkt op het snijmes der drogisten. Het mes, waarmede men de noot snijdt,
is dus een hefboom van de tweede soort. De hier vermelde „Klingsche" zou op een
nijptang (of schaar) moeten lijken, dus bestaan uit hef boomen der eerste soort. De vraag
is nu of de „Klingsche" volksstammen een werktuig van die constructie bezigen, wat
ik niet weet te beantwoorden.
25) Een doornige struik, afgaande op de bloemen, tot de familie der Solanieën
behoorende. De vruchtjes lijken wel iets op die der aardappelplant en hebben een bit-
teren smaak, die evenwel niet belet, dat de Bataks ze soms in kleine hoeveelheden als
toespijs nuttigen.
111
zwevende, ga zitten op den droogstok 26), waarover men 't [geverfde] garen uit-
hangt, klop met uw snavel, klep met uw vleugels, krab met uw pooten."
Wel, hij klopte met zijn snavel, ['t was] als 't geluid van een gerantoeng
met vijf staafjes, hij klepte met de vleugels, 't was als trommelgeluid, waarbij de
klarinet geblazen werd; hij krabde met zijn pooten, 't was als „de pas van drie,
vijf met de „kinderen" 27).
De menschen in huis gingen dansen, sommigen dansten met de boesan
[bamboekoker, waarin men rijst of dergel. bewaart, om het dadelijk bij de hand
te hebben], anderen met den rijstlepel. Toen de meoschen genoeg gedanst had-
den, sprak hij het roep-formulier uit, en de vogel keerde naar huis terug. Hij
werd [weer] vier nachten in de week gezet, om booze droomen krachteloos te
maken [noelpatkën ; rijmwoord op ënipat =. vier], toen werd hij de Nanggoer-dawa-
dawa- vogel 28).
Wel, „als ge heusch de nanggoer dawa-dawa-vo c el zijt, vlieg dan kringen
beschrijvende, en ga dan weer zitten op den droogstok, waarop 't garen wordt
uitgehangen."
Toen ging de vogel vliegen, kringen beschrijvende en zette zich op den
droogstok, waarop 't garen wordt uitgehangen.
Wel, „klop met uw snavel, klep met uw vleugels, krab met uw pooten!"
Wel, toen klopte hij met zijn snavel, als de gerantoeng met vijf staafjes,
hij klepte met zijn vleugels, als gendang spel, waarbij de klarinet geblazen wordt;
hij krabde met zijn pooten, als de „pas van vijf, zeven met de „kinderen " ".
26) Of die droogstok ook eene mythische beteekenis heeft, durf ik niet zeggen,
hoewel ik zulks vermoed. Aau het „water van den droogstok" (!aoe lantaren) schrijft
men nl. de kracht toe, van, in iemands oogen gedruppeld, hem het vermogen van het
„tweede gezicht" (pëngënëbenën doewa lapis) te geven, zoodat hij dan begoe's kan zien.
27) Hoe men zich dien „dans" juist heeft voor te stellen, kan ik niet zeggen,
daar ik hem nooit heb zien uitvoeron.
Naar de beschrijving, die men mij gaf, moet het een waar kunststuk zijn, dat
veel behendigheid vereischt. De danser heeft slechts drie kleine plekjes ter beschikking,
die hij met zijne voeten mag betreden, behalve nog twee (de „kinderen") waarheen hij
mag uitwijken, als de nood dringt. Onder het dansen werpt men met speren naar hem, die
hij al dansende moet ontwijken, of liever moet trachten op te vangen, onder de armen,
en ze daar vast te klemmen, door de armen tegen het lijf te drukken.
28) Later wordt van dezen vogel gezegd, dat bij een groene kleur heeft, als
bladeren. Doch met hetzelfde woord (mëratah) duidt men ook de lichtblauwe kleur van
den hemel aan, zoodat in verband met het vorige de onderstelling niet te gewaagd is,
hierin het blauwe hemelgewelf te zien. De naam (gesteld dat deze niet verbasterd is)
geeft geen licht. JSlanggoer is in West-Karo de naam voor de plant, die hier katëmba
heet (een soort van lelie); dawa-dawa, om de gelijkenis met dawa-korreltjes, zekere
korensoort, aldus genoemd, zijn kleine bolletjes metaal, die bij 't smelten en uitgieten
gemorst worden.
112
Wel, de lieden in huis (of in 't dorp) gingen dansen. Sommigen dansten
met het groote houten etensbord, andeven met den kookpot. Toen de lieden
genoeg hadden van 't dansen, wel, „ga gij vliegen, kringen beschrijvende, ga
op de horens van de lësoeng zitten om met den snavel te kloppen, en met
de vleugels te kleppen." De lieden in de lësoeng gingen dansen, sommigen
dansten met de rijstwan, anderen met den rijststamper. Toen de lieden in de
lësoeng genoeg naar hun zin gedanst hadden, vloog hij naar de dorpspoort,
en weer klopte hij met zijn snavel, als de gerantoeng met vijf staafjes, klepte
hij met zijn vleugels, als gëndang spel, waarbij de klarinet geblazen werd. De
lieden gingen dansen; die naar de tuinen gingen, dansten met de hak, die naar
't water gingen dansten met het watervat.
Toen de lui genoeg naar hun zin gedanst hadden, ging de vogel vliegen,
kringen beschrijvende, en vloog naar het land Poerba.
Hij ging zitten op de dorpspoort van Poerba en klopte met zijn snavel,
en klepte met zijn vleugels. De menschen gingen dansen; die naar de tuinen
gingen dansten met den ploeg, die palmwijn gingen tappen, dansten met het
palmwijnvat. Toen kwam de dochter van onzen vorst Toewan Dibata ni Poerba,
sibëroe Sindar Mata ni-ari geheeten, naar buiten.
„Talrijk zijn de menschen van Poerba hier, volwassenen (getrouwden),
jongelingen, ouden van dagen, jongedochters, kinderen; hij die bij machte is den
nanggoer dawa-dawa vogel te pakken, diens vrouw wil ik worden, zonder dat
er voor mij betaald behoeft ie worden."
Wel, sommigen schoten er op met een blaasroer, anderen gingen met
steenen werpen. Wat de nanggoer dawa-dawa-vogel betreft, deze was als een
vogel, die groen is als bladeren; als naar hem gegooid werd, kwam hij dichter
bij, ook al werd op hem met een blaasroer geschoten, hij kwam meer naar beneden,
[maar] het lukte niet hem te krijgen.
Wel, de prinses keerde naar huis terug, en de vogel vloog al zwevende in
kringen, bovm haar, en zette zich neer op de horens van 't huis onzes vorsten
Toewan Dibata ni Poerba.
Bij klopte weer met zijn snavel, ['t wasj als ['t geluid van] een geran-
toeng met vijf staafjes, hij klepte weer met zijn vleugels, als 't geluid van trom-
mels, waarbij de klarinet geblazen werd, hij krabde weer met zijn pooten, als
de „negensprong", elf met de „kinderen", opdat de tëndi gezamenlijk naar huis
gaan.
Wel, toen kwam de dochter van onzen vorst naar buiten, uit het huis, en ging
met onvoltooid vlechtwerk naar de toere, en danste daarmee, terwijl de nanggoer-
dawa-dawa-vogel met zijn snavtl klopte, met zijn vleugels klepte. „Dans toch
niet, o moedertje, op het snavelgeklop en wiekgeklep van den nanggoer-dawa-
dawa- vogel: opdat je toch niet misschien gek wordt, dit is [het toovermiddel]
si-odjar-odjari; dit is een gezant van den grooten goeroe simbaso."
113
Wel, toen vloog de vogel naar Këtëngahen. Wel, vier dagen later zond
Radja Këtëngahen de „gonzende vlieg" door het luchtruim naar Poerba.
De gonzende vlieg vloog door het luchtruim naar Poerba, en ging ded
koniug in 't gezicht zitten De koning sloeg naar de vlieg die op zijn gelaat zat;
toen vloog deze naar 't gelaat der vorstin; de vorstin sloeg naar de vlieg op haar
gelaat, daar viel een koord met knoopen 29) in haar schoot. „Wat zou dat
toch voor „poedoen" (eig. knoop, maar ook termijn) zijn, o onze vorst? Ik sloeg
daar even naar een vlieg op mijn gezicht, en [daar] valt een koord met knoopen
in mijn schoot."
„Wel, als het zoo is, vorstin, dan komt er een koning wiens koningschap
buitengemeen, een kunstenaar wiens kunstvaardigheid buitengemeen, een goeroe
wiens wetenschap buitengemeen is, o vorstin !"
Wel, na vier dagen kwam Radja Këtëngahen te Poerba, met zijn voltal-
ligen familieraad 30). Toen de rijst al gaar was, zeven garöen, de toespijs, al
gaar, zeven bolian, de palmwijn al aanwezig, zeven tï-rboeng, werden al de familie-
leden, die in Poerba waren, naar huis geroepen. Toen at men.
Toen men klaar was met eten en driuken, zeiden de familieleden in
Poerba: „Wat is er, onze vorst?"
Wel, de zaak werd besproken, de besprekingen die gehouden werden kwa-
men tot een goed einde, en de dochter van onzen vorst Toe wan Dibatani Poerba,
sibëroe Sindar Mata ni-ari geheeten, werd in den echt verbonden met Radja
Këtëngahen. [Deze Radja Këtëngahen was zeven vademen lang] 31).
29) Poedoen si-itnpat si-oewaloeh beteekent letterlijk „de vier-en-acht-knoopen" en
is anders de naam van het koord, dat men overreikt bij eene oorlogsverklaring. De vier
knoopen duiden aan, dat de oorlogstoestand intreedt over 4 dagen, de algemeen daarvoor
geldende termijn. Een aanval zonder dezen termijn in acht te nemen, wordt als een ver-
raderlijken overval (ëmo) beschouwd, en later met het opleggen der boete daarmede
rekening gehouden.
De acht knoopen gelden voor de zouthalers (kalak përlandja) en dit is dus een
maatregel van humaniteit, om de naar de benedenlanden op reis zijnde lieden nog den
tijd te geven, ongemolesteerd weer hun dorp te kunnen bereiken.
30) De vertaling van gamU met „familie-raad" is wel wat vrij. Eigenlijk is gdtmt
een begrip, iets ruimer dan dat van anak-bëroe-sënina, omvattend nl. al die personen, die
ieder als djamin (borg) moet (of kan) oproepen, opdat de pcngoeloe de zaak berechten
kan. Van een hoofd gebezigd kan men onder gamct des noods verstaan, zijn rechtstreek-
sche onderdanen.
31) Deze mededeeling staat geheel buiten het verhaal, en was eene verklaring,
die de verteller uit eigen beweging zoo terloops gaf. Ze heeft deze waarde, dat hieruit
blijkt dat de Bataks gelooven aan het bestaan hebben van een reuzengeslacht vóór de
schepping der eigenlijke menschen. De algemeene naam voor reus is ook si-pitoe-dcpa = de
zeven- vadem-lange. Ze komen overigens in de verhalen al zeer weinig voor. Ik heb maar
één verhaal kunnen opteekenen, dat over deze reuzen handelt,
Verh. Bat. Gen. LVI, Ie stuk,
114
Wel, na verloop van twee jaar beviel de vorstin van Këtëngahën van een kind
[lett. werd ze door zegen overvallen], er werd een zoon geboren; na drie jaar
hadden onze grootouders al twee kinderen, een jongen, een meisje Na vijf jaar
had onze grootmoeder de vorstin van Këtëngahën al drie kinderen gebaard. Na
zeven jaar, zoo luidt het, had ze vier gebaard, twee jongens, twee meisjes. Na
twaalf jaar had ze vijf gebaard, drie jongens, twee meisjes.
Toen de oudste zoon groot (d i volwassen) was, zeide hij: „welke is mijn
mërga (vaders stam), wat mijn bëbere (moeders stam), en wat is mijn naam, k
ben al groot en nog heb ik geen mërga, bëbere of naam."
— „Als je van mërga spreekt, vadertje, als je van bëbere spreekt, als je van
naam spreekt, we hebben een „grootvader" die ons „tot levende zielen" gemaakt
heeft, tot menschen, die ons het haar en de vingers gespleten heeft, dien moeten
we den naam vragen " — „Wat moet er alzoo voor grootvader wezen [eig. geno-
men, d. i. verschaft worden]'?" zeide hij — „zeven garden rijst, zeven te'boeng
palmwijn, zeven bohan vleeschspijs."
Toen de rijst gaar, 't vleesch gaar, de palmwijn aanwezig was, gaf men
het aan Datoek Roebija Gande. Datoek Roebija Gande ging eten.
Toen hij verzadigd was van eten en drinken zeide hij : „Wat beteekent
(lett. wat is 't zeggen, de bedoeling van) dit vleesch, deze palmwijn, deze rijst."
„Niets bijzonders, grootvader!" zeide hij, „ik ben al groot en heb nog geen
mërga, noch bëbere, noch naam". — „Wel, gij zijt toch de oudste, [van die]
door je vader en moeder verwekt zijn, je naam [zal zijnj To'wan Padoehah di
Adji 32), gij zult in de onderwereld wonen. Dit zijn de leeringen der [geheime]
wetenschap, de woorden der stormverwekkers : si Rintak boeloeh soengsang, si
Djëmba galoengi, si Paspas binara, si Boengkar katjiwër, si Telpoeng toewalang,
si Lëkar padang 33).
32) De naam is feitelijk eene aaneenrijging van titel- woorden, tenzij men met
Neümann in adji eene verbastering wil zien van Atjih, wat ik al zeer onwaarschijnlijk
acht. Eerder acht ik het omgekeerde aannemelijk, dat sommigen, om den naam eenver-
staanbaren inhoud te geven, Adji in Atjih veranderd hebben, om zoo een tegenhanger te
hebben van den naam Banoewa Koeling.
33) Deze namen zijn reeds op zich zelf doorzichtig genoeg om er stormwinden
in te herkennen. Vertaald luiden ze: „die bamboe tegen de richting der takken voort-
sleurt", die sawah-dijkjes voor zich uitduwt, die binara (een klein, laag plantje) neersmakt;
die katjiwër (Kaempferia galanga L.) ontwortelt; die toewalangs ontkroont, die padang
(grassoort) afschilt *).
Ook in 't verhaal van Laga Man komen deze namen voor, met nog enkele andere.
In 't verhaal van Neumakn vond ik nog enkele nieuwe: Si ampoelalas, si ampoelilis
(onverlaalbaar ; zit hierin 't woord ampoeh?), verder: si timba kërsik = die zand opschept;
*j Misschien is padang hier op te vatten in de Mal. beteekenia van vlakte, zoodat deze wind
i\% vlakte squ raaeeren.
115
„Wel, ik grootvader, wat zal mijn naam zijn?" zeide sibëroe Dajang. —
„Gij zijt toch de oudste der meisjes, moedertje, die door vader en moeder verwekt
zijn. Je naam zal zijn sibëroe Üajavg Sêmbahen 34), gij zult in 't Oosten wonen,
gij zult het hemeldoek vasthouden (er over gebieden, enz.). Als gij zegt „geopend",
dan zal 't open, als gij zegt: „gegrendeld", dan zal't gegrendeld zijn, als ge „donker"'
zegt, zal het donker, als ge „licht' zegt, zal 't licht zijn; als het te eeniger tijd
er toe komt, dat uw broeders, de oudste, de middelste, de jongste oneenigheid
hebben, dan zult gij het vonnis vellen. Wat nu 't richten over broeders betreft,
gebruik niet het „recht van den bamboesplijter"; 't recht van den bamboesplijter
[is]: die boven is, wordt opgeheven, die beneden is wordt vertreden; „'t recht
van de piso-piso-plant op de grens", dat zal 't recht over broeders zijn. Wat het
„recht van de piso-piso-plant op de grens" betreft; die boven is wordt niet opge-
heven, die beneden is wordt niet vertreden."
„Wel, ik, wat zal mijn naam zijn, grootvader?" zeide de middelste der
jongens. — Wel, gij zijt toch de 'middelste, van die door je vaderen moeder ver-
wekt zijn, gij zijt het middelste 35) kind, gij hebt een wit voetje bij je ouderen
broeder, gij hebt een wit voetje bij uw jongeren broeder. Als er voor jou nog
geen rijk (stad) gesticht is, kunt ge nog niet van een bitjara (= adat) voorzien
worden; je naam zal zijn Tocwan Banocwa Koeling" 36).
„Eu ik, wat zal mijn naam zijn, grootvader?" zeide de jongste der meisjes. —
„Gij zijt toch de jou gste, moedertje [der meisjes], die door je vader en moeder
si poetoer boewah = die een banjaan-boom omdraait, si tangtang poeting bëbjoeng = die
de poeting (ijzeren verlengstuk dat met stevige riemen aan den steel is verbonden) van
een dissel losmaakt (de Mal. naam poeting balijoeng voor een hevigen storm is metéén
daardoor verklaard), si ongkam boektak, die de huid oplicht. In 't geheel moeten er
zoo „vijftig min twee" zijn, dech eene volledige opsomming heb ik nooit te hooren
kunnen krijgen.
34) De naam beteekent letterlijk : ,,de te aanbidden, of de aanbiddehjke jonkvrouw".
Bij Westenberg heet deze godin Toewan Banoewa Katji. Zie bew. Aant. 37.
35) 't Woord elang-elang, hier door middelste vertaald, heeft eigenlijk de bij-
beteekenis van alang-alang (tëralang), d. i. middelmatig, voor 't eene te groot, voor 't
andere te klein, en ziet ook op do Bat. adat, volgers welke de anak tmgah geen radja
kan worden. De vader wordt opgevolgd óf door den oudsten, of door den jongsten zoon,
en kan alleen in geval van nood de middelste in aanmerking komen.
Vandaar dan ook de trek in 't verhaal, dat zal deze middelste zoon heerschen, er
een afzonderlijk rijk, buiten dat zijns vaders, moet worden gesticht.
36) De naam beteekent: Heer van het Klingsche land. Koeling nl. heeft niets
met het Kar. koeling — huid, te maken, maar is de uitspraak van het met Toba'sche
karakters gescheven woord (oling). 't Is dus uit een geschrift (poestaka) overgeno-
men, terwijl hetzelfde woord reeds in 't Kar. voorkwam als kiling.
116
verwekt zijn; je raam zal zijn sibëroe Dihala Kaljih-Kaljih 37); gij zult het slot
zijn der tabas (prevelgebed), gij zult in 't Westen wonen."
„En ik, wat zal mijn naam zijn, grootvader?" zeide de jongste der jongens.
— Gij zijt toch de jongste der jongens, die door je vader en moeder verwekt zijn,"
zeide Datoek Roebija Gande. „Wel, je naam zal zijn Toewan Samsah Hine-hine 38);
als er later iets is dat je \ader bekapt beeft, dan zult gij dat bewonen; als er
een kitang is, waaruit je vader dronk, gij zult er uit drinken; als er een bord is,
•waarvan je vader at, gij zult er van eten; als later 't hart uwer broeders gaat
verlangen [d. i. als ze 't heimwee krijgen, als ze elkaar wenschen te zien], als 't
hart uwer zusters gaat verlangen, dan zullen ze tin uwent samenkomen."
Wel, nu hadden dus de vijf kleinkinderen van grootvader, grootvader Datoek
Roebija Gande, alle namen.
„O, grootvader, wat uwe kleinzonen en uwe kleindochters betreft, mèt dat
ze een naam kregen, kregen ze ook een plaats; ik, een naam heb ik, een plaats
[nogj niet. Hoe was dat toch nut mij, dat je me te geven hadt?" zeide hij tot
zijn grootvader Datoek Roebija Gande. — „Bezorg me zeven kluiten (eig. handvol)
aarde, zeven kopjes water, klei-aarde, groene aarde, roode aarde, witte aarde,
gele aarde, zwarte aarde en magnetische (?) aarde, dan zal ik dat probeeren neer
te laten aan een zwart-zijden, een groen-zijden draad, in 't midden van 't luchtruim."
Wel, hij liet het neer midden in 't luchtruim; wel, hij loste het op, hij
smolt het, hij goot het, hij formeerde het, 't werd zoo groot als een bord, als
een rijstwan, als éón tuin (veld), als twee velden, drie velden, vier velden, vijf
velden, zes velden, zeven velden, acht velden, negen velden, tien velden, toen als
deze aarde.
37) Blijkbaar is deze, wat den naam aangaat, dezelfde als Banoewa Katji bij
Westenberg (zie Aant. 35), die evenwel als tweede dochter noemt Radja Maogili Boelan,
die zou wonen waar de maan opkomt, in tegenstelling met de eerste, die woont waar de
zon opgaat. Daar dit evenwel dezelfde windstreek is, meen ik deze mededeeling als eenigs-
zins twijfelachtig te moeten beschouwen.
Uit alle Karosche verhalen blijkt duidelijk, dat Dibata Katjih-katjih als eene
vrouwelijke godheid wordt opgevat. Ook in Toba komt voor een Debata Hasi-hasi, die
evenals in 't Karosch aan 't slot van een tabas (prevelformulier) wordt aangeroepen,
doch afgaande op v d. T.'s vertaling : „een der bovengoden. , ." als mannelijke godheid schijnt
gedacht te worden.
In 't verhaal van Neumann is geen sprake van dochters. De hier genoemde godin
komt daar voor als bibi (tante, vaders zuster) van de drie goden, en is zij het die de
zeven aardkluiten enz. verschaft, waaruit de aarde geformeerd wordt.
38) Zóó ook bij De Haak. Bij Westenberg dezelfde naam eenigszins gewijzigd, bij
Nelmann Ètnpoeng Boctara diatas! dus feitelijk dezelfde naam als daar hun over-over-
grootvader draagt! Toch is dit verklaarbaar, daar hij feitelijk geheel diens plaats inneemt 5
immers, dat bij later in alle opzichten zijn vader zal vervangen, zegt ook mijn verli aal in
ronde woorden.
117
Wel, Padoekah di Adji sloeg van beneden den blik naar boven; wel er
zat iets in den weg naar boven ziende, hij en zijne moeder, zijn vader, zijne
zusters, zijne broers konden elkaar niet meer zien. Wie is bij machte mij te
beletten, dat ik en mijn moeder, mijn vader, mijn zusters, mijn broers elkander
zien, dacht Padoekah di Adji, daar beneden; hij liet de stormen los tegen de
zeven kluiten aarde, [zoodat] ze verstoven in de zee, en het niet slaagde, dat de
zeven aardkluiten gevormd werden (lett. het slaagde, dat ze niet meer enz.).
„Wel, bezorg me rijst, zeven garöen", zeide Datoek Roebija Qande,
„bezorg vleeschspijs zeven bohan, palm wijn zeven tërboeng."
Toen de rijst gaar, de vleeschspijs gaar, de palmwijn aanwezig was, gelastte
hij den nanggoer-dawa-dawa vogel, het naar de benedenwereld te brengen aan
Toewan Padoekah di Adji. Wel, Toewan Padoekah di Adji beneden, at en dronk.
Toen hij verzadigd was van eten en drinken, ging hij slapen. Terwijl hij sliep,
formeerde Datoek Roebija Gande de zeven aardkluiten. Toen de aarde gevormd
was, ontwaakte Padoekah di Adji' weer.
,0! wie zou dat toch zijn, die in staat is mij te beletteD, dat ik en mijne
moeder, mijn vader, mijne zusters en mijne broers elkaar zien," zoo dacht Toewan
Padoekah di Adji. Hij liet de stormen los tegen de zeven aardkluiten, ze ver-
stoven in de zee, weer mislukte [de vorming der] zeven aardkluiten 39).
„Bezorg nog eens rijst, zeven garden, palmwijn zeven tërboeng, vleeschspijs
zeven bohan," zeide Datoek Roebija Gande. Toen. de rijst gaar, de vleeschspijs
gaar, de palmwijn aanwezig was, gelastte hij den nanggoer-dawa-dawa- vogel dit
te brengen naar het Oosten, aan sibëroe Dajang Sembahen. Sibëroe Dajang at
en dronk. Toen ze genoeg gegeten en gedronken had, zeide ze: „wat beteekent
deze palmwijn, deze vleeschspijs, deze rijst?"
„Er is, verluidt het, vroeger gezegd door grootvader Datoek Roebija Gande,
die uw haar, uwe vingers gespleten heeft, die u tot eene levende ziel, tot mensch
gemaakt heeft, dat gij, heet het, 't hemeldoek in uwe hand hebt; als gij „doe open"
(of wees geopend) zegt, is 't open, „wees gegrendeld" dan is 't gegrendeld; als
ge „donker" zegt, is 't donker, als ge „licht ' zegt, is 't licht. Als 't er te eeniger
tijd toe komen mocht dat uwe broeders, de oudste, de middelste, de jongste twist
krijgen, dan zult gij richten : bij 't richten over broeders worde niet gebruikt het
„recht van den bamboe- splijter" ; 't recht van den bamboe splijter [is] die boven
is wordt opgeheven (verhoogd), die beneden is vertreden (vernederd); 't recht van
de piso-piso-plant op de grens worde gebruikt bij broeders. Bij de piso-piso-plant
op de grens, wordt die boven is niet opgetild, die onder is niet vertreden, zóó
heeft, verluidt het, grootvader Datoek Roebija Gande gesproken" 40).
39) De meest gewone voorstelling, die ook in 't verhaal van Neümabh gevonden
wordt, is dat pas na zeven maal de vorming der aarde gelukte.
40) Zie andere benamingen van rechtspraak in 't verhaal vaa Sibajak hoela
Boeloeh (Med. N. Z. G. Dl. 47, pag. 158).
118
„Als dit 't verhaal (getrouw verslag) is van de twist tusschen den oudsten,
den middelsten, den jongsten broeder 41), ik ben 't inderdaad, die in 't Oosten
het hemeldoek in de hand heb; als ik „licht" zeg, is 't licht; als ik „donker" zeg,
is 't donker; als ik „wees open" zeg, is 't open, als ik „wees gegrendeld" zeg, is
't gegrendeld, 't Zal doorgaan, dat de middelste broer eene [vaste woon] plaats
krijgt; kom aan, ik zal de zon tegenhouden, dat het zeven jaar, zeven maanden,
zeven dagen, zeven nachten donker zij. Dan kan de aarde, die Datoek Roebija
Gande geformeerd heeft, stevig zijn."
Wel, 't werd, zegt men, donker, zeven jaar, zeven maanden. Wel, grootvader
Datoek Roebija Gande formeerde de zeven aardkluiten tot eene woonplaats voor
den middelsten zoon, midden in het luchtruim. Wel, de aarde ontstond, de aarde
was stevig. Toen deed siberoe Dajang Sëmbahen het hemeldoek open, sdj opende
het slot. Toen werd het licht om te zien. Toewan Padoekah di Adji sloeg van
beneden den blik op naar boven, wel 't zien was [hem] belemmerd, hij en zijne
moeder, zijn vader, zijne zusters en broeders zagen elkander niet meer.
Wel, toen liet hij, zegt men, de stormwinden los tegen de [aarde van]
zeven aardkluiten; wel, ze trilde slechts even, zegt men.
„Kom aan, dan zal ik uit alle macht de stormen tegen haar loslaten; groot-
vader Datoek Roebija Gande heeft me toch eertijds de woorden der stormver-
wekkers geleerd: si boengkar katjiwër, si paspas binara, si djëmba galoenge, si
rintak boeloeh soengsang, si tëlpoeng toewalang."
Toen zette hij uit alle macht de stormwinden aan 't werk. Dat was de storm,
die, zegt men, de aarde leelijk en vol deuken maakte, zoo ontstonden, zegt men, de
bergen en de dalen. (Maar) de aarde was stevig, de aarde ('t gebied) van Toewan
Banoewa Koeling was gevormd.
„Heersch over uwe woonplaats" zeide zijn grootvader, Datoek Roebija
Gande. — „Wie gaat met mij mee naar beneden, grootvader," zeide hij, „om te
heersenen over het „rijk van 't midden". Totwan Mandileka Soeri. 42)
41) Ofschoon hier niet meegedeeld, is toch de bedoeling dat de vogel het verhaal
omtrent dien twist gedaan heeft, gelijk uit het antwoord van Dajang Sëmbahen blijkt.
42) Van Soeri geldt hetzelfde wat vroeger van Koeling is gezegd: het is das
het Tob. sori, het Kar. Seri. Is nu Mandileka ook een verbasterd Skr. woord? Ik kan
niets vinden, dat er op gelijkt. Of hebben we in 't eerste lid hetzelfde woord dat in de
Toba'sche verhalen voorkomt als predicaat van do zwaluw, de lajang-lajang mandi? Hier
valt veel voor te zeggen. Mandileka Soeri zou dan op te vatten zija als een of andere
vogelnaam, en 't is dan ook begrijpelijk dat hij eene reis kan doen naar zijn grootvader
„aan de overzijde der zeo". In dit verband is opmerkelijk, dat het verhaal van Neumann
als makkers van Banoewa Koeling opgeeft, behalve een oentoeng-oentoeng (soort horzel)
zoo groot als een buffel, een kip (of vogel), die eerst „tjaboer biatang" is, en later een
witte vogel wordt [vg. hierbij 't verhaal hierboven en aant. 21].
119
Wel, hij vroeg (nu) Toewan Mandileka Soeri : „Wilt gij met den middelstea
zoon afdalen naar 't midden van 't luchtruim, om te heersenen over het rijk van 't
midden ?" — „Wel, als ik het moet zijn, grootvader, laat ik dan eerst naar grootvader
aan de overzijde der zee gaan."
„„Gij gaat met den middelsten zoon naar beneden, *)"" „heeft grootvader
Datoek Roebija Gande gezegd, grootvader!" zeide hij. „Er zijn hier, heet het,
si-garaneja 43) bladeren; wat die garaneja-bladeren betreft, men zegt er van, dat
al is iemand loom van lijf, krachteloos van lichaam, bezwaard van oogen, moeilijk
ter spraak 44), als men maar met de garaneja-bladeren over zijn hoofd zwaait,
dan voelt hij zich, heet het, al beter; die nu kwam ik hier halen, o grootvader."
— „Er zijn hier inderdaad zeer werkzame (onfeilbare) geneeskrachtige bladeren.
Maar al zijn die hier dan ook, heden kunt ge die niet zien; driemaal per maand
slechts kan men hun voorkomen zien, er zijn er maar weinig", zeide hij. „Als ik
de dertig dagen tel, de acht windstreken raadpleeg, de vijf mamis en de drie katika
si tjemhaiici-ijoerik si ancjkoep-anglioep naga, dan zie ik, dat ge een boozen droom
gehad hebt, dat er ongunstige vooneekenen **) zich vertoond hebben." — „Wel, dat
is niet mis, grootvader ! 't zeggen der dagen die ge gelezen hebt, heeft geen ongelijk."
— „Nu, keer gij dan terug," zeide grootvader, die de overzijde der zee bewoont; „kom
een ander maal weer hier, wacht een gunstigen dag af, dan zal ik uw boozen
droom, uw ongunstige voorteekenen ten goede leiden."
Toe wan Mandileka Soeri ging terug. Wel, hij wachtte een gunstigen
dag af, hij ging opnieuw naar grootvader, die de overzijde der zee bewoont.
„Daar kom ik al weer, grootvader!" — Ach, al ben je gekomen, vadertje, je
ongunstige voorteekenen zijn erger geworden, je hebt de drie omineuze trekkingen
gehad f), de droom, dien ge gedroomd hebt, is nog erger geworden; |ge hebt
gedroomd | dat uw bloed tot water terugkeerde, uw beenderen tot steenen; ge»
hebt gedroomd dat uw adem terugkeerde tot den wind, uw lichaam tot aarde" 45). —
„Wel, dat is niet onjuist, grootvader!" zeide Toe wan Mandileka Soeri. „Als gij mijn
ongunstigen droom ten goede kuut leiden, als gij mijne booze voorteekenen tot
bedaren kunt brengen, ook al zie ik niet de krachtdadige geneeskrachtige kruiden,
dan keer ik met een gerust hart terug. Wat valt er dus ten goede te leiden,
grootvader?" zeide Toewan Mandileka Soeri. — „Wat er ten goede te leiden is,
*) Hij haalt hier letterlijk de woorden aan; met dat „gij" is dus hij zelf gemeend.
43) Een mij onverklaarbaar woord, misschien eene samenstelling van gara (rood)
en een ander onkenbaar geworden woord.
44) Zie over de beteekenis dezer ziekte-verschijnselen het verhaal van Sarindoe
Toeboeh.
**) Hier te nemen alleen in den zin van omineuze spier- of zenuwtrekkingen,
f) nl. aan 't hoofd, de romp en de voeten, een zeer veeg teekon !
45) M. a. w.: „dat ge zoudt sterven".
120
vadertje, dat kan ik wel in orde brengen." — „Wat is het stillingsmiddel?"
zeide hij. •
Wel, toen prevelde hij, zegt ruen, het roep- formulier, daar kwam de nanggoer-
dawa-dawa-vogel, hij vloog boven 't hoofd van grootvader, die de overzijde der
zee bewoont. Hij sloeg hem met zeven groote palmblad ribben, zijn veeren stortten
als een vloed naar beneden; hij (de vogel) veranderde toen in allerlei dingen
(eig. schepselen, bier wel vooral planten): zijn kop werd sitabar-pisang, zijn staart
kalindjoehang (Dracaena terminalis), de veeren van zijn hals werden si balik
angin, zijn fijne veeren werden soempaling, zijn lever werd silantam (Graptopbyllum
hortense), zijn bloed boenga-boenga (Hibiscus rosa sinensis\ zijn mnag kapal-kapal
(orchideeën soorten met dikke vleezige bladeren), zijn pooten werden sangka-soem-
pilët en bësi-besi, zijn vleugels si poetoer balik, de veeren om zijn pooten
salah ernipi 46).
„Wel, keer nog eens naar huis terug," zeide hij, „tot een gunstige *) dag
komt; kom dan hier, dan kunnen we de ongunstige teekenen, den ongunstigen
droom in 't reine brengen." Wel, toen die gunstige dag gekomen was, kwam
Toewan Mandileka Soeri weer, toen werden de booze voorteekenen in 't reine
gebracht.
„Wat zijn de benoodigdheden, grootvader?" zeide Toewan Mandileka Soeri. —
„Er zijn dingen ontstaan uit den nanggoer-dawa-dawa- vogel, zijn levend lichaam
diende tot gezant, nu zijn stoffelijke overblijfselen tot gezant: het loskoopmiddel
(de losprijs) van uw ziügen is 't bespelen van de klarinet, 't loskoopmiddel van
uw spreken, het slaan der trommels, het loskoopmiddel van uw hoogen leeftijd
het slaan der cimbalen, het loskoopmiddel van uw bloed, daarvoor neme men
heilig 47) water, kalindjoehang si perkas, tweerne men driekleurig garen, en
46) Belangrijk afwijkend is hier de lezing van Neümann omtrent den oorsprong
der verschillende „geneeskrachtige" planten. Ze luidt aldus: „De kip [zie Aant. 42] wilde
„maar niet in vrede leven met B. K. Zij pikte hem onophoudelijk. Eindelijk sloeg hij
„haar dood, en uit haar graf ontsproten allerlei planten, die als de geneeskundige kunnen
„genoemd worden, zooals: boenga boenga, bë9i-bësi enz."
„En toen bepaalde Dibata, dat de bladeren van deze planten zouden dienen voor
„het ngarkari, de wortels voor het ërsüihi, de boetik [vruchtbeginsels] voor laoe përbasbas"
„[wijwater, sprenkel water]. Alleen twee mogen niet bij het ng ar kart gebruikt worden,
„nl. de sêresire en de ttrbangen. Zij „wandelen" met Bëroe Dajang." [Wat dit laatste
moet beteekenen is me niet duidelijk: of moet het, daar Bëroe Dajang vooral betrokken
is bij het „'ngkitjik" (terugroepen der tgndi, vg. Sarindoe Toeboe) zoo opgevat worden,
dat deze planten vooral daarvoor gereserveerd moeten blijven? Maar ik heb nooit iets
daarvan gemerkt.]
*) Eig. staat er „een lospellings-dag" : rëmoekoewi, verb. subst. van „poekoewi"
de maiskorrels van do kolf verwijderen*'.
47) Heilig water, lajo mentoerge, is dat water, dat men bij?, in een holletje in
121
worde (dat water) boven uw hoofd gesprenkeld; wat het loskoopmiddel van
uw lichaam betreft, wel, er zijn de dingen [ontstaan uit den vogel], de sitabar
pisang, dat is een vorst, vorst der menschen, men make hem een mond die
niet kan spreken, oogen, die niet kunnen zien, ooien, die niet kunnen hooren,
een neus die niet kan ruiken, handen die niet kunnen slingeien, voeten, die
niet kunnen gaan, maak dien tot uw verwisselaar, tot een wisselbeeld, tot een
plaatsvervanger" 48).
Toen keerde bij naar Këtëngahën terug.
„Wel, als we naar beneden moeten, om te heerschen over 't Rijk van
't Midden, wij met z'n tweeën, [ik] en Toewan Banoewa Koeling, dan zullen we
ons misschien erg eenzaam voelen," zeide Toewan Mandileka Soeri. — „Hier zijn
zeven groote eieren 49) van het wijfje van den manggoer-dawa-dawa-vogel, neem
ze alle zeven mee naar beneden; als er nog geen twaalf maanden verloopen zul-
len zijn, ook al is er een geluid als van spreken, ook al klinkt luid het geluid
van lachen, lach gij niet; dat is wat het vroolijk zal maken te heerschen over
't rijk van 't midden," zeide zijn grootvader Datoek Roebija Gande.
Wel, hij liet ze neer aan een zwart-zijden draad, aan een groen zijden
draad, hij liet een koperdraad neer. Zoo kwamen ze, zegt men, midden van
't luchtruim ; wel, na vier maanden, zegt men, was 't een geluid van vroolijk
lachen, van luid spreken.
„Wel, 't is blijkbaar geen leugen geweest, wat grootvader gezegd heeft Hoe-
veel maanden duurt het nog dat we zonder iemand zijn, die ons de rijst tot spijs
opschept? Hoeveel maanden nog dat we zijn zonder iemand, die onze sirih om
te kauwen toebereid', onze mat om op te slapen uitspreidt?"
Toen lachten ze, zegt men ; daar brak een 50) der groote eieren, en daaruit
ontstonden de silëmak boom, de silislis, de sijalang (toewalang = honigboom) hier
in deze benedenlanden, de speelplaats van de vorstendochter, sibëroe Gandarijah 51)
die op den kant zit.
den grond, op een blad enz. aantreft, en dat niet anders is dan regenwater, dat is blijven
staan.
48) Dit is dus de oorsprong van het ërsilihi, over welke plechtigheid ik hier
niet nader behoef te handelen, daar ze reeds zoo dikwijls beschreven is.
49) Iets soortgelijks geeft het door den heer Pilgram aan Von Brenner medege-
deelde verhaal: „Siboroe Deak Parudjar" (Pleyte, Bat. Vert. pag. 52).
50) Ofschoon niet uitdrukkelijk vermeld, is toch de bedoeling, dat telkens één ei
brak. Voor 7 eieren gaf dat 7 maanden. Plus de 4 die al verloopen waren, werd dit
11 maanden, 't Laatste brak dus eene maand te vroeg. De telling in 't verhaal is niet
zuiver. Feitelijk is er maar 5 maal sprake van 't breken van een ei. De volgorde der
daaruit ontstane dingen is daarom ook niet geheel vertrouw baar, maar toch in hoofd-
zaak wel in overeenstemming met de gewone voorstellingen daaromtrent.
51) De genoemde boomsoorten steken elkaar in hoogte en grootte naar de kroon,
122
Wel, na vijf maanden was 't geluid van lachen luider, het geluid van
spreken nog levendiger; toen lachte Toewan Mandileka Soeri weer, er brak een
der groote eieren, en werd hagedisseD, de aardhagedis, de waterhagedis, de bosch-
hagedis, de veldhagedis, de vliegende hagedis.
Na weer een maand werd het geluid van 't lachen nog luider, 't geluid
van spreken nog levendiger; toen lachte Toewan Banoewa Koeling, en brak weer
een der groote eieren, waaruit ontstonden: krabben, slangen, sibakoet-visschen,
itik-visch;es, riviervisschen, bruine hagedissen, cameleons, padden.
Na weer een maand werd 't geluid van lachen nog luider, het geluid van
spreken nog levendiger; toen lachte Toewan Mandileka Soeri, en brak er weer
een der groote eieren, en hieruit ontstond de rijst, de gierst, het dawa-koren, de
mais, de djambe (lagenaria), de goendoer (benincasa), de lange boontjes, de kom-
kommer, de spaansche peper.
Na weer een maand werd het geluid van lachen nog luider, het geluid
van spreken nog levendiger; toen lachte Toewan Banoewa Koeling, en weer brak
een der groote eieren, en hieruit ontstonden paarden, buffels, koeien, geiten,
varkens, hondeu, kippen. Toen waren al de eieren stuk.
„Wel, nu hebben we hier huisdieren, vee, nu hebben we allerlei spijzen
(maar) als wij tweeën die spijzen moeten eten, als wij tweeën die huisdieren moeten
verzorgen, dan zullen we 't altijd wel eenzaam vinden hier in 't Kijk van 't Midden,' 1
zeide Toewan Mandileka Soeri tot Toewan Banoewa Koeling.
„Zie, er is een woord van onzen grootvader, Datoek Koebija Gande, die
onze haren, onze vingers gespleten heeft, die ons tot levende zielen, tot menschen
gemaakt heeft, die ons neergelaten heeft nidden in 't luchtruim": „„als gij later
een of anderen onver vulden wensch (lett. een onrijpen wensch) mocht hebben,
vraag gij dan, verbrand dan de vezelstof van een groene klappernoot ; als de rook
er van boven komt en ik die zal ruiken, dan zal ik de deur openen aan den kant
van vorst Kima-kima 52), en zal ik een touw van koperdraad neerlaten aan een
zwartzijden, aan een groenzijden draad, dat zal het touw zijn waarlangs gij naar
boven zult klimmen, en dan zal ik U nog meer voorschriften voorschrijven, nog
meer leering leeren,"" „zoo heeft onze grootvader Datoek Roebija Gande gesproken."
en zouden alle wel honigboomen mogen heeten, daar de bijen op al deze soorten gaarne
hunne nesten maken. Dit moet dan ook wel de beteekenis zijn van de uitdrukking, dat
ze „de speelplaats zijn van de vorstendochter, si bëroe Gandarijah". En die naam is met
het oog daarop zeer goed te verklaren; immers gandarijah laat zich ontleden in ganda:
-dubbel, -voud, verdubbelen, en rijah, vroolijk ; volkrijk, een zeer goed gekozen naam
voor een bijenzwerm.
52) Een naam, mij van elders ook niet bekend, en welks beteekenis mij duister
is. Kan het iets met het Ar. khaimah (k*x»~) = tent, te maken hebben? Gewoonlijk hoort
men als plaats waar ds verbinding tusschcn hemel en aarde mogelijk was, de rots nang-
gar djati noemen.
123
Wel, toen verbrandden ze, zegt inen, de vezelstof van een jonge klappernoot.
| De rook] ging, zegt men, recht naar boven. Toen die midden in 't luchtruim
gekomen was, zegt men, sloeg, omdat, zegt men, het woord van Datoek Roebija
Gande niet waar was (d. i. omdat zij 't niet voor waar gehouden, het niet gehoor-
zaamd, en gelachen hadden) de rook van de groene klappernoot neer en rook Datoek
Roebija Gande boven die niet.
Vier jaren waren er verloopen, nog steeds hing geen touw van koperdraad
naar beneden.
„Wel, wat zullen we er nu nog op bedenken ?" zeide Toewan Mandileka
Soeri. — „Ik, 'k weet er niets meer op," zeide Toewan Banoewa Koeling. — „Ik, 'k
weet er nog wat op," zeide Toewan Mandileka Soeri. „Als het juist is (d. i.
als ge 't goedvindt) zegt ge, zal ik het zeggen" : „heb vleeschelijke gemeenschap
met de paarden, met de buffels," zeide hij, „heb gemeenschap met de koeien,"
zeide hij, „met de geiten en de varkens," zeide hij; „heb gemeenschap met de
kippen en de honden."
Wel, toen hield Toewan Banoewa Koeling, zegt men, gemeenschap met hen,
en het kroost daarvan dat zijn wij menschen. De nakomelingschap der varkens
[zijn hieraan kenbaarj : zoodra ze gegeten hebben, strekken ze de pooten uit naar
de trog (d. i. gaan onmiddellijk slapen); de nakomelingen der kippen : die krabben
(wroeten); van de honden: die vechten als ze eten ; van de karbouwen : die zoodra
't licht is, naar de tuinen gaan, en als 't donker is naar 't dorp terugkeeren ; van
de geiten; die laat op den dag naar de tuinen gaan en spoedig naar 't dorp
terugkeeren 53).
53) Ook elders vindt men iets dergelijks, dat menschen door hunne wijza van
doen hunne afstamming verraden. Naar Bataksche opvatting zijn de afstammelingen der
buffels „modelrnenschen", daar ze den heelen dag werken (in hunne tuinen zijn). Doch
die afstammelingen zijn dan zeker weinig talrijk!— Geiten worden omstreeks 3 of 4 uur
in den namiddag al weer naar den stal gebracht. Dit tijdstip van den dag heeft daaraan
zelfs zijn naam te danken, nl. „karang kambing".
VERHANDELINGEN
VAN HET
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.
Deel LUI, Compleet.
» • LIY, idem.
» LX. l l ' stuk. Verhaal van Sese nTaola. Inleiding en vertaling uitgegeven
door Dr. N. Adriaxi. I
» LV, 2 ( ' stuk nog niet verschenen. \^ J t
» LV, ■!' » . Proeve eener Ned.-IndiscBer bibliographie (1659 — 1870) door
Mr. J- A. van ueii Chlls. Suppleptnt II. i
» LVI, l e stuk. Karo-ï>ataksche verhalen door M. Joustra/'
f
*
MAR 31 1910
TettumHolIandsche Woordenlijst
MET
BEKNOPTE SPRAAKKUNST
DOOR
A. M A T H IJ S E N,
Apost. Missioji. in Fialaran (Ned.-Timor).
VERHANDELINGEN
VAN HET .
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.
DEEL LVI.
2 e S T U K,
ALBRECHT & Co.
BATAVIA.
1 9(
M. NIJHOFF.
'S H A ü E
MAn 31 l9f 8
TettumHollandsche Woordenlijst
MET
BEKNOPTE SPRAAKKUNST
DOOR
A. M A T H IJ S E N,
Apost. Mission. in Fialaran (Nccl.-Timor).
VERHANDELINGEN
VAN HET
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.
DEEL LVI.
2 e Stuk.
ALBRECHT & Co.
BATAVIA.
19(
M. NIJHOFF.
'S H AG E
Het Tettum (zoo noemen de inlanders hunne taal) wordt gesproken in
de volgende rijkjes der onderafdeeling Beloe (Nederlandsen Timor) : Doeliloe,
Fialaran, Lidak, Naitimoe, Mandeoe, Wehali en Waiwikoe; in Bebokki, waar
velen het Tettum verstaan, begint het zoogenaamde Dawan.
Ook wordt het Tettum gesproken in vele rijkjes van Portugeesch Timor,
echter met vele afwijkingen van bet Tettum zooals het hier gesproken wordt,
hetgeen blijkt uit een Diccionario de Portuguez-Tetum por Sebastióo da Silva,
Missionaris portuguez (Macau Typographia do Seminario 1889).
Beknopte Tettumsche Spraakkunst.
Het Lidwoord.
Het persoonlijk voornaamwoord van den derden persoon meervoud »sia"
doet dikwijls dienst als bepalend lidwoord in het meervoud, b.v. emma sia la
raai = de menschen komen niet ;.la warik sia iha nèëbè? = waar zijn
de kinderen ? dato sia naroeka = de hoofden gelasten ; dit wordt soms ook
toegepast bij namen van dieren, maar niet bij namen van stoffelijke voorwerpen.
Het Zelfstandig Naamwoord.
Ter aanduiding van geslacht, getal en naamval wordt de uitgang aiet
gewijzigd. Alleen wordt van de woorden a m a n, inan, alin, o a n de n
weggelaten om den vocativus te vormen.
Bij menschen wordt het geslacht aangeduid door achtervoeging van
m a n e z= mannelijk en f e 1 1 o = vrouwelijk, b.v. oanmane, zoon; oan
f e 1 1 o, dochter ; lawarik m a n e, jongen ; lawarik fetto, meisje.
Bij dieren wordt het geslacht aangeduid door achtervoeging van a m a n
voor het mannelijk en inan voor het vrouwelijk, b.v. koeda anian, hengst;
koeda inan, merrie ; manoe aman, haan ; manoe inan, hen.
Wat het getal betreft, het meervoud wordt dikwijls aangegeven door sia
achter het naamwoord te plaatsen, b.v. nia kaan oan, zijn kind ; n i a kaan
oan sia, zijne kinderen ; haoe kaan alin, mijn jongere broeder ; h a o e
kaan alin sia, mijne jongere broeders; hé lawarik sia hé, jongens.
Overigens moet het getal blijken uit het zinverband of uit woorden die
een meervoud aanduiden zooals vele, sommige.
Verdubbeling van het zelfst. naamwoord ter aanduiding van het meervoud
heeft niet plaats.
Als afgeleide zelfst. naamwoorden komen voor de namen van werktuigen ;
deze zijn afgeleid van het werkwoord, dat de werking uitdrukt; de afleiding-
geschiedt door den medelinker waarmee het werkwoord begint met eene a er
achter vóór het werkwoord te plaatsen, bv. k o r a t, zagen ; k a k o r a t, zaag ;
s o e k a t, meten ; sasoekat, maat; s o e 1 a n, stoppen, dichtstoppen ; s a s o e-
1 a n, stop ; b a k o e, slaan, beuken ; babakoen, knots ; k o ï r, schrappen,
raspen ; k o e k o ï r, rasp.
II
Als zelfst. naamwoord wordt ook het bijvoegelijk naamwoord gebezigd
zonder eenige verandering, b.v. n a r o e k, lang; nia kau naroek, zijn lengte;
1 ' ö h o k, dapper, nia kau fohok zijn dapperheid.
Het Bijvoegelijk Naamwoord.
Het bijvoegelijk naamwoord ondergaat geene verandering van getal,
geslacht of naamval; het staat achter het zelfst. naamwoord.
De bijvoeg, naamwoorden van hoeveelheid soera ieder, elk en nar an
alle, staan altijd voor het zelfst. nw. S e 1 o e k, ander, staat nu eens voor, dan
weer achter het zelfst. nw. zonder verschil van beteekenis.
Trappen van vergelijking.
Kent men eene hoedanigheid in dezelfde mate aan twee voorwerpen toe,
dan geschiedt dit door de woordjes n e s s a n e s s a n, o ï n i d a dei, b.v. even
groot, bot nessa nessan of bot oin ida dei; soms ook bot h a-
n e s s a ; die twee boomen zijn even lang, ai roewa nèë naroek nessa
nessan of naroek oin ida dei; mijn huis is even groot als het uwe,
haoe kan oema no o kaan böt nessa nessan, of bot oin
ida dei of ook haoe kaan oema bot noeoedar o kaan, groot
als het uwe.
De vergrootende trap wordt gevormd door 1 i o e achter het bijv. naam-
woord te plaatsen; ons »dan" wordt niet vertaald, b.v. hij is rijker dan ik,
nia sooi lioe haoe.
De overtreffende trap wordt op dezelfde wijze gevormd, b.v. hij is de
rijkste van u allen, nia sooi lioe emi hotoe hotoe; men vertaalt
even juist »hij is rijker dan gij allen".
De volstrekt overtreffende trap wordt gevormd door de woordjes 1 ö 1 ó s
en b a s s o e k zeer of k a 1 i o e k zeer, uitermate achter het bijv. naamw. te
plaatsen.
Ons »te" wordt vertaald door r e s i k en staat achter het bijvoegelijk
naamwoord ; te lang, naroek r e s i k.
Het Telwoord.
De hoofdgetallen zijn : ida 1, roewa 2, tolloe 3, haat 4, lima
5, nèn 6, hitoe 7, waloe 8, siwi 9, senoeloe 10, roewa noeloe
20, tolloe noeloe 30, haat noeloe 40, enz. ; atoes ida 100,
atoes roewa 200, enz. ; r i h o e n ida 1000, r i h o e n roewa 2000 ;
10000 beein ida.
De getallen van 11 tot 20: senoeloe resin ida 11, letterlijk 10
plus 1; senoeloe resin roewa 12 enz.; roewa noeloe resin
ida 21, hat noeloe resin lima 45, siwi noeloe resin siwi 99.
De getallen staan altijd achter het zellst. naamw. Gebi'oken getallen
alsook rangschikkende getallen bestaan in het Tettum niet.
[IJ
De hulptelwoorden die overeenkomen met onze woorden stuks, koppen,
enz. vindt men ook in het Tettum.
Voor menschen bezigt men nain (lijf), b.v. 4 menschen, emma nain
haat; voor sommige dieren b.v. paarden, karbouwen, geiten, herten, bezigt men
m a t a n b.v. 10 paarden, koeda matan senoeloe.
Voor lange dunne voorwerpen, b.v. touwen, kaarsen, stukken hout, bezigt
men 1 o 1 o n.
Voor huizen gebruikt men k a i n ; bij dieren en levenlooze voorwerpen
worden de woordjes w a i en w a i n ook somtijds als hulptelwoorden gebruikt.
Het woord »half" vertaalt men soms door sorin b a 1 o e, dat eigenlijk
andere zijde beteekent ; ook gebruikt men k 1 a r a n en b a 1 o e n, eu t a f a è,
b.v. b o 1 1 i r i d a n o k 1 a r a n, anderhalve flesch ; batakka ida no
b a 1 o e n, anderhalve gulden; bottir tafaèzrr eene halve flesch.
De vermenigvuldigende telwoorden worden gevormd door d a 1 a voor het
telwoord te plaatsen, b.v. ik ben er twee maal geweest haoe ba dala roewa;
d a 1 a wordt soms vervangen door i s i n en ai i s i n, b.v. haoe s e i la
ba isin ida = ik ben er nog niet één keer heen gegaan, maar d a 1 a
wordt het meest gebruikt.
Een voor een .~ ida ida; twee aan twee, roewa roewa enz.
Om de hoeveel dagen = laron hira hira; om de twee, drie dagen
lor on roewa roewa; lor on tolloe tolloe.
Ieder één = tan toss a, b.v. zij krijgen ieder een gulden, s i a n è t a n
batakka tantossa; ieder twee = mata roewak; ieder drie =
mata tolloek; hoewel ieder ? m a t a h i r a k ?
Het onbepaalde telwoord »alle", b.v. alle menschen, wordt vertaald als
volgt : emma hottoe hottoe of naran emma hottoe hottoe
of naran emma hottoe hottoe bele; »allen" b.v. allen zijn gegaan,
sia lao bele, naran sia lao bele, naran sia hottoe hottoe
1 a o bele; komt allen — rnai bele of hottoe hottoe mai bele,
ook wordt »allen" soms vertaald door faloe en m a m o e k, b.v. allen zijn
naar beneden gegaan = sia toen f a 1 o e of s i a toen mamoek.
» Alles" = sa hottoe hottoe, b.v. God heeft alles geschapen == Nai
Maromak naseï sa hottoe hottoe of sa sa hottoe hot-
toe of boeat hottoe hottoe, ook naran sa hottoe hottoe.
Soms wordt »alles" ook vertaald door m a m o e k, b.v. hij heeft alles
verkocht zz nia faan mamoek, en zeer dikwijls door bele.
Het Voornaamwoord.
Het Persoonlijk Voornaamwoord.
De persoonlijke voornaamwoorden zijn: haoe, ik; o, gij; nia, hij,
zij ; a m i en i t a wij ; e m i, gij ; sia zij.
IV
A m i en i t a worden niet onverschillig gebruikt, daar a m i den toege-
sproken persoon steeds uitsluit, terwijl i t a dien steeds insluit.
Als men een voornaam persoon aanspreekt, bezigt men ita en ita bot;
dit laatste is zeer deftig.
De persoonlijke voornaamwoorden worden somtijds verzwegen, wanneer
de zin overigens duidelijk is.
Voor het onbepaalde »men" bezigt men e m m a, meiisch, menschen;
b.v. men zegt : emma te rik.
De onbepaalde woordjes »het" »er" hebben geen vervangers, b.v. er zijn
menschen, emma i h a (letterl. menschen zijn) ; het kan niet, la b e 1 e.
Iemand wordt vertaald door emma i d a, een mensch ; niemand door
emma ida la, b.v. emma ida la mai, niemand komt, letterl. mensch
één niet komt ; haoe la ka ré emma ida, ik zie niemand, letterl. ik
niet zie één mensch.
Iets wordt vertaald door sasa of sa ida of boeat ida (letterl.
een ding).
(Sa ida vragend gebezigd, beteekent : wat is er).
Niets wordt vertaald door dezelfde woordjes met 1 a (niet) er voor of er
achter, b.v. sasa la iha, of sa ida la iha of boeat ida 1 a i h a =
er is niets (letterl. iets niet is, één ding niet is); haoe la hare sa ida,
ik zie niets.
Sommigen .... anderen wordt vertaald door baloe . . . . baloe,
b.v. sommigen kennen het, anderen nog niet, baloe natènè, baloe sei.
Baloe beteekent ook gedeeltelijk, b.v. sia baloe mai t i a n, gedeeltelijk
zijn zij gekomen.
Elk, ieder wordt soms vertaald door soera, b.v. hij komt iederen dag,
nia mai soera lor on.
Het een of ander wordt vertaald door sa a r o e m a, b.v. geef mij een
of ander in te leggen, fo keiler ida ba haoe, atoe tau sa aroe-
m a ba. Voor de beteekenis van i d a k en ida i d a k zie de woordenlijst.
Het Bezittelijk Voornaamwoord.
De bezittelijke voornaamwoorden worden gevormd door kaan achter
de persoonlijke voornaamwoorden te plaatsen : haoe kaan, mijn ; o kaan,
uw ; nia kaan, zijn of haar, ami kaan en ita kaan, ons ; e m i kaan,
uw ; sia kaan, hun of haar.
In plaats van sia kaan wordt voor het meervoud ook soms nia
kaan gebezigd, b.v. i n a ama miste daka nia kaan oansia, de
ouders moeten voor hunne kinderen zorgen.
De bezittel. vnwoorden ondergaan geene verandering ter aanduiding van
geslacht of getal, Dezelfde vorm wordt ook zelfstandig gebruikt, b.v. haoe
V
kaan, het mijne, de mijne ; o k a a n, de uwe. Tegen een voornaam persoon
zegt men i t a kaan, uw, de of het uwe, ook ita bot nian.
De bezittelijke voorn, woorden staan vóór het zelfstandig naamwoord.
In plaats van kaan wordt somtijds alleen eene n achter het persoonl.
voornw. geplaatst, b.v. h a o e n, mijn, de mijne; on, uw, de uwe ; nian, zijn,
de zijne ; a m i n ons, de onze enz. ; e m i n, s i a n.
Voor het bezittelijk vnwoord van den lsten persoon enkelv. wordt soms
het persoonl. voornw. gebezigd zonder eenige wijziging, b.v. h a o e o a n,
mijn kind; ook hoort men o o a n in plaats van o on o a n, uw kind Wordt
de bezitter door een eigennaam of gemeen zelfstandignaam w. uitgedrukt, dan
wordt daar achter nia kaan of nian geplaatst, b.v. het paard van Seran,
Seran nia kaan koeda of Seran nian koeda; dit paard is van
Seran, koeda nèë Seran nia kaan of Seran nian; 's konings
huis, nai nian oema; dit huis is van den koning, oema nèë nai
nian of nai nia kaan; die tuin is van mijn vader, toös nèë haoe
kaan ama nian.
Wiens, se nian of' se nia kaan, b.v. wiens kind is dit? se
nian oan mak nèë? of se nia kaan oan mak nèë?
Het Wederkeer ig Voornaamwoord.
»Elkander" wordt vertaald door m a 1 o e, b.v. zij bezoeken elkander,
sia sorro maloe.
In de wederkeerige werkwoorden wordt het wederkeerig voornaamwoord
voor alle personen enkel- en meervoud vertaald door a a n, b.v. ik verberg mij,
haoe soebar aan, gij verbergt u, o s o e b a r aan, enz. Dit aan heeft
altijd den klemtoon.
Mijn eigen, uw eigen enz. wordt vertaald door achter het zelfst. naamw.
d o e o e k te plaatsen, b.v. uw eigen schuld, o kaan sala doeoek.
Zelf wordt vertaald door doeoek b.v. zij zullen het zelf verdeelen,
sia atoe faè doeoek; ook door nain doeoek, b.v. se mak
n a 1 o ? wie heeft het gedaan ? nia nain d o e o e k, hij zelf; ook door nain
alleen, b.v. nia n a i n hij zelf. Ook wordt zelf vertaald door b i s s i k, b.v.
ga zelf, o ba b i s s i k ; ik heb het zelf gezien, haoe ka ré bissik.
Van zelf wordt vertaald door doeoek of door m i ss a of door m i s s a
doeoek, b.v. de deur gaat van zelf open, oda matan missa nasai
aan of oda matan nasai aan doeoek of oda matan missa
nasai aan d o e o e k ; hij is er van zelf uitgekomen, nia missa sai
doeoek; ahoe missa nakso doeoek, de kalk brokkelt van zelf af.
Het Aanwijzend Voornaamwoord.
Nèë beteekent zoowel deze, dit, als die, dat. Wil men duidelijk het
VI
verschil aangeven, dan zal men deze, dit, vertalen door n è e' mai, en die,
dat, door n è e b a. Zij staan altijd achter het zelfst. naamwoord.
Hij die, zij die. wordt vertaald door s e, b.v. hij die schuld heeft, s e
mak s a 1 a, of door k a 1 o e se, ook soms door n è ë b è.
Het Betrekkelijk Voornaamwooord.
Het betrekkelijk voornaamwoord wordt zelden vertaald, zoo het vertaald
wordt geschiedt dit door n è ë b è b.v. de kampongs wier hoofden er zijn,
kotta nèëbè nian temoekoem iha.
Het Vragend Voornaamwoord.
De vragende voorwoorden zijn : s e wie ; s a, wat, welk, welke, b.v.
nia t e r i k sa? wat zegt hij ? sa k o e d a ? welk paard ? sa dato
naroeka? welk hoofd heeft het gelast ? S a staat soms ook achter het zelfstnw.
Nèëbè, welk, welke, wordt veelvuldig zoo voor personen als voor
zaken gebruikt; het staat altijd achter het zelfstnw. b.v. toewan nèëbè?
welke toewan ? koeda nèëbè? welk paard ? ai nèëbè? welke boom ?
Se ida? wie is dat?, wie is daar? sa ida? wat is dat? wat is er
aan de hand?
Het Bijwoord.
Bijwoorden van tijd.
Nu, aras n è ë, ba o r a s n è ë, i k o e s n è ë. o h i n n è ë.
o h i n o h i n
s e i ; nog niet, sei la; sei
w a 1 n nee, otnn o n ï n nee; nog,
la... dauk of d a u n ; sei d a u k la: la d a u n, b.v. hij is nog
niet gekomen, nia sei la mai; nia sei la mai dauk ofdaun;
nia sei dauk la mai; nia la mai daun; die vrucht is nog niet
rijp. ai foean nèë sei la tassak. ai foean nèë sei la tas-
sak daun, ai foean nèë sei dauk la tassak, ai foean nèë
la tassak daun.
Staat »nog niet" op zich zelf, dan wordt het vertaald door sei dauk
ot alleen door sei, b.v. Is hij gekomen ?Nia mai tian ka? Nog niet,
sei daun of sei.
Op het oogenblik, nu juist, h o ï (de h verandert bij de verschillende
personen, zie werkwoorden die met h beginnen), b.v. hij is nu juist aan het
eten, hij is nu bezig met eten: nia noï na; nia noï naris; op
't oogenblik neemt hij een bad. Ook beteekent h o ï zoo even. b.v. o ra o ï
t e r i k gij zegt daar zooeven : h a o e k o ï karé n i a, ik zag hem daar juist.
O h i n daudaun, nog pas geleden, pas zoo even.
O h i n, waar zooeven spraak van was ; o h i n e ra m a, die man van
zooeven.
F o ï n, nauwlijks, pas, b.v. nia f o i n nare a ra i nia n a 1 a i,
VIT
nauwlijks zag hij ons of hij liep weg; nia foin m a i, hij is pas gekomen;
ook beteekent foïn dan, dan eerst, b.v. haoe mai f oïn o 1 a o, als ik
kom dan gaat gij.
Liboer hottoe foïn sor (van gras), als het bij elkaar is, dan
dekken ; toen eerst, zie woordenlijst.
H o r r i, een tijd geleden ; toen laatst ; b.v. battar horri ami
sos sa n è ë, de djagong die wij een tijd geleden gekocht hebben; horri
ami s a è, toen we laatst naar boven gingen ; horri o h i n, reeds een tijd
lang, al een poosje (maar op denzelfden dag), b.v. o foïn mai ka? zijt gij
pas gekomen ? 1 a 1 e, haoe mai horri o h i n t i a n a, neen ik ben al
een poosje hier.
Altijd, n i m a n i m a k, n o h o e n ; siriwain d a s s a w a i n, nooit,
la .... nima nimak; la .... nohoen, la .... dala ida.
(niet één keer).
h o r i h o r i la, reeds gernimen tijd niet, b.v. nia h o r i h o r i
la mai, hij is reeds geruimen tijd niet hier geweest.
e 1 o e k en oeloek aan, vroeger, eerst, oeloek .... ikoes,
vroeger .... thans.
1 a i, eerst, b.v. hare 1 a i, f a i n s o s s a, eerst zien, dan koopen;
o ma 1 a i, eet eerst.
k 1 e o e r, lang en langzaam.
la o r a s, terstond t e k k i s, terstond d a u d a u n, terstond.
m o 1 a k, vóór.
foedik ha e, weldra, eerlang, la k 1 e o e r, weldra.
f o e d i foedik, strakjes.
m a r a m a r a, voortdurend.
t e o t e o n, herhaaldelijk.
dala w a i n, dikwijls.
naton n è ë, t o e n, in dien tijd.
h a k t e n i k, meermalen, in 't verleden.
Vandaag, o h i n en o h i n loron.
Morgen, awan ; morgen vroeg, a w a n s a w a n, of alleen s a w a n ;
van morgen, ohin sawan, overmorgen, w a i n r o e w a, of 1 o r o n
r o e w a, of kalan roewa; overmorgen vroeg, wain roewa sawan.
klisteren, horsehik; eergisteren, wain roewak aan, of h o r r i wain
roewa, of horri wain r o e w a k aan.
horri loron roewa, of horri kalan roewa.
.Drie dagen geleden, wain tolloek aan, of horri wain
t o 1 1 o e, of h o r r i wain tolloek aan; horri loron tolloe ot
horri kalan tolloe, eenige dagen geleden ; wain h i r a k aan of h r r ï
wain hi rak aan.
VIII
Van avond, ohin kalan.
Gisteravond en van nacht, h o r r i f o n i n, middernacht, rai nafaè.
Zeer veelvuldig is de uitdrukking, foelan mate mossoe (letterl.
maan dood, weer zichtbaar), met de eerstvolgende maan, foelan nèë nia
kan m a u n, met de vorige maan.
Wanneer, in de toekomst, wordt meestal vertaald door, wai hiraot
wain h i r a en 1 o r o n h i r a en kalan h i r a, ook door noeoe nèëbè;
wanneer, in 't verleden, wordt vertaald door: wain hirak aan en hor ri
wain hirak aan, op vragenden toon uitgesproken ; alsook door 1 o r o n
hira naoftian, kalan hira naoftian, letterl. hoeveel dagen reeds,
hoeveel nachten reeds.
Wat hunne dagverdeeling betreft, dikwijls wijst men met den vinger
aan, welke de stand der zon was toen dit of dat gebeurde. Verder zijn de vol-
gende uitdrukkingen in gebruik : rai hoen namoetik (letterl. de horizon
wordt wit) als het in het Oosten licht begint te worden.
Rai nahaboerofmahaboer, morgenschevering, rai naloewa
het begint licht te worden.
Manoe k o k o r è k, de hanen kraaien.
Sawan dader, en sawan noerak's morgens vroeg, 's morgens
bij het opstaan.
Lor o saè, bij zon opkomst.
Lor o mattan tab a, de zon wordt zichtbaar.
Lor o tara oda, (zon hangt even) als de zon even op is.
L o r o tara t a r a, als de zon warm begint te worden.
Sawan, 'sochtends ; in den voormiddag.
Lor o manas, (zon warm) 's middags.
Lor o oeloe fafoehoer, (zon boven op het hoofd) 12 uur.
L o r o n a k 1 u s, letterl. de zon helt tuschen 1 en 2 uur.
L o r o m a 1 i r i n, (zon koud) na 3 uur.
L o r a i k (eigenl. 1 o r o r a i k, zon beneden, laag) na 5 uur.
L o r o m o n o e, (zon valt) bij zonsondergang.
Rai saboetar » » en rai mahaboer avondschemering.
Laro ten, wat later.
Rai kalan, avond en nacht.
Bijwoorden van plaats.
Hier iha nèë; iha nèë mai, nèë mai; neon mai. hier-
heen nèë mai en neon mai.
Daar, ginds, iha nèë ba, nèë ba, neon ba.
Daarheen, n è ë b a en neon ba.
IX
Boven, i h a of ba f a h o n ; iha of ba fafoehoer.
onder iha ohak of ba o hak; b.v. hij zat boven, ik zat onder, n i a
toer bafohan, haoe toer iha ohak.
boven, letten b.v. hij woont boven, nia toer iha letten.
beneden, k r a i k, » » beneden, » » » k r a i k.
zij gaan boven over, sia nola letten.
» » beneden ; langs, » » k r a i k.
waar iha nèëbè; van waar, hosi nèëbè; waarheen, ba n è ë b è.
binnen, iha 1 a r a n.
buiten, iha loewan of iha lioer.
overal, iha fatin hotoe hotoe. Soms wordt overal ook vertaald
door 1 e m a b,v. doeboen la kona lema, de rook raakt niet overal
(van djagong op zolder).
tau lema lema (van obat) smeer er overal op.
ergens nèëbè ida; nergens la nèëbè ida.
dichtbij, k r e ï s.
ver, k e d ö k.
links, k a r o e k. rechts, k o a n a.
tot, tot aan, t o ö of daudau t ö ö.
Om eene beweging naar den spreker toe aan te duiden, plaats men bijna
altijd »mai" (komen) achter het werkwoord; b.v. f o m a i, geef hier; toen
m a i kom af ; h o d i m a i, breng het hier.
Om daarentegen eene beweging van den spreker af aan te duiden, plaatst
men bijna altijd »b a" (gaan) achter het werkwoord; b.v. saè ba, klim op;
h o d i ba, breng het weg .
Bijwoorden van graad.
zoo, noeoenèë.
hoe, n o e o e s a, oin sa, o ï n n o e o e s a.
meer, lioe en hètak.
minder, la t o ö b.v. minder ziek dan gisteren, m o r a s la t Ö ö
h o r s e h i k, (s a k i t t i cl a s a m p e k a 1 a m a r i), hij is minder
gelukkig dan vroeger, nia kmanek la toö oeloek; (dia
berslamat tida sampe cloeloe) zeer, 1 ö 1 ö s, b a s s o e k.
uitermate, k a 1 i o e k.
bijna, nare ï s.
B ij woorden van bevestiging en ontkenning,
inderdaad, wezenlijk, te bes; tebes, bossok? waar of gelogen?
los, juist, la hos, volstrekt niet.
lale bassoek, in 't geheel niet.
k a 1 a, misschien.
b e r a, wellicht.
ja, li o o w, en hèë.
neen, 1 a 1 e, niet, 1 a.
Eene bevestiging en eene ontkenning worden ook dikwijls uitgedrukt
door het werkwoord, dat in de vraag voorkomt, te herhalen ; b.v. n i a m a i
tian ka? Is hij al gekomen? Mai tian (hij) is gekomen. O la ba? Gaat
gij niet ? H a o e la ba, ik ga niet.
Niet meer, lale ona of 1 a 1 e na, b.v. Emma atoe mai teni
ka? Zullen er nog menschen komen ? Lale na =r niet meer.
Het Werkwoord.
Het werkwoord »zrjn", als koppelwoord gebezigd, wordt nooit vertaald ;
b.v. hij is reeds oud, nia katoeas ona.
In de beteekenis van » aanwezig zijn, zich bevinden, bestaan" wordt het
vertaald door »i h a" b.v. t o e w a n 1 a i h a, de toewan is er niet. In deze
beteekenis wordt de 3 de persoon enkel- en meervoud zeer dikwijls vertaald door
»no" b.v. in die rivier zijn krokodillen, iha mota nèë no nai bee.
Er is, er zijn nog, sei no of sei iha.
Wat vervoeging betreft geldt deze eenige regel:
De werkwoorden die met »h" beginnen, veranderen de »h"
voor den lsten persoon enkele in »k"
» » 2 de » » » »m"
» » 3 de » » » »n"
» » 3 dp » meervoud » »n" of in »r".
De l ste en 2 de persoon meervoud behouden de »h" b.v. »ha" eten: haoe
ka, o ma, nia na, a m i of i t a ha, e m i ha, s i a na of ra.
De verandering van »h" in »r" voor den 3 de pers. meerv. komt meer
voor in de rijkjes van Portugeesch Timor. Soms, doch zelden hoort men de »h"
van alle personen.
Alleen het werkwoord »h i r o e s" haten behoudt de »h" voor alle personen.
De boven vermelde regel geldt ook voor andere woorden die met eene »h"
beginnen, wanneer deze met een werkwoord verbonden zijn, b.v. terug, hikar.
haoe mai hikar, ik kom terusf.
o mai m i k a r, enz.
nia mai nika r.
ami of ita mai hikar.
e m i mai hikar.
sia mia nikar.
Onze hulpwerkwoorden »h ebbe n" hebben en »z ij n" zijn worden ver-
taald door »t i a n" of »t i a n a", »o n a" of »n a" achter het werkwoord te
XI
plaatsen; b.v. ik heb gezien, haoe karé tian of t i a n a, hij is gekomen,
n i a ra a i ö n a of na.
In plaats van »Ö n a" bezigt men dikwijls »n a" als het werkwoord op
eeu klinker eindigt. Dit doet men steeds in Fialaran, aan de panté zegt men
steeds una; tian en öna beteekenen ook reeds, »a 1" b.v. haoe karé
na, haoe karé t i a n, ik zie het al, n i a mai öna, hij komt reeds.
Wanneer het verleden uit een of ander woord of uit den zin reeds
genoegzaam blijkt, worden »tian en ona" gewoonlijk weggelaten; b.v. hij
is gisteren gekomen, n i a mai horschik; hij is pas gekomen, n i a
f o ï n mai.
Het hulpwerkwoord »zullen" wordt vertaald daar »a t o e" of »lee"
b.v. ik zal gaan, haoe atoe ba, haoeleeba, ook soms door »sain".
Voor ons » zouden" wordt ook atoe gebezigd ; b.v. als hij niet belet
was zou hij komen, naük nia la sohan, atoe mai.
Om de gebiedende wijs uit te drukken, plaatst men dikwijls de woordjes,
ba, 1 a i, t i ;i achter het werkwoord, b.v. raatoedoe ba, laat zien ; mai
1 a i, kom ; s o è t i a, gooi het weg.
De verbiedende wijs wordt uitgedrukt door k e 1 1 a ; aan de panté zegt
men ook ketta oli, hetgeen op Fialaran nooit gebruikt wordt.
De aanvoegende wijs wordt uitgedrukt door, atoe b.v. dat hij spoedig
kome, nia atoe mai lailais; hij verlangt do. 1 ) gij gelukkig zijt, n i a
na ka ra o atoe diak ook door, b a achter het werkw. te plaatsen b.v. n i a
n a 1 o ba hij doe het, laat hij het maar doen ; nia nola ba hij neme het.
In ontkennenden vorm bezigt men ketta b.v. dat hij niet valle, n i a
ketta m o n o e. Er is in het T e 1 1 u ra geen lijdende vorm ; b.v. de muis
wordt gevangen door de kat moet worden omgezet in : de kat vangt de muis,
boesa kohi lahö.
In het verleden deelwoord nochtans neemt het werkwoord ook eene lij-
dende beteekenis aan zonder verandering van vorm, b.v. t a k a, sluiten ; haoe
taka oda matan, ik sluit de deur ; odamatan taka de deur is geslo-
ten. De persoon door wien de handeling verricht wordt, wordt niet uitgedrukt.
Het Wederkeerig Werkwoord.
Het wederkeerig voornaamwoord wordt voor alle drie personen enkel-
en meervoud vertaald door »aan" (zie het wederkeerig voornaamwoord.) Elkander
wordt vertaald door ra a 1 o e b.v. zij helpen elkander, s i a t o e 1 o e n m a 1 o e.
houdt elkaar vast, k a è r ra a 1 o e.
Het Onpersoonlijk Werkwoord.
Bij deze werkwoorden wordt ons woordje »het" niet vertaald, b.v. het
dondert, k o e k o e r.
XII
De onpersoonlijke werkwoorden die eene weersgesteldheid uitdrukken
hebben dikwijls, rai »a a r d e" voor zich b.v. rai oedan het regent;
r a i n a 1 o e w a, het klaart op.
Afgeleide Werkwoorden.
Het Tettumsche werkwoord »halo", beteekent doen en maken.
Dit halo verkort tot »h a" wordt dikwijls voor een onovergankelijk
werkwoord of' voor een bijvoegelijk naamwoord geplaatst en vormt daarmee een
overgankelijk werkwoord b.v. t a m a, binnengaan, h a t a m a, doen binnengaan
binnenbrengen ; s a i. uitgaan, uitkomen ; h a s a i, doen uitgaan, uitnemen,
uithalen, uitbrengen ; mos, zuiver, schoon, h a m 6 s, reinigen ; m e e k, spits ;
h a m e e k spits maken.
Het oorspronkelijk woord ondergaat soms eene wijziging hetzij door
bijvoeging hetzij door weglating of' verandering eener letter, b.v. aat, slecht;
h a h a a t slecht maken, bederven ; m o n o e, vallen ; h a h o n o e doen vallen ;
kroè r, glad, geschaafd ; h a w è r, glad maken ; roe k, scherf ; h a r o è,
breken.
Vele onovergankelijde werkwoorden worden van o vergankelijke afgeleid
daar voorvoeging van n a k, b.v. b o s s i r, los maken ; nakbossir, losgaan,
los schieten; f era, klooven, nakfera, splijten; 1 o h è r, ontrollen, ontvouwen,
n a k 1 o h è r, opengaan van bloemen en bladeren ; 1 o s s o e, uithalen, uittrekken ;
naklossoe er uit vallen, bv. een pijl uit de wond.
Begint het werkw. reeds met eene k dan is het voorvoegsel n a b.v.
k a s o e, afnemen ; n a k a s o e, er af' gaan, er afschuiven.
De bedrijvende werkwoorden, die met h a beginnen, worden onovergan-
kelijk door ha in n a k te veranderen, b.v. h a d o e i r, doen afrollen, b.v. steenen
van een helling ; fatoek nakdoeir, de steen rolt af; h a r o è, breken
(overgankelijk); na kroè, breken onovergankelijk h a cl o e a r, storten; n a k-
d o e a r, overloopen, overvloeien.
Om eene vraag uit te drukken wordt achter het werkwoord het woordje
k a geplaatst, b.v. gij ziet, o mare, ziet gij?; o mare ka? nia mai tian,
hij is gekomen ; nia mai tian ka?, is hij gekomen ?
Ons vragend »of niet" wordt vertaald door ka 1 a 1 e b.v. wilt gij of
niet ? o mo'oek ka lale?
Dikwijls is de vorm van een vragenden zin dezelfde als van een bevestigenden
zin, en wordt de vraag enkel aangeduid door den vragenden toon, waarop de
zin wordt uitgesproken.
Om eene ontkenning uit te drukken wordt het woordje 1 a, niet, vóór
het werkwoord geplaatst b.v. ik ga niet ; haoe la ba, zij willen niet ;
sia la no'oek.
Het werkwoord wordt soms herhaald met het woordje »n a i" er voor
XIII
en meestal het woordje d e i er achter, dit geschiedt in uitdrukkingen als de
volgende : sia nai nalo nalo, oi sianainalonalodei, zij doen
maar (of het mag of niet) ; nia nai teri te rik, hij praat er maar op los ;
sia nai tama tama de e, zij komen maar binnen (onverschillig op wat
uur, of ze hier iets te maken hebben of niet) ; sia nai na na de e, zij eten
maar toe (of de vruchten rijp zijn of niet) ; la nai i h a i h a, het is er zoo
maar niet altijd (dit zei iemand van vleesch) ; nia nai dea dean, hij kijft
er maar op los.
Het Voorzetsel.
De meest gebruikelijke zijn ; i h a = te, bij, op, van, in, uit ; ba =:
aan, voor, op, naar, in, over ; voorbeelden zie (woordenlijst) ; ba, in de
beteekenis van naar, staat steeds achter het zelfstandig naamwoord, b.v. hij
gaat naar den tuin, n i a b a (gaat) toös ba; hosi van, van af, uit, langs,
neven, b.v. ami hosi Lafoeli ma i, wij komen van Lafoeli ; nia s a t
nosi oema, hij komt uit het huis ; nia lao nosi amin têös, hij gaat
langs onzen tuin ; h a o e toer k o s i nia, ik zat naast hem ; hola, langs ;
hola n è ë m a i, hier langs ; h 6 met (1ste persoon k 6, 2de pers. m ö, 3de
pers. n o, 1ste en 2de pei - s. meerv. h ö 3de pers. meerv. n o), b.v. h a o e k ö
emi toen, ik ga met u naar beneden ; ami hö emi saè, wij gaan met u
naar boven ; taan, om, ter wille van, op ; nia m a i taan ami, hij komt
ter wille van ons; haï mono e taan a i n, er valt vuur op den voet;
k r e ï s, dicht bij, b.v. nia toer k r e ï s am i, hij woont dicht bij ons ,
k e d ó k, ver van ; k e d ö k m a 1 o e, ver van elkaar ; h a 1 i k, rondom ; t Ö ö en
daudau t o ö, tot, tot aan; tal ai, met het gezicht naar iets toe; talioer,
met den rug naar iets toe ; h o d i, met, door middel van ; los, volgens ;
b o d i k, ten voordeele van ; n a n i k, ten nadeele van ; i h a 1 a r a n, in, b.v.
iha oema lar an, in het huis ; iha, loewan, en ihalioer, buiten, b.v.
iha toös Hoer, buiten den tuin ; iha o h a k, onder, b.v. iha m e d a
o h a k, onder de tafel ; iha f o h o n, of i h a f a f o e h o e r, boven, op, b.v.
iha oema fafoehoer, op het huis ; iha kottoeek, achter, i h a
koeda kottoe k, achter het paard ; iha o ï n, vóór ; iha s o r i n, naast,
neven.
Het Voegwoord.
De meest gebruikelijke zijn: no = en; mais en bè = maar, doch;
k a, of (in vragen) 1 a 1 e, of, anders, zoo niet ; taan omdat m a s i k, ofschoon ;
s o e r a k, als maar, mits ; t e, want, immers ; h o 1 1 o e, daarna, vervolgens ; e t o e k,
dus, daarom ; taan n è ë, daarom ; m o 1 a k, vóór dat ; naton, toen, ten tijde
dat ; daudau, töo en daudau töö, tot, totdat, tot aan ; n o e o e d a r,
alsof; dadi, bijgevolg; los, als, dat ligt er aan, als, b.v. emi atoe faun
b a 1 1 a r ? los w a i n, ami atoe f a a n, als er veel is, dat ligt er aan
XIV
als er veel is zullen wij verkoopen ; »terwijl" wordt niet vertaald, b.v. terwijl
mijnheer aan het eten was, gingen zij weg, toe wan sei na sialao
(letterl. mijnheer nog at zij gingen weg); nadat, toen, als, wordt vertaald
door h o 1 1 o e. of t i a, of h o 1 1 o e t i a achter het werkwoord te plaatsen,
b.v. nadat of' toen hij gekomen was, ging ik naar beneden, n i a m a i
h o 1 1 o e t i a f' o ï n h a o e toen, (dia soedah dateng abis, baroe saja toeroen) ;
als, af', nadat het gras bij elkaar is, dan dekken, haè Hboer hottoe,
f' o ï n s o r (roempoet di koempoel abis, baroe toetoep); s ó, zoo, als, n è ë b é,
opdat.
Uitspraak.
De klemtoon ligt bijna altijd op de voorlaatste lettergreep; waar de
klemtoon op een andere lettergreep valt, is dit aangegeven door een ' b.v.
h a r i k, a d i s a.
Wat de uitspraak betreft, bij de meeste woorden wijst deze zich van
zelf, daar in deze woordenlijst de Nederlandsche schrijfwijze meestal gevolgd is.
Waar de c wordt uitgesproken als de Fransche è, is dit aangegeven
door een v b.v. h a t è n è ; staat daarenboven nog een x op die lettergreep,
dan heeft zij den klemtoon b.v. hadèr.
De i klinkt bijna altijd als onze ie; waar zij klinkt als in dik, wit,
mis, daar is dit aangegeven door een of door verdubbeling van den volgenden
medeklinker b.v. missak, lawarïk.
Waar de o klinkt als o u in de Engelsche woorden bought, brought, is
dit aangegeven door een b.v. bót; waar de o klinkt als in gebod, tot, is
dit aangegeven door een of door verdubbeling van den volgenden medeklinker
b.v. f o 1 1 i, f' Ö h o f ö h o k ; als o r op het einde van een woord den klem-
toon heeft, klinkt het als het Fransche o r b.v. k a d ó r ; ook in eenletter-
grepige woorden b.v. s o r ; o zonder teeken klinkt als onze o in boren, bode,
b.v. b o r o e s, b o d i k, tenzij het tegendeel vanzelft blijkt b.v. föhok; de
u in de tweede lettergreep heeft geen teeken, omdat men vanzelf' leest als het
Hollandsche woord hok.
Waar twee klinkers neven elkaar afzonderlijk worden uitgesproken is
dit aangegeven door een trema b.v. teïn, b a ü, foei', tenzij het reeds
blijkt uit een ander teeken b.v. h o o, t ö ö.
In woorden waar o o e in voorkomt, wordt de o en de o e afzonderlijk
uitgesproken en is dit aangegeven door een ' tusschen o en o e te plaatsen
b.v. h o ' o e k.
Aan, wederkeerig voornaainwoord voor
de drie personen enkel- en meer-
voud, zie spraakkunst ; nia terik
doeoek ba aan, hij spreekt tot zich
zelf ; haoe koesoe ba aan, ik
vraag het voor mij zelf; dikwijls wordt
„aan" gebruikt zonder beteekenis, bv.
böt basoek aan = böt basoek,
zeer groot.
Aar, de roode gloed van een op afstand
brandend vuur, lichtglans.
Aas, hoog.
Aat, slecht, bedorven, stuk; a a t k a r i,
in stukken uit elkaar ; halo aat en
h a h a a t, bederven, stuk maken ; 1 a-
r a n aat, misselijk, neiging gevoelen
tot braken, dikwijls ; nia mai aat
i h a n è ë, hij komt dikwijls hier ; koe-
da serebak aat, het paard schrikt
licht ; n a 1 o aat komt voor in de be-
teekenis van „zeer", bv. k o e d a ka-
baas nalo aat, een zeer mooi paard.
V bas, dunne witte huid, zooals op rauw
vleesch ; vlies.
Abat, pinangtuin.
Aboer, dof, niet helder =:mahaboer.
Aboet, boomwortel, ook : de luchtwor-
tels van den waringin ; nia kaan
aboet s e ï naroek, hij zal nog lang
leven (letterl. zijn wortel is nog lang) ;
nia kaan aboet badak on a, hij
zal niet lang meer leven (zijn wortel is
reeds kort) ; NaiMaromakkaèr
emma nian aboet, God onderhoudt
het leven der menschen (letterl. houdt
's menschen wortel vast) ; Nia n a b o e-
sik emma nian aboet. Hij laat
's menschen leven eindigen (laat 's men-
schen wortel los).
Adin, )
Adisa, > ik weet het niet.
Andisa, )
Ador, = andor.
Ahan, gedaante, voorkomen, wijze van
doen, gedrag, voorbeeld ; koeda nia
kaan ahan kasalak, het paard heeft
een lastige manier van doen ; morin
ahan wani, welriekend als honig ;
ahan noeoedar, de gedaante hebben
van, er uitzien als ; k a m i s a n è ë
ahan noeoedar kilat rahoen,
die hagel ziet er uit als kruit ; ahan
noeoedar rania, het lijkt wel een
boog (van een krommen boom) ; halo
ahan ba maloe, elkaar vergelden
door dezelfde boete van iemand te vor-
deren als deze vroeger had opgelegd,
elkander wederkeerig bestelen.
Ahar. vroolijk ; emma a h a r, een
grappenmaker ; halo ahar, gekheid
maken ; grappen maken.
Ahoe, kalk ; — kadessan, houtasch ; —
soeran, koraal ; — ahoek zaadkuiltje.
Ai, hout, boom, stuk hout ; b a 1 1 a r
ai i d a ; duizeud klossen djagong ; —
aboe, mist, nevel; — ata, eene vrucht
(Mal. boewah nonah) ; — atamalai, zuur-
zak; — babenen, lijkzang; — baloen,
koffer, kist; — baloenlaloean, eigendom
van den radja ; — bare, met verbrande
djagongkorrels zwart gemaakt water om
daarmee garen te stijven; — boetoek,
houtstapel ; — dadolen, de dwarshouten
van een »kanokkar" ; — dalai), zie a i
lalette; — deloen, boomtakje, de
dunnere takken ; — doedoen het eigen-
lijke hout van een boom waarvan het
spint is afgehakt ; — foean, boomvrucht,
— foenai), bloem ; — ha kon = a i del-
oen; — hassan, hout dat in een vork
uitloopt, paal met eene opening aan het
boveneinde om de pen van den dwars-
balk in te laten ; — hoar, vuilnis ; —
hoen, boom ; — horak, geneesmiddel ; —
horis, ongedierte dat bijt of steekt; —
isin, eens, een keer ; haoe ba ai isin
t i a n a ; ik ben er al eens geweest ; a i
isin ida, een keer; ai isin roewa,
twee keer ; — kabbellak, plank ; — ka-
hoelan. draagstok voor twee ; — kakoe-
san, pen, houten nagel; — kamelin,
sandelhout ; — kananoek, lied ; — ka-
noïk, fabel, vertelsel ; — kasanak, hout
dat in een vork uitloopt; — kaweek,
houten haak ; — klaleba. draagstok voor
één man ; — klaledik, een spits toeloo-
pend hout dat in den grond wordt gesla-
gen om b.v, een paard aan vast te binden ;
houten wig; — klaliat, strik om b.v.
een paard of varken mee te vangen ; —
knanaèr, een saamgebonden stuk touw
of gedraaid blad waar ze de voeten inste-
ken als ze in een boom klimmen ; —
knes, klein gekapt brandhout ; stuk-
ken hout die ze bijeen binden om als
fakkel te dienen ; — knottak, gevelde
boomstam ; — krekot, dicht ineengroeid
hout ; — lalaon, een kleine bali-bali
dicht bij het vuur, waarop de moeder
met het pasgeboren kind eene maand
lang plaats neemt ; — lalette, iemand die
voor een ander eene zaak gaat bespreken
die b.v. voor iemand die wil trouwen
met de ouders van het meisje gaat praten ;
— lanoek, bedwelmende planten, vergif ;
— lawin, de dunne zijtakjes ; — lima,
de acaciaboom ; — lima kmissak, iemand
die alles zelf moet doen, die niemand
heeft om hem te helpen ; — lima horas.
heerschende ziekte ; — loetan. dik stuk
hout, knuppel ; — lolon, boomstam ; —
nianas, gember ; — manoeliras, manoe
took, orchidee ; — moroek, geneesmid-
del ; — na, rood hout (het beste timmer-
hout in deze streek) ; — noedoer, na
het afkappen of snoeien nieuw uitge-
schoten takjes ; — noeroes, splinter, hout-
krullen, zaagsel ; — oehi, Mal. oebi kajoe ;
— ralioen, zaagsel, houtkrullen; —
roeïn, bladerlooze takken ; — sasekkin,
(zie s e k i) stut, schoor, stok die voor
braadspit dient, spie om b.v. een bijl
vast te zetten; — soeli, ijzerhout; —
soroen, boomtak, de dikke takken die
van den stam uitgaan, pikoelzadel ; —
tahan, blad, geneesmiddel ; — talik, lia-
nen, slingerplant ; — ta.ran, doorn, door-
nig hout ; — teïo, brandhout ; — toeaii,
bosch ; — toer, boomstronk ; — wèn,
boomvocht dat als lijm gebruikt wordt
om vogels te vangen.
Ain, voet, been, achterpoot; iemand
die een boodschap overbrengt ; m o t a
ain, de uitmonding eener rivier ; w e
a i n, t a s s i a i n, de bodem van het
water, van de zee ; koeda ain of alleen
ain, paard van den radja of van een
toewan ; emnia ain todan, een on-
derdrukker ; — foean, teen ; — foekoen,
enkel ; — noeban. hiel ; — tanen , voet-
zool.
Akadiroen. een waaierpalm ; de lon-
tarpalm.
lkalisa, vrucht krijgen van den ge-
bangpalm; die vrachtjes zelf.
Akar, sago van deu gebangpalm.
Alas, bosch.
Alioan. zwagerin, als de getrouwde
broer jonger is (zie k a a ).
AU tassak, battar ali tassak,
de djagong is bijna rijp.
Alin, jongere broeder of zuster, jon-
gere tak met palmwijn.
Alin en alinlioras, ouder zijn dan ;
nia alin haoe ofnia alin hor as
h a o e, hij is ouder dan ik.
Aloë, stamper voor een rijstblok of
wij zei.
Aloen. het binnenste weeke gedeelte
van de pinang- en papajastam.
Ama en a in a n, vader (a m a wordt hier
meer gebruikt dan aman); — hawai,
pleegvader; — kwaik, vaders oudere
broer ; — klaran, middelste broer ; —
ikoen, jongere broer ; — oesoek, grootva-
der ; — soesoen, de echte vader ; ook wordt
ama dikwijls met den naam van het kind
verbonden om den vader aan te duiden, b.v.
Bere ama of aman, Bere's vader.
Aman, vader, mannetje van dieren ;
koeda aman, hengst.
Ami, wij en ons met uitsluiting van
den aangesproken persoon ; — amin, ami
kaan, onze, de onze.
Anar, houtskool.
AndÖr, (Portug.) lijkbaar.
Anin, wind, waaien.
Anoes, au a n o e s, tusschenschot i n
bamboes.
Arabiroe, t a arabiroe, in het wild
er op los slaan ; t e r i k arabiroe,
verward spreken.
Aran, hevig haten.
Aroema, wellicht, soms ; nia k e 1 1 a
m o r a s aroema, is hij wellicht ziek ?
zou hij soms niet ziek zijn ? sa aroema,
een of ander, b.v. nia noesoe kel<-
ler atoe tau sa aroema ba, hij
vraagt een kistje om een of ander in te
leggen ; nia moraskasa aroema,
hij was ziek of wat was het wellicht,
wat kan het geweest zijn (dat hij b.v.
niet gekomen is) ; ofwel, hetzij, b.v. o
bele booi doeoek tais aroe-
ma, moerak aroema, f ö s a r o e-
m a, gij kunt zelf kiezen, hetzij doek,
hetzij geld, hetzij rijst.
Asaara, zich rijk voordoen, hoewel
men niet rijk is.
Asak; loos van tamarinde, erwten.
Asoe. hond; — aman, reu, deurstijl,
z=z knakki.
Asoe etoe, zie etoe ; — fanoen, vein-
zen ; hoesoe asoe fa noen, kwan-
suis vragen ; — kneras, kleeren van een
slaaf ; — laran, emma asoe laran,
een meedoogenloos mensch ; — nean,
batter asoe nean, de djagong is
pas uit den grond; — odan, ladder.
Asoeraan, nog niet goed rijp van
vruchten.
Asoewain, een man die een vijand
onthoofd heeft.
Ata, slaaf; b i b i t a t a, geitenhoeder;
krau a t a, karbouwenhoeder.
Atoes, honderd.
Ate kmissak, liba ate kmissak;
sarong zonder dwarsnaad.
Aten, lever; b a 1 1 a r aten, de kiem
in een djagongkorrel; aten todan,
lui, traag.
Atis, weeftoestel.
Atoe, zullen, moeten; nia atoe mai
t e k k i s, hij moet terstond komen; het
dient ook tot vorming van de wenschen-
de of verzoekende wijze van spreken, bv.
toe wan atoe f ö, mijnheer geve het,
willen, van plan zijn om te; a m i mai
atoe hare o, wij komen om u te
zien; atoe .... t i a d e ï, op het
punt zijn van ; nia atoe noesi tia
d e ï, hij was op het punt van te schieten
(de klemtoon op deï).
Au, bamboes; — bétoen, de groene
dikste soort; — foettek, bamboezen ko-
kertje met deksel om zout en toespijs
in te doen, ook van grootere afmeting
om rijst in te doen voor ónderweg; —
diak, dunne en gele; — doran, lange
bamboes om water in te halen; — etoer,
dunne soort met lange geledingen; —
foeï, die vol dorens is; — kafoli, waar
ze melk in doen; — kakö, bamboes met
een tuit op zij om te drinken; — lawin,
doornige bamboetakken die ter afwering
van den vijand op de kampongmuren
gelegd worden; — lessoen, pijl met ge-
kartelde punt; — nikoe, bamboes met
een of twee tuiten op het bovenvlak; —
saloba, met een deksel voorziene bam-
boes om water in te bewaren; — taliai),
bamboebladeren; djagongstruik zonder
vrucht; — t.aka iiiata, au saloba; —
tokka, bamboes met een kleine opening
in het bovenvlak; ■ — awan, morgen; —
awan sawan, morgen-ochtend, morgen
in den voormiddag.
B
Ba, gaan; 1 a b a, het gaat niet; het
lukt niet; nia atoe lake oda m a-
t a n la ba, hij wilde de deur open
maken het ging niet; ami kosse la
b a, wij schuren (het vuil) gaat er niet
af; ba sa waarom, dit staat altijd ach-
teraan b.v. nia la mai ba sa?
waarom is hij niet gekomen? voor-
zetsel van verschillende beteekenis b.v.
haoe fö ba o, ik geef het aan u ;
haoekalo ba o, ik maak het
voor u; foei ba kofoe, in het
glas schenken ; sia te rik ba koeda,
zij spreken over het paard ; t a u ba
m e d a, zet het op tafel ; rai ba tanas-
sak, leg het in het mandje ; o e m a
hottoe tian, emma toer ba ona,
het huis is klaar, de menschen wonen
er reeds in; achter zelfstnw. en werkw.
duidt het eene richting aan van den spre-
ker af, bv. oon aina iha nèëbè?
waar is uw vader ? haoe ama oema
b a, mijn vader is thuis ; t Ö o s ba,
naar of in den tuin ; we matan ba,
bij de bron ; 1 a ö ba, ga in tegenstel-
ling van ; 1 a ö mai, kom ; s a è ba, klim
op ; h a d i ba, breng weg ; ook heeft het
achter werkwoorden dikwijls de beteeke-
nis van gebiedende wijs, b.v. terik ba,
spreek ; matoedoe ba, laat zien ;
halo ba, doe het, vooruit ; ook geeft
het de aanvoegende wijs te kennen, b.v.
nia nalo bq, hij doe het ; n i a n o 1 a
b a, hij neme het.
Ba il, omheining, heg, muurtje om een
tuin.
Baas, schouder; — bellak, schouder-
blad.
Baiit, met den beitel een gat maken,
met den beitel bewerken.
Baba, oom van moederszijde, schoon-
vader, Chinees hier geboren, kleine
trom.
Babaat, beitel.
Bababoe, bababoe ikoen, kwis-
pelstaarten ; rama isin bababoe
aan, de pijl wijkt in zijn vaart links
en rechts uit.
Babadan, babadan lalek, onbe-
schoft.
Ba ba deï, hoe langer hoe verder;
faroe naksira ba ba deï, het
baadj e scheurt hoe langer hoe verder,
maar altijd door; nia lao ba ba deï,
hij ging maar altijd dooi, maar altijd
verder (de klemtoon op d e ï).
Baba'i, klein wit vlindertje.
Babakoen, knots.
Babalet aan, niet verkiezen te werken,
maar heen en weer slenteren.
Baban, een lap op een kleed zetten.
Babaoer, terik babaoer oflia
b a b a o e r, oneigenlijk spreken, hoftaal
gebruiken, b.v. nai nabissi aan, de
koning zit, in plaats van nai toer ; n a i
nasaè aan, de koning sterft, in plaats
van nai mate ; naran babaoer, de
naam dien iemand ontvangt als hij een
vijand onthoofd heeft, staat tegenover
naran b i s s i k, de eigenlijke naam.
Babasar, heup.
Babasi, koeda babasi, schimmel ;
koeda babasi au lattoen, don-
kergrijs paard.
Babau aan, morren tegen een ontvan-
gen bevel, het niet willen uitvoeren.
Babeas aan, luidkeels bekijven.
Babebar, vlinder.
Babèë aan, bijna ot in 't geheel niet
verder kunnen, b.v. een te zwaar bevracht
paard; het opgeven b.v. het optillen of
dragen van een zwaren last ; 1 a ö ba-
bèë aan, er heel langzaam mee
doorgaan.
Babelo, babelo nanaan, met de
tong trillen zooals een slang ; babelo
n o e n o e n, met de tong langs de lippen
strijken.
Babelon, tong (bijna altijd gebruikt
men voor tong nanaan).
Babenen, weeklagen bij een doode.
BabeÖr, overrijp, bijna rot, door koken
te fijn geworden.
Babera, met de vuist, met een kap-
mes of iets dergelijks dreigen.
Babibis. met iets wat men in de hand
houdt zitten te spelen, het voortdurend
betasten, b.v. een hondje.
Babiïn. b o 1 o e b a b i ï n, iemand
roepen of aanspreken met „kau" (bij
mannen) of „bette" (bij vrouwen) vóór
den naam te plaatsen.
Babila bilan, ketta babilabi-
1 a n, kom er niet aan =rketta kaèr.
Babilan, klaar maken b.v. eten, in orde
brengen, weer maken wat stuk was, b.v.
een geweer.
Balilis, lichte regenbui.
Baboe, zwaaien, b.v. een fakkel.
Baboeal, dicht van bladeren, haren.
watermeloen.
Baboeal.
Baboear. )
Baboék. een groot blad met brandend
hout gevuld om door den rook de bijen
te verdrijven.
Baboekoe. slak.
Baboeli, baboeli foeoek, het
hoofdhaar oprollen.
Baboesin, klapbus.
Baboet, bedriegen, onrechtvaardig zijn;
soera baboet, valsch tellen: toe-
la baboet, valsch beschuldigen ; s i a
toela baboet ba nia, letterl. zij
leggen (het misdrijf) valschelijk op hem.
Baboet, kleine vliegjes die op rijpe
pisangs zitten.
Baboetik, b a b o e t i k i b o e n, de
lippen bewegen zonder geluid voort te
brengen.
Babonoe, kalebas.
BaböÖ, foerin baböö, sterk schui-
men.
Baboras, eene ziekte die een er-
een
groote
tergezwei doet ontstaan,
zeekrab ?
Babottek, de doornappelplaat. Mal.
ketjoeboeng.
Babottoek, een soort riet in moe-
rassen, men maakt er matten van.
Babotton, voorhoofd.
Bada, aangeven hoe of wanneer iets
gedaan moet worden; bada k o n a,
juist aangeven; bada la kon a, niet
juist aangeven, bepalen ; a m i bada
ba 1 o r o, wij bepalen (den tijd) naar de
zon, schatten.
BadaeD, ambachtsman: b. a i, timmer-
man; b. b i s s i, smid.
Badak, kort; a i n b a d a k, (letterl.
korte beenen) klein van gestalte.
Badalik, kleverig.
Badedo, luid praten en schreeuwen
zooals spelende kinderen of twistende
menschen.
Badi, wiedijzer; — dato, de tanden
van den radja.
Badidin dalas, r i b. d., een paal waar
vier of meer kanten aan gekapt of ge-
zaagd zijn.
Badinas, ijverig.
Badoe, I
_ , } verbieden.
Ban doe,
Badoet, boom en struik van wier
vruchten de inlandsche kaarsen gemaakt
worden. De inlandsche kaars zelf b a-
doet lilin, waskaars; badoetkmi,
Mal. kemïri; badoetkalokoe, struik
geschikt om heggen te maken.
ö DO
Baê, zoo noemt eene getrouwde vrouw
de zusters van haar man, met dit woord
spreken vrouwelijke bekenden elkander
aan.
Faek, verkwisten.
Baen, hoedi baen, hartvormige
punt van den pisangbloemtros.
Baèr, b a è r kabas, een streng ma-
ken van garen of bindtouw; baèr fa-
n o e, zie f a n o e.
BaeSj bot.
Baliaboer, = mahaboer.
Balian, nahau.
Bahoak, Mal. barang barang.
Bain aan, zich verschuilen.
Bainakka, e m m a b., gast.
Bakka, jonge boompjes of planten
afhakken ; bakka tali dikin, den
top van een jongen gebangpalm afhak-
ken ter verkrijging van palmsap.
Bak kar, bakka r ba nessoen, in
het rijstblok fijn stampen; bakkar
battar noerak, jonge djagong tot
meel stampen ; — aan, neerploffen b.v.
iemand die uit een boom valt ; bakkar
h Ö Ö aan, doodvallen.
Bakkat, strandwortelboom.
Bakken, iets leggen of hangen zoodat
het aan weerszijden overhangt b.v. op
een paard, op den schouder ; iemand b.v.
een zieke of gewonde op den schouder
dragen; — aan, steunen op, kracht en
steun bij iemand vinden b.v. in den
oorlog.
Bakmamoek, te vergeefs.
Bakoe, slaan ; nai bee bakóe
nodi ikoen, een krokodil slaat met
den staart ; b a k o e c r u z, een kruis
slaan; afslaan b.v. vruchten; spijkeren;
bakoe emma, iemand beboeten.
Bakoe krau, een doornachtig gewas.
Bala, paddestoel.
Balattar aan, bij of op korten afstand
van elkaar zitten of liggen van een troepje
menschen of dieren.
Balea, (Port.) walvisch.
Balelar ikoeo, kwispelstaarten.
Balet, bedriegen, onrecht plegen ; s o e-
r a balet, valsch tellen ; t a b a 1 e t
m o a t, hoog onkruid met het kapmes
op de halve hoogte afkappen ; h a o e
seï makahoet aan ketta balet
h a o e, ik heb het nog druk, trek me
niet van mijn werk af.
Bali, zorgen voor, toezicht houden op.
Balik, als, wanneer in de toekomst,
vóór dat.
Bal toen, bijl.
Baliran, zwavel.
Ballar, strooien ; kar on koeak
fós ballar aan ba dalan, als de
zak stuk is, wordt de rijst op den weg
gestrooid.
Balo. een schelpdier.
Baloe, gedeeltelijk, sommigen.
Baloebaloe, b.v. sia atoe lattan
nikar baloe baloe, zij moeten van
weerszijden teruggeven.
Baloe . . . baloe, sommigen . . . anderen
b.v. baloe no'oek baloe la no'-
e k, sommigen willen, anderen willen
niet.
Baloe ba, aan de overzijde ; — mai,
aan deze zijde.
Baloek, helft b.v. van een klappernoot,
papaja een der twee weefsels die aan
elkaar genaaid worden om een kleed te
vormen.
Baioen, helft, half; ida no baloen,
anderhalf; halve gulden.
Ba na, nu, terstond, onmiddellijk.
Bun a Ui. Mal. teripang.
Bandera, vlag ; b. m e t a n, de Neder-
landsche vlag ; b. m o e t i n, de Por-
tugeesche vlag.
Bandof, = b a d o e.
Banin, fehoek b., slechte, looze
aardappel.
Baoer, regenboog.
Para, ophouden, blijven staan; b. koe-
el a, het paard doen stilstaan ; b a r a
1 a i, wacht eerst.
Barafeoe, mattan baraboe, oogen
die niet helder zien.
Barakat, ook barakot, f o e o e k b a-
rakat, het haar is in de war ;
Bare, bare kabas, reeds geverfde
draden in ; ai bare, leggen om ze te
stijven; bare t a i s, waschgoed stijven
voor het strijken ; hodi taau bare,
met slik bestrijken, besmeren.
Barehot, niet volgens orde, door el-
kaar ? 1 i a barebot = 1 i a bareko.
Barèdè, (waarschijnlijk van 't Port.
aprender) leeren.
Barelioet, verward, dooreengegroeid
8
b.v. allerlei onkruid op en door elkaar van
allerlei voorwerpen.
Bareka, te gelijk, te samen; b. e m-
m a, nienschen dienst laten verrichten.
Bare k o, gewoonlijk zegt men 1 i a b.,
met velen tegelijk praten, zoodat men
niemand goed kan verstaan.
Barekot, waarschijnlijk synoniem met
barakat en barehoe t, ai taran
b a r e k o t, doorntakken die op en door
elkaar zijn gelegd om den weg te ver-
sperren of om een tuinnmurtje te be-
veiligen ; ai barekot = ai kre-
k o t.
Barenti, (Port. parente) familie.
Bariïk, hoog uitsteken? in een punt
uitloopen ? foetoe oeloen halo
bariïk, het haar hoog en puntvormig
binden, uitstekende punten op de hoeken
van een strooien dak.
Bariki, diepe kuil.
Barit, bestrijken b.v. met verf; b.
liman ba ri, door er langs te strijken
de handen aan den paal afvegen.
Baritik, bijna rijp, van sina's appelen,
pompelmoezen, pompoenen.
Baroek, lui, vermoeid ; i s i n b. een
weinig ongesteld, vermoeid ; neon b.,
traaggezind (het gewone woord voor
vermoeid is k o 1 e).
Barontoe, (van het Portug. prompto)
klaar, gereed.
Barti, eene zaak meedeelen aan den
radja, aan de hoofden.
Basaloe, niet met de anderen meedoen
in het volbrengen van een bevel, in het
uitvoeren van een werk.
Basa, met de vlakke hand slaan, een
klap geven ; b a s a 1 i m a n, in de han-
den klappen, in het duister tasten ; s a è
basa ai, in een boom klimmen zon-
der ai knanaer; basa tais (eene
ziekte), de urine niet kunnen ophou-
den; — shLi, planken hier en daar tus-
schen de bamboe of bebak, die hiermee
den wand vormen? of alleen de twee
planken aan weerszijden van de deur?
Basak, neersmakken ; — aan, hak-
kar aan.
Ba$il), naakt ; katoewas b., stok-
oud.
Baso, een houten bak om draad in
te verven.
Basoe en lao basoe, draven.
Basoek, zeer ; bot basoe k, zeer
groot.
Basoer, afschuiven bedr. afnemen, b.v.
de halster van het paard losmaken, b.v.
vensterhaak.
Bastidoeoai), een kleedje voor kleine
kinderen.
Batakka, gulden.
Bataiie, onder een boom of in een
tijdelijk opgezet huis verblijf houden, zoo-
als b.v. de gasten bij een begrafenisfeest.
Batta, zoomen, een half pikoel.
Battak, dijkje, terras van een sawah ;
b. w e, water afdammen ; battak oda
m a 1 1 a n, de deur versperren.
Battar, djagong, maïs ; b. rai mara,"
droog djagongveld ; b. we, nat djagong-
veld. Soorten : b. 1 a i, b. 1 a k o e, b.
w a i, b. ai n a r o e k, zie b o e k a s.
Bau wèn, diepte waar het zeewater
bij eb blijft staan.
Bè, doch, maar.
Bea, voortteelen, zich voortplanten.
Beat, aanhoudende regen.
Bebak, bladsteel van den gebangpalm,
die veel wordt gebruikt om pagars en
omwandingen te maken.
Bebe, eend.
9
Bebos, zacht wrijven, licht met iets
bestrijken.
Bee, grootvader, grootmoeder ; b e e
toewas, grootvader ; bee kala en
bee kakoe, overgrootvader, overgroot-
moeder ; bee oeboe? voorouders ; b e e
s i a, de voorouders, grootouders ; bee
tiloen bellar, een spook met breede
ooren ; a bee sian een zeer veelvuldig
gebezigde uitroep.
Bee, om te; komt voor in de betee-
kenis van „opdat".
Bee atoe, om te.
Bee beeïk, niatoer bee beeïk,
hij zit zonder aan iets te denken, zonder
iets te merken, hij zit te droomen.
Beeïk, dom, ODwetend, gevoelloos van
ledematen, lam.
Beeïu, tienduizend.
Bee Hoe rai, krokodil (men gebruikt
steeds n a i bee).
Been, kleinkind ; t Ö Ö o a n t Ö ö
been, van geslacht tot geslacht ; been
o a n s i a, kleinkinderen, afstammelingen;
— groot, dik, aanzienlijk ; 1 i a n been,
krachtige stem, krachtig zwaar geluid.
Bee Ottoe, masker.
Beja, (Mal.) belasting.
Beko, nai nian lia emnia ida
la bele beko, de uitspraak van den
koning kan niemand wijzigen ; verbete-
ren als men verkeerd spreekt of niet
juist vertelt ; beko k a r i rai, den
aangebrachten grond uiteendoen om het
terrein gelijk te maken ? eene vrucht
(Mal. djamboe hoetan).
Bekoe, hondeval.
Bekoes, b. w e, water afleiden, even
verplaatsen, wenden.
Bele, kunnen, mogen, geheel, b.v.
isin moras bele, het geheele
lichaam doet pijn; koeda la bele
n i a, het paard kan hem niet dragen ;
alles ; ami hola bele, wij nemen
alles ; sia la belle ami, zij kun-
nen ons niet aan : allen, allemaal ; s i a
1 a ö bele, allen zijn gegaan, zij zijn
allemaal gegaan ; sia tolloe belle,
alle drie ; — bele, allen gezamenlijk.
Bellak, borstplaat.
Bellau, iemands partij houden in den
oorlog, in het spel ; ami roewa
bellan lisoe o, wij beiden strijden
samen tegen u ; r o o bellan, de zij-
wanden van een vaartuig, de zijden
van een paard, karbouw; o erna b., de
twee langere zijden van een huis; zie
k a r a s.
Bellar, breed.
Belo, likken (vandaar b a b e 1 o n,
tong).
Beloe, vriend ; — rai niara, een soort
hagedis.
Benar, dwalen, ook 1 a Ö benar.
Benek, oeloen benek, hoofd met
weinig haren.
Beni aio, schoen, slof.
Beo, brij, pap.
Been, tassak beon, goed rijp.
Beor, overrijp, bijna rot.
Bêr, verlangen, wenschen, graag heb-
ben, van iemand of iets houden.
Beril, wellicht.
Berau, macht, gezag, kracht, machtig,
krachtig ; nia kaan beranlatta
h a o e, zijn gezag drukt mij neer; fó
b e r a n, flink met kracht aanpakken een
of ander werk ; ita fó beran ai
n a k 1 o 1 1 i 1 a i 1 a i s, als wij het flink
aanpakken valt de boom gauw; ook
als uitroep f ö beran! pakt het flink
aan Ihaoekaan beran la na, ik
10
ben er niet sterk genoeg voor, ik kan
het niet.
Berdoea, (Portug. perdao) neem me
niet kwalijk, excuseer.
Berlikoe, een vogel.
Bero, vlerkprauw van een uitgehol-
den boomstam vervaardigd, uitgeholde
boom of bamboe die dienst doet als
een goot om het water verder te
brengen.
Bessa, kanon.
Bèt, een palmsoort tot de vederpalmen
behoorend.
Bette, titel voor vrouwen en meisjes
van stand.
Betiek, kort ; a i n b e 1 1 e k, korte
beenen, klein van gestalte.
Beti, emma gintiéw nalo sian
dalan siabetiami, alsde heide-
nen hun pomali maken, houden zij ons
er buiten ; emma na rik beti aan,
zij staan afzonderlijk b.v. grooten en
kleinen ; beti kabas, katoen zuiveren
door middel van de »kabeti".
Bi, bin, oudere zuster.
Biar, goed, het zij zoo.
Bibi, geit ; bibi malaè, schaap ; —
matten, horak bibi matten, val-
lende ziekte ; — roes?, hert ; — soesoen,
nog heel jong, nog zonder kern van
pinang.
B dak, mattan bidak, blind.
IHdoe, dansen.
Blï. op de teenen staan; laö b., op
de teeuen loopen ; — kooi, hinken.
Bilt, met de toppen der vingers nemen,
b.v. rijst, tabak, een weinig rijst ot
vleesch op die wijze nemen om te offe-
ren ; hoesi kona, sia biït naan
ba s i a n k i 1 a t, als zij raak schieten,
offeren zij vleesch aan hun geweer; biït
et o e ba emma mate, rijst offeren
aan een doode.
Bikan, bord ; b. o a n, schoteltje ; —
etoe, rijstveld of djagongveld van den radja.
Blkoe, Mal. pikoel.
Bilak, dikwijls.
Bilan, veel handel drijven ? met han-
delen veel verdienen?
Bioen, speeltol ; b. sorro 1 o u, die
in een punt uitloopt, b. m a h Ö ai, van
onderen afgeplat.
Biroc, lichtblauw ; ai b i r o e, stukje
boomwortel dat zij als amulet in den
oorlog bij zich dragen.
Birces, lorretje ; hodi lilin bi bi-
roes kabas, draad met was bestrijken;
b. sasoekat, aan den knevel draaien.
Bi&si, ijzer ; h a 1 o b., oorlog voeren ;
b. a s o e, staal ; b. b a d a e n, gereed-
schap ; b. b a k o e, spijker ; b. h a ï,
vuurslag; — t a 1 i k, ijzeren ketting.
Bissik, eigenlijk, echt, zelf; nain
bissik te lale nianlalattak
d e ï, 't is niet de persoon zelf, 't is zijn
beeld slechts ; nia natadoe aan
bissik, hij vertoonde zich in zijne
echte, in zijne eigenlijke gedaante; o
ba bissik, ga jij zelf; a m i harT
lalattak deï, la hare bissik,
wij zien alleen de afbeelding, wij zien
niet het eigenlijke voorwerp ; bissik
d e ï, zoo maar, zonder meer ; ai f o e a n
nèë ami la daan ami ha bissik
d e ï, die vruchten koken wij niet, wij
eten die zoo maar ; kona bissik,
wezenlijk raken, vlak grenzen aan ;
halo kona bissik, zet het er vlak
tegen aan, laat het er aan raken.
Bissoek, wenden, even verplaatsen ; b.
w e, water afleiden ; b. k o e d a, het
paar wenden ; b. a a n, op zij gaan.
11
Bit, sterk van nienschen eu dieren ;
serewisoe bit, hard werken ; n i a
n a b., hij is een goede eter ; n i a s a è
ai b., hij kan goed boomen klimmen;
loro 1'alin sin nalo biti bit,
in de oostmoeson maken ze druk matten.
Biti, mat ; b. k 1 o e n i, mat en kus-
sen ; hasai bitikloeni, ziehasai;
biti kloeni, wat als bewijs dient
voor schuld ? b.v. het gestolen geld, een
kapmes waar bloed aan kleeft ? r a i b.
k., zoo'n bewijs geven?
Biti rs'ti, loods waarin zij rijst trappen.
Bitoeli, b. ba neon, in het hart
opnemen ? in het hart bewaren ? b i-
toek krau = litoek krau.
Blaar, in de war, verbijsterd.
Boan, een tuintje bij het huis.
Boar, een soort uitslag die hevige
jeuk veroorzaakt.
Boas i s i n b., dik van menschen en
dieren.
Bobar, een touw of lint om iets win-
den.
Bobi, naakt, vliegende mier.
Bobik, hoorn om op te blazen, vlie-
gende mier.
Bolboe, man van gewonen stand, de
onderdanen van een radja.
Böbók, ketta b. nia, laat hem met
rust.
Bodik, ten gerieve van, voor ; a m i
f aan bodik, wij verkoopen het voor
(een ander), de persoon ten gerieve van
wien de handeling geschiedt, wordt dikwijls
niet uitgedrukt, b.v. haoe lake oda
mattan la diak o lake bodik,
ik kan de deur niet openen, open gij ze
(voor mij) ; soms toch ook wel b.v. toe-
wan la koeda bodik nia, mijn-
heer heeft ze (pisangs) niet voor hem
(den dief die de pisangs gestolen had)
geplant ; sia nalo oema bodik
t o e w a n, zij maken een huis voor mijn-
heer, of sia nalo bodik oema ba
t o e w a n, deze laatste wijze van spre-
ken is meer gebruikelijk, soms heeft het
eene heel andere beteekenis; welke? b.v.
nia nalo lia bodik ina ama,
hij haalt streken uit . . . . ? der ouders
(de ouders moeten er voor betalen) ten
koste van?
Bcè draaien zooals een tol.
Boealeloe, draaien zooals een vaartuig
vóór het anker vast zit, zooals een tol
even voor hij met draaien ophoudt.
Uopïui, toovenaar, heks, man of vrouw
die verdacht wordt door toovermiddelen
iemand ziek te maken of te dooden.
Boear, b. e m m a, menschen bijeen
doen komen.
Boeas, even bewegen, zich even be-
wegen, onvolledig, gedeeltelijk; sia n a-
norin boeas deï la no'oek
h a n o r i n t ö ó r o h a n, zij hebben
slechts onvolledig geleerd, zij wilden niet
leeren tot het einde ; keiler nia
n e m o e boeas t i a n a, het sigaren-
kistje dat hij reeds gedeeltelijk heeft
opgerookt.
Bocat, ding, goed, zelfstnw. ; dient als
stopwoord waDneer ze het juiste woord
niet terstond weten.
Boeboe, gezwollen, gezwel.
Boeboen, nog een weinig klam; ge-
woonlijk zegt men mara boeboen.
Boeboer, boom met witte bast (een
soort eucalyptus).
Boel» oer, plagen; ketta toe da
b o e b ó e r m a 1 o e, gooit elkaar niet
plaagsgewijs, telkens ? zonder rede, doel-
loos ? toewan tau nia ain nia
12
k o r e b o e b ó e r, mijnheer heeft zijn
voet verbonden, hij maakt het telkens?
zonder rede? los.
Boe di, b o e d i kiinek w è n, de etter
Uit een wond persen ; ook b o e t i.
Boedoe, toespijs bij de rijst.
Boedoet, kort, van gras, van boomen.
Boei titi, kikkervischje.
Boeïs, kwaad, woest b.v. karbouw;
t a s s i b., de zee is onstuimig.
Boek, garnaal.
Boeka, zoeken. B. d a 1 a n, pomali
maken om de oorzaak van iemands ziekte
te kennen ; b. i b o e, twist zoeken ; b.
neon, nog met hartzeer denken bv.
aan de ouders die dood of afwezig zijn,
hartzeer hebben ; op middelen zinnen om
in een beteren toestand te komen ; e m-
ma seloek nalodiaknia, nia
la boeka neon ona, als andere
menschen hem (bv. een wees) goed be-
handelen, dan heeft hij geen hartzeer
meer, dan zint hij niet meer op midde-
len, enz. ; b. r e n e k, zich door eigen
schuld armoede op den hals halen.
Boekas = b a 1 1 a r ai naroek,
een soort djagong met zeer lange sten-
gels en veel kleinere korrels dan de
gewone djagong.
Boekoera'ak nakoli, gezwollenheid
der handen en voeten, soms ook van het
gelaat (een teeken van den naderenden
dood).
Boela, boelak, gek; nia kaan
boela saè, zijn waanzin komt op ;
manoe deloen boelak, een haan
die geen sporen heeft.
Boeli, voltallig, voldoende ; k o e d a
n o boeli naha, de paarden zijn even-
redig van de vracht ; even ; bot b., even
groot, overeenkomend met gelijk b.v.
no nèë boeli (als men een maat
meegeeft) hiermee gelijk ; passen van klee-
dingstukken; no boeli, het (bandje)
past ; kasso no boeli ain, de
schoenen passen.
Boelik, alleen, slechts ; boelik nèë
d e ï, alleen dit slechts.
Boenak, een soort groente.
Boenak manoe lalarit, hanekam
(bloem).
Boenan, beschimmeld.
Boeni, o e 1 o e n b., ongedekt hoofd ;
zonder hoofddoek.
Boeoen, b. raienb. rai foekoen,
rijst strooien op een steen of bij een
grooten boom ; of ook geld afschrappen
en dit afschrapsel met pinangschijfjes in
een sirihblad wikkelen en dan op een
steen of bij een grooten boom neerleggen
om geluk te hebben op de jacht of in
den oorlog.
Boeoen, bot.
Boeoet, stomp, van een lichaamsdeel.
Boer, b. haan, eten klaar maken.
Boera, iets niet meer doen zooals vroe-
ger ? hadat gïntiwboeranade
heidensche gewoonte laten varen ? ^
Boeraê, leven van hanen en kippen.
Boeras, dicht van bladeren haren ;
emma lian boe ras, iemand die zeer
druk praat.
Boeroek, beschimmeld.
Boeroen, tau boeroen d e ï, zon-
der orde, op en door elkaar leggen.
Boesa, kat; — lawak, groote spin.
Boe tab, trappen op, klutsen, kloppen,
b.v. een ei ; b. r a i, den vrede in een land
verstoren b.v. door herhaalde diefstallen.
Boetan, knoop, dichtknoopeii ; te ver-
geefs b.v. ergens heengaan.
Boetar, bedriegen, onrechtvaardig be-
13
handelen b.v. door te zware boete op te
leggen.
Iïoeti, betasten, voelen b.v. eene vrucht
of' ze rijp is, kneden b.v. klei, was ; b.
h a h i 1 a s, boetseeren ; b. k a r 1 e t i,
den trekker drukken en dus het geweer
afschieten ; b. r o è, iets door aan te pak-
ken breken; — lima of liman, armband.
Boetoek, hoop, stapel ; hare b., sta-
pel rijstschoven opstapelen, op iemand
de schuld van iets laden, eene zaak op
iemand laden om die te beslissen.
Boewa, pinang ; — fatoe, oude harde
pinangnoot.
Boïs, uitknijpen.
Bok, niet stil zijn, zijne aanwezigheid
in huis doen blijken daar b.v. te praten,
te kuchen, zich te bewegen, leven maken
met iets.
Bokaè, eten voor onderweg.
Itokan, nog zeer jong, van dieren.
Bokar, dik b.v. pisang, draad, letters ;
grof, b.v. zand, hagel.
Bokir, wringen, verwringen, loswriu-
gen ; hadi liman bokir tali
halo koek, met de (gebonden) han-
den het touw wringen, ruim maken ; a i
nabit nia ain nia bokir ain
la ba, een hout hield zijn voet geklemd,
hij wrong den voet, het ging niet, het
lukte niet; bokir aan, zich wringen;
masik bokir aanlababodik,
alschoon hij (b.v. een hond die vast ligt)
zich wringt, het gelukt niet.
IJ i koer, vet, dik van menschen en
dieren ; fahi nia kaan bokoer,
het vet van het varken, het spek.
Bokou, nat, vochtig.
Bulan, katoewas b., een oude man
wiens tanden allen zijn uitgevallen ; f e r i k
b., een oude vrouw enz.
Bolas, riem van karbouwenhuid met
taschjes om schietvoorraad in te doen.
Bole, katrol.
Boli, tassi maraboli, tusschen
eb en vloed.
IJoloe, roepen, noemen.
Boloe docni, ama b. d. en i n a b. d.
die een kind aanneemt.
Bolor, dicht bijeen b.v. puistjes ; k e t-
ta koeda bolor, plant (de djagong)
niet te dicht bijeen.
Bod, 1 i a n b., heesch.
IJonoeii, geleding, het tusschen twee
knoopen vervatte gedeelte b.v. van bam-
boes, van beenderen.
Boo, opstapelen, de schuld op iemand
laden, eene zaak op iemand laden om
die te beslissen (synoniem met boetoek).
Bo'oen, kwast in hout ; halo b. ba
m a 1 o e, elkaar vergelden door dezelfde
boete of rente van iemand te eischen als
deze vroeger geëischt had, elkander we-
derkeerig bestelen.
Booi, kiezen, keuze ;nia kaan booi
d o e o e k, zijn eigen keuze : — liooi,
bolle wangen.
Bora, regenscherm van een gebangblad.
Boraii, ook n a a n b. het spek ; nog
niet gesmolten vet, staat tegenover n a a n
i s i n, het eigenlijke vleesch.
Borat, onhandig, dom, een gevouwen
gebangblad om b.v. zout in te doen.
Boroes, er door heen ; h o e s i b. er
door heen schieten ; las b a r o e s, dóór-
loopen ; s o n a b., doorsteken ; d a 1 a n b.,
de weg loopt door, er is geen afsluiting.
Boron, = bossok; faé boron,
uitdeelen, zonder te letten of er genoeg
is, of allen krijgen.
Borro Msoe, naran rai borro
b i s o e, alle landstreken ; — brinoe.
14
kruithoorntje : — fiar, twisten, oneenig
zijn ; — foesoe, schroef'.
Borta nola, schietgat.
Borteoek, kleine sprinkhaan.
Bortoedoe, k a d e 1 i b.. , tooverring.
Bossa. en toos bossa, een reeds
vroeger aangelegde tnin. staat tegenover
toos rai foo: bossa ai, het spint
van een boom afhakken.
Bossan, half afgedragen van kleeren:
van een doode als bij geen lucht meer
van zich afgeeft.
Bossir, los maken, b.v. een knoop, het
haakje van een oog ; uit de hand laten
ontglippen.
Bossoe, verzadigd.
Bossok, liegen, bedriegen, veinzen :
ria tanis bossok, hij huilt ge-
veinsd ; n i a m o r a s b. ; hij houdt zich
ziek ; ami halai b. sia, wij veinsden
hen te ontvluchten ; eventjes ; b a k o e
b., eventjes vastspijkeren, nog niet
voor goed; b. fetto, een meisje
verleiden.
Bot, groot, aanzienlijk, dik, volwassen;
samea b., dikke slaDg ; o e d a n b.,
a n i n b.. hevige regen, wind ; o bot
noeoe nèëbè? (letterl. gij groot als
wat) waarmee stelt gij u gelijk? (ver-
wijtend) zeer b.v. 1 e a r bot, zeer veel;
krow beran bot, een karbouw is
zeer krachtig.
Bottes, nat.
Botti, a i n b., zeer dik gezwollen
beenen, elephantiasis.
Bottoe, kraken van een tak, van de
gewrichten : het geluid van een lampeglas
dat springt ; hiroes b., beangst, on-
gerust zijn : hiroes b., bania kaan
b e e, hij is ongerust omtrent zijn (zieken)
grootvader.
Bottoen, b a 1 1 a r b., geroosterde
djagong.
Bottoes, ontmoeten, samenvallen met
(van gebeurtenissen); bottoes nola,
passen van kleeren ; farae b. ; nola
n a i n, het baadje past aan het lijf'.
Botto koeri, uit elkaar gaan van
menschen b.v. na een feest.
Bottok, blaar door branden, blaasje
zooals bij pokkenlijders.
Brekoe, vastslaan, stevig vastbinden ;
hodi ai kakoesan, hodi bissi
bakoe brekoe, met een houten pen7
met een spijker vast maken.
Butelik, slokdarm van sommige dieren.
D
Daan, hoedi daan, kamvormig
onderdeel van een pisangtros.
Daan, koken bedr. van aardappelen,
vruchten, djagong, zie nassoe en
t e ï n.
Daar, toereikend, genoeg voor het
getal personen, b.v. voor tien personen
tien borden ; op denzelfden tijd ; ai
roewa nèë ami koeda, daar die
twee boomen hebben wij op denzelfden
tijd geplant.
Dabak, plat, b.v. een zakje.
Baban, hare daban, looze rijst. r
Dada, trekken, ook fig. overhalen tot
15
iets ; dada aan b a, tot iets getrok-
ken worden ; dada b is s i, ten oorlog
gaan ; dada oeloen, vooropgaan ;
emma mate dada ba ain dei
(letterl. de dooden trekken (de levenden)
maar aan de beenen) het sterven hondt
niet op ; dada i b o e, een langwerpig
metalen voorwerp dat zij tegen den mond
houden en waar zij aan trekken om het
geluid te doen voortbrengen ; f i t o e n
dada aan, eene ster verschiet.
Dadaar, te samen, te gelijk, mate
d a d a a r, zij houden te gelijk op met
draaien, van twee tollen ; s i a t a m a
d a d a a r, zij gingen te gelijk binnen.
Daddin, d a d a i n n a ïi n, vleesch in
smalle reepen snijden om daarna te
drogen.
Dadak, terik dadak, voortzeggen,
verder vertellen.
Dadeïk aan, druppelen enz.
Dadi, geschieden, gebeuren, beteekent
soms, dus, bijgevolg ;dadi noeoenèë,
derhalve, bijgevolg, zoo gebeurde het dat;
la dadi, het gebeurde niet, het is niet
gebeurd.
Dadinis, koeda dadinis, manen
van een paard ; kakaè dadinis, kuif
van den kaketoe ; naiin dadinis,
vinnen van een visch.
Dadir, klok, schel.
Da dó, bassen van een hond.
Dadoe, dobbelsteen.
Dadoè aan, lao dadoè aan, traag
gaan.
Dadoela, rondschudden van rijst in de
wan bij het ziften ; dadoela takan,
sirihbladeren tot pakjes rollen ; m a n o e
semo dadoela, de vogels vliegen in
een kring ; semo dadoela oema,
in. een kring om het huis vliegen ; halo
dadoela bel e, (van een pagar) hee-
lemaal rondom (het erf) maken.
Dadoer, blok (strafwerktuig), in het
blok sluiten, door middel van een bam-
boe iemand vastleggen.
Dadoeroes, anin d., wervelwind.
Dadoes, b a 1 1 a r d., afgepelde dja-
gong-klos.
Dadokko, rijst in de wan heen en
weer schudden, ziften ; dadokko aan,
een kind op den arm in slaap wiegen.
Dadooi, iets van een ander zoek maken,
ongevraagd wegnemen.
Daèr, kleverig.
Daet, besmetten, van ziekte ; overslaan
op, van brand.
Dahoer, feest, druk, veel ; h o-r r i
fonin emma noesi dahoer lölös,
van nacht hebben ze zeer veel, gescho-
ten, zeer druk geschoten ; s i a s o o i
dahoer, zij zijn druk aan het oogsten ;
— dahoer, allemaal te gelijk, allen ge-
zamenlijk b.v. zingen.
Dai, vischnet.
Dais, verschalken, door valsche praat-
jes meetroonen b.v. een misdadiger om
hem te pakken.
Daka, voor iets of iemand zorgen, iets
bewaken, verzorgen, op iets passen;
daka m o t a, voor de rivier zitten te
wachten tot ze doorwaadbaar is ; toewan
daka emi ka? moet mijnheer op julie
wachten.
Daka rai, de bewakers van het huis
van den radja.
Dakadó, bamboekoker met snaren waar
ze op tokkelen.
Dakadór, laadstok.
Dakoe, met de hand of met een voor-
werp b.v. een klapperdop iets opgooien
b.v. aarde, water op jonge plantjes.
16
Dala, keer, maal; dala hira? hoe-
veel keer ? dala i d a, een keer, te
gelijk ; sia tama dala ida, zij
gingen te gelijk binnen ; m a n o e dala,
een kip met zwarte en witte veeren.
Dal All ; weg ; bijgeloovige praktijken
om de oorzaak eener ziekte op te sporen ;
dalan koe da kottoe k, een pad
tusschen twee hellingen.
Da las. dalas tolloe, drie genera-
ties, overlangsche rij korrels van een
djagongklos.
Dale, verhalen, praten, verhaal.
Daniboea, pompelmoes.
Dame, vrede.
Damoen, noe damoen, het ge-
raspte en daarna uitgeperste vleesch van
de kokosnoot.
Danak. emma danak, een suffert,
een sul.
Danat, danat taan maloe, heel
dicht bij elkaar staan of zitten.
Darak, bij het vuur houden b.v. een
kleed om te drogen ; darak b a 1 1 a r,
djagongklossen bij het vuur plaatsen.
Daran, manoe daran knoeoek,
een vogel maakt een nest ; b o e w a
daran, lat van pinang ; met velen te
gelijk, allen te gelijk b.v. iets vragen,
komen ; sia noesoe daran deï(ot
misschien dara d e i) zij vragen alle-
maal te gelijk; overal? van alle kan-
ten; naklamat daran d e ï, zie
naklamat; fitoen mö daran
(dar a) d e ï de sterren schitteren over-
al, van alle kanten.
Dari, gevlochten zakje om kogels in
te doen.
Dassa, vegen ; dassa koloen, den
tuin van het vorig jaar van onkruid
zuiveren om er opnieuw te planten.
Dassak, van het een e einde tot het
andere ;rai nèë fehan dassak dat
terrein is van het begin tot het einde
vlak ; ai bot d., een boom die over zijne
geheele lengte dik is.
Dassi, radja.
Dassin, weegschaal; — niattan, be-
lasting.
Dato, man van stand, hoofd.
Dato foekoen, hoofd van een »foekoen".
Datti, steenen afdamming om visch
te vangen.
tot, tot aan, totdat.
Dandau, I
Daudau töo, (
Daudauni, onmiddellijk, terstond ;
ohin daudaun enfoïndauda-
u n, zoo even, pas geleden.
Dank, een man die het verborgene
bekend maakt b.v. wie gestolen heeft,
wie in den oorlog zal gedood worden.
Dauk, .
> zie la en s e 1.
Daun,
Daun, naald.
Dean, bekijven, kijven, verwijtingen
doen, berispen. ^
Deboe, poel, buffel wed, vijver.
Dedes, te rik en lia dedes, vlug
spreken.
Dedor, dedor liman, de hand snel
bewegen.
Deha, deha h a é, hoog gras met de
handen uit elkaar doen als men er door
heen loopt.
Deï. d e ï b i s s i h a ï, het staal over
den vuursteen strijken ; deï kar ris
haï, een lucifer aanstrijken.
Deï, slechts, maar, toch ; nèë deï,
dit slechts ; k a n e k o a n deï, een
kleine wond slechts ; h a n o n o deï,
maar afwachten ; masik haoe ba-
doe nianalodeï, ofschoon ik het
17
verboden heb doet hij het toch ; loe-
k o e d e ï, toch maar.
Dekoe, kloppen, tikken ; o d a m a t-
tan dekoe aan, eene (openstaande)
deur klapt.
Dekor, iets heen en weer bewegen
zoodat er tevens geluid ontstaat ; dekor
d a d i r, schellen.
Dele, eene plant niet eetbare witte
pitten; dele foean, de pit; mat-
t a n dele, blind.
Dele Uottoe, hagel (bevrozen regen).
Delo, delo raattan, een wenk
met de oogen geven? aankijken? ter
zijde kijken.
DelObD, hanespoor.
Delon, merg in beenderen.
Deinit, puistjes op het gelaat.
Deoet, persen ; met beide handen
drukken zooals bij het wasschen van goed ;
deoet kabas, draad in verfstof doopen
en kneden om hem de verlangde kleur
te doen aannemen ; deoet höö ha i,
vuur met een blad of iets anders uitslaan.
Deos, maran d e o s, goed droog,
b.v. visch, pinang.
Dere, dere tihar, met de handen
trommelen zooals de vrouwen doen hij het
dansen (zie 1 i k o e r a i).
Deren, een lang voorwerp schuin
tegen iets doen leunen; deren aan,
met den rug tegen aan leunen; schuin
staan b.v. een boom, een paal.
Deroes, deroes n e a n, knarsetan-
den ; ai deroes aan ba maloe,
de takken schuren over elkaar ; k a n o k-
kar deroes, eene inlandsche afslui-
ting die draait als eene deur.
Derok, algemeene naam voor vruchten
die tot de citroen- en oranjeappelsoorten
behooren ; derok s i n a, kleine zoete
oranjeappel ; derok massi n, limoen.
Dersaan, overgaan door geboorte ?
Dia, vogelstrik, vogelknip, muizenval;
dia fafetik, vogelknip met een
bamboetakje dat veert.
Diak, goed, gelukkig, braaf, deugd-
zaam, schoon, mooi, in orde, naar be-
hooren, gaarne ;harédiak, iets gaarne
zien, iemand genegen zijn; ha d i a k,
gaarne eten, goed smaken. Komt ook
voor in de beteekenis van kunnen,
b.v. nia sai diak, hij kan er
uitkomen ; nia saè ai diak, hij
kan boomen klimmen ; nia sai la
diak, hij kan er niet uitkomen ; h a 1 o
noeoenèë la diak, zoo te doen
betaamt niet ;toewan daka amila
diak, het betaamt niet dat mijnheer
op ons wacht (op ons moet wachten).
Didin, een wand of omwanding maken ;
vandaar beschutten, beschermen, bedek-
ken ; ami didin emi, wij beschutten
u; nia uarai aan bossokhodi
didin nia kaan sai a, hij zweert
valsch om zijn misslag te bedekken.
Diï, wesp.
Diïn, rand ; de scherpe kanten van
een balk.
Dik, een boom met vuurroode bloemen.
Dikin, top van een berg, huis ; i d a
ba dikin ida ba hoen, een boven
een onder komt soms voor in de be-
teekenis van einde in tegenstelling van
»hoen" begin b.v. dale nèë no hoen
d e ï, d i k i n 1 a n o, dat verhaal heeft
alleen een begin, het heeft geen einde;
t a 1 i dikin, nog dicht blad van den
gebangpalm ; tassi dikin mai na,
opkomen van den vloed ; — lain, de boven-
ste top.
Dikis, band met witte schelpjes of
18
knoopjes bezet, die over den schouder
wordt gedragen.
Dikoer. hoorn ; krau d i k o e r, buf-
felhoorn.
Bikoe soera, bibi roesa dikoe
soera, een hert wiens horens nog geen
zijtakken hebben.
Dila, papaja ; — fat o e, eene eetbare
ronde vrucht met groene schil.
Diman. lans.
Din looi, te veel ontzien.
DillOP, voorspellen dat iets slecht zal
afloopen, onheil toewensehen ?
Dioe, o nèë dioè resik, wat ben
jij toch hardhoorig (verwijtend tegen
iemand die naar een bevel niet hooren
wil).
Dioek, doof, gewoonlijk zegt men
tiloen dioek.
Dir, niet erg pijnlijk meer.
Dirak, glanzen.
Diroema, battar diroema, een
bosje jonge djagong.
Diroeii, groote tor.
Doan, een soort reiger ; zich uitstrek-
ken naar ; krau doan ai tahan,
een karbouw strekt zich uit naar een
blad ; ook doan aan, b.v. e m m a
doan aan, een mensch strekt zich uit
om b.v. iets te grijpen.
Dobar, indompelen.
Dobbo, verbergen, wegsteken ; d o b b o
fehoek ba ahoekadessan, aard-
appelen in de asch leggen ; dobbo
s a è ai, een langen stok in de hoogte
steken om b.v. een nest aan te wijzen?
Dndan, medelijden hebben.
Dollar, uitdoen, uitstorten, b.v. zout
of rijst uit een bamboe.
Dodok, verrot, vergaan.
Doe, lasteren, belasteren.
Doeat, doeat isin of doeat
aan, zich kronkelend voortbewegen van
een slang.
Doeboen, gewoonlijk ; haï doehoen,
rook ; hoedi doeboeu n hoedi
b a e n, zie b a e n.
Doeboes. stomp, afgestompt.
Doedoe. duwen, voortduwen ; iemand
gelasten om b.v. iets te eraan halen ot
wegbrengen ; doedoe roo malae,
de doodkist van den radja dragen.
Doedoek. zwam op den bast van den
arengpalm, wordt gebruikt om vuur te
maken.
Doedoen, gewoonlijk ai doedoe n,
het harde gedeelte van een boom, het
eigenlijke hout zonder spint.
Doekacn. gezwel aan de lies.
Doekali, lao doehali, rondom iets
loopen ; om iemand heen blijven loopen,
b.v. met het plan om hem iets te
vragen.
Doekoer, d. k o e d a, het paard geen
rust gunnen; d. e m m a. de menschen
lang laten doorwerken ; d. a a n, zonder_
ophouden doorwerken ; ontspringen van
bronnen, rivieren.
Doeïr, voortwentelen, b.v. een steen
voortrollen b.v. een ton : doeïr a t i s.
Doek, t e r i k doek. stotteren.
Döëk, met voor- en achterpooten aan
een stok vastbinden, b.v. een varken ;
doek aan, met handen en voeten aan
een stok of tak hangen.
Doeka, met den voet iets verschuiven ;
d. m e n o n, de afspraak verschuiven ;
d. aan, zich even verplaatsen.
Doekoer, sluiten der oogen, slapen,
ook mattau doekoer; doekoer
mattan ba maloe, elkaar een wenk
met de oogen geven.
19
Koelak, groote schelp die ook als voe-
derbak gebruikt wordt.
Doelas, iets ronddraaien.
Doelè, een soort lorretje.
Doelis, tusschen duim en vinger iets
ronddraaien.
Doeloer, kameraad, goede bekende.
Doemar, bespotten, ironisch spreken.
Doen, een droogrek om de geverfde
draden op te hangen.
Doeni, eigenlijk? inderdaad?
Ooenoes, een bundeltje, bosje, b.v-
kralen.
Doeoek, eigen, b.v. nia kaan sala
d o e o e k, zijn eigen schuld, van zelf;
ai foean monoe doeoek, de
vruchten zijn van zelt afgevallen ;
kanek doeoek. eeue wond die
van zelf ontstaan is ; zelf : s i a 1 e e
faè doeoek, zij zullen het zelt
verdeelen ; o booi doeoek, kies zelf ;
in de beteekenis van „zelf" wordt het
dikwijls met „nain" verbonden, b.v. h a o e
nain doeoek, ik zelf ; n i a n a i n
doeoek, hij zelf; zonder rede, b.v.
iemand slaan ; haoe mai doeoek,
ik kom zonder rede, zonder eigenlijk doel,
ik kom zoo maar ; f ö d o e o e k, ten
geschenke geven ; toer doeoek, ledig
zitten ; Petius ida doeoek, een
andere een op zich zelf staande Petrus,
niet de apostel ; somtijds staat het achter
w a i n, zonder beteekenis ?
Doeoet, laag onkruid.
Doeroe metoe, doe roe metoe lia
ba n a i, eene zaak aan den radja mee-
deden.
Doit, cent, kopergeld.
Dokkar. iets schudden wat men in de
hand heeft, b.v. een ei, een flesch, fig.
verontrusten. Maraè dokkar haat
s i a n a, de lui van Lamaknen veront-
rusten hen reeds erg, maken het hun
reeds erg lastig, b.v. door veelvuldige
diefstallen.
Dokko, iets schudden wat op of in
den grond staat, b.v. een boom, een
tafel ; dokko ai foean, vruchten af-
schudden, ziften, bevreesd zijn voor oorlog,
voor den vijand; Ai toon dokko ba
Lamak nèn Ai toon, is bevreesd
dat de lui van Lamaknen hen zullen
beoorlogen.
Dole, neerleggen van een lang voor-
werp ; dole emma mate, een doode
in huis leggen (nog niet begraven).
Dolin. iemand herhaaldelijk gaan roe-
pen, herhaaldelijk naar iemand toegaan
om hem b.v. te manen, het iemand las-
tig maken, voortdurend nazetten, afmat-
ten b.v. een karbouw ; dolin aan,
zich afmatten, zich geen rust gunnen.
Doman, bril.
Domo laka, licbtvlieg.
Don, in den rouw zijn, rouw dragen;
kor e don ofsaoedón, den rouw
afleggen.
DO
Dona, instoppen, induwen.
Doïs, stinkend'; o nawan doïs
1 i s a, uw adem stinkt naar uien.
Do'oe, duif; do'oe oeloenmoe-
t i k, met witten kop ; d ' o e f a h i, het
grootste soort hier ; d'oe makaoer,
groen duifje.
Door, doorrijp.
Dor, voortschuiven van een lang voor-
werp, met een stok naar iets reiken;
emma dor aan nola rai fohon,
iemand schuift zich (in liggende hou-
ding) over den grond voort, b.v. een
dief oin niet gezien te worden.
Dore, k o e d a d o r e, een op de
20
weide losloopend paard ; emma dor e,
iemand die loopt waar hij wil evenals
een los paard en dus niets uitvoert,
niet leert.
Dorin, een zwaar voorwerp telkens
wat verder verschuiven, om het op zijn
bestemming te brengen.
Doroes, wrijven ; do roes aimo-
roek ba ain, obat op het been wrijven ;
doroes menon, de afspraak ver-
schuiven; doroes oan, vóór den tijd
werpen van dieren.
Dorok, insteken b.v. een patroon in
't geweer ; dorok ain la ba, men
kan er geen voet tusschen steken; do-
rok ai la ba, men kan er geen stok
tusschen steken, om uit te drukken dat
de menschen heel dicht op elkaar staan.
Doros, s a m a d o r o s, en s a m a
d o r o s rai, bij het loopen uitglijden.
Dossan, een dun rond hout dat bij
het weven gebruikt wordt.
Uottor, groot doen, niet willen
werken, niets uitvoeren ; o 1 o r o 1 o-
r o n d o 1 1 o r d e ï, dag iu das uit
voert gij niets uit.
E, komt voor in de beteekenis van „of".
Ekat, de zwarte draden van den areng-
palm waarvan touw wordt gemaakt, ook
wordt dat goed gebruikt om de nok
van een huis mee te overdekken ; t a 1 i
ekat, touw daarvan gemaakt.
Eki, eki kaleek, met de ,,kaleek"
spelen.
Elan, vezels op stengels van planten,
tusschenschot in bamboes (voor dit laat-
ste zegt men in Fialaran „anoes' ).
Emi, gij, meerv.
E in in, emi kaan, uw, de uwe,.
Emma, mensch ; emma m a n e,
man ; emma fetto, vrouw ; emma
f Ö h Ö, een bergbewoner; emma t a s-
s i, strandbewoner ; emma 1 a Ö rai,
een reiziger ; emma leien, iemand
die voor goed uit zijn huis gejaagd is.
Es, nean e s, tandvleesch.
Etoe, gekookte rijst ; — battar, ge-
plette en daarna gekookte djagong ; —
mottoek, aanbrandsel van rijst; etoe,
achter den naam van een dier be-
teekent dat dat dier den radja toebe-
hoort ; asoe etoe, hond van den
radja ;fahi etoe, varken van den radja.
Etoek, dus, daarom; emma m a-
norro etoek asoe narï, de men-
schen maakten leven, daarom blafte de
hond; e t o e k o, gij nog wel (verwij-
tend).
Etocn, aandeel b.v. in geld, ook in
straf, b.v. nia sei lasimoenia
kaan e t o e n, hij heeft zijn aandeel,
zijn portie nog niet gekregen.
Faak, = danak.
Fa'an, verkoopen.
Faat aan, haè faat aan taan
m a 1 o e, het gras buigt over en groeit
in elkaar.
Fado, steken, doorsteken; fadoinoer,
21
de neus doorsteken met een scherp stuk
hout, zooals zij doen bij een karbouw
om te beletten dat deze zuigt ten na-
deele van een jongere.
Faè, verdeelen ; f a è m a 1 o e, van
elkaar scheiden, uit elkaar gaan.
Faek aan, uiteen, uit elkaar wonen,
zitten.
Faen, zijne vrouw afbetalen.
Faf aloen, karaloeni fafaloen,
kussensloop ; soerat fafaloen, om-
slag om de kaft van een boek.
Fafeïk, springen, van een paard ; h i-
r o e s fafeïk, beangstigd zijn (mis-
schien, zooals wij zeggen : het hart klopt,
gaat snel op en neer, ten gevolge van
vrees of van angstige spanning).
Fafelen, toeda f a f e 1 e n, in de
hoogte werpen ; hana fafelen, een
pijl in de lucht schieten ; fa f e 1 e n aan,
opspringen.
Fafeli, fafeli kabas badaun,
den draad om de naald winden, nadat
deze op een stukje doek is gestoken.
Fafioer, een vogel.
Fafoetlin, iemand aanzetten om eene
berisping of straf te geven, om eene
zaak te onderzoeken.
Fafoehoen, I het bovenste van iets ; i h a
Fafoehoer, f of ba. . . . fafoehoer
op, boven op; manoe rani iha
oema fafoehoer, de vogels zitten
boven op het huis ; tau ba lamari
fafoehoer, zet het boven op de kast ;
loro oeloe fafoehoer, 's middags
als de zon recht boven het hoofd
staat.
Fafoê'k, een grassoort.
Fafoeloe, waar ze blaaspijpen en dwars-
fluiten van maken.
Fafoér, slokdarm van een karbouw.
Fafoetoeo, stukje touw of lint om
iets te binden.
Fahi, varken ; — loemak, een witte
worm die de rijst op het veld bederft
door aan de wortels te knagen.
Fai, stampen in een rijstblok of vijzel.
Fai Mar, I
^ . „ } verstuikt.
Fai fiar, [
Fake, laloran fake ro bellan,
de golven slaan tegen de wanden van
het vaartuig ; anin fake oema, de
wind slaat tegen het huis ; dato s i a
fake kessak ba emma, de hoofden
geven djagongkorrels aan iemand (die
beboet is b.v. twee sovereigns, twee
korrels, nog twintig gulden, weer twee
korrels, plus een varken nog een korrel).
Faletoe aan, stuiptrekken, op den
grond liggend met handen en voeten
beweging maken, tegenspartelen, spar-
telen van een visch op het droge.
Fali, emi kole ami hoelan
fali, als julie vermoeid zij t, dragen wij
op onze beurt ; ida kole idafali,
als de een moe is, dan de andere; o
fali, nu gij, nu is het uwe beurt; nia
s a i o t a m a f a 1 i, als hij er uitkomt
dan gaat gij binnen, als hij er uitkomt
is het uwe beurt om binnen te gaan ;
la toö foelan fali, vóór er weel-
een maand om was, het duurde geen
maand, of enz. ; fali, staat dikwijls achter
eene ontkenning, zonder beteekenis, b.v.
nia la mai fali of nia la ma i,
hij is niet gekomen ; vlechten, e m-
ma malaè sina fali foeoek, de
Chineezen vlechten het haar.
Faloe, allen ; s i a t o e n f a 1 o e, zij
zijn allen naar beneden gegaan, op;
masik wain faloe la kleoer,
ofschoon er veel is, is het gauw op;
22
halo faloe, opmaken ; ha halo
f a 1 o e, letterl. eten opmaken, alles op-
eten ; haï na nalo faloe, letterl.
het vuur verteert, maakt op, alles is ver-
brand, b.v. nia kaan battar haï
na nalo faloe, letterl. zijn djagong
heeft het vuur verteerd, opgemaakt, al
zijn djagong is verbrand; wenden, keeren :
faloe koeda = bissoek koeda;
m a t a faloe e m m a, de rivier (de
sterke stroom) keert iemand om (hij
wordt teruggeworpen) ; 1 a 1 o e aan, uit-
wijken, wenden enz., een zijweg inslaan;
faloe fila, omkeeren ; d a u d a u t Ö o
r a i faloe fila, tot het einde der
wereld.
Faloelf , mane faloe k, weduwnaar ;
fetto f., weduwe.
Faloei), faloe n ba tais, in een
doek, in papier wikkelen; pak.
Faoi, niezen.
Faiioe, oorlogskreet die vóór het ge-
vecht wordt aangeheven om zich te
rechtvaardigen (volgens sommigen » fa-
noen") ; baèr en boloe fanoe
dien kreet aanheffen.
Fan oen, wekken.
Faras, auin faras o e m a ; de
wind beukt het huis ; a n i n faras
aan ba o e m a, de wind komt met
kracht tegen het huis ; emma faras
aan b a r a i, iemand wordt tegen den
grond gesmakt ; f ar a s aan ba ai, te-
gen een boom loopen ; emma faras
m a 1 o e, zij zijn flink handgemeen ; het
kan ook beteekenen ; zij zijn tegen elkaar
aangeloopen ; faras emma bar ai,
iemand tegen den grond smakken.
Faroe, baadje, jas ; — ai kballar, ver-
sierd baadje van den voordanser ; — ain,
broek.
Fassi, wasschen.
Fatan aan, op de zij vallen.
Fatin kwam k emma fatin kwa-
r a k, iemand die vaak van woonplaats
verandert; — plaats; toe f., zitplaats;
toba f., slaapplaats, doos, pot, kan;
kale fatin, koffiekan ; m a s s i n
m i d a r fatin, suikerpot, suikerblik ;
komt voor in de beteekenis van gele-
genheid, kans, b.v. anin la fó fatin,
de wind gaf geen gelegenheid (om
te varen); m a t a f 6 fatin, als de
rivier kans geeft (om ze over te
trekken) ; doe fatin mak haoe,
ik ben het mikpunt van den laster ;
nia kaan mai fatin orasnoe-
o e n è ë, zijn tijd van komen is om dit
uur, is zoo laat, gewoonlijk komt hij
om dezen tijd ; mai fatin wain
roewak, de tijd van komen Avas eergis-
teren, hij had eergisteren moeten komen ;
saè fatin, paard dat men gewoonlijk
berijdt; koeda nèë nia kaan saè
fatin, dit is het paard dat hij gewoon-
lijk bereidt ; bokar toö fatin ona
(van vruchten), zij hebben hun dikte ;
mattas t ö ö fatin ona (van men-
seken), zij zijn volwassen; — bahoak,
huisraad.
Fatoe foean, kiezel ; — en fatoek,
steen, rots ; — res, r a i f a t o e r e s,
zeer steenachtige grond.
Faur, draaien ; faur roo oeloen,
den steven wenden ; faur e ra m a,
iemand voor den gek houden ; a m i n
faur aan, de wind draait.
Fekan, vlak ; r a i f e h a n, vlak
terrein, vlakte.
Fehoek, aardappel.
Fekoe, eene ziekte bij kinderen als de
moedermelk niet zuiver is ; s o e s o e
23
f e k o e, van de moeder wier welk niet
zuiver is.
Felit, vastbinden b.v. de daklatten aan
de sparren.
Fellar, uitspreiden van kleederen; f' e 1-
1 a r b o r a, de inl. pajong open maken.
Feloe, kokertje van bamboes om sirih
in te doen; — ka koen, leege klapperdop.
Felok, oplichten door middel van een
hout of ijzer dat als hefboom dient.
Fèn, echtgenoote.
Feoer aan, met het bovenlijf telkens
naar rechts en links buigen, zooals de
vrouwen doen bij het dansen.
Fer», splijten, bedr. ; m a m e r a n f e-
r a, de bliksem treft, verwoesten in den
oorlog?
Fereta, f e r e t a e m m a, menschen
gelasten het een of ander werk te doen.
Ferik, oud, van vrouwen en sommige
wijfjesdieren; ina ferik, grootmoeder.
Ferikif, misschien hetzelfde als fereta.
Ferreoe, hoofdstel.
Fèt, opnemen, oplichten, b.v. bladeren,
om te zien of er iets onder ligt; de
inhoud b.v. vari een lade opnemen om
iets te zoeken; (in Waiwikoe) zitmatje.
Fètak, mor as fètak, ernstig ziek;
lanoe fètak, erg dronken.
Fetik, iets wegknippen, met de vingers
wegschieten, iets opwippen, b.v. een voor-
werp met den punt van een parang of
van een stok in de hoogte werpen; fe-
t i k b o 1 1 o k, de etterblaasjes bij een
pokkenlijder met een puntig stukje hout
open rijten ; f e t i k k i 1 a t, het geweer
afschieten ; fetik klaek, met een
bamboezen ge weertje sprinkhanen schie-
ten ; fetik aan, opspringen van een
visch op het droge ; hiroes fetik
aan, het hart klopt snel.
Fetto, vrouw; oan fetto, dochter;
lawarik fetto, meisje.
Fetton, zuster.
Fettoraè klossan, slaaf of slavin in
het huis van den radja (gewoonlijk zegt
men alleen klossan).
Fetto sawj, aanverwante familie; de
bloedverwanten der vrouw noemen de
bloedverwanten van den man fetto
sawa (zie o e m a m a n e).
Fia, een waterplant met groote bladeren.
Fiar, gelooven, vertrouwen.
Fidar, een groote scherf, nog geschikt
om djagong op te roosteren.
Filiir, nazien, onderzoeken.
Fiïf, in de hoogte opnemen, zooals een
roofvogel een kuiken ; in de hoogte tillen,
opnemen, wegnemen; asoe fiït naan,
de hond neemt het vleesch weg.
Fika, lastig vallen ; iemand telkens
iets bevelen wat lastig is.
Fi T a, keeren, wenden, teruggaan, terug-
komen, zich omkeeren, veranderen ; f i 1 a
we baanggor, water in wijn ver-
anderen, of beter :fila we halo ang-
g o r (letterl. water veranderen, wijn
maken) ; braden : hadi minafila,
met vet braden, zich bekommeren om
iets, om iemand, b.v. rai beat öna
emma fila nian toos deï na,
als de regens voor goed zijn doorgebroken,
bekommeren zij zich alleen nog om hun
tuin ; fila rai, den grond omkeeren,
spitten ; rai fila, (rai leggen) anders-
om leggen ; ita miste fila deï,
(al komt de radja zelf niet om zijn bevel
bekend te maken) wij moeten toch acht
geven.
Fila fali, plotseling, daarna, niet lang
daarna.
Filak aan, veranderen enz. ; we f i-
24
lak aan ba anggor, het water
verandert in wijn ; we filak aan
n a 1 o anggor, het water verandert,
wordt wijn ; ook filak aan nalo
ba anggor (wordt tot wijn).
Filas, omkeeren ; m a n o e nodi ain
filas tolloen, de kip keert met den
poot de eieren om ; k o e d a s a m a fi-
las fatoek, het paard doet den steen
kantelen (letterl. trapt, keert den steen
om) ; memi filas, anders noemen
als vroeger ; hameno filas, anders
afspreken, de afspraak veranderen ; t a t e
filas ba kar on tomak, overschud-
den in heele zakken ; filas aan =
filak aan.
Filoe, hodi tali filoe maek,
met een stuk blad de maek (een zekere
aardvrucht) omwinden als men die wil
koken.
Fina, weversspoel ; een scherf of een
schelp waar ze de »kida" op doen
ronddraaien.
Fini, zaad.
Firi, trekken, voorttrekken.
Firoek, ? — wiroek ; — aan, voorover
vallen, van een hoogte neervallen.
Fisi, met de vingers vaneen doen;
lika fisi, het was noodig ze (de zieke
oogleden) met de vingers van een te doen.
Fisoel, I
ta . > bloedzweer.
Fisoor,
Fltar, gewoonlijk k a n e k f i t a r, lid-
teeken.
Fitis, de kuit van het been.
Fitoen, ster.
Fö, geven, toestaan ; f ó h a t è n è,
doen weten, kennis geven; fö d a 1 a n,
maak plaats (dat ik door kan gaan).
Foa, kakorok foa, kropgezwel ; —
aan, opzwellen.
Foat. in een strik vangen ; k o e d a
f o ï n f o a t, (pas in een strik gevangen)
paard dat nog niet bereden is ; tali
f o at nia ain, zijn voet raakte ver-
strikt in een touw.
Foda aai», zich in zijn volle lengte
oprichten.
Foea, met wortel en al uitgraven, b.v.
om te verplanten ; a n i n foea ai, de
wind ontwortelt een boom ; koe da foea
ai klaledik, het paard trekt het hout
uit (waaraan het gebonden was).
Foean, hart (lichaamsdeel) van men-
schen en dieren ; korrel, pit, stuks ; wordt
gebruikt als hulptelwoord bij de optel-
ling van vruchten, eieren enz. ; k i 1 a t
f o e a n, geweerkogel ; kaboe foean,
vrucht des lichaams ; mattan foean,
oogappel ; ai f o e a n zie a i, vruchten
dragen.
Foruat-ii, sterk, van klapperolie, boter;
naau f., van vleesch, niet versch meer,
daar is een luchtje aan.
Foidi, foedi lawarik, iets aan
een kind geven om het te sussen, iets
aan een vreemd kind geven om het te
gewennen, een kind aangenaam bezig
houden terwijl b.v. de moeder afwezig is.
Foedi foedik, 1 .. ,
j strakjes, strak (van trjcl),
Fnedik aan, > . ' , ,
I eerlang, weldra.
Foedik ksiè, J °
Foelioek, torretje in djagong en
rijst, de klander ; battar foehoek,
wormstekige djagong, vermolmd van
hout.
Foei, inschenken, ingieten.
Foeï, fluit ; f o e ï 1 a 1 1 a n, dwars-
fluit ; foeï lokko raik, fluit met
verschillende gaatjes.
Foeïk ; wild ; o s s a f o e ï k, de wilde
dieren.
25
Foeka, een struik met zaadbolsters
die kapok bevatten.
Foekoen, knokkel, knoop in gelede
stengels, naad in kleeren, een hoofd met
zijn ondergeschikten, het district, het
gebied van zoo'n hoofd ; ai f o e k o e n,
bij boomen, de plaats waar de tak ge-
zeten heeft ; a i n f o e k o e n, de enkel.
Foekoer, ruig, grof, van kleeren, van
matten ; ook als werkw., b.v. t a i s foe-
koer i s i n, schrijnt ; m a 1 1 a n foe-
koer, als het oog pijn doet en er water
uitloopt.
Foelan, maan, maand; foelan m a-
t e, nieuwe maan ; foelan mossoe,
de maan is weer zichtbaar; gewoonlijk
zegt men foelan mate mossoe,
om de eerstvolgende maan aan te duiden ;
foelan nèë nia kaan maun, de
vorige maan ; foelan saè, de maan
komt op ; foelan m o n o e, de maan
gaat onder; foelan naninoe nes-
soen, de maan staat in het midden (let-
terl. de maan kijkt in het rijstblok) ; f o e-
lan koekoen = foelan mate.
Foelikau, strot.
Foelin, aar; hare f., rijstaar; b a t-
t a r f., djagongklos, ook h o e d i f., als
de pisang pas uit is.
Foermttak, ruiken als bloed van een
pas geslacht dier.
Focn, vijandig gezind zijn, zonder
nog teekenen van vijandschap te geven.
Focnak, bont, gevlekt, van kippen.
Foeiian, winst bij verkoop; vonken
geven, b.v. een vuursteen ; figuren b.v.
op een armband ; ai f o e n a n, zie
ai; halo n o f o e n a n, er wat bij
doen, b.v. bij het verkoopen van doek
bij de maat nog wat toegeven.
Foeiii, isin foeni, melaatsch.
Fornin r in 't verborgen, in 't geheim.
Foenit pit van de mangga; noe
f o e n i t, klapperschil.
Foenoe, vijand.
Fof oek, hoofdhaar ; foeoekfali,
staart van den Chinees ; h -o e 1 i f o e-
o e k, luchtworstels van den waringin.
Foèr en kfoèr, vuil; foèr foe-
o e k, het gebonden haar los maken ;
foèr t a 1 i, ontvlechten.
Foerak, aangenaam, lekker, prettig;
foerak é, uitroep van vreugde, prettig
hé, mooi zoo, ook ironisch ; n è ë foe-
rak lolós! (verwijtend) dat is zeer
mooi ! dat is wat moois !
Foeri, planten; foeri hare, rijst
planten (van ladangs ; foeri tora,
gierst planten.
Foerin, schuim.
Foeroek, de sirihplant waarvan niet
de bladen maar de vruchten gekauwd
worden (zie t a k a n).
Foeroet aan, er uit spuiten, zooals
bloed uit een wond.
Focsoe, foesoe kabas = b e t i
kabas.
Foet, zacht, van steenen, van grond.
Foet', wrat.
Foetoe, binden, dichtbinden, verbinden
b.v. een wond ; foetoe foetoe s,
de draden omwinden op die plaatsen,
die van de verfstof moeten vrij blijven;
foetoe lia, iets afspreken.
Foetoen, een gebonden pak ; h a è f o e-
t o e n, een bos gras ; h a r e f., rijstschoof.
Foetoes, het met witte en zwarte
fiomren voorziene weefsel (door het
zoogenaamde ,,ikatten" = „foeloe
foetoes" verkregen) ; t a i s n i n i n
foetoes, de rand van het kleed is
met figuren voorzien.
26
Foh.5, offersteen ; rai fÖhÖ, berg-
land ; e m m a f ö h ö, bergbewoner ;
toer iha fohö, in een bergstreek
wonen.
I'ï'liok, dapper, brutaal.
Folion, het bovenste van iets ; iha...
f o h o n, op, boven op ; n è ë b a f o-
h o n n è ë ba o h a k, dit boven dat
onder; battar fohon, het gedeelte
djagong dat als belasting aan den radja
moet worden afgestaan.
Foïn, pas, zoo even, nauwlijks ; nia
f o ï n 1 a Ö, hij is pas weg ; toen eerst,
b.v. haoe laö tian foïn haoe
k a n o ï n, ik was al weg, toen eerst
dacht ik er aan ; haoe töö nèë
foïn haoe r o n a, ik kwam hier aan of
ik was hier, toen eerst hoorde ik het ; dan,
dan eerst ; nia mai tian foïnami
laö, als hij gekomen is dan gaan wij,
dan eerst gaan wij ; dan gaat het, dan
gaat het goed, b.v. halo noeoenèë
foïn, doe zoo dan gaat het goed.
Foït, aan een kant neerdrukken, zoo-
dat de andere kant wordt opgelicht.
Foï wai, op huwbaren leeftijd nog
ongehuwd ; nog jong.
Fokkit, uittrekken b.v. een plantje
met den wortel, de stoppels van den
baard.
Fokkoe, slaan met een stok of een
ander voorwerp, ook met de hand.
Folai), doorslikken.
Folin, prijs, waarde ; folin kmaan
(lichte prijs), goedkoop; folin todan
(zware prijs), duur.
Folo aan, er uitvloeien.
Fön, de lucht van natte rijst, syno-
niem met f o e b a e n.
Fonan aan, zie n a k f o n a n.
loon. nieuw.
Foït, erwt ; f ore wehale en fore
f o e r a k, kleine, smakelijke erwtjes ; f o r e
r a i, de aardnoot.
Fore foesoe, schroef'.
Foroe, = d o r e.
Forrot, opsnuiven, opslurpen, trekken
bij het rooken.
Fós, gebolsterde ongekookte rijst, ook
hare fós, battar fós; gepelde dja-
gong, korrel, pit, b.v. d i 1 a fós, papa-
japitten ; mattan fós, oogappel.
Fossce, pagaai.
Fotla, splijten bedr.
I ottan, jong, van de manggavrucht.
Fotti, oprapen, opnemen, optillen, op-
heffen, wegnemen, aanstellen tot, aan-
heffen van een gezang, een gebed ; fotti
s i m o e, aanheffen, invallen ; fotti lia,
iets op eigen gezag bevelen, overbrengen
wat niet gelast was ; fotti matan,
de oogen opheffen ; fotti battak en
fotti rai, dijkjes maken in een sawah.
Ffükkoe. zwaar ziek, smoordronken,
erg zwak na eene ziekte.
Frassoek, vierkante flesch, arakflesch.
G
Gïntiw, (Portug. gentio) heiden.
27
H
Ha, eten ; ha m i d a r, zoet smaken ;
ha d i a k, goed smaken, b.v. n a a n
fahi ha diak, varkensvleesch smaakt
goed ; gaarne eten, b.v. naan fahi ami
ha diak, wij eten graag varkensvleesch;
toedik na, het mes snijdt ; h a ï na, het
vuur verteert ; ha kansera, loon ver-
dienen ; ha tabacco, tabak pruimen ;
bijten van dieren, steken van insecten ;
1 a h o na ai, de muis knaagt aan hout.
Haak, boewa haak, groene schalen
die boven rondom den stam aan de
pinangtakken vastzitten.
Haak, zeggen.
Haükfali, haoekaakfali, ik meen-
de, ik dacht ; o m a a k f a 1 i, gij, meendet
enz.
Haan, voedsel, eten, zelf'stnw. ; noe
haan, klapperblad.
Haan, boontjes.
Haas, mangga.
Haat, vier.
Haat, (in plaats van »aat" slecht)
b.v. halo aat ol halo haat, slecht
maken, bederven ; s i r a haat, stuk
scheuren ; h o e ï t haat, stuk trekken ;
krow bakoe haat hoedi, de kar-
bouw heeft de pisangs vernield ; doe 1-
loos? b.v. ketta koeoe haat
halo bokar lai, pluk ze niet doel-
loos af, laat ze eerst dik worden (van
pisangs) ; ketta hanoean haat,
verbrand het niet doelloos.
Habak. stoppen, bij diarrhée.
Haballa, juichend schreeuwen, b.v. de
partij die wint bij het haDenvechten,
iemand die eene onhandigheid begaat
of tegen den grond valt toeschreeuwen
en uitlachen.
Habeban, uiteendoen, b.v. hoog gras
als men er door heen gaat.
Ilabenar, leed veroorzaken ; h a b e-
nar inaama, den ouders leed ver-
oorzaken zooals een jongen die streken
uithaalt, waarvoor de ouders moeten
betalen.
Habeoc, speelsgewijze met een slang
of ander dier de menschen nazetten, ook
met een masker of mom.
Haberan aan, zich verzetten, kracht
toonen.
Habissi a.in, zitten van een radja.
Habissoek, verbeteren als men het
verkeerd zegt.
Habit, klemmen, bedr. ; h a b i t a i n,
het been spalken ; habit baa, een
pagar vastzetten tusschen twee pinang-
latten.
Habit, trekken, strak houden ; — aan,
rukken aan het touw om los te komen
b.v. een gebonden varken.
Haboas, haboas emma, over ie-
mand schertsen.
flabobo, overdrijven.
Habod'k, bevoordeelen.
Haboe, fijn maken, fijn stampen, b.v.
aardappelen, djagong ; haboe r a i, met
opgeheven hand of met een kapmes of
sabel in snellen pas dansen.
Haboea, opjagen, zooals een hond het
wild.
Haboean, iemand voor „b o e a n" uit-
schelden.
Haboeboe, iemand slaan zoodat de plek
28
gezwollen is; o e. dan naboeboe ai,
de regen doet het hout uitzetten.
Haboesik, loslaten wat men in de
hand heeft ; haboesik lia, eene zaak
laten rusten, van verdere bespreking
afzien ; haboesik lia r o han (let-
terl. het einde der zaak loslaten), de eind-
beslissing geven ; laten gaan, laten
loopen.
Habossok, van iemand zeggen dat hij
onwaarheid spreekt.
Habót, vereeren.
Ha da, op orde leggen, nevens elkaar
leggen ; hada fatoek, steenen op
elkaar stapelen, zooals ze doen om een
tuinmuurtje te maken ; hada kotta,
een muur om een kampong maken ; hada
b a h'jo ak ba ai baloen laran,
barang in eene kist leggen.
Hadaan, hadaan hoed i, de ver-
schillende kammen van een pisangtros
los snijden.
Hadaar, uitdeelen, aan ieder wat geven ;
h. m o e r a k, geld op zij leggen om te
tellen.
Haduè, weer in 't wild laten loopen
b.v. varken, paard ; weer wild maken.
Hddaek, bij de hand leiden, b.v. een
kind, een zieke.
Hadact, overzetten over eene rivier,
vertolken ; hadaet we, water overstor-
ten, overgieten, b.v. van een bamboe in
een blik ; koeroe fósiha kar on
hadaet ba lafatin, rijst uit den
zak scheppen in de wan overstorten.
Had ai, leiden aan een stok of touw,
b.v. een blinde, een dief.
Hadak, de op palen rustende vloer
van bamboes, eene rustbank.
II adare, hadare mortèn, met kra-
len omgeven, afzetten ; h a d a r e ai f o e-
nan ba oeloen, het hoofd met bloe-
men omkransen.
Hadat, volksgewoonte.
Hadall, ontnemen, afnemen, iets af-
nemen van iemand die niet betalen
wil of van een derde vangen, grijpen,
b.v. als men vruchten onder een troep
jongens gooit ; h a d a u neon, het
hart stelen ; h a d a n o e k o e n (letterl.
gezag ontnemen, nl. van die eigenlijk
gezag heeft), zich gezag aanmatigen ;
hadan maloe, elkander trachten vóór
te zijn b.v. om iets te krijgen ; d o e o e t
no battar saè nadau maloe,
de djagong en het onkruid groeien tegen
elkaar op ; h a d a u aan, de anderen
vooruitloopen, vóór zijn.
Hadèr, opstaan na het liggen (na het
zitten zegt men h a r i k) ; ontwaken, wa-
kan, wakker zijn, iets bewaken ('s nachts).
H'.idera, lor o nadera battar,
de zon (de voortdurende zonnehitte) doet
de djagong kwijnen ; hadera emma,
iemand voedsel weigeren, iemand laten
verkwijnen ; nia bokoer resik
koeda la bele nia, nia nadera
aan oda lai foin koeda bele
n i a, hij is veel te dik, het paard kan
hem niet dragen, hij moet eerst maar
een beetje mager worden, dan kan het
paard hem dragen.
Hadessoe, op gloeiende houtskool laten
staan, b.v. rijst.
Hiid ia klaar maken, b.v. de tafel, het
paard, iets weer goed maken, repareeren ;
kessi hadia koeda, het paard goed
binden (als het te voren niet goed was
gebonden) ; foetoe hadia, opnieuw
verbinden, b.v. eene wond ;) h a m e n o
hadia, voor goed afspreken ; t e r i k
hadia, voor goed zeggen.
29
Hadia, met een val of strik vangen ;
h a d i a manoe, vogels met een strik
vangen.
Hadiak. h a d i a k i s i n, zijne ge-
zondheid herstellen, of' van een ander:
iemand genezen ; hadiak maloe,
elkander goed behandelen, goed doen.
Hadidir, voor iemand zorgen, b.v. -voor
een weeskind.
Hadidoek, inhalig zijn, alles vragen
wat men ziet.
Hadiki, hadiki ai foenan ba
o e 1 o e n, bloemen in het haar steken.
Iladinai), verwelkomen ; hadinan
m a 1 o e, met elkaar goed omgaan ?
Iladinis, ontzien, te veel toegeven.
Iladó, op zij gaan.
Hadoan aan, zich uitstrekken naar.
Iladóe, uitkiezen.
Hadoear, morsen, storten.
Hadoeboek, hadoeboek oïn, een
zuur, norsch gezicht zetten.
Hadoedoe, het geleende geld met
rente teruggeven.
Hadoeir, van eene helling laten afrol-
len.
Haifoeloer, goed met elkaar omgaan;
sia nadoeloer, zij zijn kameraden.
Hadoel, j
II id oer, j
Hadoeroe, gaande in aanraking komen
met, b.v. ita lao sa wan ita ha-
doeroe k m a u n, als wij 's ochtends
uitgaan, komen wij in aanraking met
den dauw; gaande of loopende langs
strijken, tegen aankomen ; a s o e na-
doeroe lotti haoe, de hond kwam
tegen mij aan, deed mij vallen ; h a-
d o e r o e k a è, au, mandje, een bamboe
op den rug dragen met het touw tegen
het voorhoofd.
fluiten.
Hadoïs verpesten.
Iladomj, medelijden hebben.
Hadöör aan, zich niet moe willen
maken ; loom, traag te werk gaan.
Iladór, vuil maken.
Hadore, in het wild laten loopen, b.v.
paarden.
Harfossan aan, op klagenden toon
spreken ; h a n a n o e hadossanaan,
erg traag, op lijzigen toon zingen.
Haè. gras ; haè manlain, gras
om te dekken.
Haë, min of meer ; indoen, b.v. h a ë
fos ba sasanan, rijst in den ketel
doen ; h a ë 1 i a, eene zaak aanbrengen.
Haër, ongelijk zijn in gewicht, b.v.
twee kisten op een paard, zoodat de eene
lager afhangt ; als tegenwicht dienen
voor, b.v. fö fehoek karonida
hodi haër di baloen, geef een
zak aardappelen om als tegenwicht te
dienen voor de kist ; haër w è n, het
water afgieten b.v. van de aardappelen.
Ilafaè, 1 a ö h a f a è, halfweg gaan ;
liemoe h a f a è, half leeg drinken.
Hafanö, wieden.
Hafali rai, diarrhee hebben.
Hafanoe, hafanoe liman, de
handen wasschen.
Hafee, tot vrouw nemen.
lïafetoe, met den poot slaan, b.v.
vechtende hanen, iets met den voet weg-
schoppen.
Hafoehoe, op de loer zitten, b.v. als
men een dief verwacht.
Hafoela, bespieden, beloeren ; h a-
foela emma matan, zien of iemand
kijkt.
Hafoén, verbergen, iets bedekken op-
dat het niet gezien worde, b.v. een ge-
stolen voorwerp.
30
Hafoena, hafoona 1 i a, bij het
overbrengen van een bericht meer zeggen
dan gelast was te zeggen.
Hafoeoet, zich inwikkelen ; h a f' o e-
o e t t a i s, een doek, een kleed om het
lijf slaan, zich daarin wikkelen, iets
onder zijn kleed houden b.v. een haan.
Hafoetar, versieren.
Haforoe. = hadore.
Hafotti voeren, eten in den mond geven.
Hall aan, voeder, spijzen ; h a h a a n
r a i, nog meer grond er bij werpen, b.v.
om een kuil dicht te maken.
Ha haas aan, (aas : hoog) zich verheffen.
Ilahaat. (aat: slecht) bederven, stuk
maken ; hahaat oïn, een zuur gezicht
zetten, b.v. bij een onaangenaam bevel.
Haliaëk, hanassa hahaek, gie-
gelen, schaterlachen.
Hahaen, iets dikwijls en luid herhalen
als de hoorder doof' is.
Hakali, (hangt misschien samen met
alin) hahali maloe, aan elkander
ondergeschikt zijn in leeftijd, waardigheid;
verschillen in grootte, b.v. vruchten.
Hahanas, warm maken.
II aha nok, lichtkleurige vlekken op het
gelaat, op het lijf.
Hahassan, insluiten (den vijand) ;
hahassan halik, rondom insluiten ;
hahassan ri, eene opening boven
aan den paal maken om de pen van den
dwarsbalk in te laten.
Haheak, met iemand geen medelijden
hebben, niets willen geven om hem te
helpen ; niet willen bijdragen b.v. tot een
begrafenisfeest.
Hahela, van eten dat men op het
bord laat en dus niet bewaard wordt
wordt ; (zie 1 i r i n) b.v. etoe hahela,
rijst die men op het bord laat.
Ilahelik, leedvermaak toonen ; zijn
vreugde luid te kennen geven ; zij doen dit
door te roepen »h e 1 i k aan".
Hahenoe, om den hals hangen, om
den hals dragen.
Habetoe, bedreigen met woorden ; s i a
nahetoe ami atoe hoo, zij be-
dreigen ons te zullen dooden.
Halictten, aanzetten om b.v. ergens
heen te gaan.
Hahi, laten groeien.
Haïti, schreeuwen.
Haliiboek, straffen door te beboeten,
door te slaan ; nai nahiboeknian
a 1 1 a, de radja slaat zijn slaaf.
Habida, indoen, b.v. kalk in een zak,
kleeren in een kist, inpakken, bij zich
steken.
Hahilas, (ilas beeld) vormen ; figuren
van hout snijden ; boeti hahilas,
boetseeren ; hahilas lia, verzinnen ;
kanek nahilas aan, er vormt zich
een wond.
Hahisi, hahisi kilat, het geweer
laden.
II ahoa, werpen van dieren ; krau
n a h o a, klanknabootsend woord van het
geluid der karbouwen.
Hahoé, (halo hoen), beginnen.
Ifaboek, gillen.
Hahoekoer, hahoekoer rai, den
regen tegenhouden ; hahoekoer os-
sa foeïk, wilde dieren vangen, b.v.
door middel van een overdekte kuil ;
hahoekoer emma, iemand vergeven
door vergif' in zijn eten te mengen ; ook
iemand een poets bakken, b.v. door buiten
zijn weten veel spaansche peper in zijn
eten te mengen.
Hahoelin, bergen, opbergen, bewa-
ren, wegzetten of wegleggen, ook r a i
31
hahoelin, iemand het leven sparen.
Haboeloe, hanai hahoeloe, mis-
schien eerbiediger dan »h a n a i" alleen
(hahoeloe = halo oeloen).
HahoeToek, rechtstreeks ; a m i m a i
hahoeloek ita, wij komen rechtstreeks
naar u; nialaonahoeloekhaï
lakan nèë, hij ging recht op die vlam
af.
Hahoenork, van kleeren voorzien.
Hahoeri, hahoeri aso e, een hond
aanhitsen door »h o e r i" te roepen.
Hak oh ak, hahohak ai, een boom
dien men wil vellen, aan een kant diep
uithakken.
Ilabók, vóór iemands huis roepen, om
te doen weten dat er iemand is.
Ilaholok, haholok aan, een hui-
lend kind op den arm sussen.
Hahonoe, laten neervallen van eene
hoogte, laten vallen wat men in de hand
hield ; hahonoe aan, vóór den tijd
bevallen ; hahonoe 1 o r o, b.v. s i a
serewisoe nahonoe lor o, zij
werken tot zonsondergang ; hahonoe
t o e w a liman, een tak met palmsap
aansnijden.
llaboot, (halo moot) verdrinken,
bedr.
Ilulioras, iemand pijn doen.
Ilahoris, baren ; h a h o r i s ha ï, vuur
aanmaken, iets hervatten, b.v. f o e t o e
manoe iha Aisidi emma
namate na, lorofalinemma:
nahoris nikar, met het hanen-
vechten in Ai sidi hebben de menschen
opgehouden, in de oostmoeson hervatten
de menschen het weer ; in het leven laten;
boesa nèë e mi atoe hoö ka
hahoris? wilt gij die kat doodmaken
of in het leven laten?
Hai, een nest maken (synoniem met
daran) ; lawarik sianaioeroe,
de jongens maken kippennesten ; h o d i
battar kommak hai manoetol-
1 o e n, met djagongschil (of wat anders
b.v. kapok) de eieren omwikkelen (op-
dat zij niet breken) ; hai i b o e, iets
vragen en meteen iets meebrengen ter
vergoeding van het gevraagde ; a m i
hodi manoetolloen hodi hai
i b o e, wij brengen eieren mee ter ver-
goeding.
Haï, vuur ; kilatlahaï, het ge-
weer gaat niet af ; — foenan, vonk ; —
ha tamoen, zie haï knamoen; —
klaak, gloeiende houtskolen ; — kna-
moen, een droogrek om boven het vuur
visch of wat anders te drogen ; — lain,
roet tegen de zoldering ; — lakan, vlam :
— lattoen, houtskool ranar; — loe-
tan, een brandend stuk hout ; — niatan.
het middengedeelte van de stookplaats;
het gedeelte tusschen de drie steenen
waarop de pot gezet wordt.
Ilait, loeren, stil nazetten om te
vangen, b.v. eene kat de muis.
II altaar, krassend geluid maken bij de
ademhaling, b.v. ten gevolge van slijm in
de longpijpen.
Hakaas, hard, bijw. ; terik hakaas,
luid spreken ; 1 a Ö hakaas, hard loo-
pen ; oekoen hakaas, streng be-
velen ; — aan, zich inspannen, zich
verzetten ; moras nakaasaan, de
ziekte wordt hevig ; hakaas aan
taan emma, iemand krachtig, driftig
toespreken ; zich tegen iemand verzetten.
H&kaat, vechten, handgemeen zijn.
Hakabar, iets opplakken ; hakabar
a a n, kleven ; tais nakabar aan
ba k a n e k, het kleed kleeft aan de
32
wond ; hakabar aan taan maloe,
tegen elkaar aan staan of zitten.
Hakadak, hakadak moe rak, geld
op rijen of op stapeltjes leggen; ha-
kadak aifoean, vruchten op rijen
of op gelijke hoopjes leggen om te tellen.
Hakaèr, iemand iets in de hand geven,
doen vasthouden, overleveren, onder-
houden ? ami halao sianakaèr
a m i, als wij honger hebben, onderhou-
den zij ons.
llakahik, afraden, tegenhouden ; h a-
kahik anin, tassi, den wind, de
zee stillen.
Hakail, I , ,
\ hengelen.
Hdkair, (
Hakaka, gewoonlijk hakaka iboen,
den mond openen ; n a k a k a, niet
aaneensluiten, b.v. de planken van een
vloer, er is ruimte tusschen.
Hakules, liggen van den radja.
II h ka mi aau ; onduidelijk, onverstaan-
baar spreken.
Hakanas, afweren, tegenhouden, b.v.
een hond, menschen tegenhouden om b.v.
te vechten, iemand het spreken beletten ?
llakane, ta hakane, een wond
slaan.
Hakanoe, hakanoe ai, een gleuf
maken in den rand van een dikke plank.
Hakara, verlangen, gaarne doen, van
iemand of iets houden.
Hakari, uiteen doen, uit elkaar
nemen, de verschillende deelen van iets.
Hakatta, hakatta ai foean,
vruchten plukken vóór ze rijp zijn.
Ilukatti. gewoonl. matan nakatti,
dommelen, slaperig zijn ; b i o e n na-
katti, als de tol zoo vlug draait dat
men het draaien niet meer ziet.
Jlakaiï, op den arm dragen, b.v. een
kind, een haan of wat anders, begeleiden,
nl. den radja of een toewan.
Hakawak, achtereenvolgens elkanders
tuin wieden,
Hakbaiiak, schatten, berekenen ;"s o s-
sa hakbadakdeï, volgens berekening
koopen, niet meer dan het lijden kan.
Hakbakkeii, iets over den schouder
dragen, zoodat- het aan weerszijden over-
hangt ; ainakbakkenaanbaai
i d a, een omgehakte of omgewaaide boom
blijft op een anderen boom hangen of
rusten.
Hakbaloek, overlangs in tweeën snijden
of hakken, b.v. bamboes.
Hakbarat, hakbarat foeoek, het
haar geheel uit elkaar doen, uiteen
kammen ; het haar niet oprollen of niet
met den hoofddoek samen binden.
Hakbèkek, iemand onverwachts luid
toeroepen, zoodat hij opschrikt ; met een
luiden schreeuw er tusschen komen als
er b.v. twee aan het vechten zijn.
liakbella, van iemands partij zijn in
den oorlog, in het spel ; partijen maken
vóór het spel.
Hakberak, bang zijn b.v. om de rivier
over te steken.
Ilakboea, in beweging komen, b.v.
menschen ; i t a k r e ï s f o ï n n i a
n a k b o e a, als wij er dicht bij zijn,
komt hij eerst in beweging (van een
vogel »f a f i o e r" genoemd); h a k b o e a
h a r i, uiteen gaan van een troep men-
schen, uiteen vliegen van vogels ; 1 a r a n
n a k b o e a, (letterl. het binnenste is in
beweging) misselijk zijn, neiging gevoelen
tot braken.
Hakboekar, een knoop in een touw
leggen, iets in een doek knoopen, b.v.
geld.
33
Hakboeoet, gekauwde obat op een
wond, op het zieke deel spuwen.
Hakbonail, iets vóór in de' sarong
steken of dragen (van mannen).
Hakborat, h. m a s s i n, n a a n, zout,
vleesch of wat anders in een gebangblad
wikkelen om mee te nemen.
Hakdadak, h. b o r a, met twee of meer
onder één regenscherm gaan.
Hakdaet, lao hakdaet, voortdurend
op reis zijn, van het eene land naar het
andere reizen.
Hakdassa, zich in zittende houding
voortbewegen, voortschuiven ; 1 a w a r i k
nakdassa, een kind dat nog niet
loopen kan.
Hakdioek, spelen.
Hakdobos, kruipen.
Hakdoros, uitglijden, ergens afglijden;
m o t a n a k d o r o s, de rivier neemt
af, zakt ; nakdoros mails, zakt snel.
Hakè, zeggen als men zijn woorden
of die van een ander aanhaalt, ook t e r i k
hakè, b.v. h a o e k a k è of h a o e
t e r i k k a k è, ik zei ; h o 1 1 o e n i a
n a k è, toen zei hij.
Hakeail, vakken maken, in vakken
af deelen, scheiden, splitsen ; hakean
hare, rijst ziften ; hakean aan,
zich splitsen, zich afzonderlijk vereenigen,
b.v. grooten afzonderlijk en kleine
afzonderlijk.
Hakella, overheen stappen.
Hakeloe, iemand bij den arm onder-
steunen.
Hakere, benijden.
llakerik, figuren op iets snijden,
schrijven, gewoonl. h a k e r i k soerat.
Hakessir, het land aan iets hebben.
Haketi, kepen maken b.v. in een
klapperboom, om er gemakkelijk in te
klimmen ; doman naketiinoer,
de bril maakt een keep in den neus.
Hakettak, door een heg of wat anders
afscheiden, afschutten ; motanaket-
t a k, eene rivier splitst, ligt er tusschen ;
tassi nakettak, .de zee scheidt,
ligt er tusschen ; amimai haket-
tak, wij komen met tusschenpoozen,
sommige Zondagen komen we, op andere
Zondagen weer niet, er tusschen liggen
van tijd, b.v. loron roewa noeloe
nakettak, er liggen twintig dagen
tusschen.
Hakfaek, toer h., van elkaar af wo-
nen, uiteen wonen.
Hakfaloe, sella nakfaloe, het
zadel zit schuin, helt aan een kant over ;
h. toen hosihadak, van de bali-
bali afrollen.
Hakfilas, zich omkeeren, van iemand
die ligt.
Hakfisik, h. n e a n, de tanden ont-
blooten.
Hakfoeïk, wild, dartel zijn, van een
paard, hollen ; koe da nakfoeïk
nodi emma, het paard holt met den
ruiter voort ; emma dahoer nak-
foeïk, zij vieren dol feest.
Hakfoenin, zich verbergen.
Hakfohok aan, zich dapper houden,
brutaal zijn.
Hakia.lt, opvoeden, opkweekeu.
Hakidoek, achteruitgaan.
Hakiïs, met iets spelen, zooals kinderen
met wat hun in de hand komt ; h. w e,
met water spelen, elkaar nat gooien;
h. 1 i a n, op klagenden toon spreken.
Hakirik, h. o e, rottan in smalle
strooken snijden om stoelen te matten;
11. haan, van boontjes de randen afhalen ;
nia kaan taran hakirik t ia B a,
34
zijn (van de »hedan") dorens zijn er
al afgehaald ; h. emma, een verdachte
ondervragen ; oelar nakirik ita ;
de wormen verteren ons (in het graf).
Haklsa aan. te zacht zingen? zacht
sehreeuwen ?
Hakkar, handspan, met de hand meten,
voortgaan, voortschrijden, gaan; foïn
n a k k a t (van een kind), het begint
pas te loopeu.
Haklakkeir, op elkaar leggen, b.v. van
sarongs, vellen papier, sirihbladeren.
Hftkluok. begeleiden van bruid en
bruidegom.
Haklaran, verwelkomen; h a k 1 a-
r a n m a 1 o e, met elkaar goed omgaan,
in vrede leven ; haklaran lawarik
o a n, een huilend kind sussen.
Ilaklarj. schilleu.
Haklattoek. h. m a 1 o e, tegen elkaar
aaudriugen, op elkaar liggen.
Haklaut, in schijfjes snijden.
Uakledik. ta h., ergens recht inhak-
ken (staat tegenover »ta samaen"); k i-
lat foean kona uakledik, de
kogel treft vlak, komt recht aan.
11. «kb ka, toba h., op den rug liggen.
Haklelas. zich wentelen, rolleu. b.v.
een paard.
Haklettck, over heen loopen. b.v. over
een boom die over een beek ligt, over
een boomtak.
Uuklili, iets aan eeu riem of touw
over den schouder haugen. b.v. een kapmes.
Hakiiscek, met velen te gelijk;
emma nodi manoetolloen mai
naklisoek, zij breugen eieren met
velen te gelijk.
Hakloerin, met velen te gelijk, b.v.
ergens heeu gaan, een of ander werk doen.
Hakloraii, h. t a 1 i, van twee touwtjes
één maken door ze over het been te rollen.
Haklotti, omvallen.
Hakmam, voorover leunen.
Hakuiais aan?
„ , , } smekend vragen.
Hu knuss k aan,
Hakmattek, zich heel stil houden ;
tassi nakmattek, de zee is kalm ;
sia dokko nakmattek, als zij
van deu schrik bekomen zijn, bedaard zijn.
Halt mans aan. zich verrijken.
nakmèdor m.ittan, vertoornd aan-
kijken.
Hakmisak. uitpersen, b.v. de etter
uit een zweer.
Hakmö, afspoelen, b.v. versch vleesch ;
h. f ó s, rijst Avasschen vóór het koken ; h.
battar, goede djagongkorrels uitkiezen
en afzonderen om te planten ; toer
hakmö aan, afzonderlijk zitten.
Hakmoenioe we, den mond spoelen;
f ó s n a k m o e m o e we, als bij het
rijstkoken het water te suel is opgedroogd
en ten gevolge daarvan de rijst niet
gaar wordt.
11 a k mooi. h. f a h i, de varkens roepen
om ze te voeren.
11 a kn aan. kauwen, herkauwen.
Ilaknaar. vegen.
Haknadoek. den grond uithollen zooals
een muis doet ; lahönaknadoek
o e m a, de muis maakt een gat in het
(strooien) dak.
Haknakki, haknakki emma =
s e ï emma.
Haknatta. stuk bijten.
Haknank, tegen iets inruilen ; h.
m a s s i n, tegen zout inruilen.
Haknaus, h. battar k a i n, de dja-
gongstengels van het vorig jaar bijeen
doen om te verbranden, droge blaren en
vuilnis bijeen vegen en daarna verbranden.
35
Haknè, h. b o e w a, pinangvrucht
schillen.
Ilaknèk, met kleine beetjes geven of
nemen ; h. ai ma roek baemma
m o r a s, nu en dan een weinig obat
aan den zieke geven ; ook fö h. ; sossa
h., nu en dan een weinig koopen.
Haknekoer, h. a i, een boom in stuk-
ken kappen of zagen.
llakiioe, h. b a 1 1 a r, djagong binden
tot bosjes van 100 klossen; h. fahi,
de voor- en achterpooten van een varken
bijeen binden ; h. n a a n, eenige stukken
vleesch bijeen binden om weg te brengen.
Haknoea, in de schede steken.
Haknor, dreigen.
Hakoak, omvatten, omarmen.
Ilukobos, het meel uit den djagong-
korrel eten, zoodat de schil alleen over-
blijft, zooals de klander doet ; miraen
nakobos ai, de witte mieren hollen
den balk uit.
Hakoeak, een gat in iets maken.
Hakoei, h. koeda, een paard dat
nog achter is roepen ; h. a a n of h. i s i n ;
ineenkrimpen van kou (zie nakoeï).
Hakocock, ami ata hakoeoek
1 a i, eerbiedige uitdrukking der onder-
danen tegenover hun rad^a, waardoor zij
te kennen geven dat zij iets aan den
radja willen zeggen.
Uakoer, h. o e k o e n, een gebod over-
treden ; h. m o t a, eene rivier over-
steken, over, overheen ; ketta ta ka-
koer metan, kap niet over de zwarte
streep ; nani hakoer, overzwemmen ;
nia nakoer we mön tiana (letterl.
hij is het heldere water overgestoken),
hij is hersteld ; dit werd gezegd van
pokkenlijders.
Ilakocsoek, ondervragen, onderzoeken
om te weten wie schuldig is of om eene
verlorene zaak terug te krijgen, naar
iemand zoeken, uitkijken waar iemand is.
Hakohik, iemand aangrijpen om hem
neer te werpen.
Hakokkon ; 1 a h., niet terugschrikken
voor gevaar, voor misdaad ; nia la
nakokkon sasa, hij schrikt voor
niets terug.
Hakole, iemand vermoeien.
Hakoli, voor langeren of korteren tijd
ergens heen gaan met het plan om terug
te keeren, herhaaldelijk ergens heen gaan
en weer terugkeeren,
Hakoloek, de laatste bijgeloovige han-
deling van den ziekebezweerder als de
zieke hersteld is.
Hakoi), emma hakon, van iemand
die niet te lang en niet te kort, niet
dik en niet mager is.
Hakona, aan de menschen die bij het
slachten van een karbouw of varken
vleesch genomen hebben, den dag doen
weten waarop zij betalen moeten ; aan de
menschen doen weten dat zij bij elkaar
moeten komen? aan een hoofd doen weten
dat mijnheer zal komen?
Hakonoe, gaan helpen in een oorlog,
aanvullen, vol maken.
lïakooi, begraven ; h. fehoekba
ahoe kadessan, aardappels onder de
asch leggen.
Hako'oes. in het kleed bij zich dragen
(van vrouwen) ; hako'oes liman,
den arm in een verband dragen.
Hakore, h. n e o n, iets doen begrijpen,
iets leeren, iemand iets doen weten wat
hij vergeten had ?
Hlkorors, h. s oer ik, door middel
van een zwaard een Godsgericht uitoe-
fenen.
36
Ha kor ro. vischjes vangen met de hand
of met een schepnetje.
Hakottan, in een liggenden boom op
korte afstanden insnijdingen maken om
den bast en het spint er gemakkelijker
af te hakken; kepen maken in een hout
dat voor ladder moet dienen.
Hakottoe, h. 1 i a, eene zaak beslissen,
uitmaken, stuk maken, vaneen doen van
rekbare voorwerpen.
Hakraat, h. o ï n, een huilend gezicht
zetten.
Hakreker, h. n e a n, de tanden ont-
blooten.
Hakrekot, h. b a a, een pagar ondoor-
dringbaar maken door er doornstruiken
of takken tegen aan te leggen.
Hakribi, walgen.
Hakróe, h. m a n o e, kippen bijeen
roepen om te voeren.
Hakroeoe, I hakroeoe o ï n, en
Hakioc<ek ; ^ hakroeoek oï n, een
zuur gezicht zetten, een streng, norsch
gelaat toonen.
Hakróo, op iets trappen.
Haksaek, h. e m m a — h ak t an e k
e m m a; — aan, zich verheffen.
Haksaen, iets over den schouder dra-
gen — hakbakken.
Haksakkar, r a i h., in tegenover-
gestelde richting nevens elkaar leggen.
Ha h. sa luk, eten van den radja; nai
sei naksalak, de radja eet nog ;
toetan haksalak, lasschen b.v. twee
balken, zoodat de twee einden in elkaar
grijpen ; twee latten met de einden aan
elkaar vastmaken ; haksalak ba
haksalak mai, druk komen en gaan ;
de eersten zijn nog niet weg of de ande-
ren zijn er al.
Haksarak aan, zich beschutten b.v.
met een schild, het lijf wenden om niet
geraakt te worden ; haksarak aanba
e d a n, zich tegen den regen beschutten.
Haksassak aan, zich dapper houden,
brutaal zijn = hakfohok aan.
Hakseok. eene uitnoodigino- om mee
te eten afslaan, bidden.
Hak sessock, zich samendringen ; n a-
wan naksessoek, benauwd, zeer
kwaad, zeer gram zijn, bijna stikken in
zijn toorn ; r ai naksessoek, benauwd
weer.
Haksetik, zich samendringen, zich
vernauwen, b.v. water in eeu engen door-
tocht : w è n n a k s e t i k, van etter, bij
een zweer.
Haksetoer maloe. elkaar wederkeerig
verwijten, ook uit gekheid, b.v. e m m a
Fialaran na k 1 e k a t, e m m a D o e-
1 i 1 o e na t i, de menscheu van F. eten
kikvorschen, de menscheu van D. eten (?)
llaksiïk. het iemand te doen geven ;
haoe kaksiïk o atoe kakoeai
n è ë, ik zet het u om dat boompje uit
te trekken.
Hakscedik, bij elkaar komen, zich
verzamelen.
Haksoesoek aan, ineenkrimpen; e in-
ma toer naksoeoek aan, iemand
zit ineengedoken.
Haksokkè, met een zwaard in de hand
dansen van een man, terwijl de vrouwen
danseu en trommelen.
Htiksoït, springen: h. krau foe-
t o e, springen met de voeten tegen elkaar.
Uaktabak, h. b i o e n ; met den tol
spelen.
Haktamocs, smakken bij het eten.
Haktauek, h. e m m a, iemand iro-
nisch toespreken, b.v. o n a i ka? ben
jij een radja ?
"X
37
Haktattak. elkaar bijten, b.v. paarden ;
emma naktattak taan we, zij
vechten? om water, ieder wil het eerst
drinken.
Haktebek. elkaar schoppen, trappen.
Haktèk, zeggen tegen iemand: o
mattan tèk, tegen iemand die mis
kijkt ; o liman tèk, tegen iemand die
mis gooit of mis schiet.
Haktebos, spartelen in het water.
Hakteoik, reeds meermalen.
Iluktidii), verzakken, inzakken, b.v. van
grond, verminderen, enz., afnemen enz.
II ;i kt iï K. hinken.
Haktiït, h. s a è, opspringen ; h. s a i,
er uitspringen.
Haktoeboek ; twee uiteinden van iets
aaneen doen sluiten, b.v. van twee dak-
latten (zoodat de einden niet over elkaar
heen schieten = h a k s a 1 a k) ; h. h aï,
het vuur aanhouden (de stukken brand-
hout verder inschuiven, zoodat de uit-
einden elkaar raken).
Hakwa, iets 's nachts buiten leggen
om het te laten bedauwen.
Hu hul', hoog onkruid met het kapmes
afhakken.
Halaè, tot man nemen.
Ilalu', loopen, wegloopen, vluchten ;
h. hare we, karbouwen over een sawah
laten loopen om den grond los te woelen.
Halaik, doen verwelken.
HalakooD, zoek maken, verwoesten,
b.v. een kampong, een landstreek ; h.
n a i, een radja begraven; emma knaok
nalakoon isin lalon, een dief
verbeurt zijn leven.
Halaniak, eten van den radja; nai
s e i nalamak, de radja eet nog.
Halanin = hanalin.
HalaÖ, honger hebben, ook k a b o e n
n a 1 a Ö ; achter een bijvnw. of werkw.
duidt het eene toename aan van de
eigenschap door het bijvnw. of werkw.
uitgedrukt, b.v. nia matas nalao,
als hij ouder is geworden, als hij in
leeftijd is toegenomen ; s i a a t o e
b e e ï k n a 1 a Ö, zij zullen dommer
worden ; kwaik nalao leetama
s c h o 1 a, als hij grooter is zal hij op
school komen ; nia natènè nalao
n a, hij begint er al meer van te kennen ;
h. m a 1 o e, niet lang na elkaar ; s i a
mate nalaömaloe, zij zijn niet
lang na elkaar gestorven.
Halara, verminderen bedr., afnemen
bedr. ; kar on bodan resikami
h a 1 a r a f ö s i h a d a 1 a n, de zak was
te zwaar, onder weg hebben wij er rijst
afgenomen ; k o e r o e h., door scheppen,
uitscheppen verminderen =* afscheppen ;
ai tahan boe ras resik ta h.
o d a, de bladeren zijn te dicht, kap er
wat van af.
Halattoe, achtervolgen, achternaloopen
b.v. een kip om ze te vangen; h. k o e d a,
de paarden voortdrijven, b.v. naar den
stal, achternazetten, b.v. om ze te vangen.
Iliilawïii, halawïn ai, de dunne
takjes afhakken.
Haleka, h. 1 i m a n, de hand ophouden
met de binnenzijde naar boven; h. fahi,
een varken op zijn rug leggen ; h. k o-
foe, mak o, een drinkglas, een kom
of kopje met den voet op tafel zetten
(omgekeerd is h a t a k a).
Halelar, met velen te gelijk roepen
en schreeuwen, b.v. bij het betrappen
van een dief; iemand uitlachen, geen
medelijden hebben.
Haléïas, voortwentelen, b.v. een steen
voortrollen, b.v. een boom.
38
Halele, iets op het water doen drijven ;
uitroep: gaat op zij! h. aan, drijven enz.
Hak'Iok h. w e. water afleiden.
Haïcnoc, leenen van iemand en aan
iemand.
Illlcof, ook 1 a ö h.. omloopen,
een omweg maken, voor iets of iemand
uit den weg gaan, ontwijken.
Halooer aau, talmen, iets erg
langzaam doen.
linies, verscheuren.
Halèt, met tusschenpoozen b. v.
s e r e w i s o e h. vandaag werken, mor-
gen weer rusten; tijd laten b. v. sere-
wisoe nalèt haoe atoe ba,
als de werkzaamheden tijd laten zal ik
gaan, verrassen van vijanden.
Halt. waringinboom.
Hali aan. ■= h e 1 i aan.
11 il in . geluid geven van vogels, in-
secten, klinken b. v. gong, knallen van
o o"
een schot ; h. m a n o e, door schreeuwen
de vogels verdrijven, b. v. van een rijst-
veld ; nai baloe nalia emma,
de koning ontbiedt iemand.
H&iidoe, de uitstekende punten maken
op den deksel van een rijstrnandje.
Haliïs, schuin houden.
Halik. rondom, omgeven, omringen
de omtrek van iets; tassi nalaih.,
de zee omspoelt ; nia nalik nia
Halikoe, kijken, op iets letten, naar
iemand omzien in de beteekenis van voor
iemand zorg drageu, zich iemands lot
aantrekken ; koa halikoe limau,
als je snijdt, pas op je hand: h.
o e r a t. de ingewanden van een kip,
de lever van een varken of karbouw
nazien om de oorzaak der ziekte op te
sporen, of om te zien of de ziekte spoedig
zal ophouden ; h. ba d a 1 a n, een
afscheidsgroet, letterl. kijk naar den weg,
let op den weg: h. heen. niet bijstaan,
aan zijn lot Overlaten, b. v. een zieke.
Ha lila, iets voortrollen.
Halii'1, h. hare, gepelde rijst met de
vingers opnemen en weer in de wan laten
vallen, opdat het kaf of ander vuil weg-
waaie.
Halirin, h. emma. iemand voedsel
weigeren ; h. aan, zich zelf voedsel
weigeren ; h. k r a u a i n. karbouwen
die een rijstveld hebben omgewoeld met
offerbloed besprenkelen.
H&lis, halo, het geluid dat men met
den mond maakt, als het eten te warm
is, doen, maken ; halo noeoesa (let-
terl. doen hoe) hoe, op wat wijze; h.
b i s s i, oorlog voeren : h. k e d ó k o d a.
btel wat uit ; h. aat bederven, stuk
maken ; h. d a 1 a n, pomali maken als
iemand ziek is ; h. b a 1 i a, eene zaak
noenoen ba ai ida, hij krult zijn van iets maken; h. d i a k, goed behan-
snuit om een balk ; manoe nalik
m a 1 o e, de (gebonden) kippen raken
verward in eikaars touw.
Halik aaD, samea nalik aan
ba ai, een slang kronkelt zich om een
boom ; koeda nalik aan, het (ge-
bonden) paard raakt verward in zijn
touw ; tali, kabas nalik aan,
het touw, de draad is in de war.
delen, h. aat, slecht behandelen; h.
emma, iemand kwaad doen door te slaan,
te verwonden ; senalohaoeoan!
wie heeft mijn kind kwaad gedaan ? laten ;
h. nia m a i, laat hem komen, halo
aan, b.v. koeda seï nalo aan, het
paard maakt nog beweging, is nog niet
bedaard.
Halo bik, tot haast aanzetten.
^v
39
Halcea, ook haloea taan, verge-
ten ; haoe kaloea taan baloe, ik
heb het gedeeltelijk vergeten.
Haloeboe, h. nanoetak, de nagels
snijden, kleine stukjes van iets afsnijden ;
h. f o e o e k, t i m i r r a h o e k, de ha-
ren, den baard wat afkorten ; haloeboe
koeda ikoen, den staart van het
paard afkorten.
Haloeboer, in getal overtreffen, b.v.
den vijand ; oan wain naloeboer
i n a a m a, veel kinderen is voor de
ouders lastig, fig. groeien de ouders boven
het hoofd (hangt samen met »loeboer"),
het wordt hun te machtig om ze b.v.
allen aan den kost te helpen.
lliiloeli aan, van iemand die zich niet
met anderen ophoudt, niet met anderen
praat of speelt, ongenaakbaar zijn, zich
heel stil houden.
Haloeri, h. h a ï, het vuur, op het veld
verder laten branden zonder op gevaar
te letten.
Halorroe, nalezen, op een geoogst veld
overgebleven aren zoeken ; ook h. t o e ï r
en h. ikoen, h. battar ikoen,
hare i k o e n, de overgeblevene djagong-
klossen of rij staren zoeken ; h. m a n a e,
f a h i, zien of er op een verlaten erf nog
kippen ot varkens zijn achtergebleven,
om zich die toe te eigenen.
Haloeroek. de na het branden op het
veld uitgespreide nog niet verbrande
takken bijeen doen om te verbranden.
Ilaloewa, verwijden, verruimen ; h a-
1 o e w a r a i, een terrein open maken,
ruim maken ; tahaloewarai, een
terrein open kappen.
Ilalolo, recht maken, recht buigen,
verbeteren als men een verkeerd antwoord
geeft, effen maken ;h. emma kmalar
ketta lao benar, de ziel van een
afgestorvene den rechten weg doen volgen
opdat zij met dwale ; achter een werkw.
heeft het de beteekenis dat de handeling
is afgeloopen ; ohin sor la hottoe
daun, awan sor haloio, vandaag
hebben zij nog niet alles gedekt, morgen
dekken zij het af (een huis) ; s i a
looi nalolo, zij zijn klaar met het
binnenbrengen (van hun djagong).
Halolon, spannen, b.v. een touw.
Halón, hopen, bidden.
Halore, iets omhoog houden om te
doen zien ; h. a a n, zich vertoonen, voor
den dag komen.
Halos, rechtvaardigen ; h. 1 i a, eene
zaak bespreken om ze in orde te brengen ;
h. a a n, zich rechtvaardigen.
Halót, (k 1 ö t enz.) bijeen drijven,
voortdrijven, achternazetten.
Halotti, doen omvallen.
Humaan, (k m a a n, licht), verlichten ;
liamaan i s i n, uitrusten ; h e m o e
ai moroek hodi hamaan isin,
obat drinken om het lichaam te verlichten.
Hamaas, fluisteren.
HamaloP, aanvullen, vergezellen.
Hamamar, zacht, week maken ; h.
t a 1 i, f e r r e o e, het touw, den teugel
vieren ; h. emma, iemand gunstig
stemmen, gewennen, hodi haan h.,
met eten te geven gewennen, b.v. een
kat ; h. liman ba f a t o e k 1 a i,
de hand eerst op de lei gewennen ;
h. a a n, voor iemand onderdoen, zwich-
ten, zich laten verleiden, zich zwak
gedragen.
Ha ma moe, leeg maken.
Hdinanas, = h a h a n o s.
II iiiura, drogen, droog laten worden ;
h. raan, bloed stelpen, de tegenpartij
40
in het spel niet aan de beurt laten komen ;
nia nam ara akadiroen hoen
(letterl. hij heeft een lontarpalm droog
gemaakt), hij is gestorven aan de pokken.
Hamatta, in elkaar zetten, b. v. de
verschillende stukken van een kast, eeu
ff e weer dat uit elkaar was genomen :
h. k o e d a, paarden van verschillende
eigenaars bijeen doen komen om b. v.
barang te laten halen ; h. e m m a. men-
schen bijeen doen komen voor het een
of ander werk.
H ..muitte, komt voor in de beteekenis
van ophouden met iets en staat dan
tegenover »hahoris', zie dat woord :
h a ra a 1 1 e ha ï. vuur uitdoen, blusschen
— h Ö O ha ï.
Hamatten aan, zich heel stil houden ;
haoe boloe o, o mamatten aan
d e ï. ik roep u. gij blijft maar stil zitten ;
laö h. aan. heel zachtjes loopen om
b. v. iemand onverwacht te grijpen.
ILmiaus, tam maken, doen bedaren,
sussen, b. v. een huilend kind.
Haiiied, h. matan taan emma.
iemand kwaad aankijken : t o è h o d i
h. o ï n. hevig twisten (h. om. letterl.
het gezicht rood maken) ; h. aan. zich
inspannen, zijn kracht gebruiken; firi
h. aan, trek met kracht ; i t a f o 1 1 i
sasa todan ita hameaaan. als
wij iets zwaars optillen spannen wij
ons in.
Hameek, spits maken.
Hameken aan, zich als een kind aan-
stellen.
Hanieno, afspreken, beloven ; h a m e-
n o hela, gelasten vóór het vertrek
(zie h e 1 a); n i a n a m e n o t o e ï a m i.
hij heeft met ons de afspraak meegegeven.
Hamero aan ; luid huilen.
Hameti, vast maken ; h. emma n e-
o n. iemand geruststellen.
11 1 mis. offeren ; sia noesi kona
sia namis naiin ba sian kilat,
als zij raak schieten offeren zij vleesch
aan hun geweer ; hobannaan hadi
h. a m i s, (gezouten) vleesch weeken om
het zout er uit te doen trekken (zie mis).
Ilamóe gonzen ; ruischen van den
wind.
Hamoë, verlegen maken, beschamen,
en dus ook soms : beleedigen.
Hamoeka, schuilen, er niet uit komen,
niet voor den dag komen ; - — kilat
foean namoeka, de kogel blijft
(in het lijf) zitten : namoeka ka
b o r o e s ? is (de pijn) tot op zekere
hoogte of heelemaal door?
Hamoekit, arm maken.
Ilamoelak bidden.
Hamoeoe, in den slaap met den me
geluid maken ; brommen. -\
Hamoetoe, te samen brengen, vere
nigen. gezamenlijk ; ha h., gezamenli
eten : t a m a h., samen binnengaa
overeenkomen, b.v. sia kaan na ra
namoetoe. hun naam komt overeen,
zij hebben denzelfden naam ; i n a a m a
namoetoe, de ouders (van die kinde-
ren) komen overeen, zij zijn van de-
zelfde ouders.
Hamokoe, laö h., over een terrein
heen en terug loopen ; h. emma,
iemand arm maken door hem alles af
te dwingen, door hem voortdurend te
beboeten.
Hamoroek. h. naiin t a s s i. visch
bedwelmen (om hem te vangen).
Ham os, zuiveren, reinigen, schoon
maken.
Hamoti ; droog maken; h. r a a n, bloed
41
stelpen ; h. av e, eeu plek in eene rivier
droog maken om garnalen te vangen.
Hamotto, zwijgen, ophouden, van wind,
regen, ook van ziekte.
Haiucttoe, verbranden bdr. li. soera t,
papier verbranden.
llana, schieten met een boog.
Ilanaat, gewoonl. h a n a a t s a è,
naar boven kijken.
Nu nabil*, iets dubbel vouwen; rai h.,
in rijen achter elkaar leggen ; h. a a n,
zich in rijen achter elkaar plaatsen.
Hanaè, kijken, bezichtigen.
Haiiai, (nai radja) ; h a n a i ba, on-
derdanig, onderworpen zijn aan den radja,
ook aan de ouders of aan anderen die
gezag hebben.
Ha n ah, h. k a 1 e e k, niet de »kaleek"
spelen.
Hanak aan, te voorschijn komen, uit-
springen, ook hanak aan sai; a s-
soe nanak aan horriraikoeak,
een hond sprong uit een kuil te voorschijn ;
nanak aan doeoek (van een kurk),
hij sprong er van zelf af; emma toer
moetoe. teki tekiremmaida
nanak aan sai, de menschen zitten
bij elkaar, plotseling treedt er een uit
de menigte te voorschijn ; hanak
aan s a è, opspringen uit iets.
Hanalin, snijden, lubben.
Hananoe, zingen.
Hanaö, stelen.
Ilanassa. lachen ; h. e m m a, iemand
uitlachen.
Ilaiiattar aan, met een troepje bij
elkaar zijn, van menschen, ook van dieren.
Ilaiiiiu. h. e m m a, zich ontevreden
over iemand uitlaten ; h a n a u aan,
bij zich zelf morren, b.v. over een gegeven
bevel.
Hanaur, pluizen.
Ha n uw ii, ophouden, rusten.
HaiMT. kruipen, verder groeien van
kruipplanten.
HaneeiT, verzoeken om.
Hanelin, iets neerdrukken ; h. h i r o e s,
met gekauwde sirih en pinang en obat
over iemands borst strijken bij ziekte,
of ook bij kinderen die van hunne ouders
verwijderd zijn, opdat zij niet te veel
aan hunne ouders denken ; h. k r a u,
karbouwen op die wijze bestrijken, opdat
zij niet naar hun vroegere kudde terug-
loopen.
lïaneïn. h o d i talia h., met het
kapmes dreigen, even raken maar niet
doorslaan ; h o d i k i 1 a t h., met een
geweer dreigen, doen alsof men schieten
wil ; h. a i, een hout of plank op of
tegen iets doen steunen.?
Hanek mattan, offermandje.
Haneloe, leenen, beurtelings ; s a è
haneloe sia roewa, ze beurtelings
berijden (van twee paarden).
Haneoer, haneoer maloe, elkaar
gekscherend verwijten; — aan, onwillig
zijn, ongehoorzaam zijn, pruilen.
Haneras. in de luren winden.
Hanessa, op orde plaatsen, rang-
schikken, op een rij plaatsen, even, b.v.
bof h., even groot (beter is bot nessa
n e s s a n).
Hanètan heen, (soms alleen h a-
n è t a n) van te voren ;haoe kahida
kanètan, heen; haoe kaan bokaè,
ik pak van te voren mijn proviand in ;
haoe kali koe hanètan halai
f a 1 1 i n, ik keek van te voren naar
eene gelegenheid om weg te loopen.
Hanetik, h. d a 1 a n, den weg ver-
sperren ; h. k o e d a, een paard tegeu-
42
houden door er dwars voor te gaan staan
of b.v. een touw dwars over zijn weg
te spannen ; er tusschen liggen van tijd ;
t i n a n i d a n a n e t i k, er ligt een
jaar tusschen.
Haïti, heel schuin houden, b.v. een
glas, zoodat het laatste vocht er uit moet
loopen ; h a n i aan, b.v. o e m a nani
aan, (het huis) het dak is erg steil,
zoodat de regen er terstond afloopt ;
halo we nani aan lai, laat het
water er eerst afloopen.
Hanimab, ergens vertoeven voor kor-
teren of langeren tijd, rusten ; 1 o r o n
domingo ami la serewisoe
a m i h., 's zondags werken wij niet, wij
rusten ; haoe kanimak oda, haoe
i s i n m a n a s, ik rust wat, ik toef
wat (thuis), ik heb koorts.
Hanini aai), uitwijken voor een radja
of voornaam man, een radja groeten als
men weggaat.
Hanlnoe, naar beneden kijken ; ook
h. toen; foelan naninoe nes-
soen, de maan staat in het midden
(letterl. de maan kijkt in het rijstblok).
Hanirock, zich verwarmen ; h. 1 o r o,
h. ha ï, zich in de zon, bij het vuur
verwarmen.
Hanisi, bijten.
Ilanit h. m a n o e, met lijm vogels
vangen ; ai w è n n a n i t m a n o e, de
lijm houdt den vogel vast; taau na-
nit natós kasso, de schoenen blij-
ven in den modder steken.
Haiioean. verbranden bedr.
Hanoed.t, neerlaten b.v. een boompje
in de bestemde kuil, laten af hellen, op
den grond laten rusten, b.v. eene plank
af lange lat die iemaud op den schouder
draagt met het eene einde op den grond
laten rusten ; rai nanoeda aan,
bellend terrein ; oesoek nanoeda
aan ba ai n è ë, de daksparren rusten
op dezen balk ; ketta kèë samaen
halo hanoeda aan los, graaf niet
schuin, laat den kant (b.v. van een sloot)
recht afloopen.
Hanoekoe, iets neerzetten, plaatsen ;
b. kilat ba baas, het geweer tegen
den schouder zetten ; i n a a m a na-
noekoe oan, de ouders staan hun
dochter voor goed af, laten haar met haar
man elders wonen, zich metterwoon ves-
tigen ?
Hanoetoe, takken afkappen om op het
veld te verbranden.
Hanohi, h. t a i s, kleeren dragen,
kleeren aan hebben.
Hanoïu, denken, meenen, oordeelen,
zich herinneren.
Ilanono, afwachten ; h. b a e m m-a,
iemands bevelen afwachten, aan iemand
onderdanig zijn, luisteren; h. d eï, maar
afwachten, maar laten begaan, toelaten
in den zin van niet beletten ; h. m o-
r a s, pijn lijden.
Hanorin, leeren, onderwijzen.
ook
mijn,
zie
Haoe, ik, mij, soms
spraakkunst.
Haok, voederbak.
Haraa, verwen ; h. bioen halo
m o d o k, een tol geel verwen.
Haraai), ten bloede geeselen.
Haralioe, fijn maken, tot poeder
stampen.
II a rai aan, zweren (een eed doen).
Haraik (kraik), iets laten zakken,
iemand zijn waardigheid ontnemen, af-
zetten ; sia serewisoe h. lor o,
zij werken tot de zon bijna ondergaat;
haraik aan, (letterl. zich laag maken),
43
zich neerbuigen, eerbied betoonen, onder-
danigheid betoonen.
Karain, h. haï, het vuur verminderen ;
h. la m p o, de lamp neerdraaien ;
m o t a n a r a i n, de rivier zakt ; boe-
boe harain, het gezwel slinkt,
afnemen van wind, hitte.
Har» kat aan, kwaad worden.
Hare, de rijstplant, ongepelde rijst;
hare t'oean, ongepelde rijstkorrel ;
hare f ö s, gepelde rijstkorrel ; hare
we, nat rijstveld, de rijst daarvan;
hare rai m a r a, droog rijstveld,
de rijst daarvan.
Karé, zien ; h. d a 1 a n, den weg
kennen ; hare d i a k, gaarne zien, van
iemand houden; o fotti mare, be-
proef het op te tillen = o fotti
kokkon moesoe mare toewan
= moesoe k o k k o n, vraag het
maar eens aan mijnheer; ami hadi
manoe hodi hare ita, wij bren-
gen een kip mee om u te begroeten?
Hareiick, arm maken.
Hareof, snikken.
Harrsi, h. m a 1 o e, voortdurend
elkaar bekijven? voortdurend krakeelen ?
Hari, h. o erna, het geraamte van
een huis opzetten ; hare aan, b.v.
fahi rahoen nari aan, de haren
van het varken gaan recht staan.
Harik, staan, opstaan van iemand die
zat, stilstaan ; harik noeoedar,
zoo groot zijn als (van menschen en
dieren) ; narïk noeoe nèëbè! hoe
groot is hij of het? harik rai, den
regen tegenhouden ; harik maloen,
als het begrafenisteest ten einde is, geld
en kleeren aan elkaar uitdeelen.
II ar is een bad nemen.
Haró. dorst hebben ; h. k o e d a, een
paard laten drinken ; h. t a k a n, sirih-
bladeren in water leggen om ze frisch
te houden.
Haroan aan, smeeken, verzuchten.
Harodiin, a n i n n a r o d a n b a h a n,
de wind doet de bladeren vallen.
llaroè, stuk maken van breekbare voor-
werpen, breken, bedr. ; h. k o 1 1 a, een
kampong verwoesten ; h. 1 a m a k, het
etensbakje van een overledene stuk ma-
ken en wegwerpen.
Uitroei', bukken; h. m e n o n, vroeger
of later komen dan was afgesproken ; —
aan, zich inspannen bij optillen, bij
trekken, iemand hard aanspreken.
Haroeka bevelen, gelasten.
Haroeoe, verfrommelen, ineenfromme-
len (halo nakroeoe is waarschijnlijk beter).
Karoma rai, tot het licht wordt, b.v.
sia tebe h. r. zij dansen tot het licht,
tot het dag wordt.
Haro'oes ook h a r o ' o e s o ï n, het
gelaat wasschen.
Hasaas, h. n a r a n, zijn naam onder dan-
sen en springen luidkeels uitschreeuwen.
Hasaè, doen stijgen ; h. n a w a n, ade-
men ; Seran nasaè Atok Seran,
laat Atok boven komen (uit het water),
dus Seran houdt het langer vol (bij een
Godsgericht, door onder water te duiken) ;
h. aan, sterven van een radja; h. lor o,
tot de zon opkomt ; t o b a h. 1 o r o,
slapen tot de zon opkomt.
Hasai, er uitdoen, uitnemen, uithaleu,
buiten brengen, te voorschijn brengen, laten
zien, aflossen van een pand, het verpande
weer voor den dag doen komen ; hasai
we, water afleiden, open maken, b.v. eene
deur, eene afsluiting van een tuin; hasai
b i t i k 1 o e n i (letterl. raat en kussen
buiten brengen), overspel bedrijven; ha-
44
sai fetto naran, eene maagd schen-
den ; hasai naran, (letterl. den naam
doen uitkomen), wordt ook gezegd van
iemand die voor den eersten keer in den
oorlog gewond wordt; ook van iemand
die den eersten keer een vijand het hoofd
afslaat.
Ilasara iets meedeelen, b.v. wat men
gehoord of gezien heeft, overbrengen,
aan anderen doen weten. b.v. een tijding,
een bevel, een boodschap ; h. e m m a,
iemand nadoen ; 1 a Ö h., iemands gang
nabootsen.
Hasasst, doen ontsnappen, b.v. een vo-
gel ; h. h a ï, aan het vuur gelegenheid
geven om brand te veroorzaken door
het te hoog te laten opvlammen, of door
eene andere onvoorzichtigheid ; m a-
meran nasassi, de bliksem treft =r
mameran fera oedan nasassi
i t a, de regen overvalt ons.
Hasaun, h. n o e, de harige schil van
een kokosnoot afdoen.
Hasé, roepen ,,wie is daar", iemand
op een afstand toeroepen, voorspellen wie
in den oorlog gewond of gedood zal
worden, aanspreken, over iets aa nspreken,
b.v. als iemand verkeerd doet.
Haseï, doen ontstaan, maken ; N a i
Maromak naseï lalean no ra-
ik 1 a r a n, God heeft hemel en aarde
geschapen ; h. 1 i a, verzinnen ; haseï
emma nian lissan, iemands voor-
beeld (goed of kwaad) navolgen ; haseï
emma, iemand navolgen.
Haseloe, wrekend, vergelden, betaald
zetten ; t a è h., terugslaan, slaan om zich
te wreken over een ontvangen slag, zoo
ook d e a n h., t o e d a h. enz.
Hasèta, tot werken aanzetten; h. h a r e,
de rijst na het trappen in de manden doen.
Ilasia, opzien tegen; nia nasia
ba k o 1 e, ba k e d ö k, hij ziet op tegen
de moeite, tegen den verren afstand.
Hasoedi, ontmoeten; laö h., rondloo-
pen, weer op hetzelfde punt uitkomen ;
na naaoedi, het vreet rond, b.v.
schurft ; h a-k oak la nasoedi, (van
een boom) (hem) omvatten, (de vingers)
komen niet bij elkaar, men kan hem niet
omvatten ; nasoedi ba lor on do-
m i n g o, het valt op Zondag ; n a s o e d i,
samenvallen, b.v. twee gebeurtenissen.
Hasoeït, h. a s o e, een hond aanzetten.
Hasoesoe, zoogen,
Hasoïn. iemand dien men sinds lang
niet meer gezien heeft onderweg ontmoe-
ten of ergens weerzien.
Hasori, h. d a 1 a n, een weg schoon
maken ; h. moat babattar, hoog
opgeschoten onkruid tusschen de djagoug
wegkappen.
Hasoroe, ontmoeten, tegenkomen, te-
gen iets aanloopen ; dalan nasoroe,
de wegen komen bij elkaar ; i s i n na-
s o r o e, volwassen.
Hassa, h. haan, eten koopen.
Ilassa raè, raam waarop de draden
gespannen worden om ze te omwinden
op die plaatseu die van de verfstof moeten
vrij blijven.
Ilassak, duwen, verschuiven, door du-
wen iets verplaatsen ; massaksaè,
duw het naar boven ; hassak aan
tona, zich verplaatsen; wat verder gaan.
Hassan, wang, opening boven aan
een stijl om de pen van den dwarsbalk
in te laten ; a i h. een paal of stijl met
zoo 'n opening voorzien ; f a t o e h.,
enge bergkloof ; m o t a h., samenvloeiing
van twee rivieren, klein leger, een troepje
menschen die met elkaar het een of
45
ander werk uitvoeren, b.v. booruen kappen;
r a i b. (r a i = leggen), een hinderlaag
leggen ; toer h., in hinderlaag leggen ;
tama h., tusschen twee legers inkomen ;
ra o n o e ba h. 1 a r a n in de hinder-
laag vallen.
Hataa, antwoorden, voor iemand of
iets instaan.
II at ah har, doen omgaan met, mee
doen loopen, bijvoegen, b.v. een karbouw
of ander dier bij de kudde.
Hatadnn, een teeken aan iets maken
om het te herkennen, b.v. een insnijding
in een boom maken om zich te herinneren
dat in dien boom een nest is, een blad
in een boek leggen om te weten hoever
men gekomen is, aan iemand of iets
gewoon zijn, kennen, b.v. den weg.
Hatais, zich kleeden, iemand kleeden,
kleeren geven, gekleed zijn, b.v. n i a
natais d i a k, hij is mooi gekleed.
Hataka (het tegenovergestelde van
h a 1 e k a), omzetten, b.v. een glas met
den voet naar boven.
Ilatuli. een touw om iets binden ;
hatali naha, de vracht binden.
Hatama, indoen, inleggen, inzetten,
binnenbrengen, doen binnengaan ; h.
e m m a, iemand in dienst nemen ; h.
1 a w a r i k, een kind op school nemen ;
h. biti kloeni (letterl. mat en kussen
binnenbrengen), boete betalen voor over-
spel (zie h a s a i) ; h. o ï n, zich toegang
verschaffen, b.v. nia bossok kodi
hatama oïn ba toewan, hij liegt
om zich bij mijnheer toegang te ver-
schaffen ; 1 a r a n la n a t a m a, de maag
neemt het niet op ; rai la n a t a m a,
de grond neemt het niet op, het gedijt
niet (van zaden en planten).
llatassak, laten rijpen.
Hatattab, aaneen doen sluiten, iets wat
uiteen was genomen weer ineen zetten.
Hatattan, bedreigen ?
llati'ui. verdedigen ; nia n a 1 o noe-
o e n è ë h o d i h a t a u nian baroek,
hij doet zoo om aan zij n luiheid, aan zijn
nietsdoen een voorwendsel te geven, een
schijn te geven.
Hatauk, vreezen, bang zijn ; ra a t a n
natauk, de oogen kunnen het licht
niet verdragen.
Hatebes, met zekerheid afvragen, b.v.
o m o ' o e k t e b e s, wilt gij inderdaad.
Uatekke, naar iemand of iets kijken,
aankijken, aanzien; liaoe mai ka-
te k k e e m m a m o r a s, ik kom naar
den zieke kijken.
Hdtana, weten, kennen, kunnen ;
haten è taan aan, van te voren we-
ten ? hatènè ba, zich verhalen op.
llatenoe, den stank van iets niet
kunnen verdragen.
Hateroes aan, uithouden, geduldig zijn,
bij ziekte, bij pijn.
Hatetoe, ten geschenke geven van
een geringe aan een voorname ; h. n a i,
een radja begraven ; hatetoe ona,
reeds huwbaar zijn.
Hütetoek, iets oprichten, recht houden,
b.v. het hoofd weer recht zettea, b.v. een
huis dat schuin staat in evenwicht bren-
gen ; h. a a n, zich oprichten, ook in de
beteekenis van herstellen na eene ziekte
bij menschen en dieren.
Hatette, neven elkaar ; rai h., neven
elkaar plaatsen; lao h., neven elkaar
loopen, ook lao h. a a n.
Hati, uittrekken, b.v. gras, veeren,
haren, tand, plantjes, onkruid.
Hatilia, ergens afspringen ; m e n a-
t i h a, het water stroomt af van een
46
hoogte ; hoedi natiha, de pisang
bloeit ; mamfatin natiha, het
woord, het gezegde van den koning uit
zich = de koning spreekt ; faroe na-
tiha iha babassar, het baadje komt
tot aan de heup.
Hatiït, opspringen.
Hatik, h. o e 1 o e n, met het hoofd
knikken, ja knikken.
Ilatiloe, laten neerrollen, b.v. steenen
van een helling, iets ergens af doen
vallen, iets afgooien ; bopsa nati-
loe sa? natiloe blik, wat heeft de
kat afgegooid? zij heeft een blikje af-
gegooid ; iemand bij het vechten op den
grond werpen ; hodi fatoek, hati-
loe samea, een slang met steenen
werpen ; ook, hatiloe fatoek ba
samea (dit laatste is minder gebruikelijk);
hatiloe aan, neerrollen enz., ergens
afrollen ; krau natiloe nöö aan,
een karbouw valt dood (van af een hoogte)*
Ilatioe, op den schouder dragen,
torsen.
Hatita, h. a s o e, een hond ophitsen.
HatUi?, laten afhangen ; h. t a i s
b o 1 1 e s, een nat kleed laten afhangen op-
dat het water er afloope ; h, m o r t é n ba
kakaloek, lange snoertjes met kralen
onder aan de sirihtasch bevestigen en
zoo laten afhangen.
Hatoba, neerleggen, in liggende hou-
ding plaatsen.
Hatodan, bezwaren ; sa natodan
nia kaan neon? wat maakt zijn
hart traag?
Hatoeboek = haktoeboek.
Hatoeda, oorlog voeren.
Hatoedoe, aanwijzen, aantoonen, wij-
zen naar ; h. k i 1 a t ba, het geweer
aanleggen op.
Hatoeka haï, bij het vuur zitten van
vrouwen na de bevalling; dit duurt een
maand.
HatuCD, laten zakken, neerlaten ; h.
f o 1 i n, den prijs verlagen ; e m m a
Lamak nèn kföhokresik ho-
di sa makhatóen? de menschen
van Lamaknèn zijn al te vrijmoedig,
waarmee (zullen wij hen) ten onder-
brengen ?; hodi ia makhatóen
sia kaan kfohok, waarmee (zullen
wij) hun overmoed beteugelen.
Uatoroe, bukken.
Hatoeroek, h. w e, water op iets doen
druppelen.
Hatoetoek, aankijken, aanstaren.
Hatohar, breken, bedr. ; a n i n n o e
natohar ai, de wind heeft den boom
gebroken (zie t o h a r) ; t e r i k ha-
tohar lia, de beslissing eener za&k
bespoedigen.
Hatök, klaar maken ; r a i h., klaar
leggen.
Hatoman, gewennen.
Hatoö, doen bereiken ; o m a t ö ö
amin lia ba nia, doe hem ons
gezegde bereiken, breng hem ons ge-
zegde over.
Hatoon aan, stijf hoofdig zijn.
Hatös, vasthouden, b.v. een paard, een
dief, gewoonlijk kaër hatos, vast ma-
ken ; hatós neon, zijn hart bedwingen ;
toer hatös dalan, den weg bezetten ;
toer hatös emma nian sasa,
beslag leggen op iemands goed wegens
schuld ; r a i hatös, vastleggen, somtijds
wordt het achter sommige werkwoorden
geplaatst, misschien om de beteekenis te
versterken ; b. v. zoo hoort men veel :
brekoe hatös, taka h., heli h.,
1 a 1 1 a h. ; h. aan, zich bedwingen.
47
Jlawjii, te drogen hangen; h. ba
1 a r o, in de zon hangen om te drogen ;
h. ba ha ï, bij het vuur drogen.
Hawaï, opvoeden, a m a h , pleeg-
vader ; i n a h , pleegmoeder ; o a n h ,
pleegkind ; h h a ï, vuur stoken
Ha wak ka, raden, b.v. hoeveel djagong-
korrels of steentjes iemand in de hand
houdt, den zang aanheffen bij het »t e b e";
h. folin, den prijs van iets aangeven;
foelan h. dala roewa, de maan
is reeds twee avonden weer zichtbaar
geweest
Hawalhi = h a b a 1 1 a
llawari. h. 1 e h o k, een krekel van
dien naam trachten te vangen door te
roepen »w a r i-w a r i".
Haweak = haheak.
Hawpek, h. i b o e n, beloven, maar
niet doeu.
Hawekoe, h a i n, zittend met het
been slingeren.
Hawele, met velen schreeuwen, luid
roepen als er iets aan de hand is ;
asoe fiït naiin emma nawele
t o e ï r, als de hond vleesch wegneemt
schreeuwen zij hem achterna.
Haweoe = habeoe; haweoe
aan, afhangen enz. zooals de beenen,
als men te paard zit, of zooals een groot
kropgezwel ; tali rohan naweoe
aan toen, het eind van het touw
hangt af naar beneden.
Hawér, effen maken, glad maken
Haweroe aan = haweoe aan.
Hean, roeien ; h. t a h a n, riem
Heas, kakkerlak ; emma liman
h., iemand met vlugge vingers (van
een dief).
Heat, h. heren, franjes maken aan
de »h e r e n".
Hedai), boom en struik van welks
lange doornachtige bloederen matten ge-
maakt worden (Mal. pandan).
Hed', vasthechten, vastslaan (synoniem
met brekoe); tatoueeren, met de
nagels dooden van ongedierte ; onderling
het een of ander werk verdeelen, b.v.
ita hedi rai rohan ta tossa,
wij nemen ieder een gedeelte van den
grond (b.v. om te wieden).
Hcdik, afhakken, b.v. de hoeven van
een paard wat afhakken.
Hèë = h o o w, maar meer beleefd.
Heeïn = hadak.
Hef il, blijven, wachten, op iemand of
iets wachten, bewaken ; h. r o h a n, de
grens bewaken; oda matan la neen
h a o e, de deur houdt mij niet tegen ;
voorloopig ; o atoe tan heen sa
ba? wat wilt gij er voorloopig in plaat-
sen ? e mi laö heen öna, gaat maar
vast vooruit, buiten weten van, zonder
verlof van, b.v. saèheen boewa,
zonder verlof in een pinangboom klim-
men ; nia laö heen inaama, hij
is gegaan buiten weten der ouders, zon-
der verlof der ouders ; h e e n 1 a i, wacht
eerst.
Hèkar, nawan hèhèr of
Habar aan, \ hèhèr aan, hijgen.
Hèk, van te voren; los rona hèk
emma n a k s o e d i k, als zij het van
te voren hooren, komen de menschen bij
elkaar.
Hekoer, door er wat af te snijden
korter maken, b.v. de baard, haren, den
staart van een paard.
Hela, iets achterlaten, overlaten, laten
overblijven ; h o d i hela, iets weg-
brengen en daar laten ; halikoe he-
1 a, iemand bezoeken en hem bij het
48
weggaan daar laten ; f' o hela (letterl.
geven, achterlaten), vóór zijn vertrek ge-
ven ; n i a n a r o e k a n e 1 a, hij liet
zijn bevel achter, of vóór zijn vertrek
beval hij ; nia n a m e n o n e 1 a b a
haoe atoe tollo ai oan, vóór zijn
vertrek sprak hij met mij af dat ik de
jonge boompjes zon begieten ; r a i h e-
1 a, laten liggen, sparen, in het leven
laten; s e ï hela, er is, er zijn nog over;
s e ï hela 1 i m a, er zijn er nog vijf;
s eï hela o d a, er is nog een weinig over ;
la hela na, er is niet meer over.
Heli, iets verborgen honden, iets vei"
zwijgen, ook heli katos; h. r o-
m a n, het licht benemen (ook helin ro-
man); h. aan, schuilen; h. aan ba ai,
zich achter een boom verschuilen ; o e d a n
m a i i t a heli aan b a o e m a, als de
regen komt schuilen wij in een huis,
zijn bescherming zoeken bij.
Heli foedik, I veinzen niet te
Heli foedik doeoek f hooren, veinzen
een bevel niet te kennen, veinzend en listig
te werk gaan om b.v. iemand te kunnen
vangen ; laö heli foedik, onder
het loopen eene onverschillige manier
aannemen, niets laten merken (b.v. als
men een dief wil pakken).
Helik aan, een uitroep om zijn pret,
ook om zijn leedvermaak te toonen ; goed
zoo ! mooi zoo ! (zie hahelik).
Helin, het gezicht op iets benemen ; a i
helin oema, de boomen benemen het
gezicht op het huis ; lalatak helin,
iemands schaduw belet om goed te zien
b.v. om te lezen ; fatin helin, ver-
borgene plaats.
Henioe, drinken; h. tabacco, rooken.
Hena meta, donkerblauw doek?
Ilenoe, halsketting.
Henoet -— h e k o e t.
Iïeoek, krom buigen, de waarheid ver-
bergen, liegen, ontkennen; sia neoek
sia kaan sorani, zij verbergen, zij
ontkennen dat zij christen zijn; lao
h e o e k aan, omloopen ; dalan h e-
o e k, omweg, dalan- neoek aan,
de weg draait.
Hèr, n a w a n h è r, bijna dood, nog
maar een weinig adem; ook: hijgen.
Heren, lange smalle strook wit doek
dien de mannen om het lijf dragen; in
't algemeen doek; h. m o e t i n, wit
doek, witte keper.
Hesik, in de keel krieuwen ; tabac-
co doeboen nesik nia, de ta-
baksrook prikkelt hem in de keel, doet
hem hoesten ; we nesik, het water
komt in de keel = verdrinken; bekijven.
Hessi, h. k o e d a, een paard door
roepen aanzetten of op zij jagen.
Hessoek, inleggen; h, naan ba tas-
s o e, vleesch in de pan leggen; h. b a
kakaloek, in den zak steken.
Hètak, liever, eerder ; hola n è ë
h è t a k, neem dit liever ; e m m a k r e ï s
la mai, emma kedók hètak aan
la mai, als menschen die dicht bij
wonen niet komen, dan komen de men-
schen die ver wonen zeker niet ; het
dient soms om den vergrootenden trap
te vormen, b. v. hètak bot, grooter.
Hetan, ontvangen, krijgen, verkrijgen,
vinden ; la h è t a n beteekent soms
»niet kunnen", b. v. nia lak e la
n è t a n, hij kon het niet open maken,
hij kreeg het niet open.
Heti, een riem of een strook doek om
het lijf binden, om het lijf dragen, iets van
zijn schuldenaar of van een derde nemen
als de schuldenaar niet wil betalen ; —
49
höo, met een touw wurgen ; t a 1 i n e t i
n ö Ö k o e d a, het touw heeft het paard
gewurgd ; — knottak, riem die om het lijt
gedragen wordt ; — re, een hooldsieraad
van zilveren plaatjes, dat over het voor-
hoofd wordt gebonden.
Hias, vouwen, opvouwen ; tais nias
aan, de schabrak zit gevouwen, zit met
een plooi.
lliban, h. ai tara n, doornstruiken
neerleggen, b. v. om een weg af te
sluiten of ter beschutting van een tuin ;
iets op zij doen, op zij plaatsen, b.v.
steenen die midden op den weg liggen
op zij van den weg leggen ; m o t a
niban emma, de rivier heeft iemand
op den oever gespoeld.
Hiït, opnemen, oplichten, iets wat
gebonden is bij het touw opnemen, iets
bij het handvat, of oor of touw opnemen ;
hiït hasaè lawarikbakoeda,
een kind op het paard tillen ; N a i
Maromak n i ï t h a o e, als God mij
van mijn ziekbed doet opstaan ; hiït
emma naran, iemands naam oneer-
biedig noemen, b. v. zonder »kau" of
»bette" er voor bij degenen wien dit
toekomt ; hiït aan 1 i o e, langer zijn
dan, van menschen.
llikar, terug, weer.
Ilikoe, met den elleboog van zich
afstooten.
Hili, oprapen ;bebe nili battar,
de eend pikt djagong op; hili lia =
fotti lia; hili ba neon, bij zich
zelf een plan vormen ? oa hili rai,
een buiten den echt geboren en niet
erkend kind.
Illiiar, h. a u, een bamboe voor blaas-
pijp bestemd ophangen met een steen
aan het benedeneind om hem goed recht
te maken ; h. k o e d a, een kwaad paard
met den kop in de hoogte vastbinden.
Ilioe, bijeen drijven van paarden en
karbouwen om ze naar den stal te laten
gaan.
Hira, hoeveel.
Hira hira, eenige ; 1 a r o n h i r a
hira? om de hoeveel dagen ? 1 a r o n
1 i m a 1 i m a, om de vijf dagen.
Hirak, geheel, over zijn geheel, al ;
tais hirak kadór, het geheele
kleed is vuil, het kleed is vuil over zijn
geheel ; gewoonlijk voegt men er ,,b e 1 e"
bij ; tais hirak k a d ó r b e 1 e, i s i n
hirak kauek bel e, het geheele
lichaam is gewond, het lichaam is over-
al gewond ; b o e a t hirak n è ë, al
dat goed hier ; ai hirak n è ë, al die
boomen ; w a i n hirak, en w a i n
hirak aan, eenige dagen geleden ;
h o r r i hirak, een tijd geleden ; wordt
w a i n hira k op vragenden toon uitge-
sproken, dan beteekent het hoeveel dagen
geleden ; zoo ook h o r r i hirak op
vragenden toon uitgesproken, beteekent
sinds hoe lang, hoe lang reeds.
Hiri, h. kabas, spinnen; h. i b o e n.
onhoorbaar lachen.
Hirik, draad gemaakt van jonge ge-
banduladeren, waarvan ze touw vlechten,
of waar ze de inlandsche pajong uur
naaien.
Hirik lossoek, strik ; kessihalo
hirik lossoek, bind het in een strik.
Hiroes, de maagstreek ? h i r o e s m o-
ras, pijn in de maagstreek V gemoed V
hart ? h. mono e, treuren ; h. m o n o e
ba n ia kaan r a i, hij heeft heimwee ;
hiroes k i k i of h. f a f e ï k, of h.
f e tik aan, beangstigd zijn (ziefa-
feïk); hiroes moris, zich flink
50
gevoelen ; koe da na bossoe h i-
r o e s m o r i s, als de paarden verzadigd
zijn, dan zijn zij flink, dan kunnen zij
er tegen ; hiroes emma, iemand
haten ; h. m a t a n, hartekuiltje.
Hisa, hangen bedr., ophangen bedr. ;
h i s a h o ö emma, iemand ophangen ;
hisa aan, hangen enz., iets traag doen ;
hafahö hisa aan, traag wieden.
Ilisih. besproeien, besprenkelen; h. tais,
b i t i, een kleed, een mat uitschudden.
Hiti, baren, op den schoot houden,
rijdend iets vóór zich op het paard dra-
gen ; n i a nititoéïrnia, zij heeft
een kind van hem (buiten den echt.)
Ilitiii. schoot.
Hitoe, zeven.
Hó, hebben ; moe rak ami la hó,
geld hebben wij niet ; O mó toedik?
heb je een mes? zijn in den 3den pers.
enk. en nieerv., b.v. iha fatoe
koeak nèë no sameabótida,
in dat hol is een groote slang ; iha
m o t a nèë n a i b e e, in die rivier zijn
krokodillen ; bottir nèë nosa,
(letterl. die flesch heeft wat) wat is
er in die flesch ;_ no a n g g o r, er
is wijn in ; 1 o e n o sa i d o e, er
is niets in ; s e ï n o, er is nog, er
zijn nog; h ö o e m a, het huis bewa-
ken ; met, er mee ; ami hó sia
1 a ö, wij gaan met hem ; emi hó lia,
gij (meerv.) hebt er mee gesproken (voor
de andere personen verandert de »h."
zie spraakkunst b.v. haoe kó lia, ik
heb er mee gesproken).
Hó, mangga.
Hoat, h o a t au, bamboe splijten.
Hobak, met haast; h. aan, zich haasten.
flübai), in het water leggen laten
weeken.
Hobo, verbergen.
Hoboe, h. k o e d a, op jacht de paar-
den over alles laten heenrennen ; k o e d a
h., vlugge paarden die voor de herten-
jacht gebruikt worden of ook om rei-
zigers te achtervolgen en te bestelen.
Hoboen, zich verzamelen, er op af
komen b.v. vliegen op een wond.
Hoda, stooten;h. ai f oean, vruchten
afstooten, beter hoda honoe ai
f o e a n, hoda h a m ó s au elan, de
tusschenschotten uit een bamboe stooten.
Hodean, bij aankomst groeten.
Hodi, brengen, meebrengen, meene-
men, meedragen, bij zich dragen ; m o t a
n o d i, de rivier sleept niee, door mid-
del van, met n i a t a è n o d i ai, hij
slaat met een stok; laöhodimaloe,
met elkaar gaan, er mee ; a n^i hodi
halo sa? wat doen wij er mee ?
n i a n o d i n a 1 a i, hij loopt er mee
weg, om te , om er mee te ; sia s e-
rewisoe hodi ha kansera, zij
werken om loon te verdienen ; sia tan
dia hodi kona lahö, zij zetten
een val om muizen te vangen, om er
muizen mee te vangen ; ook soms ons
»te" voor de onbep. wijs, b.v. sia toer
n o d i d a 1 e, zij zitten te praten ; s i a
toer n o d i ha, zij zitten te eten;
roo taka fila nodi emma, de
prauw sloeg met de bemanning om;
koeda nalainodinia, het paard
ging met hem op den loop ; ai t o h a r
nodi n i a, de tak brak, sleurde hem
mee in den val ; nia nodi makleat,
hij is makleat; hij heeft het ambt van
m; hodi Tettum haak noeoenèë,
in het Tettum zegt men zoo; hodi
Malaè haak sa? wat zegt men in
het Maleisch ? hodi kalan, bij nacht t
51
h o d i 1 o r o n, bij dag ; h o d i
1 i o e ; iemand vóór zijn ; liaoe kodi
tolloe lioe nia, ik ben er hem
drie voor ; nia nodi kalan lima
lioe o, hij is u vijf dagen voor.
llodi oïü, h o d i e m m a oïnof emma
n i a n o ï n, iemand vertegenwoordigen ;
o e k o e n h o d i nai n i a n o ï n, in
naam van, in plaats van den radja bevelen.
Hoe, blazen ; h. h ö ö, uitblazen.
Hoean, h. a i, een boom omhakken.
Hoed?, pisang; soorten zijn: h. m e tan,
die hier het meest voorkomt ; h. boewa,
een kort, dik soort, en zeer smakelijk
h. haï, met roode schil; h. fatoek,
een klein maar grof soort.
Iloedoek, h. m a 1 o e, tegen elkaar
stooten.
Hoedoer aan, zuchten, kreunen.
Hoehai', rukken = hadau; h. a a n,
pogen zich los te rukken.
Hoeït, eventjes aan iets trekken ;
eventjes knijpen.
Ifoelan, iets met twee of meer geza-
menlijk dragen.
Hoelis, draaien, b.v. een natten doek
om uit te wringen ; h. n o e, klappers
afdraaien = door draaien den steel doen
afbreken.
Hoerair, hjne kam van bamboes ;
h. o e t o e, luizen kammen ; 1 a ö h.
aan, in gebogen houding terwijl meu
de kleeren van voren vasthoudt den radja
of een ander voornaam persoon naderen
of langs hen heengaan.
Hoemoer, in de hand vasthouden ;
toena h. la diak, een paling kan
men niet gemakkelijk vasthouden ; h.
liman, de vuist ballen ; h. i d a, eene
handvol ; emma h., oan i d a, een
handjevol menschen.
Hoen, de oorsprong, de oorzaak van
iets, het onderste van iets ; t a r o e ï k
hoen, de voet van een berg ; — r i
hoen, het benedeneind van een paal ;
i d a ba d i k i n i cl a b a h o e n, een
boven een onder, begin van iets b.v.
d a 1 e n è ë n o hoen de ï, d i k i n
la n o, dat verhaal heeft alleen een
begin, het heeft geen einde (vandaar
hahoé, beginnen) boom; hó hoen,
manggaboom ; ai hoen, (misschien) ge-
wone boom, geen vrachtboom; h o e d i h.,
pisangboom; — dila h., papajaboom ;
h o e d i h. t o m a k, een heele pisang-
tros ; b a 1 1 a s h., djagongstruik ; t a s s a k
iha h., rijp aan den stam; geboorte-
land ; nia ba nikar nia kaan
hoen b a, hij is weer naar zijn geboor-
teland terug ; s a 1 a h o e n, de oorsprong-
van de fout, van cle misdaad, van de
schuld; so e sar h., de oorzaak van het
lijden.
II oen oen, boewa h., een tros pi-
nangnooten ; n o e h., een tros klappers.
Hoeroen, h. kabas, draad opwinden ;
hoeda noeroen aan, een paard,
(dat gebonden is of dat men vasthoudt)
maakt beweging om los te komen; ook
van losse paarden, wegloopen, er van
doorgaan als men ze b.v. wil vangen.
Hoesak, toespijs; hoe sak moe toe,
samenmengen, van de verschillende ingre-
diënten der toespijs.
Hoesar, navel ; t a s s i h., waar men
geen land meer ziet.
Hoesi, schieten met een vuurwapen
Hoesik, iets laten zoo als het is ; zich
met iemand of iets niet meer bemoeien
(synoniem met h a b o e s i k).
Hoesoe, vragen, verzoeken.
Hohela, iemand wegbrengen ; een eind
wegs vergezellen, voortdurend verzoeken;
telkens vragen om iets ; ook : hoesoe
h o h ö.
HÖhö, bij een werkw. geeft het te
kennen dat de handeling telkens plaats
heeft.
Hohoëil, zingen terwijl zij een doode
naar de begraafplaats brengen, — waarbij
telken de klank »h o h o" voorkomt.
Hoï, h o ï i s i n, zich uitrekken ; hoi'
emma nian fèn, hoï emnia nian
1 a e n, overspel bedrijven, iemand tot
overspel trachten over te halen; hoï
m a n e f e 1 1 o, tot ontucht overhalen;
ontucht bedrijven (volgens sommigen
hoi ï), zoo juist ; haoe koï atoe laö
n a, ik wilde zoo juist gaan ; o m o ï
t e r i k, gij zeidet daar zoo even, bezig
zijn, doende zijn met iets b.v. a m i t o ö
ba, s i a n o ï d a h o e r, toen wij daar
aankwamen waren zij bezig met feest-
vieren ; n i a n o ï na, hij is aan het
eten; haoe koï n è ë, ik ben hier.
Hoïr, h. s a s a n a n, den pot van het
vuur nemen ; h. manoetolloen
i h a we, de eieren uit het water nemen ;
h. naan iha tassoe, het vleesch
uit de pan nemen.
Hots. melken.
Hokkoe, liggen van dieren ; manoe
nokkoe taan manoe t all o en,
de kip zit op de eieren ; B a 1 i b o o
mai nokkoe ita Baliboo (een vij-
andig gebied) komt ons hinderlagen
legg-eu.
Hola, nemen, halen, wegnemen b.v.
iemands goed; nemen in de beteekenis
van koopen b.v. toe wan atoenola
manoe! wil mijnheer een kip nemen =
koopen ! nemen in de beteekenis van
als betaling nemen b.v. o atoe mola
sa? wat wilt gij er als betaling voor
nemen? wat moet je er voor hebben?
o mola sa? wat neem je er voor ?
hola fetto, eene vrouw nemen ; h.
n a w a n, even rusten om op adem te
komen ; h. emma nian f a t i n,
iemands plaats innemen ; eene wedding-
schap winnen ; tekken hola, juist
teekenen, zoodat het lijkt, hola 1 i a
n a i n, een lijkzang houden bij een radja
of ander voornaam persoon, 1 a m p o
nèë nola mina wain, die lamp
neemt veel olie in; — doeoet nola
b a 1 1 a r, het onkruid is hooger dan
de djagong ; h o d i n i a hola d e ï,
dezeltde straf krijgen als hij ; e m i
mos halo noeoenèë, hodi nia
hola deï, als gij ook 2eo doet, krijgt
gij dezelfde straf als hij, langs; hola
nèë mai, hier langs ; hola kraik,
beneden langs; hola letten, boven
over; hola lioer, buiten om, alles;
awan ami ha hola, morgen eten
we alles op.
Hole een schelpdiertje, ronde schijfjes
daarvan gemaakt die ze aan het koord
van hun sirihtasch rijgen.
Hole? =lè tina h o 1 i, de vol-
gende oostmoeson.
Homau, vlechten.
Hön schoon maken door te wasschen
of te poetsen.
Honoe, voor h a h o n o e achter een werk-
woord b, v. sorat honoe, zie s o rat.
Höo, doo.den, vermoorden ; een bam-
boe die den rand vormt van een bali-bali.
Ho'oek, willen.
Hoow, ja; wordt ook gebruikt om te
beduiden dat men iemands gezegde ver-
staan heeft.
Horak, ziekte ; een klapperblad dat
53
wordt opgehangen om tegen diefstal van
sirih en pinang te waarschuwen ; tara
h., zoo'n blad ophangen ; h. ra i, het
terrein voor 'een tuin bepalen door in
de orastaande boomen te hakken of door
alvast een weinig te wieden.
Horan, ruiken, rieken, voelen, merken
h. m o r a s, pijn voelen.
Ilor.is, t a è h., slaan dat het pijn
doet ; n i a a 1 i n h o v a s h a o e, hij
is ouder dan ik.
Hore aan, voortdurend schreeuwen om
iemand te roepen.
Hori liori, sinds lang.
Horik, verblijven.
Iloroeo, gal ; ravijn, afgrond ; h o-
r o e n i d a n a n e t i k, er ligt een af-
grond tusschen.
Horoes, schuren, schrijnen ; arai saè
ai, ai k o e 1 i t n o r o e s k a r a s, als
wij in een boom klimmen schrijnt de
bast onze borst ; k o e d a noroes aan
baai, het paard schuurt zich aan een
boom.
Ilorri, laatst, een tijdje geleden; h.
toewan te rik noeoenèë, laatst
zei mijnheer zoo ; k o e d a h. a m i
s o s s a n è ë, het paard dat wij een tijdje
geleden gekocht hebben ; toen laatst ; h.
ami toen ami hare bibi roesa,
toen we laatst naar beneden gingen, zagen
we een hert ; — horri wain roewa
of h. wain roewak aan, twee da-
gen geleden ; h o r r i h i r a k, zie h i r a k ;
horri w a i n, de vorige oostmoesson;
horri wain h i r a of h. wain
h i r a k aan of h. 1 o r o n h i r a,
eenige dagen geleden ; wordt horri
wain h i r a enz., op vragenden toon
uitgesproken dan beteekent het : hoeveel
dagen geleden ? uit, van uit, van, van af
(in deze beteekenis in het synoniem met
h o s ï ) ; n i a horri t a s i saè, hij
is van beneden (van zee) gekomen; h.
hoen, van af het begin ; h. n è ë na,
van nu af aan reeds.
Horri fonin, gister avond; in den af-
geloopen nacht.
Horri oeloek, vroeger.
Horri ohin, reeds een tijd lang (maar
op denzelfden dag) b.v. haoe mai h.
ohin tiana, ik ben al een tijdje
hier (b.v. een half uur) ; haoe tau h.
ohin tiana, ik heb er al voor een
poos opgezet (lood op het vuur).
Horri sehik? horsehik, gisteren; h o r-
s e h i k k a 1 a u, gisteren nacht, eergis-
ter avond.
Hosi, van, van af, uit, van uit; h.
n è ë b è, van waar ; h. t a s s i b a 1 o e,
van over zee; — langs (synoniem met
»hola"); laö h. n è ë, loop hier langs;
ami lao h., wij gaan er langs ; h.
1 a r a n, van binnen ; h. 1 i o e r, van
buiten, buiten langs ; kilah foean
tama nosi iboen, de kogel kwam
door den mond binnen, neven : haoe
toer k o s i n i a, ik zat neven hem,
het met iemand houden ; s i a nosi ami,
zij houden het met ons ; t o è hosi,
voor iemand spreken; i n a t o è nosi
o a n, de moeder spreekt ten gunste van
het kind.
Hossee, slijpen.
Ilossoe. wind laten.
Hot, dringen b.v. tot betaling, knellen ;
b.v. samea nót nalo roeïndo-
d o k, een slang knelt, verbrijzelt de
beenderen ; ineengedrongen, vast b.v. een
bos gras; hot aan, zich samendrin-
gen; ai nót aan, het hout krimpt
IlOttar, h. e m m a, bekijven ?
54
Hottoe, af, klaar, op ; hal o h. af-
maken, opmaken ; hottoe Ö n a of
hottoe na of hottoe t i a n, het
is af, klaar, op ; achter een werkw. be-
teekent het na, als, toen, nadat ; b.v.
ha hottoe a m i 1 a o, na gegeten te
hebben, of als wij gegeten hebben, gaan
wij ; het kan even goed beteekenen : toen
wij gegeten hadden, gingen wij ; dikwijls
plaatst men in zulke zinnen » t i a "
achter »h o 1 1 o e " b.v. hottoe tia
a m i 1 a Ö, daarna, vervolgens, toen ; b.v.
ami tÖÖ kotta ba, rai kalau
öna, hottoe emma - sai atoe
hare ami, wij kwamen bij avond in
den kampong aan, toen kwamen de men-
schen naar buiten om ons te zien.
Hottoe hottoe, alle, allen ; sa hot-
toe hottoe ofsasa hottoe hot-
toe, alles.
I.
Iboeil, mond, bek, muil; opening aan
den bovenrand b.v. van eene flesch, van
een geweerloop, van een kuil, van een
zak ; iboen bot, brutaal ; i b o e n
m i s, kieskeurig op het eten ; iboen
noenoen, een hoofd dat een bevel
van den radja aan het volk overbrengt.
Iboen soehoen, de lippen; iboen
soehoen letten, de bovenlip ; iboen
soehoen kraik, de onderlip.
Ida, een, telw. ; — ida, enkelen ; een
of ander; een voor een; — idak, ver-
schillend, ieder afzonderlijk; los ida
idak neon, volgens ieders afzonder-
lijk believen ; sia kaan ama na-
moetoe mais ina ida idak,
zij zijn van een zelfden vader, maar
van verschillende moeders, ieder heeft
eene afzonderlijke moeder; sia toer
ida idak, zij wonen ieder afzonderlijk.
Idak en idakaan, los idak neon,
volgens ieders believen; idak laö
of i d a k a a n la ö, ieder gaat afzon-
derlijk, ieder gaat zijn weg; idak ba
nian oema ofidakaan ba nian
o e m a, ieder gaat naar zijn huis.
Ig'ri, stekels in het gras.
Iha, aanwezig zijn,"^estaan, zijn, heb-
ben; voorzetsel van verschillende betee-
kenis b.v. nia toer iha La f oei i,
hij woont te L. ; nia narik iha
hoen, hij staat bij den boom ; k a n e k
iha limau, eene wond aan de hand;
haoe sossa iha nia, ik heb
het van hem gekocht ; rai iha meda,
het ligt op tafel ; nia nasai fós iha
kar on, hij neemt rijst uit den zak;
nia koe roe we iha haok, hij
schept Avater uit een bak. Het komt voor
in samenstellingen als ; iha letten,
boven ; iha kraik, beneden ; iha
1 a r a n, binnen ; iha Hoer, buiten ;
iha o ï n , vóór ; iha kottoe k, achter ;
deze uitdrukkingen dienen ook als voor-
zetsel ; zie spraakkunst ; iha n è ë en iha
n è ë m a i, hier ; iha n è ë b a, daar ;
iha n è ë b è, waar ? nia toer iha
n è ë b è ? waar woont hij ? iha n è ë-
b è ida? waar ergens ?
Iliaii. misschien, wellicht ; wordt soms
gezegd voor »i h a" b.v. la i h a n er is
niet, er zijn niet.
55
Ikis, vermorzeld van rijst- en djagong
korrels.
I koe», staart ; laatstgeborene ; b a 1 1 a r
ikuen, hare i k o e n, de overgeble-
vene djagong of' rijst op een geoogst veld.
Ikoes, n i a mai i k o e s, hij komt
achteraan; ook: hij komt het laatst,
laat, b.v. koe da ikoes, laat planten ;
ikoes r e s i k, te laat ; e m m a s e ï
ikoes, er zijn nog menschen achter;
nu thans ; ikoes haoe la kóoek
n a, nu wil ik niet meer; töö ikoes,
ten laatste ; oeloek... .ikoes, vroe-
ger .... thans ; ikoes n è ë, nu ; tegen-
woordig (van tijd) thans.
lias, beeld; la ilas, niet passend?
Ilio, b o e w a i 1 i n, pinangnoot waar-
van de kern niet deugt.
Ina en inan, moeder.
I na ania, I ouders ; komt ook voor
Inan anian, [ in de beteekenis van:
hoofd van eenige kampongs.
Ina ferik, grootmoeder.
Inan. wijfje van dieren, veel; emma
inan, veel menschen ; i n a n b a s s o e k,
zeer veel ; 1 o r o s e ï inan, (zon nog
veel) 't is nog lang dag ; — n i a mai
1 o r o s e ï ina n, hij kwam toen de zon
nog hoog stond ; komt een enkele keer
voor in de beteekenis van groot ; t i h a r
i n a n, een groote trom.
Inan anian, veel, (gewoonlijk alleen
inan).
Iiiock, pad van karbouwen of' herten.
Inoer, neus ; r a i i n o e r kaap,
vooruitstekend gedeelte van een berg.
loe, haai.
Irl oroe, o e d a n i r i o r o e, zachte
regen.
Iroe, iroe kaleek = eki kaleek.
Is, de reuk, de lucht van iets ; n i a
kaan is la lakoon daun, de
lucht er van is nog niet weg ; a n i n
nia kaan is, de vaart, de drift van
den wind ; anin nia kaan is bit,
ai t o h a r, als de drift van den wind
hevig is, breken de boomen; krachtig?
rona is oda dei, eventjes iets
hooren, iets vernemen van een of'
ander gerucht.
Is aan, zijn vaart nemen? nia is
aan Ie rik deï, Seran naklotti
n a, hij zette zich alleen maar in bewe-
ging, (om hem aan te grijpen) toen viel
Seran reeds.
Isi beloe, I
.... , Vkleeren van den radja.
Isi beloe dato, j J
Isi dobè, van iemand die alle z waren
arbeid schuwt, zonnehitte vreest.
Isi foetar, nieuwe kleeren ; lijf'sieraden.
Isin, het lichaam van menschen en
dieren, de vaste inhoud van iets ; n o e
isin, het vleesch van de kokosnoot ;
battar isin, het meel van den dja-
gongkorrel ; het vleesch in tegenstelling
van de beenderen ; asoe na isin ka-
kin r o e ï n, de hond eet het vleesch laat
de beenderen liggen ; n a ii n isin, het
eigenlijke vleesch in tegenstelling van ;
naan b o r a n, het vet ; k n o e r o e
isin i d a, de inhoud van een lepel een
lepelvol ; — bikan isin roewa,
twee borden vol ; liman isin i d a,
één handvol ;nia nemoe kofoe isin
i d a dei, hij drinkt maar één glas ; r a i
isin, grond zonder steenen ; k a h ó e k
isin, pijl van een blaaspijp ; ra ma
isin, pijl van een boog; toedik isin,
soerik isin, lemmer; kil at isin,
bajonet ; isin i d a en a i isin i d a,
een keer ; isin roewa en ai isin
roewa, twee keer ; isin manas,
56
koorts ; i s i n s a è, de koorts komt op ;
de temperatuur is hoog ; i s i n t i d i u,
de koorts neemt af, is af; de tempera-
tuur is weer laag ; isin namotto na,
de ziekte heeft opgehouden ; isin d i a k,
gezond ; isin mo'ras, ziek ; isin bit,
sterk ; isin m a m m a r, zwak ; i s i n
m o r i s, levendig dartel van een paard ;
isin mos, (letterl. lichaam zuiver) on-
schuldig, staat tegenover; isin kar eb o,
(lichaam vuil) schuldig ; koeda la fö
isin, het paard laat zich niet bestijgen;
battar isin öna, de djagong heeft al
korrels ; noe isin Öna, de kokosnoot
heeft al een vaste kern ; hodi isin
s e 1 o e, met zijn leven boeten ; h a 1 ti i
isin, er op uitgaan om geld bijeen te
krijgen ter betaling van boete; soedi
isin, geld bijeenbrengen om boete te
betalen.
Isin lolon, het lichaam vanmenschen
en dieren ; taroe isin lolon, zich
zelf als prijs opzetten ;terik doeoek
ba isin lolon, tot zich zelf spreken.
Isoe, verwilderd van dieren.
Istori, krakeelen
Ita, wij, met inbegrip van den aan-
gesproken persoon U, bij het aanspreken
van een radja of ander zeer voornaam
persoon ; ita b ö t, bij het aanspreken
van een radja of ander zeer voornaam
persoon.
Ita Kaan, I onze, ons, de onze, het onze.
Itan, [met inbegrip van den aan-
gesproken persoon ; uw, het uwe, bij het
aanspreken van een voornaam persoon.
K.
Ra, achter een woord geplaatst, dient
liet om eene vraag aan te duiden ; tus-
schen twee woorden beteekent het of b.v.
nia mai ka lale? komt hij of niet ?
los ka lale? waar of niet ?
Kali, zwagerin ; als de getrouwde broer
ouder is; (zie ali o a n).
Kaan, achter een pers. vnw. geplaatst,
vormt het een bezitt. vnw. zie spraak-
kunst; e m m a kaan, die alles eet Avat
hij krijgen kan; emma kaan toewa,
die veel arak drinkt.
Ka&S, n e a n k., kies.
Kaba, het voorhoofd en de borst be-
strijken met door pruimen rood geworden
speeksel.
Kabaar, een weinig wrang? van
vruchten ; matan k., slaperige oogen.
Kabaas, schoon, mooi, aardig.
Kababan, h a r i k k. ai, tegen of
achter een boom staan om te schuilen;
1 a Ö k. t o e ï r emma, vlak achter
iemand loopen.
Kabadoe, graveel.
Kaballa, een sarong of wat als sarong
dient, aandoen, aan hebben.
Kaban, speeksel; labadaink., spin-
neweb.
Kabas, katoen, draad, bindtouw ; k a-
bas lolon, draad ; — kabas ra-
hoe n, nog niet gesponnen katoen,
watten.
Kabassa, tabaksdoosje.
Kaba n. drukt eene verwensching uit;
paard (zoo zegt men in Wehali).
Kabellak, plat; ai k., plank.
57
kabeok, iboeu k., huilend gezicht;
k. i b o e n, eeu huilend gezicht zetten.
kabeoet, k. har e, rijst trappen.
Kabeti, een bamboe in den vorm van
een boog welks touw ze in aanraking
brengen met boomwol en doen trillen
om de boomwol uiteen te doen en ge-
schikt te maken voor het spinnen.
kabia, smakelijk maken; kabia etoe,
de rijst smakelijk maken b.v. door toespijs;
hetgeen dient om het eten smakelijk te
maken ; kabia ida la iha, ita
ha la d i a k, als er zoo niets bij is,
eten we niet smakelijk.
kabidawa. kapokboom.
kabioek, een weinig omgebogen, b.v.
een plaat dakijzer, een stuk blik; ka-
bioek iboen, den mond vertrekken.
Kabir, een van bladeren gevlochten zak;
k. d e b o e, een zeer groote zak om rijst
in te bewaren.
Kaboe, een man die is aangesteld om
de menschen bij een te roepen ter be-
spreking eener zaak, alsook om op de
rijstvelden van den radja te passen.
kaboe, in een van bladeren gevlochten
zakje gaar gemaakte rijst.
Kaboear, rond, te samen, bij elkaar.
Kaboe foean, vrucht des lichaams
kaboek, zwanger, drachtig.
kaboeloer, op een hoop ordeloos bij
elkaar staan of zitten ; n e o n seï ka-
boeloer, (staat tegenover neon
vakfoèr), van iemand die nog niet
goed begrijpt; het verstand is nog niet
ontwikkeld.
Kaboel), buik; k. ain, onderbuik;
liraa n k., het dikke gedeelte van den
benedenarm,
kabóen, e m m a k. i d a, een troep
menschen ; ai k. ida, een troepje
boomen ; een klein boschje van struik-
gewas.
kaboeoes, even uitstekend bergtopje.
kaboeri, mattan k., zieke oogen,
roode oogen.
kaboïn, ha la k., niet kieskeurig
zijn in het eten.
kabook, kuoroekk., gezwollen nek.
kaborro, reepje geitevel dat zij om
de kuiten binden.
kabossoe. we k., put.
kabotti, faro e k., een rood baaclje.
kabrïsoe, halster (Port. cabresto).
ka «lil, op zijn kant zetten b.v. een
geldstuk of wat den vorm van eene schijt
heeft, inzonderheid de »kaleek" waarmee
de jongens spelen.
kadaan, boven elkaar, op elkaar; bo-
ven elkaar plaatsen.
kadadak, op een rij, neven elkaar ;
k. ba ba d e ï, in dezelfde richting maar
altijd door ; m o r a s 1 e e k. d e ï, de
ziekte zal zich verder verbreiden.
kadaek = kadadak.
kadain, netje met wijde mazen om
rijstmandjes in te dragen.
kadaka akar, sagokoek.
kadara, k. b a 1 1 a r, jonge djagong
dicht bij het vuur plaatsen.
kadassa, veepest, buffelpest.
kadeli, ring; k. aan, gekruld zijn
van baard en haren.
kadera, stoel.
kadi, wetten, wetsteen.
ka (lid in, wand.
kadidoek, = h a d i d o e k.
kadiï, iets op zijn kant leggen of zetten
b.v. een plank ; t o b a k., op de zij liggen.
kadoeboek, oïn k., zuur gezicht,
kwaad gezicht.
kadoen, speen.
58
Kadoën, open plek op het hoofd;
wond die het hoofdhaar doet uitvallen.
Kadoewak, tweeling.
Kadomak, hassan k., ingevallen
wangen ; kuiltjes in de wangen,
Kadomoek, holte, dal, hol b.v. een
weg; ma tan k., holle oogen.
Kaè baoek, een hoofdsieraad.
Itaen, eene vrucht; ophangen b.v. op
de drooglijn, iets over den arm, over den
schouder hangen of dragen ;mota kaen
e m m a, de rivier (de stroom) heeft ie-
mand meegesleept tot op een steen of
boom en daar laten liggen.
Kaen aan, opiemand steunen, b.v., op
iemands rug ook fig. op iemands bijstand
steunen ; a i kaen aan ba a i i d a,
een (ontwortelde) boom rust, ligt op een
ander, is niet doorgevallen.
Kaèr, iets vasthouden; iets aanvatten
aanpakken, aangrijpen k e t ta k. kom er
niet aan ; kaèr knawar, kaèr s e-
r e w i s o e, werken, arbeiden ; kaèr
bikan etoe, het rijstveld v. cl. radja
bewerken ; kaèr aboet, zie aboet;
kaèr e m m a, het toezicht houden over
de lui die een of ander door den radja
opgelegd werk moeten verrichten ; n i a
n o d i i s i n 1 o 1 o n kaèr e m m a
nian f a h i, met zich zelf (als inzet)
won hij iemands varken; in zijne macht
hebben : a m i la kaèr o e d a n, wij
hebben den regen niet in onze macht.
Kaèr heen, letterl. voorloopig vast-
houden, vandaar in pand nemen.
Kafé, koffie.
Kafeli? is in k., zwak, ziekelijk?
Kaf e tik, geweertje van bamboes.
Kali roe, een boom.
Kafoeak, een weinig opgezet; een wei-
nig gezwollen.
Rafoekoer, ruig grof van kleeren,
matten ; niet glad ; = f o e k o e r, on-
gelijk van een bali bali.
Kaliaak, zolder.
Kahi, pagaaien ; k. 1 i m a n, met de
hand naar zich toewenken.
Kahó, pompoen ; k. o e 1 o e n m o-
r o e k, komkommer ; koeda kottoek
k o h Ö, een paard wiens rug licht gewond
raakt.
Kahóek, blaasroer.
Kahoer, mengen ; k. a a n, het druk
hebben.
Kai kehi, Mal. b i cl a r a
kain. stengel, halm, steel van bloemen
en planten ; inoer k a i n Mal. batang
hidoeng; hare ka in, rijsthalm, rijst-
stroo ; hulptelwoord b.v. oema kain
roewa kain tolloe, twee, drie
huizen ;boeti liman kain roewa,
twee armbanden.
Kail, hengel ; k a i r i s i n, de
Kair, haak ; k a i r t a 1 i n, de lijn
kair hakliroe, dunne vischhaak !
kair a r a s t o e, dikke vischhaak.
Ivait, gebogen, krom van arm of been;
k. ai f o e a n, vruchten met een haak
naar zich toetrekken ; ai k. s a p e j o,
een tak pakt den hoed ; bissi bakoe
kait les haoen tais, een spijker
pakte mijn kleed en maakte het stuk;
bissi kait, ijzeren haak om iets aan
te hangen ; k a i t a a n, zich vasthaken
aan;sapejo kait aan ba ai, de hoed
bleef aan een tak haken ook fig.; neon
kait aan ba, het hart is gehecht aan,
zit vast aan.
ka ja, bedgordijn.
Kakadoek, k. o e m a, de nok overdek-
ken om de opengebleven reet van boven
te sluiten; ook: kakadoek o, e ma
59
o e 1 o e n ; k. oeloen, het haar iu orde
brengen (van vrouwen).
ha kar. kaketoe; battar kakaè
d i n i s (van d a d i n i s), als de djagong
vijf of zes dagen boven den grond is.
hak ai, zeef; ziften.
ha ka it, b i s s i k. = b i s s i k a i t,
ijzei'en haak.
hakali, iemand ophouden die b.v. wil
gaan ; k. a a n, zich ophouden.
Kakalïk, strot?
Kakaloek, sirihtaseh; zak in een
kleedingstuk.
hakanes, deksel van een kookpot, waar-
voor vaak een klapperdop gebruikt wordt.
hakaocr, schreeuwen, luid roepen.
Kakaoet, = k a b i r.
Kakatoes, 1 a w a r i k k., een kind
dat niet groeit.
Kakear aan, wijdbeens.
Kakèhè, waaier.
hakèhè aan, hiroes kakèhè
a a n = (waarschijnlijk heen en weer
gaan als een waaier) hetzelfde als hi-
r o e s f a f e ï k, zie f a f e ï k, — ook
van iemand die hard geloopen heeft ten
gevolge waarvan het hart klopt.
Kakeït, de huig, bamboekoker met
snaren waarop ze tokkelen.
liakekkoek, r a i k a k e k k o e k, er
is aardbeving.
hakènan, afzonderlijk vakje in een
kist, in een koker ; m e d a k. lade.
Kakeoey de casuarine, (Mal. pohon
tjemara).
Kakibat, een schelpdiertje in zee.
hakikir, de slaap aan het hoofd.
Kakiloek, krop.
hakin, laten liggen.
Kakka, woord waarmee de slaven
worden aangesproken ?
Kakka baloen, van pisangs die nog
maar eenige dagen uit zijn; ook van
sommige andere vruchten, latje dat bij
het weven gebruikt wordt.
hak kan, kiezen; o n e o n k. d o e-
o e k, uw hart kieze zelf, noodig ; k.
to'oek ba sa? waarom is het noodiij
te vragen.
hakkar, uitspuwen ; uit den mond
laten vallen ; k o e d a k. f e r r e o e,
het paard laat het gebit uit den bek-
vallen, jongen werpen van katten.
liakoe, heen en weer bewegen b.v.
een paal dien men uit den grond wil
trekken; uittrekken b.v. een paal, een
spijker; k. oeloen, het hoofd heen en
weer schudden ; k. k 1 o e n o e, een
fakkel heen en weer bewegen ; k. k a r i,
uit elkaar nemen b.v. een geweer.
Kakoe saik, licht van huidskleur bij
inlanders.
Kakoehoes, trechtervormig mandje dat
in de nauwe opening van den pot geplaatst
wordt om djagongkoek of wat anders
te stoomen.
Kakoeïs, klein.
Kakoek, uil.
Kakoeloek, palen waarop de nokbalk
rust.
hakoen, schil, bolster, schelp, schaal
der schelpdieren.
hakóen, noe k., leege klapperdop.
Kakoeroen, bakje om b.v. water te
scheppen.
Kakoesak,. mattan k., slaperige
oogen.
Kakoesan, zie a i k.
Kakoeta, met moeite, lastig bijw. Ii ;i-
sai k., het gaat er lastig uit; ter ik
k., met moeite spreken b.v. eene vreem-
de taal.
60
Kakoetak, hersenen ; baloe k. t o-
d a n baloe k. km a a n, letterl. som-
migen hebben zware, anderen lichte her-
senen = sommige zijn traag, anderen vlug
van begrip.
Kakohin aan, zich haasten ; s i a ka-
le o h i n aan ba sia kaan töos,
zij haasten zich om hun tuin.
Kakoïr, rasp.
Kakonoen, het nog te betalen gedeelte
van den koopprijs, het nog aan te vullen
gedeelte b.v. van djagong die moet ge-
leverd worden ; k r a u nian kako-
n o e n, het nog te betalen gedeelte van
den prijs van een karbouw.
Kakor, naar iets tasten ; roeren r=
keko r.
Kakor, slokdarm.
Kakor at, zaag.
Kakoren, (van k o r e, openmaken),
kurketrekker.
Kakorok, hals ; k. m a k a a s, hard-
nekkig ; liman k., het gedeelte van den
arm bij den pols; — ain k., het gedeel-
te van het been vlak boven den voet ; n o e
k., het bovenste van den klapperstam.
ka kos.se k , vlug en herhaaldelijk wrijven
b.v. bij het wasschen van kleeren; k.
h öo ha i, het vuur uittrappen, of door
er aarde op te gooien.
Kakottoen, de opene ruimte tussche
twee bergtoppen.
kakottos, zie k o 1 1 e s.
Kala, misschien.
ka la kalan, iedere nacht ;.iedere avond.
Kaloeak, k. 1 i a, een zaak aanbrengen;
k. e m m a, iemand aanklagen.
Kalaan, struik welker vruchtjes zwart
sap inhouden.
Kalabóek, n o e k., jonge klapper nog
zonder vaste kern.
kalalan, middelsoort ? klein ?
Kalan, nacht, avond; kalan lor on,
dag en nacht.
Kalawan, groote vlerkprauw, groote
prauw.
Kalea, braken.
Kaleek, schijfvormige bruine vrucht
van eene klimplant, waarmee de jongens
spelen.
Kalen, (Mal. kaleng) blik.
Kale na, t o b a k., op den rug liggen ;
h a n a a t k., naar boven kijken met het
hoofd achterover.
Kaleoek, krom.
Kalera, k. k o e d a, liet paard laten
galoppeeren ; k o e d a n a 1 a i k., het
paard galoppeert.
Kalettek, bergrug.
kali, k r a u kali h a è, de kar-
bouw graast.
Kalias, k a b o e n k., goed gevulde maag.
Kalidoek, onderdaan, of ondergeschikte
van een hoofd.
Kaliïs, schuin, scheef, hellend ; r a i
k., dit werd gezegd van streken waar de
pokken heerschten in tegenstelling van
»r a i t e t o e k" (gelijke grond, gelijk
terrein) waar de pokken niet heerschten.
Kalili, schild.
Kalioek, zeer, uitermate ; aas k., zeer
hoog ; k. m a 1 o e, onderling verschillen
in lengte, in hoogte; f aè k. ongelijk
verdeelen.
Kalisi, afknijpen, met de nagels af-
krabben; met de nagels openknijpen b.v.
de schil van een djagongklos.
Kaloan, wolk.
Kaloebik. mager.
Kaloes, van alle kanten, v;m rondon;
h a ï na k. o e m a, het huis brandt van
alle kanten.
61
KalolOD, evenwijdig, t e r i k k. t o e ï r
n i a, zeg hem letterlijk na, woord voor
woord na.
Kama, zeekwal.
kamaek, een van een blad gevlochten
bakje om water te scheppen.
kamar wai, duim, groote teen.
kamedar, soldeeren.
kamekke aan, zeuren om iets zoo-
als kleine kinderen doen.
kamelin, a i k., sandelhout.
kamelin, wollen deken.
kamerona, glad.
Kametak, zwart van vuiligheid, sme-
rig ; vuil ook als zelfstnw.
ham ik, t e r i k k., eene taal slecht
spreken ; nia te rik Tettum seï
k a m i k, hij spreekt nog slecht Tet-
tum.
Ivainisa, hagel om te schieten.
kamoetis, o ï n k., bleek gezicht
zooals na langdurige ziekte.
kamók, een weinig opgezet.
haiiaak, o e m a k a n a a k, de bin-
nenzijde van de nok.
kanabcti, (Portug. canivete) t o e d i k
k., een zakmes.
kandati, het zij zoo.
kandola, vruchtje met rood sap.
liane, zie kanek.
kanek, gewond, wond ; t a k a n e,
door slaan wonden ; ook : t a kanek;
soe la kan e, (letterl. uitscheppen, niet
gewond) hoewel men er uitschept, blijft
er nog zeer veel over ; men merkt niet
dat er wordt afgenomen b.v. van een
stapel rijst, tabak.
kanoedoe, sigaar, cigaret.
kanoekoe, een zekere mooie hooge
boom.
kanokkar, inlandsche poort in de
pagar van een tuin, in den muur van een
kampong.
kansera, loon.
kant ara, ijzeren pot met hengsel.
karaboe, plat oorsieraad van goud.
karak, gierig; weigeren te geven,
busje van bamboes om kruit in doen.
karaloeni, oorkussen.
karan kessoe, (eene ziekte) kanker V
karas, de borst ; o e m a k., de twee
kortere zijden van een huis.
karattes, oneffen, hobbelig; oïn k.,
pokdalig.
karebo, vuil ; i s i n k., zie i s i n.
karetta, voertuig op raderen.
kari, uiteen, uitelkaar ; 1 a ö k., uit-
een gaan; koa k. in stukken snijden,
zaaien, strooien ; k. 1 e o n, rijst en vleesch
offeren aan den pomalisteen?
kariil, vleesch of visch met klapper-
melk bereid.
karin, moerak k., klein geld ;
b a 1 1 a r k. losse djagong klossen die
hier en daar zijn blijven liggen b.v. u;i
het pellen.
karleti, de trekker van 't geweer.
karoek, linker, linksch; oa k., ge-
kochte slaaf of slavin.
karon, zak, baal.
karótoes, = kafoekoer.
kanis, streep, streep trekken.
karris liaï, lucifer.
kasalak, kwaad, driftig van aard;
folin k., kwade prijs, veel te duur;
nar au k., een lastige naam om uit te
spreken.
kasanak keepvormig; ai k. zie ai.
kassa kadoe, (Portug. cascado) eene
huidziekte.
ka se liet, en k a s e r e t e n kaere t,
plat b.v. een bord - ondiep b.v. eene
02
woud ; sasoeroen koer et, spade.
kasikoek, krom van een boom, een
balk.
Kasir. bestrijken b.v. niet kalk. cemenr.
Kaso. schoen, slot.
kasoe, afnemen, aflichten b.v. den
hoofddoek, de vracht van het paard; k.
b a 1 1 a r. van den stapel djagong wat
afnemen ; iemand zijn ambt ontnemen, er
van ontslaan : k. i s i n m a n a s, de
koorts afnemen : k. f e r r e a e, het hoofd-
stel afnemen : k. o e 1 o e n en k. o e-
loen kakorok. iemand van de dood-
straf vrij koopen.
Kasoeu, mortèn k a 3 o e n i d a,
een snoer kralen.
Kasoesa, heet van temperatuur: k.
maloe, kwaad op elkaar zijn.
kasotti, een kist zooals een petroleum-
kist.
Rastigar, (Port. eastigar) straffen : ook
zegt men kastigoe.
Katak. zeggen ; bekenuen ; k u a o k
k a t a k t i a n. de dief heeft bekend :
als het ware b.v. horri fonin koe-
koer katak nima nimak. van
nacht heeft het als het ware zonder op-
houden gedonderd.
Katak é, eeu uitroep van verwon-
dering.
Katak sain, doen weten.
katauiak. ingedeukt b.v. eeu petro-
leumblik.
Katan, aau elkaar vastmaken b.v. twee
matten : f o b o e t a n h a d i k., geef
* 'O
knoopeu om (het baadje) dicht te maken ;
katan dai ba ai, een netje aau eeu
hoepel vastmakeu.
Katana, ook soerik katan a, een
sabel, eeu zwaard.
Katar, jeuken, prikkelen.
Katarak, hoekig en kantig b.v. steenen:
gekarteld.
Katèk, kakelen.
kateli, kanek k., de wond is bijna
geheeld, is nog slechts klein.
Kateri. schaar, knippen : k. o e 1 o e n
of f o e o e k. het haar knippen : k. k a-
h o é k isinenrama i s i n, veertjes
aan het benedeneinde van een pijl vast-
maken ; k. au 1 a w ï n ba k o 1 1 a
f o h o n, doornige bamboetakkeu op de
kampongmuren leggen ter afwering v.d.
vijand.
kati, k. a s o e zijn hond roepen.
Kati. opspringen ; taan k., het slik
spat, ook vau water.
Katoewas, oud van mannen en van
sommige manuelij ke dieren.
Katoedoe, wijsvinger, (toetoedoe
is beter).
Katoer, iemand op deu schouder dragen.
Katoetoer, rai k., ongelijk terrein.
Katoïs, o ï u k a t o ï s, erg vermagerd
gelaat.
Kata'oek, gebogen zooals oude men-
schen: kidan k., kromme rug; krom
van een boom ?
Katottek, krom b.v. een boom, een
balk : k. a i n. met gemaakte passen
loopen, de knieën maar even buigen.
Kau ata, oorsieraad.
Kau meït, postelein (groente).
kaur, uitholleu, zooals met den punt
van een mes.
kaur aan, tiloen kaur aan.
het oor doet inwendig pijn?
Kans, f e h o e k k., half gaar. slecht
gaar van aardappelen;
kant, tomaat, matan kant. het oog
naat moeielijk of niet open.
Kawa, metaaldraad.
63
Kil willek, 1 a o k., over een balk, over
een tak loopen, zonder zich aan iets
vast te houden ; t o e t o e r k., iets op het
hoofd dragen zonder het vast te houden.
Kn wan, troep, vlucht, zwerm ; e m m a
k. i d a, een troep menschen ; naan
t a s s i kawan i d a, eene school visschen.
Kaweek, nat.
Kawerok, nat ; m a t a n k. druipoog.
Kawin, huwen ; echtgenoote.
Kbellan, =: b e 1 1 a n.
Kboeïs, =i b o e ï s.
Rè, ongedierte zoeken in de haren'
in de kleeren.
Keail, vak, afgeschoten ruimte, kamer
(van h a k e a n).
Kear aan, h a r i k kear aan, met
de beenen uitelkaar staan.
ebbekó, rups (harige rups = o e 1 a r
r a h o e k).
Kebit, even krahben.
Kedan en kcdas, terstond, meteen;
sin toen nodi kedan toewan
n i a n s a s a, zij gaan naar beneden
nemen meteen de barang van mijnheer
mee ; o m a i m ö kedan o o a n, kom
tegelijk met uw kind; als gij komt breng
meteen uw kind mee ; o m a i modi
kedan k i 1 a t, als gij komt breng
meteen het geweer mee; o 1 a ö kedan,
ga terstond ; faè kedan, terstond ver-
deden, het wordt dikwijls achter een telw.
geplaatst misschien met de beteekenis
»in 't geheel '; ook achter »h i r a" hoe-
veel ;la toba dalan, töö kedan
d e ï, onderweg niet overnachten, maar
in eens door.
Kedi, zacht kloppen, tikken.
Kedo, we k e d o, uit den grond op-
komend water in den Westmoeson, moe-
rassige plek.
Kedok. iets wat op den grond ligt
met den voet of mee een stok op zij
schuiven, verwijderen; kedok halo
mono e, iets wat op het dak is gevallen
met een stok er afhalen, er af doen vallen ;
kedok k a r i rai, aangebrachte grond
met den voet uiteendoen.
Kedok, ver van afstand; ver in de
toekomst ; halo kedok o d a, stel
wat uit.
Kee, nog al, tamelijk; kee w a i n,
nog al veel; keekleoer, tamelijk lang.
Kèë, delven, graven ; k è ë m a 1 o e,
elkaar oproepen om het opgelegd werk
te verrichten ; o kèë h a o e nima
n i m a k ba sa! wat roep je mij voort-
durend !
Kèhè, ook k a k è h è, met een waaier
of wat er voor dient, wuiven ; kèhè
h a ï, een blad of ander plat voorwerp
snel op en neer bewegen om het vuur
aan te wakkeren ; kèhè aan, zich met
een waaier verfrisschen.
Keït, tokkelen.
Kekir, bijten; k. rai, in het zand
bijten (sneuvelen).
Kekke, uiteen doen, uitspreiden b.v.
rijst, tabak om te droogen ; k. o e koen,
een algemeen bevel afkondigen; bewerkte
armband.
Kekkoen, nekbeen.
Kekoe, bevreesd zijn voor oorlog,
voor den vijand.
Kekon, = k e o n.
Rekor, naar iets tasten, voortdurend
roeren b.v. djagong die geroosterd wordt
om te beletten dat hij aanbrandt.
Kelle bette, krekel.
Keilen, dij; karbouw v.d. radja; fa h i
k. ham noe k., het breede gedeelte
van den klapperbladstengel.
t>4
Keilen beli, een groote zeevisch.
Keilen lèt, lies.
Keiler, petroleumkist, arakkist, siga-
ren kistje.
Keioen, bovenarm.
Rèn. uiteen doen b.v. gras om iets
te zoeken; een pagar om er tusschen
door te gaan.
Keo, kraken b.v. een huis bij bevigen
wind, het geluid van een kip als ze
gepakt wordt.
Keon, k. kar i, uiteen doen b.v. het
vuur, de gloeiende houtskolen om de
rijst er op te laten staan.
Keoer, k. h i r i k, draad (zie »hirik")
zuiveren ; k. koedaikoen, paarden-
staart uitkammen.
Kere metoe, met een ander afspreken,
en list gebruiken om iemand te beboeten.
Kerik, nai kerik = kornèl.
Kesak, strootje, spiertje, nerf der
palmbladeren ; fake k., zie fake.
Kesa meta, de lange zwarte naalden
van de gemoeti.
Kesar, iemand of iets aanbrengen;
verklikken.
Kesi, binden nl. een paard of ander
dier ; k. mate n, iri een knoop binden ;
voor goed vastbinden.
Kesoe, een bol was, niet zoo groot
als koemoen.
Ketta, dient om de verbiedende wijs
te vormen ; k. b a, ga niet ; opdat niet
b.v. hemoe ai moroek isin
ketta saè nikar, obat drinken opdat
de koorts niet terugkome, als maar niet
b.v. nia ketta sai tian (als men
iemand wil bezoeken) als hij maar niet
is uitgegaan ; nia ketta mate, als
hij maar niet dood gaat ; het dient ook
om de verlangende wijze van spreken in
ontkennenden zin uit te drukken b.v.
nia ketta sai tian, moge hij niet
afwezig zijn ; nia ketta mate, mo-
hij niet sterven ; ketta lai, nog niet
(verbiedend) wacht eerst ; k. lai 1 a ö
of k. 1 a ö la i, ga nog niet.
Kewa, uiteen doen b.v. gras, blaren
als men iets zoekt.
Kfan, ai k f a u, de waroeboom ; t a-
1 i k f a u, touw van diens bast gemaakt.
Kfoeak, klont ; klonter ; rai kfoeak,
aardkluit; ra kfoeak, een klonter bloed.
Ki, n a n a a k k i, de keel maakt een
piepend geluid.
Kiak, arm, behoeftig ; o a n k., wees-
kind.
Kian, een kapokboom ; k. rahoen,
kapok.
Kida, houten pin die ze als een spil
met de vingers doen ronddraaien om
garen te spinnen.
Kidan, het benedengedeelte van den
rug; oema krau kidan, een klein
laag huisje zooals in de tuinen.
Kidoen, achterste, bodem ; manoe
k v een soort uitslag.
Kiï vaders zuster ; schoonmoeder, ook
kiïn; bijtend (van pijn).
Kiïk, klein.
Kik, raden; kik ai kanoïk, een
fabel vertellen.
Ktki, beven, schrikken.
Kiki fali, plotseling; oogenblikkelijk
daarna.
Kikit, roofvogel, kiekendief; kikit
lokko mea, rood met witte borst.
Kilat, geweer ; k. b i s s i h a ï of k.
sana fatoek, vuursteengeweer ; k.
t a k a r i t i, gewoon voorlaadgeweer ;
kilat sossa kidoen ofk. soelan
k i d o e, achterlaadgeweer.
65
Kin steel waarmee bloemen en vruch-
ten aan den tak zitten ; sassa ba kin,
bij den steel afplukken.
Ai nuk, pink, kleine teen, de scharen
(knijpers) b.v. van garnalen.
kintar. een tuintje met vruchtboomen,
suikerriet.
Kioe, een gevlochten koker waarin de
nifuschen van Wehali tabak bewaren.
Kioek, onvruchtbaar van dieren.
Kirail, een overschietende bij gelijke
verdeeling; een te weinig.
Iiisoe. insteken b.v. den vinger in het
oor ; k. dele matan, de oogen uit-
steken.
Kit, = kik.
Ritar, = kintar.
Riw, piepen, tjilpen.
Kiwani, b a 1 1 a r k., dikke djagong-
klos; de djagong die de menschen wel-
ke helpen oogsten voor zich nemen;
n a ii n k., vleesch dat iemand die bij het
slachten geholpen heeft voor zich neemt;
kiwani battar naün, djagong,
vleesch voor zich nemen.
Klabis, goed gelijk, glad.
klaboek, e m m a k., iemand die tel-
kens van woonplaats verandert en niets
uitvoert.
Kladik, grens.
klaek, sprinkhaan.
Klaek keilen, haan van 't geweer.
klahat, schepnetje.
klakkar, veeziekte ; veepest ; k 1 a k-
kar nanaan, eene verwensching tegen
een paard.
klakken, een stapeltje b.v. opgevou-
wen sarongs ; takan klakken ida,
eenige sirihblaren op elkaar; soerat
klakken ida, eenige velleu papier
op elkaar.
Klalaok, gelijken op (kinderen op de
ouders) ook moreel, dezelfde goede en
slechte hoedanigheden hebben; gedrag V
emma nèë nia kaan k 1 a 1 a o k
d i a k, het gedrag van dien man is goed.
klalon, kinderloos.
K la moer, zeegras.
Klaok, (h a 1 a ö) r a i k., schaarschte
aan voedsel; er is honger in het land.
k In i» ii, het midden van iets ; i h a
k 1 a r a n of ba k 1 a r a n, in het mid-
den, tusschen ; t o ö k 1 a r a n, tot aan
het midden, tot aan de helft, half;
b o 1 1 i r ida n o k 1 a r a n, anderhalve
flesch ; a m i 1 a o t ö ö klaran o n a,
wij zijn al halfweg.
Klasak niet gesneden van karbouwen,
bokken.
klasik. een dun stuk hout waarom-
heen de inlandsche kaars gekneed wordt.
klata, een wormpje dat naar zij meenen
kiespijn veroorzaakt ; f e h o e k klata,
slechte aardappel.
Klata ai, zekere houtworm.
Klata rai, een witte worm die de
wortels van rijst en djagong vernielt.
Klatoek, oïn k., niet goed wijs; er
loopt een streep door.
Klatoen, Mal. doeri prang.
Klaut, schijf, schijfje.
Iilawar, een met veel rood garen
geweven doek.
Klehen, van platte dunne voorwerpen ;
velletje ? soerat kieken ida, een
vel papier.
Klekat, kikvorsch.
Klekat keilen, haan van 't geweer.
Kleni, gebangblad met gevlochten rand,
dient tot afsluiting van een vertrek, en
tot omwanding.
Kleoer, lang van tijd; lang duren;
06
uia atoe mai s e ï kleoer, het
zal nog laug duren vóór hij komt ; n i a
bot kleoer, het duurt laug vóór hij
groot is (hij blijft lang kleiu) ; a a t
kleoer, het duurt lang voordat het be-
dorven is (het blijft laug goed) a a t
kleoer ö n a, het is reeds lang bedor-
ven of a a t kleoer t i a n ; langzaam :
koeda lao kleoer, het paard loopt
laugzaam.
Klere foean, ribben onder een bali
bali ; onder een vloer.
Kies, la hatènè kies daun,
eene zaak nog niet goed weten ; 1 a r o-
n a kies daun, nog niet juist gehoord
hoe het in elkaar zit; halo lia kies,
de zaak helder uiteen zetten.
Klihoer, tien bos djagong ieder vau
duizeud klossen.
Klilin, oksel.
Klioer, een breede reep van karbou-
wenhuid waar de vrouwen bij het weven
met den rug tegen aauleunen.
Klobor, een tijdelijk opgericht huis waar
de gasten tijdens een feest verblijf houden.
Jvloeak. vergeetachtig.
Kloeni, hoofdkussen.
Kloenin. ? emma toesan
nia mais kloenin la iha, zij
beboeten hem. maar er is geen reden?
voor ; mate la no kloenin, sterven
zonder schuld?
Kloenoe, fakkel.
Kloer, een soort slang.
Kloesiil, het vleesch aau weerszijde
van de schouderbladen bij de rugholte.
Kloetis, leguaan.
Kloewab, rai kloewak — rai
k o e a k.
Klokki, een mandje zonder deksel,
waarin ze bordeu eu lepels opbergen.
Klolen. schoon, mooi, opgesmukt.
Kloloes. door ziekte vermagerd.
Klolok, smal.
KlOT, pees in de knieholte.
Kloran, gedraaid touwtje.
Klösan, zie f e 1 1 o r a è.
klót, eug, nauw.
Kiiiaai), licht niet zwaar ; o ï n k.,
gewillig, gehoorzaam.
Kmails, zwak.
Jvmaeii, tabacco kmaen, tabaks-
pruim.
Knmlar, ziel.
Kmanek gelukkig.
h maoen, dauw: regenwater dat gras
eu blaren na de bui nog nat houdt.
Knm us. gemakkelijk, rijk; komt soms
ook voor in de beteekenis van »veel'
b.v. battar sei' kmaus, haan
s e i' kmaus, er is nog veel djagong,
er is nog veel eten.
Km e da, een dier met witte huid van
de grootte eener kat.
Kniela, vloo.
Knieti, en kmetis en km et in vast;
k e s s i k., vast binden, stevig binden ;
neon la kmeti, ongerust ; m o e r a k
no ita la k., lia ida mailossoe
het geld (letterl. is met ons niet vast),
blijft niet in ons bezit, als er eene zaak
voorkomt, (moeten we er van) afgeven.
Kmissak, = missak.
Kna 7 de bamboezen koker die wordt
opgehangen om het palmsap er in op te
vangen.
Knaar, veger.
Knaban, drinkbakje van een blad.
Knabir, rij, laag.
Knahail, een in den oorlog gemaakte
slaaf; m a n o e k., de overwonnen haan.
Kiiakki, de paaltjes waartusschen de
67
d warshouten van eene tuinaf sluiting of
pagar gestoken worden.
Knaok, dief.
Iviiuun, battar k., djagong die op het
einde v.d. westmoeson geplant is, dus
djagong v.d. tweeden oogst, staat tegen-
over battar t i n a n, djagong die bij
het begin v.d. westmoeson geplant is ;
1 e a n knaun, hoog onkruid op het
einde v.d. westmoeson uittrekken om er
iets te planten.
k na war, arbeid, werk ;halo enkaèr
1< n a w a r, arbeid verrichten ; werken.
kuchen, een lang, smal zeevischje.
Knètlnk, opscheplepel.
knee, schelletje zooals aan een hoofd-
stel.
Kuekner, stuk ; sia kor at ai nèë
nalo knekoer tolloe, zij hebben
dien . boom in drie stukken gezaagd ;
t e r i k knekoer i d a t e n i, zeg er
nog wat bij, houd nog niet op.
Ivneras, luier.
knidin de ijzeren punt beneden aan
de lans ; Lamaknèn noTatara
soesoe knidin.
Ivnili i. een puntig stift van bamboe
of ijzer, dat bij het vlechten gebruikt
wordt.
Kni kir, natan k. scheel.
Knoe. 100 klossen djagong bijeen ge-
bonden ; n a a n k n o e i d a, eenige saam-
gebonden stukken vleesch.
Knoea, kampong.
Knoean, staf, stok ; kil at knoean
roewa, tolloe, twee, drie geweren ;
soerik knoean, schede ; a h o e
knoean, kalkkokertje.
Knoeas, damp van kokend water;
uitwaseming, damp; tassi knoeas,
zeedamp.
Knoeba, weversboom.
Knoeban, = noeban.
kiioelrai, reuk; k. mor in, welrie-
kende geur ; k. do ï s, stank ; n a li n
k. ö n a, er is een luchtje aan het vleesch.
Knoeoek, nest ; 1 a h ö k. muizennest
in een boom ; fahi ta knoeoek,
een varken maakt een ligplaats om er
te werpen.
Knoeroe, lepel.
Knoetoek, wild, onbesuisd.
Klioroe, houten lat die bij het weven
gebruikt wordt.
Knoroek, nek.
Knossei), de zijden van het lichaam,
op de hoogte der ribben; — roeïu, rib.
knottak. het onderlijf; nia nar ik
sia k n o 1 1 a k, hij staat met de han-
den in de zij ; k n o 1 1 a k m o r a s ba-
rensweeën, romp ; a k a r k n o 1 1 a k,
een stuk, eeu blok van den sagoboom
waarvan zij voedsel bereiden ; a i k n o t-
tak, zie a i.
Ito, kó kilat ba borta nola,
het geweer in het schietgat leggen ; k ö
liman foean ba we, den vinger
in het water steken b.v. om te voelen
of het al warm is ; k ó ai ba, met een
stok naar iets steken.
Roa, snijden ; k. kansera, loon af-
houden ; k. b a n e o n, bij zich zelf een
plan vormen V k. makerik list ge-
bruiken ; k. h e e n 1 i a k o a 1 i a, ge-
zamenlijk bespreken, op wat wijze men
iemand zal straffen; f r a s o e k k o a, een
fiesch (scherf van een flesch) wondt
iemand; — luetan, kraai.
Knak, een vogel zoo genoemd aaar
zijn geluid.
Koana, rechter, rechtsch.
Knba, gevlochten kokertje om sirili
68
en pinaug in te doen : koba lalossoe,
ronde koker : koba kakabit, platte
koker : koba t a t o e k. heeft den vorm
van een doosje en wordt door de vrou-
wen gebruikt.
Kobar, ergens om heen binden of'
winden b.v. het touw om den hals van
het paard : k. b i o e n. den tol opwin-
den : s a m e a k. ai. eene slang omkron-
kelt een boom : s a m e a kobar aan
ba ai. kronkelt zich om een boom.
Kobi. eene groente : heeft veel van kool.
Rbbo. lano-.
Koboe, op. allemaal op: boe sa na
k o b o e. de kat heeft ze (de kuikens)
allemaal opgegeten: m at e koboe. uit-
sterven : horak atoe nalo emma
Doeliloe koboe. de ziekte zal de men-
schen van D. doen uitsterven.
Robok, b a 1 1 a r k o b o k. slechte dja-
gong: nl. looze korrels.
Kodan. afvallen van bladeren, uitvallen
van haren.
Rodo, schokken van een paard
Roè. mandje zonder deksel, dat de
vrouwen op den rug dragen: — iets
dat den vorm van eene schijf heeft op zijn
kant doen rollen.
Roè oeloe tolloek, groote mand om
diagong of katoen in te leggen.
Roè uaiü, een man die geneesmiddelen
geeft tegen pokken, melaatschheid.
Roeak, opening, gat: tais k.. het
kleed is stuk. er is een gat in ; hol (niet
massief: fat o e k.. rotsholte: rai
k o e a k, kuil.
Roeboes, nerf der jonge gemoetiblaren
waarmee ze het stroo op het dak vast-
binden,
Roeda, paard ; k o e d a a i n of alleen
ai n paard v.d. radja: planten b.v. djagong
vruchtboomen ; ook. koeda rai. planten
in 't algemeen :hodi kilat knoeban
koeda emma, iemand met de geweer-
kolf stooten : koeda aan. rusten op.
te recht komen op van iets zwaars b.v.
ai s e ï koeda aan ba rai. een (ge-
kapte) boom rast nog (met het beneden-
gedeelte) op den grond (valt niet door.
wijl b.v de kruin tegen een andereu
boom vast zit) ai koeda aan taan
emma. een boom valt op iemand ; —
koeda fila aan, bij een val met het
hoofd op den grond te recht komen :
ook koeda fila oeloe n.
Roedir, iemand die in nood verkeert
bijstaan.
Roedoes. verkleumd van koude.
Roehoes, k. mode. groente in een
»kakoehoes M gaar stoomen.
Roeïr, mager, boomzwam : k. 1 a h o
t i 1 o e n. zwarte boomzwam.
Roeït solok, een zeevisch: de inkt-
visch ?
Roek, ruim. wijd van kleeren. van
het gat waarin de spijker zit; niet vast
aangetrokken van een riem of touw, niet
goed aaneengesloten b.v. de duigen van
een vat : foetoe halo kokoè'k.
bind het losjes.
Roekoe, op het hoofd dragen : n i a
k. sapejo hij draagt een hoed; niak
tais. hij bedekt het hoofd met een doek.
Roekoen, oema k. gevangenis (n a-
k o e k o e n. duister).
Roekoer. donder.
Roekoet, n e a n k.. klem, kramp in
den mond zoodat de tanden vast op el-
kaar klemmen.
Roelaboe. m atan k.. oogen die niet
helder zien: man o e k.. bonte kip?
Roeli. uithollen: moekoe k. ai,
69
een hommel holt het hout uit, maakt er
gaten in.
Koelit, huid, vel, schil ; ai k., bast.
Ivoeloe, eene vrucht.
Koeman, kleine witte wormpjes die
veel in kippennesten voorkomen.
Hoemoe, kneden; de ledematen druk-
ken en wrijven, masseeren, uitwringen.
Koenioeil, 1 i 1 i n k. i d a, een bol was.
Koen, k. k o e d a, het paard aanzet-
ten door het even te slaan; — lao
koen aan o d a, loop wat vlug.
Koenak, de scharen van kreeften en
dergelijke schaaldieren ; ook k i n a k.
Koenir, kurkuma.
KociiOCS, spaansche peper.
Koeoe, plukken, even knijpen met de
nagels; k. ki n, afzonderlijk ondervragen
om den schuldige te vinden.
Hoer, fiju kammetje van bamboes;
koer oetoe, luizen kammen.
Koer, — k o r e ; k e 1 1 a koer,
maak den knoop (in een touw) niet los.
Kot* ra il, ontbreken ; in gebreke blij-
ven ; i s i n k o e r a n, vermagerd ; neon
k o e r a n, bevreesd.
Koerit, schrammen ; ai t a r a n k.
liman, een doorn schramt de hand;
even over iets strijken; haï k., lucifer.
Koeroe, met een voorwerp of met de
hand scheppen, uitscheppen ; — k. f ó s
i h a k a r o n, rijst uit den zak scheppen
k. w e, water scheppen.
Koeroe kara, krakeelen, twisten, vech-
ten.
Koes inail, een groote slang.
Koesa, een houten pen ergens indrij-
ven.
Koest, ronde steenen pot; k o e s i 1 o-
1 o n, het lijf van den radja; n a i koe-
si lolon ka f el i, de radja is ziek.
Koesin, zitkussen.
Koetail, k o e t a n h i r o e s, gekauwde
sirih en pinang en obat over iemands
borst strijken; zie h a n e k a h i r o e s;
ook oneigelijk voor eten b. v. i t a
koetan hiroes laifoinhiroes
m o r i s, wij eten eerst dan gevoelen we
ons flink in staat om b. v. te werken.
Koetoen, koeman.
Köfi, koffie.
Kofoe, drinkglas.
Kohi, vangen, pakken; ami ba k.
1 a t o m a, wij zijn het (b.v. paard) gaan
vangen, hebben het niet gekregen.
Koi, krabben, scheren.
Ivo ia, djamboe bidji; ook : koi a b a s.
Ko'ik, huiduitslag.
KoÏD, k. haï k 1 a a k, de gloeiende
houtskolen uiteen doen; k. t Ö o s, het
vuur over het veld overal verspreiden.
Koïr, k. r a i, schrappen, raspen; k.
k a m e t a k, het vuil afschrappen.
Koïs, kohi k o ï s, niet goed vangen
of pakken zoodat het gevangene terstond
ontsnapt; b o e t i koïs, iets tusschen
de vingers nemen zoodat het terstond
ontglipt.
Koitadoe taan, medelijden hebben met?
Kok, ziekte aan de milt.
Rokkek, = koë k.
Kokko, op de proef stellen; n a i
k o k k o s i a r o e w a n e o n, de koning
stelde het hart van hen beiden op de
proef; even aanraken; k. aka r, eene van
de vele bewerkingen die de sago hier on-
der gaat vóór hij gegeten wordt.
Kokkon, (staat steeds achter het werkw.
waar her bij hoort); halo k o k k o n,
beproeven is de beteekenis van probee-
ren; f o 1 1 i k., beproef het op te tillen;
moesoe k., (Mal. tjoba minta) vraag
70
het maar eens; o ba malikoe kok-
kon 1 a i, ga eerst eens kijken; tan
k o k k o n„ aanpassen van een kleeding-
stuk; h a k., proeven hoe iets smaakt.
Kokorèk, kraaien van een haan.
Kokotèk, kakelen.
RoIp. vermoeid.
Kollen. = koek.
Kolin, op en neer wandelen.
Koloe, k. fa roe, het baadje, den jas
uittrekken ; k. k a d e 1 i, een ring van
den vinger afnemen, afschuiven ; k. m o r-
t è n, kralen van het snoer afschuiven ;
k. aan, vervellen, verschieten van
kleeren ?
RoloeiJ, overgebleven djagongstengels
van het vorig jaar, of sinds het vorig
jaar opgekomen onkruid ; zie d a s s a
k o 1 o e n.
Koma, vuil in baard en haren ; k o m a
as o e n o e n o e n, een hond muilban-
den ; koma emma nian sasa,
begeerig zijn naar iemands goed.
Komas, zie n a k o m a s.
Komma k, b a 1 1 a r, k o m m a k ; dja-
gongschil.
Komen, tons k o m o n o a n i d a,
een klein tuintje ; b a 1 1 a r komon
o a n i d a, een plekje met djagong
beplant.
Kón, 1 i a n k., mooie stem.
Kona, raken, raak, geraakt, getroffen,
juist ; h o e s i kona, raak schieten ;
hoesi la kona, mis schieten ; 1 i a
k. a m i, eene zaak is ons overkomen ;
neon k. inwendig getroffen zijn ; zijne
aandacht aan iets wijden, gevoelig zijn
voor ; neon k. haan d e ï, hij denkt
alleen aan eten ; neon k. m o e r a k
d e ï, hij is alleen gevoelig voor geld ;
vangen in een strik of val, b.v. t a u
dia hodi kona manoe, strikken
zetten om vogels te vangen, dia kona,
de strik, de val heeft (den vogel, de
muis) gepakt ; 1 o r o kona, de zon be-
schijnt.
Konta, (wordt weinig gebruikt) komt
voor in de beteekenis van doen weten ;
ook : halo konta.
Kontar, bestrijden van ziekte ; weer-
streven, tegenstreven, tegenmiddel ; n i a
kaan kontar iha ka lal e, is
er een tegenmiddel of niet.
Kontaratoe, handelen, handel drijven.
Kontas, eene plant met roode bloemen,
en zwarte pitten zoo groot als de kralen
van een rozenkrans ; vandaar ; rozenkrans
bidsnoer).
Ko'oes, een kind op den arm of in
een doek dragen, iets in het kleed bij
zich dragen (van vrouwen) ; rai a t o e
ko'oes itan isin, de aarde zal ons
lichaam dragen ; zwanger.
Koon, o e 1 o e n, k., kort haar ; k o ï
koon, kaal scheren.
Kor, snorken.
Kora, lang van leest; ook lang van
vruchten, a i n k., lange beenen.
Korat, zagen.
Iiore, los maken van iets wat gebonden
is b.v. een touw, een gebonden paard,
een verband op een wond ; kore don,
den rouw afleggen, open maken b.v. eene
flesch, een koker, een mandje ; kore
a a n, ter wereld komen.
Kornèl, de voornaamte radja.
Koro koron, 1 a o k. k., zonder op-
houden blijven doorgaan.
Koroet, afstrijken b.v. blaren v.d.
stengel, korrels van de aar.
Kosar, zweeten ; k. w è n, zweet.
hos e, wrijven, schuren.
71
Kosoil, kaho k., jonge pompoen.
Kotta, ommuui'de kampong, de muur
zelf, in 't algemeen kampong.
liottes. wai k. van iemand die lang
klein blijft, niet groeit (volgens anderen
kottos en kakottos).
Kottoe, vaneen, stuk; stuk gaan, van
een gaan, van touw, riemen, ketting ; 1 i a
k., tian, de zaak is beslist; tatta k.,
stuk bijten, vaneen bijten ; ta k. van-
een hakken ; koeda na k. tali, het
paard heeft het touw doorgebeten ; n a-
w a n k , de adem is afgesneden, dood ;
b a h o a k k., al de barang is verkocht;
rai sain k., (de rijkjes zullen vaneen
gaan) de betrekkingen tusschen de rijkjes
zullen afbreken, eene beslissing aan
iemand overlaten ; nia kottoe ba
a m i d e ï, hij liet het maar aan ons
over ; k. hare, rijst (op het veld)
afsnijden, oogsten ; k. h a è, gras snij-
den ; h a 1 a ' i k., loopend (den weg) af-
snijden; k. k n a o k, een dief den pas
afsnijden.
Kottoek, rug, achterzijde ; i h a L,
achter ; h o s i k., van achter ; i h a
o e m a k , achter het huis ; aan de
achterzijde van het huis; f ö k., den rug
toekeeren, ook fig.
Rottoen, n a ji n k., een afgesneden
stuk rauw vleesch; fatoek k., eene
opening in een kampongmuur ontstaan
door het uitvallen der steenen.
Krabit, hoekpaal.
Rrade, wilde eend.
Krade oeloen, Achillespees.
Kraëk, vuil op het lijf, kleeren,
Kraik, beneden ; a m i t o e r k. b a,
wij wonen beneden, --- benedenwaarts ;
hola k., langs beneden gaan, den be-
nedenweg nemen, (staat tegenover »hola
letten"); laag; o e ma k., laag dak; ai
k., lage takken.
lira Kat, kwaad, vertoornd; os sa k.,
dieren die den mensch aanvallen.
lirakit, een bakje van een gevouwen
blad om uit te eten of te drinken on-
derweg.
Rranek, ondiep, van water.
lirau, karbouw; — aban, soort witte
vlekjes op de huid, een soort uitslag ; -
bakka, (Portug. vacca) koe.
lirawa, aap ; — talas, een mooi blad
dat op schaduwrijke plaatsen groeit.
Rrelioet, een vlechtwerk dat nog niet
af is.
Iireïs, dicht ; dicht bij ; k r e i s mate
bijna dood.
lirekas, mager.
Rrekot, zie ai kreko t.
Kremit, puistjes in het gelaat.
Iireok, 1 i a n k., heesch, schor, ge-
luid van een gebarsten gong.
Kreoek, 1 i a k. of t e r i k k., stotteren.
liresok, drassig; matan k., druip-
oog.
Kriït, plakken onov., plakkerig kleverig.
Iiroat, scherp.
Rroëk, (van k a r o è), scherf; kotta
k., verwoeste kampong.
Rroït, krabben, schrammen; niki
k. nian 1 i m a n, een vleermuis heeft
zijn hand gekrabd.
lirokkon, zie w e krokkon.
Rrook, sasoeroen k r o o k, schop,
staat tegenover sasoeroen k s e r e fc,
spade.
Rrotti, een boom met hoogen rechten
stam, maar waarvan het hout niet deugt.
Rsalak', k r a u k s a 1 a k, jonge man-
netjeskarbouw.
Rsato, opscheplepel.
72
Kseret, zie k a s e h e t. als hij grooter is, zal hij op school
Ksoè, een bosje rijsthalmeu, volgens komen.
bepaalde manier gebonden, dat bij het
oogsten boven op den rijststapel gestoken
wordt.
Ksökat, k o e d a k., een jong paard.
Kwa, dauw.
Kwuili, eerstgeborene; groot; nia
k. n a 1 a o a t o e t a m a s k o 1 a.
Kwarak. = komt voor in »fatin
k \v a r a k ', veel ; gewoonlijk gebruikt
men warak.
R wan kwaur, alleen ; nia 1 a o k. k.,
hij reist alleen; sia roewa k. k.,
zij twee alleen.
Kwèr, glad, effen vlak.
L.
La, niet.
La.... dank. [nog niet: nia lam ai
la ... . daun, [ d a n k of d a u n, hij is
nog niet gekomen; la tÖÖ daun, nog
niet genoeg.
Laan ; zeil ; r o o 1., zeilschip.
Laas, daklat.
Laas aan, = 1 a 1 a a s aan.
Labadaiii; spin.
Labat, een touw om iets heen binden
labat keiler, een touw om een kist
binden; 1. m a 1 o e, elkaar vijandig zijn
(van twee rijkjes).
Labelt. 1. k i 1 a t, het geweer richten,
op iemand richten, maar niet schieten.
Labi. 1. k i 1 a t, met velen te gelijk
schieten.
Labo, = 1 o m o e 1 o m o e.
Laboe, telkens hier of daar heengaan
en niets uitvoeren ; nergens vast wonen ;
1. s a è 1. t o e 11, op en neer zwerven.
Latlit , k o e d a L, een paard met witte
oogen.
Ladik, 1 a d i k r a i, de grens trekken.
Laeit. schuin afdak in een tuin.
Laëil, echtgenoot.
Lafaek, = k a b <i u.
La lat in, rijstwan.
Lahatoran, een soort gras.
Lahö, rat, muis.
Lahö dalail, de balken waar de daka-
parren op rusten.
Lahö ikoeil, inoer lahö i k o e n.
de neus bloedt.
Laho toe inoer, een gewas met steke-
lige blaren, dat ze gebruiken om de rat-
ten van iets af te weren.
La b on, foeoek 1., haarspier ; k a b a s
1., draad, garen ; tali 1. tolloe, drie-
draadsch touw.
La hos, volstrekt niet.
Lai, eerst ; o ma 1 a i, eet eerst ; ter-
stond ; o b a 1 a i, ga terstond ; k e 1 1 a
lai, nog niet, (verbiedend) wacht eerst.
Lai .... lai, nu eens dan weer;
lai lao rai lai saè koeda, nu eens
loopen dan weer rijden.
Lailais I vlug, spoedig ; 1 a i s o d a,
Lais (een beetje vlug; foïn lai-
lais nèë, nog pas geleden; onlangs.
Lal naroek, ? middelvinger.
Laka, vlammen, vlam geven; haï la
73
n d o e k 1., het vuur wil niet branden,
wil geen vlam geven ; a m i hare
h a ï lak a, wij zagen een vuurtje
branden, licht van zich geven, schitteren ;
dato sia nare moe rak sian
matan 1., als de hoofden geld zien,
schitteren hunne oogen ; 1 o r o L, even
voor zonsondergang; de jalappebloem.
Lakan, vlam ; bloeien van boomen die
vuurroode bloemen hebben zooals de
»d i 1 o" en de »k i a n" ; kaho la kan,
de geele bloesen van pompoenen.
Lake, openen, ontblooten, den deksel
van iets afnemen.
Lakhar, manen tot betaling.
Lakkateoe, tortelduif; 1. sin a, Euro-
peesche duiven.
Lakinoehar, donkerblauw duifje.
Laknabit, (van habit) tang.
Laknoat (van foat) strik.
La koe, bunzing ; e m m a 1„ van ie-
mand die zeer goed kan klimmen ; 1 a k o e
mate b i a n, aan de geesten der af-
gestorvenen offeren en tot hen bidden ;
1 a k o e we, 1 a k o e f Ö h o, hetzelfde
doen voor een bron, voor een offersteen ;
matan la 1 a k o e na, de oogen staan
reeds stijf ; lakoe taha, soerik,
een kapmes, een zwaard opheffen om te
hakken, om te slaan ; lakoe soenoe
k n o e a n, dit zeggen ze als het in den
oostmoeson nevelachtig is tengevolge van
het gras branden.
Lakoe kmerin, 's nachts zingen bij
een doode van gewone afkomst.
Lakoe knir, een soort uil.
Lakoe lerik, 's nachts zingen bij een
doode van voorname afkomst.
Lakoe meta, tais lakoe meta,
inlandsen geweven zwart kleed.
Lakoon, verloren, verdwenen, ook van
menschen ; weggeraakt, zoek ; verloren
gaan, zoek raken ; 't komt ook bedrijvend
voor b.v. nia lakoon assan hij
verliest geld; ook: hij geeft zijn geld
te vergeefs uit ; schade, verlies ; h o r r i
f o n i n o o ï n 1 a k o o n, gister avond
waart gij niet te zien.
Lak si ra il, een roofvogel.
La laan, lauw, b.v. water.
La laas aan, zich met een waaier
verfrisschen.
Lalaët, de milt.
Lalai, kabas 1., katoen gereed om
gesponnen te worden ; ze nemen dit in
de een e hand, terwijl ze met de andere
de »k i d a ' doen rond draaien.
Lalalak, schreeuwen als ze met velen
tegelijk iets dragen.
Lalaloe aan, links en rechts kijken
LaTan, ? de middelste van broeders of
zusters, die wordt aangesproken met
»Iala M ; emma lalan, iemand die goed
kan dansen.
Lalaok, = k 1 a 1 a o k.
Lalai', vlieg.
Lalarit, manoe 1. hanekam.
Lalattan, o e m a 1., stukken hout of
bamboe die op de nok worden gelegd
om het stroo of de atap vast te houden
(van 1 a 1 1 a).
Lalattak, de schaduw van iets, spie-
gelbeeld; weerkaatsing, afbeelding, ge-
daante, beeld.
Lalawar, = k i n t a r.
Lale, neen; zoo niet: of, niet b.v.
los ka lale, waar of niet; een stok
met een dwarshout of ijzerenpin aan de
beide uiteinden, waarop de draad kruise-
lings gewonden wordt ; lale kabas,
draad op zoo'n toestel winden ; emma
mor as lale oda na, de zieke is al
74
wat beter ; sei la laledaun, nog
niet aan de beterhand (in deze laatste
beteekenis is, »1 a 1 e'* misschien afgeleid
van »m a 1 a 1 e k").
Lalean, uitspansel, hemel.
Lalean hoen, gezichteinder.
liüledili, ai 1. = ai klaledik.
Lalek, hoedi doehoen 1 a 1 e k =
pisang zonder hartvormige punt van den
bloemtros zonder »d o e b o e n" of »b a-
en"; n o 1 1 a r 1 a 1 e k, onbeschoft ;
oekoen lalek, van iemand die zich
aan geen bevelen stoort.
Lalelok. een bamboe die dienst doet
als goot.
LaleD, a i 1 van iemand die vlug kan
klimmen.
Lalenok, spiegel.
Laleo, klein afdak, om b.v. een nacht
in door te brengen, loods.
Laleo loro, zonnescherm regenscherm.
Laleoe, inlandsen rij zadel, een stuk
doek op het hoofd om den last er op
te plaatsen.
Laleoe aan, samea laleoe aan,
een slang kronkelt zich ineen.
Laleok, r a i 1., betrokken lucht.
Laleok aan, zweven.
Lalette, vlonder, brug.
Lalian, stookplaats; fatoek 1., de
steenen waarop de pot gezet wordt.
Lalin, gaan halen, aanbrengen ; e m-
ma 1. aikabelluk nasitassi,
de menschen brengen planken van be-
neden.
Lalisoek, kruin van het hoofd ; horak
1., duizeling, om een spil draaiend toestel
van bamboes om garen te winden.
Laloe aan, = lalaloe aan.
Laloeloer, de scheen, ook 1 o e 1 o e r.
Lalóen, het jukbeen.
l/aloenin, onderlegger waarop de palen
van een huis rusten.
Laloetoek, (
Laloewan, f
Laloran, golf, bergrug.
Lamak, houten etensbakje; het eten,
het maal van den radja ; lamak rai,
den grond van een tuin overdekken met
takken en palmbladeren, om te verbran-
den.
Lamas, tasten.
Lamèë, een zeer giftige worm.
Lanin, = n a 1 i n.
Lanoe, dronken ; dronken maken, be-
dwelmen ; lanoe h Ö ö, vergeven.
Laö, gaan, weggaan, vertrekken reizen ;
a n i lao n a, wij gaan, dit zeggen ze
gewoonlijk als ze weggaan.
Lao biï, op de teenen loopen.
Laö foerik, een inlandsen spel voor
twee personen, met boontjes of pitten
in een langwerpig blok met kuiltjes; bij
gebrek aan zoo'n blok maken ze kuiltjes
in den grond (Mal. tjongkak).
Lao laok, telkens of herhaaldelijk onder
het voortgaan, onder het loopen; koe-
da na lao laok, het paard vreet ter-
wijl het voortgaat, neemt telkens een
hap gras ; sia kakaoer laö laok,
onder het loopen schreeuwden zij her-
haaldelijk ; ros haï toeli lao laok,
de boot doet op zijn reis telkens plaat-
sen aan.
Laö rai, te voet gaan.
Laoek, versleten, vergaan, niet goed
meer van kleeren, van hout.
Laoer, 1 a o e r o ï n, het gelaat wen-
den ; laoer aan, omkijken, op zij kij-
ken ; laoer saè laoer toen, op en
neer kijken.
Laran, het inwendige, het binnenste
75
van iets ; laran a a t en laran nak-
b o e a (letterl. het binnenste komt in
beweging) misselijk, neiging gevoelen
tot braken ; e m m a laran a a t, een
meedoogenloos mensch; iemand die geen
hulp wil bieden ; laran n a m a n a s,
vertoornd ; iha laran, binnen, er in ;
ook als voorzetsel ; iha oema laran,
in het huis, binnen het huis; iha t e-
b e laran, onder het dansen ; h a s i
lara n, van binnen ;wailaok laran
h a o e 1 a toen d a 1 a i d a, gedurende
den westmoeson ben ik niet één keer
naar beneden gegaan.
Lari, schutting, omheining wier latten
ruitsgewijze zijn aangebracht.
La roep, vingerlid.
Latta bezwaren, op iets liggen door
zijn gewicht neerdrukken; h a d i f a-
toek latta anin ketta likit ;
met een steen bezwaren opdat de wind
het niet opneme; na ha latta koe-
d a, de vracht drukt het paard, overtref-
fen, neerleggen van een zwaar voorwerp
b. v. een steen ?
Latta foehoc, nokbalk.
Lattan, teruggeven; gewoonlijk zegt
men 1 a 1 1 a n h i k a r, dwars; t o e 1 a
1. b. v. k o e d a, dwars op het paard
leggen; latta n aan b. v. ai lat-
ta n aan ba d a 1 a n, een boom ligt
dwars op den weg.
Latti, 1. o e s o e k, de daksparren leg-
gen; doen hellen van een lang voorwerp,
een lang voorwerp in schuine richting
tegen iets aanzetten, b. v. een ladder,
latti aan b. v. hare latti aan,
de rijst (op het veld) ligt.
Lattik, ingewandsworm.
Lattik rai, pier (aardworm).
Lattin, halo lattin, fijn maken,
tot poeder wrijven ; horak 1 a 1 1 i s,
eene ziekte in den onderbuik, gepaard
met witte urine loozing.
Lattis, een witte eetbare aardvrucht
van de grootte van een aardappel.
Lat toe, roet ; aanzetsel onder aan den
pot; wat zwartgebrand is.
Lattoek, boven of op iets plaatsen;
lattoek ba maloe, boven of op
elkaar plaatsen, leggen ; lattoek aan
ba maloe of taan maloe ot
t o e ï r maloe, zij liggen op elkaar
(van planken).
Lattoen, zie h a ï 1 a 1 1 o e n; t a-
b a c c o 1 , asch van tabak en sigaren ;
b a d o e t 1., het verkoolde stukje van
de inlandsche kaars dat zij er telkens
afknijpen.
Lamlailk, met tusschenruimten, hier
en daar; s e i hela kanek 1 a u 1 a u k,
hier en daar zijn nog wondjes (vroeger
was het ééne groote wond); foeoek
m o e t i n 1. 1., hier en daar is er wit
haar tusschen.
Laak, verkwisten; 1. r a i, onlusten
in een land verwekken; oorzaak zijn dat
de vrede in een land verstoord wordt.
Lawa lerak, zwaluw.
Lawarïk, kind (van leeftijd); s e ï 1 a-
warïk, 't is nog een kind; lawarïk
man e, jongen 1. fetto meisje.
Lawe, misselijk maken van iets door
dat men er te veel van gegeten heeft;
boeat nèë lawe haoe fotti bana,
dat goed heeft mij misselijk gemaakt,
neem het weg.
Lè, schreeuwen of zingen terwijl zij
gezamenlijk iets dragen.
Leak, wegwerpen ; 1 e a k t., naar bene-
den werpen; 1. sai, er uit werpen, naar
buiten werpen; — 1. aan, neerstorten;
76
n i a 1 e a k t o h a r aan, hij is te
pletter gevallen ; k r a u 1 e a k n o Ö a a n,
de karbouw is dood gevallen.
Lea lear, veel ; emmalealea r,
veel mensehen.
liCan, uittrekken b.v. gras.
Lear, veel ; de troepen ; e m m a lear,
veel menschen ; lear bot, zeer veel.
Leat, iets bezichtigen, naar iets kijken;
n i a ba leat t ö o s, hij is naar den
tuin kijken.
Leba, aan een stok over den schouder
dragen (als één man draagt; van twee
of meer zeggen ze »hoelan").
Ledo, een schelpdier in zee, van welks
schaal armbanden gemaakt worden.
Ledoe, iets draaien zooals een slijp-
steen ; 1. ka fé, koffie malen, klein houten
toestel dat gedraaid wordt om de kapok
van de pitten te zuiveren; oema 1.,
een tijdelijk opgetrokken huis waar rijst
en vleesch gedurende een feest in bewaard
wordt.
Lee, zullen.
Lee ba ba dei, altijd maar door; maar
altijd verder.
Leen, herhaaldelijk om iets vragen en
zeuren zooals een kind doet; om iets
huilen b.v. la war ik leen f e hoek,
het kind huilt omdat men het zijn aard-
appelen heeft afgenomen.
Leliar, uitspreiden b.v. een kleed ; open
maken b.v. een regenscherm.
Lehok, een groote krekel die bij het
naderen v. d. oostmoeson een zeer scherp
geluid doet hooren (Mal sanggit
d a j o e n g) ?
Leka aan, (h a 1 e k a) t a è 1 e k a aan,
achterover slaan, achterover vallen ook
haklotti leka aan.
Leko, opnemen b.v. bijeengeveegd vuil ;
krau 1. e m m a, een karbouw werpt
iemand op ; 1. w e, water scheppen.
Lekoer, herhaaldelijk te vergeefs om
iets vragen of verzoeken ; 1. k o e d a,
een paard te vergeefs trachten te stelen ;
ook den eigenaar te vergeefs verzoeken
om zijn paard te verkoopen; krau le-
koer b a a, een karbouw loopt voort-
durend om de omheining, om er door
heen te breken.
Lelan, iemand om straf al wat hij
heeft ontnemen.
Lelas, draaien b.v. touw draaien van
de draden v.d. arengpalm; iets tusschen
de handen draaien.
Leien, iemand wegens slecht gedrag
het huis ontzeggen, uitwerpen.
Lelir, met de hand zacht over iets
heen strijken; 1. o a n, zijn kind te zacht
behandelen.
Lelok, 1. dalan, den weg verleggen;
ra a n o e 1. t o 1 1 o e n, van eene hen
die nu hier dan daar legt ; 1. m a t a n,
de oogen links en rechts draaien ; 1. k i-
1 a t, met het geweer de richting volgen
van het te schieten voorwerp.
Lenia, ai lima horasnèëlaö
lema kotta, die ziekte verbreidde
zich over alle kampongs; d o e b o e n
k o n a la 1., de rook raakt niet overal,
komt er niet overal bij, van djagong op
zolder ; t a u lema lema, er overal
opsmeren nl. obat, halo bottes le-
ma lema, overal nat maken.
Lèn, zich bewegen van een nog ongebo-
ren kind in den moederschoot ;hodi tali
lèn, met een touw stevig ombinden.
Leno, verlichten ; 1. dalan, den weg
verlichten.
Lenoek, schildpad waarvan het schild
geen waarde heeft.
77
Leo, overschaduwen ; ainèël. oe-
m a, die boom overschaduwt het huis ;
beschermen, beschutten, bedekken ; h o-
d i b i k a n 1., 1 a 1 a r k e 1 1 a na-
boen, met een bord bedekken opdat
de vliegen er niet op afkomen.
Leoe, 1. t a 1 i, een touw in de hand
opwinden; 1. k a w a, metaaldraad tot
een ring ombuigen ; 1. aan, zich ineen-
kronkelen van een slang ; 1. a a n b a
a i, zich om een boom kronkelen.
Leoe leoe, 1. 1. nia a t o e m a i,
over een tijdje zal hij wel komen ; 't
zal nog wel een tijdje duren vóór hij
komt wacht maar als ! pas op als ! (drei-
gend) 1. 1. o k a 1 a in o s i n è ë, wacht
maar ali je hier voorbij komt (dan zal
ik je krijgen).
Leoen, uitgestrekte schaars bewoonde
grasvlakte.
Leoer, 1. k o 1 1 a, een kampong aan-
vallen, overvallen ; vragen om, verzoeken
om b.v. 1. tabacco, om tabak vragen ; ge-
zamenlijk; asoe na leoer bibi
r o e s a, de honden bijten gezamenlijk
een hert ; kohi leoer, gezamenlijk
vangen.
Leoet, voetspoor ; t a 1 i 1., de afdruk
van het touw, van de drooglijn b.v. op
wit goed, omkrullen of vouwen b.v. de
bladen van een boek.
Leok, loro 1., er is een wolk voor
de zon ; 1. t a i s ba h a ï, een kleed bij
het vuur houden.
Leok aan, = 1 a 1 e o k aan.
Leon, lommer, schaduw, beschutting,
bescherming, amulet ; heli aan ba
Nai Maromak leon, zich onder
(lods hoede stellen ; ai leon, sckaduw-
boomen, de lommer; toer i h a o e m a
leon, in de schaduw van het huis zit-
ten ; hola leon iha naï, de hand
v. d. radja zoenen ; hahenoe leon,
een amulet aan den hals dragen.
Lêf , 1 è r s o e r a t, lezen.
Lere, onkruid afkappen ; 1. d a 1 a n,
een weg schoon kappen ; lere a i ; au
takken, bamboe afkappen om op het
veld uit te spreiden en te verbranden ;
soenoe lere, die takken in brand
steken, tuinen branden.
Lerik, gewoonlijk zegt men; 1 e r i k
d e ï, alleen maar, slechts ; — nia te-
rik lerik de ï, hij praat alleen maar.
Les, scheuren, krabben ; b o e s a 1., de
kat krabt ; toetoe les, zie toetoe;
k a i t les, zie k a i t.
Lèt, tusschenruimte, spleet ; f o 1 è t,
geef ruimte, om tusschen door te gaan
of om tusschen door te kijken ; h ö lèt,
tijd hebben ; e m m a lèt, iemand die er
buiten staat, buiten de zaak, buiten het
spel, getuige ? ; te vergeefs : nia 1 a o
lèt, hij ging te vergeefs ; f ó lèt, voor
niets geven = fó doeoek; nia
mate lèt, hij stierf (werd ter dood
gebracht) onschuldig; ook sterven b.v.
van een kind, nog vóór dat de ouders
er hulp van gehad hebben ; h a 1 a lèt,
iets nemen zonder te betalen ; iets afne-
men van iemand zonder rede, zonder dat
eerst hem iets ontnomen is.
Lettefc, = haklettek.
Letten, boven, (staat tegenover kraik) ;
ami toer letten ba, wij wonen
boven ; s i a nola letten, zij gaan
boven over ; t o e 1 a ba letten, leg
het boven op ; iha 1 a m a r i lette o,
op de kast.
Letterós, kabas letteros, ge-
kleurde draad van elders ingevoerd.
Lew&X, in het duister loop en.
78
Li n, zaak, tijding, bericht, gezegde,
woord, taal ; o modi sa liaof'lia
s a, welke tijding brengt gij ? t e r i k
1 i a, eene zaak bespreken ; toer 1 i a,
bij elkaar zitten om begrafenisfeest te
vieren of' om eene Nai Maromak
n i a n lia, Gods woord ; nian 1 i a
la i h a na, hij heeft niets meer te
zeggen, spreken ; haoe kö lia, ik
heb er mee gesproken ; h ó m a 1 o e
lia h i k a r dei", met elkaar weer
spreken, niet meer boos op elkaar zijn.
Lia foean, woord.
Lia nain. lijkzang bij den dood van
een radja.
Lian, stem, klank, geluid, taal, klinken,
geluid geven, knallen ; lao ho lian,
als gij (bij donker) loopt maak dan geluid
(door te spreken of te zingen opdat men U
niet voor een dief aanzie).
Lian ta aan, echo.
Liat, met een strik vangen ;tali liat
n i a a i n, zijn voet raakte verstrikt in
een touw ook : nia kan ain, liat
aan ba tali.
Liba, van elders ingevoerde katoenen
sarong.
Li boer, verzamelen, bijeenbrengen,
doen samenkomen.
Lidoe, zorgen b.v. voor een zieke.
Lidoen, uitstekende punt op den deksel
van een rijstmandje; hoek?
Lihoen, wel. diep water.
Liïs, schuin, schuin houden.
Lika, noodig.
Likif, in de hoogte tillen ; opnemen
van den wind.
Likkan, er genoeg van hebben.
Likkin, manggapit.
Likoe rai, dansen van de vrouwen
terwijl ze op trommeltjes slaan.
Lilak, niet goed gaar, van vruchten
die niet tot rijpheid komen.
Lilau, emma lilau — enima
k 1 a b o e k ; zie k 1 a b o e k, een ver-
kwister.
Lilin, was.
Liliwèk, van iemand die licht huilt.
Lima, vijf.
Lima rassoek, bruin visch.
Liman, hand, arm, voorpoot; toewa
1., tak met palmsap ; kanokkar 1.,
de dwarshouten waarmee de »kanok-
k a r ' gesloten wordt ; bero liman,
de vlerken van een »b e r o" (vlerkprauw).
Liman foean, vinger.
Liman foean inan, duim.
Liman rolian, nalatenschap.
Liman sikoen, elleboog.
Limar, wijl.
Linsoe, hoofddoek.
Lioe, dient om den vergrootenden
trap te vormen b.v. bot lioe, grooter,
meer, voorbij ; s i a lioe t i a n, zij zijn
reeds voorbij ; halo lioe, doorgaan
met iets ; te rik lioe met spreken
voortgaan, verder spreken ; hola lioe,
voor goed nemen ; lakoon lioe, voor
goed verloren.
Lioe rai, titel van sommige voorna-
men in de zuidelijke landschappen van
midden Timor; de landschappen aan de
Zuidkust van midden Timor ; ook worden
hier Europeanen somtijds zoo betiteld.
Lioer, het buitenste het uitwendige
van iets ; i h a lioer, buiten ; h o s i
lioer, van buiten ; hola lioer buiten
om, buiten langs gaan, iha toös lioer
buiten den tuin.
liiran, doorschijnend.
Liras, vleugel.
Lirin, haan 1., overschot van eten,
79
dat nog bewaard wordt ; b.v. e t o e 1.
overschot van rijst; laö L, reizen zonder
eten mee te nemen ; t o b a 1., gaan slapen
zonder gegeten te hebben ; n i a 1. tos,
hij kan goed tegen den honger.
I>i roek, slingeren ; wegslingeren ;
gooien ; hodi ai liroek hó, een
stuk hout in een manggaboom slingeren ;
liroek m a i d e ï, gooi het maar hier
naar toe.
Lisa, ui.
Lisan, manier van doen; gedrag;
voorbeeld ; gewoonte ;ida idak nian
1 i s a n d o e o e k, ieder heeft zijn eigen
manier van doen.
Lisoe, tegen; nia 1 i s o e a m i, hij
is tegen ons b.v. in een gevecht, in een
spel; ami roewa bellan lisoe o,
wij beiden trekken partij tegen u.
Lisoek, gezamenlijk; fahi nèë ami
hola lisoek, dat varken koopen wij
gezamenlijk; fotti lisoek, neemt het
gezamenlijk op.
Lissoe, ijzeren haak om schildpadden
te dooden.
Lita, naaien; 1 i t a d a i, een net breien.
Litoek, bij eendrijven van karbouwen,
geiten om ze samen te doen grazen.
Loat, mandje zonder deksel dat de
vrouwen op den rug dragen; ook : mand
om zout in te doen.
Loa talin, duizend poot.
Lobas, lobas ba we, in het water
dompelen.
Lobit, haastig, snel bijw.
Lobo, ook : tetoe lob o; zoldering
om b.v. djagong op te bergen, o e m a
lobo, een huis met zoo'n zoldering (in
Doeliloe lopo).
Lobot, branden, verbranden door heet
water of een heet voorwerp; w e m a-
n a s 1. h a o e liman, het heete water
heett mijn hand verbrand; rai manas
lobot ai n, de heete grond brandt de
voeten.
Loddes, ziekte van sommige dieren.
Loddos, h o e s i 1., twee of meer vo-
gels of wat anders te gelijk schieten;
nia t e r i k 1. 1 i a, hij spreekt over
twee zaken te gelijk.
Loè, uit elkaar gaan van menschen
b.v. na een feest 1. soeriktah a,
een zwaard, een kapmes opheffen om te
slaan.
Loea, wordt soms gebruikt voor »ha-
loea" vergeten b.v. ami hasai loea,
wij hebben vergeten het er uit te nemen;
ami laö loea, wij hebben het bij het
weggaan vergeten (mee te nemen).
Loeas, een kleed open maken uit-
spreiden.
Loeboer, boven uit komen, hooger zijn
dan; we 1. a m i, het water kwam tot
boven ons hoofd; doeoet 1. battar,
het onkruid groeit boven de djagong uit.
Loeboes, = haloeboe.
Loeka, zeekoe.
Loekat, 1. keiler, een kist doen
kantelen, omkeeren om den inhoud b.v.
kalk er uit te doen vallen ; 1. s e s, op zij
rollen b.v. een boom; 1. aan, er uit-
vloeien b.v. water of wijn uit een glas
dat omvalt.
Loekatón, rijksdaalder.
Loekoe, het hoofdhaar wasschen ; ook
loekoe oeloen; toch ; lo e k o e d e ï
toch maar ; masik haoe badoe
sia nalo loekoe deï, ofschoon ik
het verboden heb doen zij het toch maar.
Loeli, ongeoorloofd.
Loelik, Mal. pemali; de heidensche
eeredienst en bijgeloovige praktijken.
80
Loeloen, oprollen.
Loeloer, de scheen.
Loeinoe, 1. erama, iemand aangrijpen;
iets in de hand nemen of honden.
Loemoet, mos.
Loen, traan (uit het oog).
Loeni, het hoofd op iets te ruste leggen.
Loer, tabacco L, stof van tabak;
ai 1. = ai noeroes, heel klein over-
schot van eten.
Loer, leegloopen; wandelen.
LoerJ, h a ï na 1 o e r i, het vuur ver-
breidt zich verder ; verbreidt zich naar
alle kanten ; timir rahoekhahi
1 o e r i, den baard overal laten staan ;
kawerok loeri, overal nat van een
huis met veel gaten in het dak ; dato
s i a s e ï h a s è t a loeri d e ï, de
hoofden zetten nog iedereen tot werken
aan (n.1. op Zondag christenen en hei-
denen) ; sia toesan loeri deï, zij
beboeten maar, schuldigen en onschul-
digen.
Loerot, boewa nawa loer o e,
een zekere palmboom.
Loeroek, een hoop takken en bladeren
die op het veld verbrand worden.
LoeroeD, dubbele rij, t zij van huizen ;
b a a 1., een pagar aan weerszijden van
den weg.
Loeroes, tabacco 1., stof van tabak ;
ai 1. = ai noeroes.
Loeroet, 1. k o e d a, een paard nazet-
ten, voortdrijven b.v. naar den stal.
Loesi, vlechten van touw (driedraads) ;
loesi kaho een pompoen in stukken
snijden en dan koken.
Loesin, 1. d o e d o e, een pompoen in
groote stukken snijden en dan koken.
Loetoe, heg, omheining.
L3ewa, ruim b.v. huis; wijd b.v. kleed,
snoer en dus geschikt om aan den hals
te dragen; breed, breedte; r a i 1. open
terrein ; 1. rai, b.v. sia toba loewa
rai, zij slapen tot het licht wordt (zie
naloewa).
Loewail, het buitenste, het uitwendige
van iets ; i h a 1., buiten ; i h a o e m a
1., buiten het huis ; bal. of s a i 1.,
(letterl. naar buiten gaan) behoefte doen.
Lohèr, ontrollen ; 1. liman, de hand
plat uitstrekken; 1. b o r a de inl. pajong
open doen.
Lohi, vlak bij het vuur houden b.v.
djagongklossen; 1. n è ë k, met een bran-
dend klapperblad of iets dergelijks over
een mierennest strijken om ze te dooden;
1. f a h i, hetzelfde doen bij een varken
om de haren te verbranden ; zengen ;
m a m e r a n lohi n ö ö t o k k o, de
bliksen heeft een gekko gedood.
LöhÖ, met heet water begieten zooals
ze doen bij een varken opdat de haren
gemakkelijk los laten.
Loïn, 1 o ï n h a ï, het vuur vermin-
deren door de brandende stukken hout
uiteen te doen ; loïn kari haï het
vuur verminderen door het uiteen te doen.
Loïr, zingen met begeleiding van trom
en viool.
Loït, uitnoodigen om mee te gaan.
Lök, aanbieden vooral sirih en pinang ;
lok e m m a, menschen onthalen op sirih
en pinang ; ami lok sa ba emi!
wat zullen wij u aanbieden.
Lokka, slaapvertrek.
Lokke, — lake; lokkekoelit
villen ; lokkeai koelit, de bast
van een boom afhalen ; oan lokke
toma tomak ina nian oïn of
a m a n i a m o ï n, hec kind lijkt spre-
kend op zijne moeder of op zijn vader.
81
Lokko, pronken, bluffen, kuren heb-
ben ; n i a 1. nia kaan bit, hij bluft
over zijn kracht, hij pronkt er mee ;
ook 1. n o d i b.v. nia 1. nodi nian
uioerak, hij pronkt met zijn geld.
Lokkoe, breede armband die aan den
bovenarm gedragen wordt.
Lole, 1 o 1 e ba 1 o 1 e in a i. op en
neer slenteren en niets uitvoeren.
Lolit, neerleggen van een gebonden
varken, of' een ander dier ; lolit krau,
een gebonden karbouw doen vallen ; 1 o-
1 i t b a h a ï k 1 a a k, op gloeiende
houtskool leggen om te braden ; lolit
aan, liggen.
Lolo, iets aanreiken ; 1. 1 i ni a n, de
hand uitstrekken, uitstrekken ; 1 o 1 o 1 i a,
eene zaak rondzeggen, bekend maken.
Loloi', een weinig verwijderd van, een
weinig op afstand van ; koeda kessi
laloè maloe o da, bind de paarden
op een weinig afstand van elkaar ; o o n
koeda kessi loloè toewan
nian, bind uw paard op wat afstand
van mijnheer zijn paard; las loloe
oda, ga wat op zij.
Lolok, las 1., in een rij achter elkaar
loopen; ook zonder eene rij te vormen
samengaan, met elkaar gaan; te gelijk
met; ami s_a è h Ö s i a 1 o 1 o k, wij gaan
te gelijk met hen naar boven; onmiddel-
lijk na elkaar b.v. tiroe tolloe la
nakottoe 1 a o lolok dei', drie
schoten niet afgebroken kwamen onmid-
dellijk na elkaar; lolok kilat ba,
het geweer richten op.
Lolo metan, tais lolo metan,
inlandsch geweven zwart kleed.
Lolon, de stam van een boom; hulp-
telwoord voor lange dunne voorwerpen
b.v. touw, kaars, snoer; isin lolon,
lichaam ; heuvel, berg ; r a i lolon,
hellend terrein.
Lolós, zeer, bot 1., zeer groot.
Lomoe lomoe, een soort reiger.
Lón, lón h a ï, den rand van een
tuin eerst afbranden, vóór de geheele
tuin wordt kaal gebrand.
Londos = 1 o d d o s.
Louis, schildpad waarvan het schild
groote waarde heeft; lonis kakoen
het schild.
Loiioes, vóór den tijd werpen van
dieren.
Löö, kleine kampong.
Lo'oe, zich onderwerpen,
Lo'oe soedoer, onderdanig zijn ;
looe aan toen, gaan zitten.
Lo'oen, schild van de »lenoek"; heeft
geen waarde.
Looi, aanbrengen, aandragen, koeda
1. b a 1 1 a r, het paard brengt, de dja-
gong aan nl. van den tuin naar huis ;
looi maloe, met elkaar vereenigd
blijven steeds te samen zijn b.v. twee
goede vrienden ; — looi, bij zich dragen,
meenemen, ook h a d i 1. 1., kaèr 1. 1.,
bij zich houden.
Lor, oda mattanlor, (staat te-
genover »raè' ) voordeur; oedan lor,
regen op het einde v. d. westmoeson,
in den oostmoeson lor h a i, het vuur
beletten verder te branden? lor krau,
beletten dat een karbouw uit den troep
wegloopt (bij het »h a 1 a i hare \v e").
Lora, met een kapmes langs een stuk
hout of een tak strijken om er dorens
of takjes en bladeren af te slaan.
Loraik, (1 o r o r a i k, zon laag) 's
namiddags.
Loren, openlijk; in 't openbaar.
Lori, verhuizen ; iets verplaatsen ;
ü
82
veranderen van prijs ; batakke nèn,
la 1 o r i na, zes gulden, ik verandei
niet meer.
Loro, naam van sommige landschappen.
Loro en loro mat tan , zon ; toer ba
1 o r o en ba loro 1 a r a n in de zon
zitten ; loro s a e n, oosten ; loro t o-
b a. westen; tijdsbepalingen met »1 o r o"'
zie spraakk. bijw. van tijd.
Loro falin, oostmoeson.
Loro loron, dagelij ksck, dagelijks.
Loro wain lèt, op de gewone dagen;
b.v. loro wain lètlahanaan,
t ö Ö dahoer f o ï n ha naan, op
gewone dagen wordt er geen vleesch ge-
geten, op feestdagen, dan wordt er vleesch
gegeten ; gewoonlijk, in den regel.
Loron, dag.
LoS, recht, juist, waar, echt ; 1 ö s 1 a 1 e?
en los ka lale? waar of niet ? goed,
in orde ; noenèë los, zoo is het goed,
zoo is het in orde ; niakaanlialós,
zijne zaak is zuiver, hij heeft geen schuld;
halo 1 ö s, recht maken, in orde
brengen ; lös toewan, zooals mijn-
heer wil; dat hangt van mijnheer af;
lös toe wan nia kaan neon,
volgens mijnheer zijn believen; los
idak neon, volgens ieders believen ;
dat moet ieder voor zich weten ; 1 ö s
r a i mos, dat ligt er aan dat hangt er
van af als het mooi weer is ; lös o r a s
ida lai, dat zullen we strakjes wel
eens zien; o atoe faan battar?
zijt zij van plan djagong te verloopen?
lös wain; dat hangt er van af als
er veel is ; lös rani n a k m a 1 1 e k,
als hij (de vogel) maar stil zit, (dan zal
ik hem wel raken) ; lös ba emi, dat
moet jullie weten; dat is voor uwe re-
kening ; kotta nèë oema kain
h i r a ? a d i n lös soera, hoeveel
huizen zijn er in dien kampong? ik weet
het niet, ik zou ze eerst moeten tellen.
Lösdeï, alleen maar, slechts; nia
te rik lös deï hij praat alleen maar,
hij zegt het alleen maar (doch doet niet).
Lossoe, uithalen b.v. een splinter uit
het vleesch, een pijl uit de wond ; 1. glas,
het glas (van de lamp) nemen ; een
kurk van de flesch : 1. s o e r i k, het
zwaard trekken ; 1. k e s s a k, strootje
trekken ; 1. matan taan emma, de
oogen op iemand gesperd houden ; 1.
m o e r a k, geld nemen om uit te geven.
Lotte, 1 a ö 1., gaan zonder iets te
dragen.
Lotti, doen omvallen ; a m i n n o e
1. h o e d i, de wind waait de pisangs
omver ; issin manas 1. haoe, de
koorts wierp mij neer 1. 1 e r i k, maar
laten liggen (een zieke) er niet voor
zorgen, neerleggen ; rai lotti, neer-
leggen.
Lottoek, dun b.v. draad, een boom
fijn b,v. zand ; i s i n 1., mager schraal ;
1. t a b a c c o, tabak kerven ; 1. naan,
vleesch in kleine stukjes snijden.
Lottoen, mootje, stukje ; naan 1.,
kleine stukjes vleesch.
M
Maar, dik b.v. huid, plank, (staat stijfkop ; oïn maar, niet verlegen,
tegenover niïs) ; oeloen fatoen brutaal ; dicht van haar gebladerte, ge-
in aar, die zich aan geen bevelen stoort, boomte, van eene menigte menschen;
83
(staat tegenover lan lauk); vandaar
ook ; veel b.v. s o e s o e k maar, veel
muskieten.
Maas, zaclit van hout, steenen, grond,
malsch van vleesch (staat tegenover
t ö s) gemakkelijk, licht bijw. b.v. n a-
k r o è m. het breekt licht ; ai n è ë
f era mails, dat hout is gemakkelijk
te splijten ook : m a m a i't s b.v. bau
I) a n é ë k o n a ma m a a s, zet (de mui-
zenval) hier, dan komen ze er licht in ;
kakoetak ra. (letterl. zachte hersenen)
vlug van begrip ; kakoetak tos
(harde hersenen) traag van begrip ; toe-
dik na ra a ii s, het mes snijdt goed.
Maas, geeuwen.
Maat, gierig.
Madaëk, schuw, schichtig.
Madat, amtioen.
Madidoek, = hadidoek.
Maek wèn, kleine raugjes.
Makaboer, dot', niet helder b.v. een
spiegel, oogeri, bril, glas rai ra. =
r a i n a h a b o e r, (zie n a h a b o e r).
Makalok, dapper ?; ijverig.
Mabeok, , ,
) nr kabau.
Makoeak,
Mahoeat, hard;
Mahoelan toewa, orion?
Mahokóé, = n o h o é n.
Mai, komen ; achter werkwoorden geeft
het eene richting te kennen naar den spre-
ker toe (het tegenovergestelde van »b a")
b.v. 1 a ö raai, kom hier, toen mai
(tegen iemand die boven staat of b.v. in
een boom is geklommen) kom af ; s a è
mai, klim op (als de spreker boven staat).
Mais, maar, doel).
Mak, tusschenvoegsel zonder beteekenis
b.v. se mak valo of se naloV wie
heelt het gedaan? ook hoort men »makka".
Makaas, hard b.v. cementen vloer, hout,
taai, serewiesoe m. ; t a è ra. hard
werken, hard slaan ; laromakaas,
de zon schijnt heet; halo makaas
o d a, zet er wat kracht achter, span je
wat in; oekoen makaas, streng
regeeren ; rai makaas, zooals wij
zeggen : harde tijd b.v. r a i ni. e ra m a
u a h e n o e 1 e o n, in den harden tijd
(d. i. toen de pokken heerschten) hingen
de raenschen amuletten om den hals.
Makadere, met de vingers trommelen.
Makakoet aan, het erg druk hebben.
Makakoe aan, te veel aan het hoofd
hebben ; in de war wegens te groote
drukte, leven maken?
Makaoer, manoe makaoer (van
kakaoer, schreeuwen) een vogel die bij
het naderen V.d. westmoesson zijn kras-
send geschreeuw doet hooren; d o'o e
makaoer zie d o'o e.
Makdadi, lood.
Makdean, de woordvoerder die de te
bespreken zaak uiteenzet.
Makdók, ziektebezweerder, toovenaar.
Makekko, luidruchtig zijn.
Makerik, met figuren voorzien, uitge-
sneden, bont, gevlekt van een paard, slim,
sluw ; e ra m a makerik, een sluwe vent;
— badaen = makdean.
Makili, kittelen enz., prikkelen ; koe-
da i sin m., het paard is dartel?
MakiJik ; 1 i a s a r i n ra a k i 1 i k, een
grappig verhaal, een ui.
Makkar, vermoeid.
Makkas, badoe m., streng verbieden ;
lor o m., de zon schijnt erg warm;
s e r e w i r o e ra., hard werken.
Makkat, zich verrekenen ; m. ra e n o n,
zich b.v. een dag verrekenen in de af-
spraak.
84
Mn k kit , bijten ;asoe ru. emma, een
hond bijt iemand; koeda m. haè laö
1 a o k, onder het loopen bijt het paard
telkens gras af.
Makleat (hoogstwaarschijnlijk van
»leat"), iemand die is aangesteld om toe-
zicht te houden op de sirih en pinang
en zonder wiens verlof geen sirih en pi-
nang mag geplukt worden.
Mako (van 't Mal. mangkok), aarden
kom, kommetje, kop.
Makokka, luidruchtig zijn.
Makoiiak. liman in., vaste hand in
het schieten; hoesi m., gewoonlijk
raak schieten.
Makrona, glad.
Maksonak (waarschijnlijk van s o n a
steken), koeda maksonak, herte-
jager.
Malahoek, onduidelijk voor het gezicht,
niet helder (staat tegenover »malorik");
hare m., onduidelijk zien; matan m.,
oogen die niet helder zieu ; t a r o eï k m..
bergen op verren afstand; isin m., be-
stoven; fós m., grauwe rijst.
Malaè (niet m a 1 a i), uitheemsch;
o e m a ru., huis met een hoog dak, zoo-
dat men uiet hoeft te bukken ; Malaè
m o e t i n, de Portugeezen ; emma
Malaè en emma Malaè Sina, Chi-
nees ;terik Malaè en te rik Malaè
m e t a n, Maleisch spreken ; t e r i k
Malaè moetin, Portugeesch spreken.
Malaik, koedam., een paard dat vlug
loopt (van h a 1 a i, loopen) ; malaik
aan, male roek aan! scheldend tegen
iemand die uit den dienst wegloopt en
telkens van woonplaats verandert.
Malalek, levendig, vlug; isin m.,
frisch en gezond ; nia isin m. nikar
o n a, hij is weer hersteld.
Maleroek = klaboek.
Maliril), koud; haoe katauk m..
ik ben bang voor de kou.
Maloe, elkander.
Maloek z= mamaloek.
Maloelik, broeisch.
Maloen, familie? familielid?
Malolok, liman m., van iemand die
goed richt bij het schieten of werpen;
hoeri m., juist schieten; hoe m., met
een blaasroer raken ; zuiver recht b. v.
een bamboes, een paal.
Malarik (staat tegenover »m a 1 a-
h o ek"), duidelijk voor het gezicht ; t e r i k
m., duidelijk spreken; hare m., duidelijk
zien; matan m., helderziende oogen.
Mamaloek, wat met een ander een paar
vormt; wat bij een ander hoort b.v. van
twee kisten of twee pakken die door één
paard gedragen worden, ook van twee of
meer menschen, die bij elkaar hooren, b.v.
als twee of meer menschen van hetzelfde
land zich in een vreemd land bevinden.
Manie, een stuk boombast dat na
zwartgebrand te zijn in den bamboekoker
gelegd wordt, waarin het palmsap wordt
opgevangen.
Mamêëk, lian mamèëk, dialect.
Mameoel, niameoer, zacht op het gevoel
b.v. watten ; lenig b.v. rottan ; zwak ten
gevolge van ziekte.
Mamera n, bliksem.
Mamfat tin, het woord, het bevel, de
uitspraak van den radja.
Mamiïk; de blaas.
Mamisar, gezwel aan den hals.
Mamma, kauwen van sirih en pinang;
hetgeen gekauwd wordt b.v. a m i toen
atoe faiin mamma, wij gaan naar
beneden om sirih en pinang te verkoopen ;
mamma la iha, er is niets om te kauwen.
85
Mammar, zacht; isin ui., zwak;
di o t a m. o n a, de stroom is niet sterk
meer ; gemakkelijk b.v. 1 a k e m. o n a,
het gaat al gemakkelijk open (van een
ziek oog) ; nia te rik Tetturn
mamma Ö n a, hij spreekt al gemak-
kelijk ïettnm.
Slamoek, ledig, op, er is niet meer;
rai m., onbebouwd terrein; onbewoond
terrein ; b o e a t m., een zaak van geen
beteekenis ; alles, allen, geheel b.v. h a o e
kola m., ik neem alles ; e m m a 1 a Ö
in., allen zijn uitgegaan, ze zijn alle-
maal uit; haoekatènè sia m., ik
ken hen allen ; i s i n m. m o r a s, het
geheele lichaam doet pijn.
Manioekoen aan, morren.
Manioelik, een oorsieraad.
Mamoet, warm van kleeren, ook van
het lichaam zooals bij koorts.
Mamóet = b a b ó e t.
Mamokken aan. zeer onduidelijk spre-
ken.
Mana, onwetend ; naar iets anders
kijken, op iets anders letten dan waarop
men letten moet.
Mana niaiias, 1 a r o m. in., als de
zon warm begint te schijnen.
Manaik, afstammelingen van slaven,
die zelf geen slaven meer zijn, maar toch
nog niet gelijk staan met »e m m a r e-
n o e", de gewone onderdanen, en zich
met dezen niet inosren vermengen.
Man ar au, o e m a in., het ouderlijk
huis.
Manas, heet, warm; sterk, van dran-
ken ; pittig, van tabak ; fó oekoen
mana s, of alleen f ö manas, een
streng bevel uitvaardigen.
Blanoe, kip ; m. a m a n, haan, m.
i n a n, hen ; m. in a n, hoen, legkip ;
m. f o e ï k, vogel ; m. oedanwèur
m. m a k a o e r, zie makaoer; m.
t a f o e ï, boschhaan ; m. h a r e k, rijst-
vogeltje ; m. k a r a s, verhemelte ; m.
1 a i n, staartveeren van een haan ; m.
o a n m. t o 1 1 o e n, komt voor in de
beteekeuis van getuige ; m. keilen,
haan van 't geweer.
Manoek, op verren afstand naar iets
werpen of schieten.
Manoetoeloe, schoorsteentje van een
geweer.
Manokko, | leven maken, luidruchtig
Manorro, f zijn.
Manorocn, de grens tusschen het diepe
en ondiepe in zee.
Mara, droog ; t a s s i m., eb ; niet aan
de beurt bij een spel; — mara, voort-
durend.
Marak, merkteeken.
Maraka 1 a o m., op groot wild jacht
maken.
Marakkïik, nog onrijp.
Mara lerik, niet verder kunnen b.v.
omdat de weg is afgesloten, omdat de
rivier te hoog is.
Maran, droog.
Marinoe, een vaste boodschaplooper
van den radja.
Maromak, God.
Masik, ofschoon.
Masin, m. m è r, zout; m. mi dar,
suiker ; m. mana s, gember ; m. m e-
t a n, kruit ; door masin, alleen ver-
staat men steeds zout.
Mata, m. r o e w a k, ieder twee ; m.
t o 1 1 o e k, ieder drie enz. ; m. h i r a k ?
hoeveel ieder? — dalan, gids, iemand
die den weg kent; — fatin, die op eene
plaats bekend is; - - foon, die op eene
plaats nog onbekend is, er pas woont ; -
8(5
ikan, een woud ten gevolge van een
zweer; — kakka. opening in een dijkje
om het water door te laten ; — h o d a
koeak mata kaka, zoo'n opening-
die was dichtgestopt open maken: —
lèt, boeat mata lèt, iets om te
snoepen, snoepgoed, ook b.v. vruchten :
— mai'èk, van iemand die eene verlorene
zaak vindt, het loou voor het vinden : —
tainak. die ergens geheel vreemd is.
Hatak, onrijp, groen, versch. onge-
kookt, rauw; emma m.. die onzijdig
is, die buiteu de partijen staat : r ai m..
onzijdig gebied: te rik m.. zouder rede
iets bewereu: mate ui., onschuldig
sterveu: höo m., onschuldig dooden:
ha m. emma nian moe rak, zon-
der rede iemands geld nemen.
.Ha tan, oog, deksel: we m.. bron:
laro m., zou: m. fós en m. f o eau,
oogappel : m. a a t. blind ; m. doekoer,
de oogen zijn dicht, slapen: haï m.,
het gedeelte van den haard tusschen de
drie steeneu ; hulptelwoord b.v. koeda
m. r o e w a. twee paardeu ; k r a u m.
t o 1 1 o e drie karbouweu : uitkijken naar :
emma ba m a t a n. er is iemand gaan
kijken : — foekoen, het been boven het
oog: ai n i a kaan m. f., boom wortels
die boven den grond uitsteken : — —
rahoen, wenkbrauw.
Ittatas, volwassen : reeds op leeftijd,
iemand van b.v. 18 jaar is »matas" met
betrekking tot iemaud van 10 of 12
jaar.
Mate, dood. sterven, uitgaan vau vuur.
stilstaan vau de klok. met draaien
ophouden van een tol : m a te s a 1 a,
bewusteloos, half dood b.v. ten gevolge
van een val ; foelaumate, nieuwe
maan : — bfan, ziel van een afgestor-
vene; — matek. stilletjes, zachtjes, zonder
beweging ; toer m. m., zit stil.
Matek, ain matek. de voet slaapt ;
gevoelloos van een lid.
Haten. 1 i a u è ë m. ö n a, die zaak
is afgehandeld ; emma maten, een
doode ; bakoe maten, voor goed
vastspijkeren.
Matèliek, kuudig, bekwaam, verstandig,
wijs.
llateok, i b o e n m., welbespraakt.
Maufinoe. gevaar.
Maun, oudere broeder; foelan nèë
nia k a a u m a u n. de vorige maan.
Mans, tam. mak.
Mea, b i s s i m.. gloeiend ijzer.
Meak, bruin.
MeaD, rood. goudeu ; k a d e 1 i m e a u.
een gouden ring : m o e r a k m e a u.
goudgeld : m e a u i d a. eeu sovereign.
een goudeu tieutje ; niear matak,
goudgeld, meau tassan, gouden
sieraden.
Mèan oan, kuiltje iu den hals.
Mear, hoesten, verkouden zijn : m e a r
f a hi f o e ï k. een kwaden hoest hebben.
Meas, rood doek.
Meda, (van 't Mal. medja) tafel.
Heek, puntig, spits.
Heken, klein.
Helattin, koud.
Meloes, zeer gierig?
Menias ; grijpen, aanpakkeu om te
vechten ; a s o e m. f a h i. een hond valt
op eeu varkeu aau.
Meuiera, als het bloed b. v. op eeu
gekneusde plek zich ophoopt, maar niet
uitvloeit.
Memi, noemen ; m. f il as. auders
noemen, een anderen naam aau iemand
geven.
87
Menaan, wiunen, overwinnen, voordeel
hebben.
Menek = b e n e k.
Menoii, afspraak.
Meo, voorvechter.
Meoe, halve gulden.
Mèr, we m è r, zout water, raassin
in è r, zout, zelfstnw. ; oan m è r, klein
kind.
Merak, troebel.
Sletan, zwart, donkerblauw.
Meti = k m e t i ; het bij eb droog-
geloopen strand; vischjes vangen opliet
drooggeloopen strand ;
oeloen =
m a n o r o e n.
Mi, urineeren.
Muloer, zoet.
Milat — dirak.
HUI kastit. allerhande zaken, van
alles, alle schepselen.
Min. urine.
Mina, olie, m ina r a i, petroleum ;
mina n o e en noe min a, klapper-
olie ; gesmolten vet, b.v. mina f a h i,
gesmolten varkensvet ; minafoean,
kanen.
Miraen, witte mier.
Mirik, een soort uitslag.
Mis, flauw van spijs; we m., zoet water.
Mi sak. bij de keel grijpen, met de
hand wurgen.
Missa, slechts, alleen, enkel, niets als,
allemaal ; haoe karé lawarik
missa, ik zag alleen kinderen ; mis-
sa n è ë dei', alleen dit maar ; n è ë
missa d e ï, dit alleen maar, rai n è ë
la diak, fatoek missa, die grond
is niet goed, allemaal steenen, niets als
steenen ; ai f' oeannèë diak mis-
sa, deze vruchten zijn allemaal goed;
missa d o e o e k, van zelf b.v.
odamatan missa naklake doe-
o e k, de deur ging van zelf' open ;
missa sai doeoek, het is er van
zelf' uitgekomen; — niissak, enkelen,
een of ander.
Missak, eenig, één ; oan missa k,
eenig kind ; o a n m i s s a k d e ï, slechts
één kind ; missak de ï, één slechts ;
missak n è ë d e ï of n è ë missak
d e ï, deze of' dit ééne slechts.
Missan, alleen ; o missa n mai
d e ï ? komt gij alleen maar ? n i a toer
missan, hij woont alleen.
Miste, moeten.
Mó, schitteren, blinken, heldere oogen-
blikken hebben van krankzinnigen, ook
van iemand die tijdelijk het bewustzijn
verloren heeft ; mó n i k a r, het bewust-
zijn is weer terug; oïn m ó, beter zijn
van een zieke; nia kaan oïn f oïn
m 6 o d a, hij is even aan de beterhand ;
ma tan mó tian, de oogen zijn al
open (b.v. van jonge hondjes); mota
m ó, de rivier is niet troebel meer, weer
helder (na de bandjir).
Moat, hoog onkruid, wildernis; ama
m o a t 1 a r a n, vader buiten den echt ;
oa moat laran, onecht kind.
Modder, tassak. modder ; goed rijp,
van vruchten.
Modak, geel.
Moè, beschaamd, verlegen, zich scha-
men; o la moè? schaamt gij u niet?
beleediging ; ata la tatenainian
moè, een slaaf kan niet voldoen voor
de beleediging een koning aangedaan :
hola nian moè, voor eene beleediging
vergoeding nemen; haoe kola taan
haoe kaan moè, ik neem het om de
beleediging mij aangedaan ; m o è a a n.
zich schamen.
88
Moedoe = ahan? o la in o e d o e,
verwijtend tegeu iemand die verkeerd
handelt.
Moekit, arm, schaars; haan m., het
eten is schaars.
Moekoe, hommel die gaten in het hout
maakt.
Moemoen, een klein overschot van
iets b.v. van eten, van rijst dat na het
uitschudden in den zak achterblijft.
Hoen, de schaamdeelen.
Moerak. geld ; zilveren b.v. k a d e 1 i
m o e r a k, een zilveren ring ; moerak
m o e t i n, zilvergeld ; moerak m a t a k,
zilvergeld ; m o e r a k tassan, zilveren
sieraden.
Moesa, prop in 't geweer.
Moeta, braken.
Hoetin, wit; moerak moetin,
zilvergeld (moe rak mean goudgeld);
kadeli moetin, zilveren ring.
Moetce, te zamen, vereenigd.
Moetoen, ha mate moetoen,
feestmaal houden bij gelegenheid van eene
begrafenis ; naan mate moetoen,
etoe mate moetoen, vleesch, rijst
voor die gelegenheid bestemd.
Hokoe, op; halo in., opmaken;
n a w a n m., buiten adem.
Mokken, langzaam eten van iemand
die geen tanden meer heeft.
Mok, inoer w è n mok, van iemand
die verkouden is, de neus loopt.
Holak, vóór dat, als in de toekomst,
kort vóór ; lao lailais molak
mota toen italioe tian, loop
vlug opdat wij de rivier over zijn vóór
dat ze overstroomt ; molak oedan
mai emma soenoe Ie re tian,
vóór dat de regens komen hebben de
menschen de tuinen reeds gebrand ;
molak lor o n natal, kort voor
Kerstmis.
Molan = bolan.
Moli, 1 a r a n m., het aangename ge-
voel, als na het braken de misselijkheid
over is, ook van iemand die smakelijk
gegeten heeft.
Molik, kaal ; r a i m., terrein van
onkruid gezuiverd ; kale plek ; o e 1 o e n
m., kaal hoofd.
MÖmón, nia toer momöndeï;hij
zit maar stil te kijken.
Mön, op iets zuigen; een puistje; we
m ö n, helder water.
Món inetan, de hoofden die als er
eene zaak aanhangig is rechtspreken ; \v e
món m e t a n, het water waarin het
Grodsgericht wordt uitgeoefend.
Monoe, vallen, afvallen ;nean monoe
tian, de tanden zijn uitgevallen; nai
nian lia monoe tian, de beslissing
van den koning is gevallen ; m o n o e we,
onder water duiken bij een Godsgericht ;
monoe taan, er bij komen ; emma
monoe taan t e n i d e ï, er komen
nog maar menschen bij ; o ba lai wain
roewa haoe, lee monoe kikar
ba o f a t i n, ga gij eerst, overmorgen
zal ik weer voor u invallen, zal ik weer
uw plaats innemen ; oan monoe,
miskraam.
Móoer, stil zitten, niets zeggen.
Moor, ziek, niet meer willen eten
van menschen en dieren.
Moot, zinken, verdrinken, doen inzak-
ken ; nia toer ba massin midar
f a t i n nalo k i d o e n moot, hij zat
op het suikerblik, deed den bodem er
van inzakken.
Mor, draaien zooals een tol.
Moras, pijn, ziek; gewoonl. i s i n m o-
89
ras, ziek, pijn doen; uitroep: het doet
pijn!
More, wegdrijven van wolken rook.
Morin, welriekend.
Moris, leven, levend, ontkiemen; hai
in., het vuur is aan; lia ida moris,
er komt een zaak voor ; mota mor is
n i k a r, de rivier stroomt weer ; e m m a
liman moris, van iemand die
steelt ; e m m a ain moris, van
iemand die veel reist ; kabas moris,
elastiek.
Moroek, bitter; ai m o r o e k, genees-
middel.
Mortèn, kraal.
Mos, zuiver, schoon, rein ; r a i m ö s,
mooi weer ; o e d a n m ó s, de regen houdt
op ; ook b.v. nia mos t e r i k n o e-
o e n è ë, hij zei ook zoo ; h a o e mos
k a t è n è, ik weet het ook ; soms wordt
er „no" bijgevoegd dat eveneens „ook"
beteekent b.v. nia mos b a n o, hij
gaat ook.
Mossoe, foelan m o s s o e, de maan
is weer zichtbaar.
Mota, rivier ; — oai), rugholte.
Moti, droog ; mota m o t i, de rivier
is droog.
Mottoek, aangebrand.
Mottok, hikken ; anin mottok —
il u i u n a m o 1 1 o, de wind heeft op-
gehouden.
N
IVa, verkorting van ,,öna" als het
voorgaand woord op een klinker eindigt,
b.v. nia m a i na of' n i a m a i Ö n a,
hij komt reeds; zie verder »Öna".
Naak, in 't geval dat, veronderstel
dat, als ; naak 1 a 1 e, zoo, niet an-
ders, b.v. haoe mor as naak lale
haoe m a i, ik was ziek, zoo niet
dan was ik gekomen, anders was ik
gekomen.
IVaan, eene zuster uoemt haar broeder
,,naan".
IVaii i), vleesch, visch ; n. f Ö h Ö, vleesch ;
n t a s s i, visch ; n. d a d a i n, vleesch
in reepen gesneden om te drogen ; n.
b o r a n en n. b o k o e r, het vet, staat
tegenover n. is in, het eigenlijke vleesch;
n. mar a, gedroogd vleesch.
IVaban = knaban.
Naba naban, voortdurend.
Nabeo, e toe n., de rijst is als brij.
jVabó, loeien van de karbouw.
Nabór, uithollen ; t o e n a n. r a i, de
paling holt den grond uit.
Naboeroen, klanknabootsend woord ;
hai naboeroen, anin naboe-
roen; halai naboeroen, zeer vlug
loopen.
Nadaras aan ; erg ziek zijn van paarden,
karbouwen; ook van menschen.
IVaderoes, laö n., ver gaan.
Nadiki, ontkiemen van gras, van bla-
deren.
IVadoeboe, als rook opwaaien b.v.
stof! anin noe rai ahoen n.,
als het waait ontstaan er stofwolken;
h o ed i n., het uitkomen van den harfc-
vormigen punt van den pisangbloem-
tros ; t a 1 i n., doorschieten van den
gebangpalm.
Nadöii, koud.
Naè, uitspreiden van matten, kleeren,
90
spits maken ; koeda liman naè
aan, de voorpooten van het paard strek-
ten zich uit ; liman n a è w è n, de
hand zweert.
Nafaè, rai nafaè, middernacht.
JVafati, nog zijn, blijven ; m a t a k n a-
f a t i, het blijft versch ; a m i halo
oema naak lale haoe tama
n a f a t i, wij maakten een huis, anders
was ik in dienst gebleven ; nog b.v. haoe
k a t è n è n a f a t i, ik ken het nog, ik
weet het nog; e m ma m o r a s noeoe-
sa? nafati, hoe is het met den zieke ?
't is nog hetzelfde; het blijft maar zoo.
Vafoena. bloeien.
Nafoeri, schuimen.
\ a 1 1 8 , vracht ; koeda toen atoe
hola n., de paarden gaan naar beneden
om vracht te halen.
JVahaboer, r ai n., morgen- en avond-
schemering.
IVababoet, m a t a n., de rivier blijft
langen tijd hoog ; w e m a t a n n., de
bron heeft altijd water; toer n., voort-
durend ergens blijven wonen.
JVahatak :i au , kanek nahattak
aan, eerst was het een kleine, later werd
het een groote wond? groote wond aan
de hand of den voet ? zweren ?
Nahèër, hinniken.
Nahis, opgezet, gezwollen.
IVahisf, stollen.
Vahok. geluid van stroomend water.
Nahore, ain n a h o r e, de voet
slaapt.
Nai, koning, koningin ; n. m a n e,
koning; n. feto, koningin, heer, oudere
broeder ; — ... deï, nai teri terik
d eï, er maar op los praten (deï wordt soms
weggelaten) ; sia nai na na deï, zij
eten maar (rijp of groen) ; s i a n a i
tama deï, zij komen maar binnen (ge-
legen of ongelegen ; la nai iha iha,
het is er zoo maar niet altijd (dit zei
iemand van vleesch) ; — bee, kroko-
dil ; — — rai m ara, leguaan? — loelik,
priester ; — Naromak, God ; — naik,
zacht van geluid ; terik n. n. n i a
la r o n a, als men zacht spreekt hoort
hij het niet, bedaard, langzaam.
Nain, het lijf; b.v. -oei o en kanek
naiu lale, het hoofd is gewond, het
lijf niet, het lichaam in tegenstelling
van de ziel, persoon, eigenaar ; koeda
n a i n, de eigenaar van het paard, hulp-
telw. ; emma nain roewa, twee
menschen; nain tassi n. hitoe,
zeven visschen ; nain cloeoek, zelt
b.v. n i a nain d o e o e k, hij zelf ; het
werkw. staat tusschen beide in b.v. n i a
nain nalo doeoek, hij zelf heeft
het gedaan ; ook soms zonder doeoek;
nain, komt soms voor in de beteekenis
van het hoofdbestanddeel van iets tegen-
over een klein deel b.v. tais ninin
foetoes, nain kabas metan los
d e ï ; de rand van het kleed is met
figuren voorzien, het overig geheel bestaat
slechts uit zwart katoen ; we nain,
glazemaker (insect), de geest? de heer?
van het water ; rai nain, aardgeest ?
aardmannetje?
]\ai nor, sarong met een dwarsnaad
waardoor van twee stukken één sarong
gemaakt is (staat tegenover a t e :
kruisjak).
Vaka koe, zich heen en weer bewegen
(van iets dat eigenlijk vast moet zijn),
los zitten, uit elkaar b.v. een geweer.
Vakali, opborrelen, koken enz. ; t i-
1 o e n n., er loopt vuil uit het oor.
Vakasoe, er af gaan, er af vallen b.v.
91
de doek van het hoofd ; m i s s a n a-
kasoe doeoek, het is er van
zelf afgegaan b.v. het pleistertje van de
wond.
Nakau janken van een hond.
Nakatt'<>, vrucht zetten b.v. van tama-
rinde, mangga's en anderen.
Nakbakka, k a n e k n., wijde, diepe
wond.
jVakballar. n. k a r i, uit elkaar gaan,
uiteen vallen b.v. van dingen die bijeen
waren gebonden.
Nttkbaloe, in twee helften gedeeld ;
ook n a k b a 1 o e k.
Nakbarat, f o e o e k nakbarat,
met loshangend haar.
JVakbasak, afschampen van een bijl,
een kapmes.
Nakbasoer, afglijden b.v. bet touw
van den hals van 't paard.
JVakbèës, open gaan van een zweer,
rot worden van vruchten.
\ akbellak, h a è nakbellak, het
gras gaat uiteen, verwijdt zich b.v. als
men er doorheen loopt.
Nakbiroe = nakbellak.
Nak-bissoek, zich verplaatsen, ver-
schuiven enz.
Nakbó, zich opwaaiend verspreiden b.v.
stof, kapok.
Vikboba. barsten, scheuren van den
grond, van een cementen vloer.
IVakboea, zie hakboea.
\ akboekat, haè n. = haè faat
aan, zie faat aan.
Nakbob.it, losgaan, loslaten enz. b.v.
de steel van een pompoen, het handvat
van een valies.
Nakboïs, ontglippen, er uitschieten,
te voorschijn springen, ontsnappen b.v.
een vogel uit de kooi.
Nakbossir, ontglippen, ontschieten,
losschieten, b.v. een touw.
IVakdaet, haï na n., de brand gaat
verder, slaat over op.
lYakdakoe, overloopen van vocht.
IVakdekor, heen en weer gaan, heen
en weer schommelen enz. zoodat er tevens
geluid ontstaat; hét geluid van borden,
kommen die op elkaar worden gezet.
Nakdèr, mooi staan van djagong en
rijst op het veld.
Nakdodar, er uitvallen b.v. zout uit
het mandje als de bodem stuk is, rijst
uit een zak die stuk is.
Nakdoear, overloopen, storten enz.
IVakdoehoer, i s i n n., aanhoudende
koorts hebben, opborrelen van kokend
water, ontspringen van bronnen, rivieren.
JVakdoeïr, afrollen b.v. steenen van
eene helling.
Nakdokkar, klotsen b.v. een ei, dat
geschud wordt, een klappernoot.
JVakdokko, schudden enz., heen en
weer slingeren enz.
Naké, zie h a k è ; kermend geluid van
een jonge kaketoe.
JVakèdek, geluid van de kikvorschen.
Nakekkes, hinniken.
Naken, r a i n., het wordt licht, het
klaart op ; kaloan n., de wolken
drij ven uiteen ; naken aan, zich
splitsen.
Nakeo = k e o.
Nakfakè. erg schuin staan b.v. een paal.
Nakfera, splijten enz.
IVakfetik, au n., de bamboe veert.
Naltfila, veranderen enz.; neon n..
(letterl. het hart verandert) weer anders
willen.
Naklilas, synoniem van n a k f i 1 a :
fatoek n., de steen kantelt.
92
\akfoa, opzetten ; taè hakaas n.,
als men hard slaat, ontstaat er een ge-
zwel.
Aakfoea, zich ontwortelen.
Aakfoeak, klonteren.
Aakfoèr, lostornen enz. nitrafelen enz.,
losgaan van het haar, opengaan van
bloemen en bladeren ; haè foetoen
i)., een bos gras gaat los ; n e o n n a k-
f o è r, het verstand ontluikt.
Aakfoesoek, kottoek n., gebocheld,
kromme rug.
Aakfoloe, afvallen, afglijden ; kous
nakfoloe toen, de kous zakt af.
Aakfoiian, ingedeukt, b.v. de mat van
een stoel.
Aakfotta, splijten enz.
Aakiïk, verminderen enz.; r a i n., als
het bijna dag wordt.
Aakiw, piepen, tjilpen.
IVakka, Mal. nangka,
\akkas, licht breekbaar.
Vaklaa, barsten, gebarsten.
Aaklaak, gloeien.
\aklahat, opgezet ten gevolge van
slagen.
Aaklaik, verwelken.
Aaklake, open, open gaan.
Aaklamar, nanaan n.. de tong is
vol kleine wondjes.
Aaklamat, zich over den grond uit-
spreiden, verder groeien van kruipplan-
ten, ook van gras ; naklamatda-
r a n d e ï, het spreidt zich naar alle
kanten uit.
\aklara, niet vol, vaii een glas, kop,
flesch.
Aaklatar, t i m i r r a h o e k f o ï n
naklattar, de baard begint uit te
komen.
\akles, gescheurd ; scheuren enz.
Aakliïs, hellen ; 1 o r o n, de zon is
over de helft.
Aakliki, gestorven aan de pokken of
andere besmettelijke ziekte.
Yuklikit. opgenomen worden b.v. dooi-
den wind.
Aaklila. rollen enz.
Aaklödos, 1 a o n. ba b a d e ï, voort-
durend van den eenen kampong naar den
anderen loopen, of van het eene land
naar het anderen reizen.
Aakloeas, zich uitspreiden, zich ont-
plooien b.v. een kleed door den wind ;
manoetak n., de nagel valt af.
Aakloeblk, verschrompeld van vruch-
ten ; liassan n., ingevallen wangen.
Aakloelocn, zich oprollen.
Aaklollèr, zich ontrollen, opengaan
van bloemen en bladeren.
\a klok ik, isin manas n., hevige
koorts.
Aaklolioe, zich oplossen b.v. zout in
water, week worden en uiteengaan b.v.
beschuit in water, stuk gaan, breken
enz. rr n a k r o è.
Aaklokke, open, opengaan; synoniem
van n a k 1 a k e, los gaan van kalk,
cement.
Aaklo'oe, gebogen zijn, buigen, door-
zakken b.v. een paard als men er op
stijgt.
Aaklori, zich verplaatsen.
Aaklossoe, losgaan b.v. een bijl van
den steel, los laten enz., er uitvallen b.v.
een pijl uit de wond; we n. s a è, het
water komt uit den grond naar boven;
matan foean n. taan nia, de
oogen Avaren op hem gesperd.
Aakmarak, droog van eene wond.
Aakmattek, stil, kalm b.v. de zee ;
w e n., stilstaand water.
93
Y.ikiiiüiiii. vochtig, klam.
Xakmèlok, schitteren, licht vau zich
geven.
\akmocoek, geluid van eene duif,
knorren van een varken.
Naknakkas, 1 i a n n., sterk geluid,
hard klinken
jVaknana, het sluit niet aaneen, er
is ruimte tusschen.
Naknee, geluid b.v. van een stuk geld
dat op een steen valt.
Nuknekoer, afvallen van de vinger-
leden, van de teeneii bij melaatschen.
lidsgewijze atbreken van gelede stengels V
Naknetar, rai n., eenige dagen mooi
weer in den westmoesson.
Naknidin, eerst een zweer en daarna
een wond aan hand of voet.
Naknoeas, dampen, uitwasemen.
Naknoetoek, bonzen, ploffen, dreunen.
Nako, een insect dat de rijst op het
veld bederft.
Nakoè, schreeuwen van een varken.
Nakoebir, h a s s a n n., ingevallen
wangen.
Bfakoeboes, nog gesloten van bloemen.
Nakoedoe, geluid van de tortelduif,
geluid van water dat uit een bamboe
wordt gegoten.
Nakoeï, krom, van de vingers ; o li-
man nakoeï k a, (tegen iemand die
veel breekt) staan uw vingers krom?
gekruld van baard en haren; fluiten
van een kogel, hinniken, schreeuwen van
een varken.
Xakoekoen, duister ; — neon n a-
k o e k o e n, onwetend, nog dom.
Nakoèr, losgaan b.v. een touw;
k o e d a n., een gebonden paard raakt
los.
Vikoeraii, verminderen enz.
Nakoes, opsteken ; kilat isin na-
koes ba kilat, de bajonet opsteken ;
iets b.v. een vrucht op een stok steken,
een afgeslagen hoofd op een staak steken.
\;i koesak, f o e o e k n., het haar is
in de war.
iVakoïr, geschramd.
IVakoloe, afglijden b.v. een ruig van
den vinger, kralen van het snoer.
jVakomas, isin n., niet glad, ruig
op het lijf b.v. ten gevolge van veel
schrammen of puistjes.
Nakonoe, vol.
Nakore = nakoèr; missa na-
kor e, de mis is uit ; oekoer n a-
k o r e, f o i n s a è, als het Chineesch
nieuwjaar afgeloopen is, dan gaan we
naar boven.
Nakoron, kaboen n., het rommelt
in den buik.
\ a kottoe, op zijn, van eten ; t i r o e
t o 1 1 o e 1 a il, drie schoten niet afge-
broken (onmiddellijk achter elkaar).
Vakman, rot.
IVakrahoe, tot poeder gemalen of
gestampt, fijn gestampt.
Nakréè, tegen elkaar hinniken van
hengsten en merries.
Nakrêtè, 1 i a n n., leelijk geluid b.v.
van een gebarsten gong, van iemand die
verkouden is.
IVakriï, rinkelen, klinken b.v. geld.
]Vakriït, kleven, plakken enz.
r\akrioen = n a k r i ï.
Nakroè, breken enz., gebroken, stuk,
van borden, glazen, flesschen enz, ver-
woest b.v. een kampong.
Nakroekoet, knappend geluid b.v. bij
het eten van geroosterde djagoug.
Nakroeoe, verfrommeld ; k e 1 1 a li a-
lo n„ verfrommel het niet.
94
Vfakroeoek (zie hakro eoek), oïii n.,
zuur, norsch gelaat ; matau f'oehoeu
n., gefronste wenkbrauwen.
INakrokkon. klanknabootsend woord
b.v. van papier en gesteven goed als
het verfrommeld wordt.
Nakrotto pruttelen van kokend water.
Naksabir, opengereten, gewond.
Naksadik, m a m e r a u n., voortdurend
bliksemen.
Naksaeo = s a ë n aan, zie s a ë n.
Naksahi, f a e 1 an n., laatste kwartier.
\aksai, a i n n., gespleten en gewond
van de voetzool.
Naksakki, w e n., het water verbreekt
het dijkje, het water baant zich een
weg.
Vaksala, verzwikt, verstuikt.
\ ;i ksamoet, uitrafelen enz. ; anin
n o e n a 1 o h a è n., de wind doet het
gras (op het dak) uiteengaan, maakt het
los.
Xaksarit, hare n., de rijst staat in
de aar.
Naksassa, ai laoek n., een rotte
tak breekt af, valt af, laat los.
Vakseka. haan n., er is overvloed
van eten.
Vaksenak, i n o e r n., de neus is
verstopt; lian n., de stem stokt.
Vaksidin. losgaan, loslaten enz., losge-
maakt b.v. de bijl van den steel ;
t o e d i k o e 1 o e n n., de steel van het
mes laat los, is er af; k i 1 a t n.
kari tiana, het geweer is uiteen ge-
nomen.
Na lisikka, uiteen, uit elkaar genomen,
zich verplaatsen.
]Vaksil9e, breken enz., afbreken enz.
b.v. de voet van het glas.
Naksinak, schijnen van licht, van vuur
op afstand ; 1 a r o n., als de zon haar
eerste stralen werpt, maar men de zon
zelf nog niet ziet.
Vaksira. scheuren enz.
Va ksirat. maraera u n., als de donder
onmiddellijk op den bliksem volgt; we
n., het water spat.
Viksó. afbrokkelen, losgaan b.v. de
grond van een rivieroever, de kalk van
een muur.
Naksoboe, afgebroken, verwoest, af-
vallen, uitvallen van de steenen van een
kotta.
Vaksodan, afbrokkelen, losgaan van
grond ; lattoen naksodan ; het
reeds verkoolde gedeelte b.v. van een
fakkel valt af, laat los.
Vaksoeinar, duiken.
\aksnoi, zich afscheuren, loslaten b.v.
een tak, een tros klappers.
Kaksottlr, spatten van slik.
Vak taan aan, gerimpeld.
Vaktasak, rijp, van een zweer; ai
t a h a n n., verwelkte blaren, gele blaren.
Xaktetar, t a 1 i n., het touw gaat stuk,
gaat vaneen.
IVakteroek. r a i n., even mooi weer
tusschen twee buien.
JVaktikar, naar boven gevouwen, op-
waarts geplooid of gebogen.
Xaktikoe, geluid van het water, als
men b.v. een steen er in werpt.
Vaktoda, afvallen van een kleed.
Naktoekalt, lian n., de stem stokt,
de spraak is belemmerd.
Vak tohi. geschaard, uitgebroken van het
scherp van een mes, bijl en dergelijke.
JYaktomak, f o elan n., volle maan.
Naktorrè = n a k b ö.
Valaas, ruischen van boomtakken, kab-
belen, geluid van den regen op het dak.
95
\alacii aan, overhellen, overgebogen
b.v. eene rots zoodat men er onder schui-
len kan.
Valaka, bloeien.
\alasa, vereelt.
Nalawat, onduidelijk zichtbaar wegens
verre afstand.
Nalihoe. w e n., het water blijft staan,
vloeit niet weg.
Nalima (liman een tak met palmsap) ;
t o e w a n a 1 i m a, de palm heeft een tak
met sap.
Xalin, gesneden, gelubd.
\ aio, we filak aan nalo ang-
g o r, het water verandert, wordt wijn ; h a-
re nalo kwaik aan dato Sakka
n i a n, de rijst die al hoog is opgescho-
ten is van dato Sakka ; n a 1 o n o e o e s a,
hoe. o]) wat wijze.
Nalo aat, zie aat.
Bialoé, toewa naloé, het palmsap
begint uit te vloeien.
Naloeli, broeien.
Naloewa, zich verruimen, een ruim
uitzicht geven van terrein dat vroeger
dicht begroeid was ; inoerlanak-
s e n a na, n a 1 o e w a n a, de neus is
niet meer verstopt, ze is weer open;
rai naloewa, het begint licht te
worden, het weer klaart op ; k a 1 o a n
n., de wolken drijven uiteen.
Nalo faloe, allen ; al s i a mate
u a 1 o faloe, allen zijn gestorven ;
haoe kaan moe rak lakoon
nalo faloe, al mijn geld is verloren.
\alolon, moras n., de pijn strekt zich
uit, gaat verder b.v. van den pols tot aan
de oksel, zooals bij een schorpioenbeet.
Namanas, b è r n., vurig verlangen ;
s i a d a h o e r n., zij vieren flink feest;
laran n., kwaad, vertoornd.
IVamatir, koud.
JVameo, miauwen.
Namero, geluid van een hart.
Namoedoer, klank b.v. vaneengono-;
anin n., de wind ruischt; dreunen.
Namoekoe, suizen van het oor.
Nanioetik, rai hoen n., de eerste
morgenschemering.
\aiuoD. baai, haven; — oeloen,
bewoonde plaats die aan de haven gele-
gen is; hiervoor zegt men ook alleen
»namon".
\ a mouas. 1 i m o n n a m o n a s, han-
den door het werk gehard, vereelt (staat
tegenover nanoerak); dal.an n., een
weg die voortdurend begaan wordt.
Vnnottoek, aanbranden, aangebrand.
j\anaak, keel ; o e m a n. = o e m a
kanaak.
Nanaan, tong.
Nanaki, n. m a 1 o e, elkaar trachten
te evenaren b.v. even mooie kleeren
dragen als een ander, doen zien wie het
rijkst is.
JVanauak. tuit.
\ iuarak. verhemelte ? het inwendige
van den mond, dicht bij de keel ?
Nanauk, een weinig sirih en pinang
of' djagong of groente dat de bergbe-
woners naar beneden meenemen om tegen
zout in te ruilen ; ook zegt men : n a-
nauk oa aan.
\anawa, open, open zijn, open staan.
Naness&n, even ; b o t n., even groot
(gewoonl. zegt men : nessa nessa n).
Nanessoer, de holte bij het sleutelbeen.
INani, zwemmen; n. h a k o e r, over-
zwemmen.
Nanik (het tegenovergestelde van
»bodik"), ten nadeele van; nia na la
n. haoe, hij heeft het genomen ten
96
mijnen nadeele, hij heeft het mij ont-
nomen ; s a s s a n. b o e t i liman,
iemand een armband afrukken ; de persoon
ten nadeele van wien de handeling ge-
schiedt, wordt vaak niet uitgedrukt.
\anis, van vroeger, reeds vroeger,
het was reeds zoo, b.v. n a k 1 a a
n a n i s, het was reeds gebarsten ; k o e a k
n., het was vroeger reeds stuk.
Vanoeai), aangebrand verbrand.
iVanoedoer, weer ontspruiten, weer
uitschieten b.v. na het snoeien.
Na noeoesa, hoe komt het dat? hoe
kwam het dat ? op wat wijze ? hoe ? (na
is eene verkorting van »nalo" 3e pers.
van halo).
IVacoerak, liman n., handen die aan
geen arbeid gewoon zijn (staat tegenover
»namonas").
\anoetak, nagel, hoef', klauw.
\anokkar = kanokkar.
Naok = k n a o k.
Naran, naam ; h a s a i n., zie h a s a i ;
nèë naransa! (verwij eend) hoe noemt
men dat, welken naam moet ik aan zoo 'n
handelwijze geven ! allen ; naran sia
s e ï la s o r a n i, zij allen zijn nog geen
Christen ; in deze beteekenis is het dik-
wijls verbonden met »hottoe hottoe" b.v.
nia bot lioe naran siahot toe
hottoe, hij is grooter dan zij allen.
\aran deï, maar eventjes; fassi
naran deï, maar eventjes wasschen ;
f' o e t o e naran deï, maar eventjes
binden, niet vast.
\araut, klanknabootsend woord, zooals
van een tak die breekt, van papier of
doek bij het scheuren, knetteren van het
vuur.
Nareïs, bijna ; rai n. loro falin
Ö n a, het is al bijna oostmoeson.
Nari, blaffen.
Varin, haï n., de vlam stijgt, verheft
zich.
Naroean, dreunen.
Naroek, lang, hoog; a i n., een hooge
boom ; emma a i n n., van lange ge-
stalte ; nia Uu liman n., hij heeft
lange vingers (bij steelt).
Naroesoen, i s i n n., al een weinig
warm, van iemand die koorts krijgt.
!\ aroma, licht, bijvnw., verlicht, helder;
rai n. t i a u, het is reeds dag.
Naróoen, dreunen.
Na rot, o e m a n a r ó t, het huis kraakt
overal (zooals bij aardbeving).
jVasare, bloeien van klappers, pinang.
\asaut, geluid van dorre blaren als
men er overheen loopt.
Nasisoe. sissend geluid geven.
Nasoe, koken bedr. van vleesch, groente
(zie daan en t e ï n).
Natak. bloedzuiger.
IVatar, kudde, zwerm, vlucht.
Nateö, k i 1 a t n., bet geweer knalt.
Nateoe, m o r a s n., de pijn blijft op
dezelfde plaats, gaat niet verder.
Natitis aan, afhangen enz. b.v. een
lange strook doek, een kleed ; halo
we natitis aan, het water er af
laten loopen b.v. van een natten pajong,
van een nat kleed dat is opgehangen.
Nato, geluid van een schot op verren
afstand.
Natoewa, toer natoewa, reeds
langen tijd ergens wonen.
Natoetoe, uitbroeien.
Natolloe, eieren leggen.
Natomoe, hassan n., bolle wangen ;
oïn n., van gezondheid blozend gelaat.
Naton, toen, voegw. ten tijde dat;
naton nèë, toen bijw. b.v. naton
97
nèë h a o e s e ï la 111 a i, toen was ik
nog niet hier.
Natóoek, 1 a Ö n., krom, gebogen
loopen.
Vawakoe, slingeren enz. b.v. een boom
bij hevigen wind.
Na wat 1 , schudden enz. b.v. een huis
bij aardbeving, heen en weer gaan van
iets, niet vast meer zitten ; nean n.,
de tand staat los.
Nawan, adem ; b a s a è n., ademen ;
n. k o 1 1 o e, zie kottoe; n. m o h o e,
buiten adem; n. s a è, boos worden;
o e d a n nia kaan n., windvlaag die
den regen onmiddellijk voorafgaat.
Nawe nawan, hijgen.
Nawé, smelten enz. b.v. lood, oplossen
in water, opengaan van een zweer, van
een gezwel ; h i r o e s n., bedroefd zijn
(letterl. het gemoed smelt).
\aweek, nat, dun, aangelengd, b.v.
kalk.
\aweroP, n o e n o e n n., afhangende
onderlip, zie haweroe aan.
Nawikoe, 1 a ö n., wankelend gaan.
Nawioen, gonzen van muskieten, klin-
ken van de gong.
Nea inonoek, b at tar nea monoek,
djagongklos met weinig korrels.
Nean, tand, sport van een ladder;
o e ra a n., twee boven elkaar liggende
daklatten.
Nèë, deze, die, dit, dat ; i h a n è e,
ba nèë, hier ; nia maiihanèë,
hij komt hier ; t a u b a n è ë, zet het
hier; — ba, die daar, dat daar ; ai nèë
b a, die boom daar ; oemanèëba,
dat huis daar ; ginds, daar, daarheen ;
s i a toer nèë ba, zij zitten ginds ;
s i a kaan oemanèëba, hun huis
is daar.
Nèëbè, welke ? welk? toe wan n è ë b è ?
welke toewan? hij die, zij die; nèëbè
ra a k 1 a m a i, hij die niet komt (beter
se mak lamai); waar ? (beter i h a
nèëbè); nia toer nèëbè (juister
nia toer iha nèëbè), waar woont
hij ; töo nèëbè, tot waar, tot hoe ver;
somtijds komt het voor als betrekkelijk
voornaamwoord b.v. kotta nèëbè
n i a n t e m o e k o e ra iha, de kara-
pongs wier hoofden er zijn ; e ra m a
nèëbè mak la m a i, de menschen
die niet komen; somtijds komt het voor
in de beteekenis van »opdat"; — ida,
ergens ; la nèëbè ida, nergens ; ook
vragend : waar ergens ?
Nèë li ia., hier, hierzoo ; - mai, deze
hier, dit hier, hier, herwaarts, hier heen,
hierzoo.
Nèëk, mier.
Nèïs, hier, hierzoo ; plagend tegen
iemand, zooals wij zeggen : zie je wel !
daar heb je 't al !
Neloen, verwisselen ; n. t a i s, een
vuil kleed met een schoon verwisselen.
Nèn, zes, zelfs.
Nenoek, boom welks wortel roode verf
geeft.
Neon, hart, gemoed, verstand, begrip;
nia seï la no neon (van een kind),
het heeft nog geen verstand, nog geen
begrip, of u i a neon seï la no; n.
d i a k, blij ; n. a a t, bedroefd ; n.
k ra a a n, ijverig ; n. t o d a n, traag; n.
k m e t i, gerust ; n. la kmeti. onge-
rust ; n. 1 a k o o n, in de war b.v. wegens
eene droevige gebeurtenis, eene slechte
tijding; daarmee alleen in zijn hart be
zijn ; n. lakoon ba t ö o s, zij denken
alleen maar aan hun tuin, (de westmoeson
begon vroeger dan zij gedacht hadden,
98
zij hadden nog niet gebrand) ; neon
k i ï k en n. koeran, bevreesd ; n.
b 6 t V n. in a k e r i k, listig, ook van
iemand die bij de hand is, die van alles
kan maken ; n. m o r i s, bedachtzaam :
n. s a 1 a, onbedachtzaam ; n. mal o-
lok = neon mor is; n. kona, aan
iets denken, aan iets zijne aandacht
wijden, door iets getroffen worden ;
n i a n. kona h a a n d e ï, hij denkt
alleen aan eten ; n. b a duidt eene
richting van het hart aan en drukt naai-
den verschillenden aard van het voorwerp
een verschillenden gemoedstoestand uit,
b.v. nia neon ba moe rak, hij
verlangt naar geld ; nia neon ba
nian i n a, hij denkt aan zij u moeder ;
nia neon ba o a n m o r a s dei',
zij denkt maar aan (haar) ziek kind ;
h a o e n. ba m o t a d e ï, ik dacht
alleen maar aan de rivieren, ik was
alleen maar bang dat de rivieren te hoog
zouden zijn ; h o d i n. d o e o e k, uit
eigen beweging, volgens zijn eigen ver-
langen ; los toe wan nia kaan
n e o n, volgens mijnheer zijn believen,
zooals mijnheer verkiest ; lös o neon,
zooals gij wilt ; h ó neon. met aandacht,
voorzichtig ; 1 a ö h o neon, loop voor-
zichtig ; no neon no laran, met
graagte; fö neon, zijn hart, zijne ge-
negenheid schenken ; veelal zegt men
f ö neon nolaran; r a i n. ba, zijn
hart stellen op ; s i a r a i n. ba m a 1 o e,
zij houden van elkaar ; b o e k a n., zie
boeka; neon wordt hier dikwijls
gezegd in plaats van n è ë, b.v. neon
m a i z- n è ë mai, hier ; neon ba =
n è ë b a, daar ; neon d e ï, dit slechts
= nèë dei haoe koï neon =
h a o e koï nèë, ik ben hier.
\essa nessan, even b.v. naroek n.
n., even lang; sia nar ik n. n., zij
zijn even groot.
\essoeu, rijstblok, vijzel.
\etik, dwars ; aitoban. dalan,
er ligt een boom dwars over den weg;
h a r i k n., in den weg staan.
Ma, hij, zij enk., het.
Niabé, opdat ? rai hatösniabé
anin ketta lokit, leg het vast op-
dat de wind het niet opneme (zonder
»niabé" is de zin even duidelijk, ook
wordt het er gewoonlijk niet bij gezegd).
Nia deïk, deze uitdrukking wordt
gebruikt om te kennen te geven dat
eene zaak is afgehandeld, of dat met
een of ander werk of eene handeling
niet moet worden voortgegaan ; alleen
dit maar ; genoeg genoeg ! 't is wel ! ;
— doeoek, dat is niets (verschoonend).
Nian = n e a n ; ook bezitt. vnw. zie
spraakk.
Man e. uitdrukking van instemming
met hetgeen gezegd wordt.
Mïliaat, wandluis.
Mïs, dun.
Mki, vleermuis, soorten : n. i n o e r
a a t. n. f' o e 1 a n, n. m a u b i s s i, n.
waar modok.
Mkir, mattan n., scheel; n. m a t-
t a n, een wenk met de oogen geven.
Mkoe. 1 o r o n., omstreeks drie uur
's middags.
Ninia nimak, altijd, eeuwig.
Mnik, muskiet.
Moin, zoom, rand van een kleed.
Mtak. zoo maar in het honderd, op
goed geluk ; t o e d a n. d e ï, maar op
goed geluk werpen; ita boeka n.
la d i a k, wij kunnen niet in het
honderd gaan zoeken.
99
No, en, met, ook ; iu de beteekenis
van »met" schijnt de oorspronkelijke
vorm »h 6 ' te zijn en verandert deze »h"
voor de verschillende personen evenals
bij de werkwoorden die met »h" beginnen
zie spraakk., b.v. haoe kó nia, ik
met hem ; o m ö a m i, gij met ons ;
nia n o e ni i, hij met u ; in de betee-
kenis van »ook" staat het steeds achter
het werkw., terwijl »m 5 s" in deze
beteekenis steeds vóór het werkwoord
staat b.v. haoe mos ba, haoe
ba n o, ik ga ook; dikwijls worden
beide woorden gebruikt b.v. haoe m ös
b a n o ; la n o, zonder, zie verder
bij »h ö".
Nodi, helpen, baten van geneesmid-
delen; ai in o r o e k la n o d i, de obat
heeft niet geholpen ; zie verder »hodi".
Nodok aan, 1 i a n nodok a a n,
reutelen van een stervende.
\oe, de kokospalm ; n o e f o e a n, of
alleen n o e, kokosnoot; noe hoen, de
boom ; noe in ina en mina noe,
klapperolie ; noe w è n, klapperwater.
klappermelk.
Noea = k n o e a.
Noean = knoea n.
NoeailtP, [ uitdrukking waardoor men
Noeanliü, [ te kennen geeft dat men
het met den spreker eens is ; juist zoo,
zoo is het.
Noe ban, hiel, kolf van 't geweer.
Noedoer, de groote beer? ai n.,
nieuwe uitspruitsels, nieuwe takjes.
Noeka, een soort huiduitslag; — aat,
pokken.
Noenak foean, een soort puistjes.
Noenoek, stom.
Noenoen. mond, muil, bek.
Noeoe, noeoedar, als, gelijk, evenals;
— nèëbé, (letterl. als welke) hoe?
b.v. b ó t n. n., hoe groot ? wanneer,
b.v. toewan toen, noeoe nèëbé
t. s a è ? mijnheer gaat naar beneden,
wanneer komt m. boven ?
Noeoenèë, zoo, als dit, als dat;
n a r o e k noeoenèë, zoo lang, lang
O" Ö
als dit.
Noeoesa, (letterl. als wat) hoe? b.v.
bot noeoesa? hoe groot ? n a r o e k
n. ? hoe lang ? lang als wat ? nia
kaan folin n. ? hoe is de prijs er
van ? wat kost het ? waarom ? noe-
oesa mak nia la ba? waarom is
hij niet gegaan ? uitroep : wat is er aan
de hand !
Noerak, jong, van boomen, planten en
vruchten ; van menschen ? s a w a n n.,
zeer vroeg in den ochtend.
Noeroes, tabacco n., stof van
tabak, heel klein overschot b.v. van rijst,
vleesch; ai n., houtzaagsel, houtkrullen,
splinter.
Nokóen, altijd, eeuwig.
Nokbit, (van n o b i t, met kracht)
dwingen, met geweld; s i a n o 1 a n.,
zij nemen het met geweld.
Nola, n. k a 1 a n r o e w a, na twee
dagen (in 't verleden), twee dagen
later ; n o 1 a n i k a r sawan, toen
het weer morgen was ; zie verder
h o 1 a.
Noloes (ook 1 o n o e s), te vroeg wer-
pen van dieren.
Nono, warm maken van vochten.
NÖnó, nu en dan, van tijd tot tijd.
Nönók, zwijgen, stil. ook als uitroep:
stil stil!
Nottar, n o 1 1 a r 1 a 1 e k. onbeschoft.
100
o
weinig.
O, gij enk.
Oa oan, bij kleine gedeelten, met kleine
beetjes.
Oan, kind ; jong van dieren ; k o e d a
oan, veulen; oan mane, zoon; oan
f e 1 1 o, dochter; manoe oan, kuiken ;
oanhawaï, pleegkind; o a n k i a k, wees-
kind, klein ; manoe oan, kleine kip.
Oan ida, i
Oan ort.i, J
Oan tèk,
Oan tèk ida,
Obos, battar o b o s, djagongkorrels
waarvan het meel is uitgevreten.
Oda, een weinig ; f ö teni oda,
geef nog een weinig ; tau teni oda,
doe er nog een beetje bij ; — matan,
deur; — — lor, voordeur; — — raé,
achterdeur.
Odan, ladder, ook a s o e o d a n.
Odas, olifant; — ncan, ivoor.
Odi, haten.
Oè, rotan, zweep ; o è f a h i, dikke
rotansoort.
Oeas, eene aardvrucht die rauw gegeten
wordt.
Oeat, ader, pees.
Oedan, regen, regenen ;oedan beat,
aanhoudende regen ; oedan i r i o r o e,
fijne regen.
Oehi, eene groote aardvrucht.
Oeka, de »kaleek" met den voet
verschuiven (voor den tweeden keer nl.
eerst »s e p a" daarna »o e k a").
Oekoen, gebod, bevel, gezag, gebie-
den, bevelen, gezag voeren, oekoen
aan, zich zelt gebieden, zijn eigen
meester zijn ; h o d i oekoen, gezag
hebben ; iets te zeggen hebben, manoe
nèë
oekoen manoe hottoe
h o 1 1 o e, deze haan is al de anderen de
baas.
Oekoei', feest bij gelegenheid van het
Chineesche nieuwjaar; ook van andere
feesten.
Oelar, worm; — marak, — rahoek,
harige rups.
Oeloe deroes, houtworm; — toltoek,
koè oeloe tolloek, loat oeloe
t o 1 1 o e k, wijde mond.
Oeloek, eerst, vroeger, vóór, van te
voren ; lao oeloek, voorop gaan,
vooruitgaan ; a m i t Ö ó o e 1 o e k, wij
waren het eerst hier, wij waren er het
eerst ; a m i tööoeloeksia, emi,
wij waren vóór hen, vóór u hier; hare
oeloek, van te voren zien, eerst zien ;
— aan, vroeger, voorheen.
Oeloen, hoofd, kop ; soldadoe sian
o e 1 o e n, het hoofd der soldaten ■=.
de inlandsche korporaal of sergeant ;
oeloen kinaan, vlug van begrip ;
oeloen t o d a n, traag van begrip ;
oeloen tos, stijfhoofdig, koppig ; heft,
steel van een mes, bijl, kapmes, lepel ;
mota oeloen (staat tegenover mota
a i n), de oorsprong eener rivier ; r o
oeloen, voorsteven ; oema oeloen,
de nok ; oeloen si a, de aangestelde
boodschaploopers van den radja ; h o d i
oeloen, als zoodanig aangesteld zijn ;
— la toen, hoofd kop ; tos, koppig,
stijfhoofdig.
Oema, huis ; oema metan, huis
van den radja ; oema kakalo'ek,
pomalihuis ; oema ledoe, huis waarin
het eten bewaard wordt gedurende een
feest; oema kiïk, bijzit van een radja,
101
echtgenoote van een radja als zij van
geringe afkomst is ; o e m a n a i n,
schoondochter ; o e m a m a n e, aanver-
wante familie; de bloedverwanten van
den man noemen de bloedverwanten van
de vrouw oema mane (zie f e 1 1 o
sawa).
Oeman, nest (niet van vogels) ; d i ë
oeman, wespennest ; laho oeman,
muizennest ; knaak oeman, dieven-
nest ; emma lia oeman, iemand
die veel slechte streken uithaalt; emma
o e t a n oeman, iemand die vol schuld
zit.
Ociiar, merg van planten.
Oera, bij het tolspelen zien wiens tol
het langst draait.
Oerab, oeras, als, zelfs; oerak em-
ma k r e ï s la r o n a h è t a k emma
k e d ó k la r o n a b a s s o e k, als zelfs
de menscheu die dicht bij wonen het
niet hooren, dan hooren de menschen
die ver af wonen het zeker niet ; oeras
emma m a t a s la b e 1 e, sa ba
h a o e 1 a w a r i k, als zelfs groote
menschen het niet kunnen, hoeveel minder
ik, een kind.
Oerat, halikoe oer at, de lever
van dieren nazien om de oorzaak eener
ziekte te vinden.
Oeroe, oeroen, kippennest, ook m a-
n o e oeroe.
Oesoek, dakrib ; a m a o e s o e k,
grootvader ; ina oesoek, grootmoeder.
Oet, hare o e t, kaf van de rijst;
b a 1 1 a r o e t, tot poeder gestampte ot
met een steen geplette djagong ; k a f é
oet, gemalen koffie ; ros halo oet,
door wrijven fijn maken ; — hoehoes,
gaar gestoomde djagongkoek.
Oetan, vordering ; emma nian
o e t a n i h a o, o miste s e 1 o e, als
iemand een vordering op u heeft, moet
gij betalen ; toeïr o e t a n, het geld
dat men te vorderen heeft gaan halen;
zijn schuldenaar naloopen. schuld b.v. in
de uitdrukking emma oetan oeman,
iemand die vol schuld zit op crediet
koopen ; — heen, oetan heen moe-
rak, geld leenen van iemand.
Oetoe, luis.
Oetolloek, mand om zout in te doen.
Oewan, oetan diak, geluk hebben
b.v. in het spel ; het goed treffen b.v.
iemand die aan een hinderlaag ontsnapt,
iemand die nog juist vóór de bandjir de
rivier over is; oewan aat, het tegen-
overgestelde van oewan diak.
Oh&b, onder ; nèë ba fohon nèë
ba o h a k, dit boven, dat onder; iha
m e d a o h a k, onder de tafel, beneden ;
n i a toer iha L a f o e 1 i o h a k, hij
woont beneden Lafoeli.
Oh in. van zooeven, waar zooeven
sprake van was, in kwestie ; o h i n
s o e r a t, die brief van zooeven ; o h i n
emma nikar nèëbè? waar is nu
die man weer die zooeven hier was;
o h i n k o e d a, het paard in kwestie,
vandaag ; ook : ohin 1 o r o n ; ohin
s a w a n, heden-ochtend ; ohin 1 a r o
m a n a s, van middag; ohin de ï, van-
daag nog; — daudaiill, zoo pas geleden,
zoo juist; — loron, vandaag; — nèë,
nu.
Oï oïb, allerhande.
Oïn, gelaat, gedaante van iets, voor-
komen van iets, voorzijde ; iha o e m a
oïn, aan de voorzijde van het huis;
iha .... oïn, in het gezicht van, in
het bijzijn van; ha o e ter ik bissik
ba nia oïn, ik heb het hem persoonlijk
102
gezegd, ik heb het hem vlak in zijn
gezicht gezegd : oïn m a ii r en oïn
tos, onbeschaamd; oïn toeïr mal o e.
op elkaar gelijken ; — ida deï. hetzelfde
(letterl. één gezicht, ééne gedaante slechts );
— kfoenin. schuchter, eenkennig; —
kmaan. volgzaam ; — niissak, hetzelfde
— oïn ida deï: — niö. zie m ó:
— nakoekoen. bewusteloos: — ualiii.
duizelig, dronken: — noeoedar, juist
als, er uitzien als : — sa, hoe, op wat
wijze; — - seloek, anders, op andere wijze:
— wara, buiten westen, niet bij zijne
zinnen zijn.
Oï salaD, iets vreemds, een ding dat
men hier vroeger nog niet gezien heeft:
m a k e r i k o ï s a 1 a ri bout, gevlekt
zooals men het hier nog niet gezien heeft.
Oli. achter »k e 1 1 a" laat men somtijds
»o 1 i'" volgen, zonder bekende beteekenis:
in Fialaran hoort men dit niet.
Onias. b a t t a r o m a s. vlies om den
djagongkorrel.
Ona. reeds ; nia katoewas Öiia,
hij is reeds oud ; achter eene ontkenning :
meer nia la nooek Öna, hij wil
niet meer: het geeft het verleden aan b.v.
nia faan öna, hij heeft het verkocht.
O nee. een soort gras. bloeien van de
djagong.
OOD, samentrekking van o kaan, uw.
Ora oras, dadelijk, over een poosje.
Oras, tijd : oras töö tian, het is
tijd : la oras, terstond, ook zooals wij
zeggen : in geen tijd : oras oan ida
m a i. la oras r e s i k. over een poosje
zal ik komen, het zal geen te lange poos
zijn : la oras f a 1 i. een oogenblik
later, onmiddellijk daarna: horloge, klok.
Oras ida, straks : — nèë. nu. tegen-
woordig (van tijd).
Ortalaan. (Porfcug. hortela) kruizemunt:
ook oratalaan en o da talaau.
Osi wordt soms gebruikt om een
wensch uit te drukken : o als !
Ossa, dier.
Ossan, geld.
Ossen, noe ossen, geraspte en
uitgeperste kern van de kokosnoot :
taim ossen, uitgeperste indigo : t a-
bacco ossen, uitgekauwde tabaks-
pruim.
Ostomak. rijksdaalder.
Ottas, leeftijd, menschenleeftijd: ottas
t o 1 1 o e, drie creneraties : ottas li o e,
ouder.
Pinór (Portug. penhor) in pand geven.
R
Ra, bloed, bloeden.
Raan. bloed.
Raat, zeestrand, ook tassi raat.
Raiit. r. e m m a — s e ï e m m a.
Raba. k o h i r a b a m a n o e. in
plaats van de zijne, de kip van een ander
nemen ; kohi raba emma matak.
den onschuldige grijpen in plaats van
den schuldige.
Rabas. hoesi r a b a s. twee of meer
103
vogels of wat auders te gelijk schieten,
met één schot raken; sona rabas,
twee of meer te gelijk steken.
Rabat, klemmen, drukken; f aio en
rabat m a 1 o e, als ik ze (papaja's) in een
doek bind drukken ze elkaar ; rabat
aan ba m a 1 o e, tegen elkaar aan-
dringen; ketta rabat aan ba, glas
n a k r o è, leun er niet tegen aan, (tegen
de ruit), het glas (zal) breken ; f o e t o e
e m m a rabat b a a i, iemand tegen
een boom vastbinden, onmiddellijk raken,
terecht komen op; fatoek rabat
liman, de steen kwam op de hand
terecht.
Rabi, de nok dekken.
Raè (staat tegenover »lor"), o d a
m atan ra è, achterdeur ; k a h a a k
r a è, de zoldering bij de achterdeur.
Raek. f a h i r a e k, niet gesneden
varken.
Raën, vuil op het lijf, op kleeren.
Rahoek, harig.
RahoeD, haartjes op het lijf, haar
van dieren, veder, poeder ; k i 1 a t r.,
kruit ; a i r., houtkrullen.
Rai, aarde, land, grond ; i h a r a i
i k o e n rai o e 1 o e n, over de geheele
aarde, over een geheele streek ; rai
m ó s, mooi weer ; rai o e d a n, het
regent; rai a h o e n, stof; r. a 1 a s,
boomrijke streek ; r. f a t o e 1 è t, grond
die vol steenen zit ; r. f o e k o e n, ver-
boden terrein ; r. f o o ; t o o s rai f o o,
pas aangelegde tuin ; b o e w a r. f o o,
t a k a n r. f o o, bruidsgeschenk voor
eene maagd ; rai ha è, streek met veel
gras en weinig boomen ; r. heni k,
zand ; r. inoe r, zie inoer; r. i s i n,
grond zonder steenen ; r. k a k e k k o e k,
aardbeving ; r. k a 1 a n, avond, nacht,
des avonds, des nachts ; r. 1 a 1 e o k,
zie 1 a 1 e o k ; r. 1 a r o n, dag, bij dag ;
r. s e i loro n, het is nog dag ; r. koe-
da kottoe k, een pad tusschen twee
diepten ; r. koetoe n, een aardworm.
Rai, leggen, wegleggen, zetten ; r a i
toen, neerleggen, neerzetten ; rai
f i 1 a, andersom leggen of zetten ; r a i
m e n o n, eene afspraak bepalen ; rai
neon ba, het hart stellen op ; rai
ba neon, in het hart opnemen, in het
hart bewaren ; rai f a 1 i n, den prijs
bepalen, liggen V rai i h a m e d a, het
ligt op tafel?
Raik — kraik, beneden, laag;ami
toer raik ba, wij wonen beneden ;
loro raik, saamgetrokken tot 1 o r a i k
(letterl. zon laag) 's namiddags.
Raiklaran, de aarde, de wereld.
Raimedi, boeka r a i m e d i, winst
zoeken V
Rairain, veel, vele.
Ka Ka, r. n aan, met velen ieder een
stuk vleesch koopen als iemand een kar-
bouw of een varken slacht.
Rakoet, trekken, rukken, ontrukken.
Rama, boog; — isin, pijl.
Ramas, r. rai a h o e n, stof neerslaan
door er water op te gooien; r. h ö ö h a ï.
vuur blusschen.
Raiuatta, voltallig; soera r., samen-
tellen.
Rame, rame ba ui a 1 o e, aan elkaar
ffeven ? uitdeelen ?
Rani, zitten van vogels.
Raos, met witte vlekken op hand of
voet.
Rarók, lende.
Rassan, uitgespreide blaren, om het
vleesch van een pas geslacht dier op te
leggen.
104
Rassi, bestrijken ; h a d i 1 i i i n r.
kabas, draad met was bestrijken.
Kat o, graf.
' > melaatsen.
Ratek, [
Ratta rattak, niet te nat en niet te
droog.
Rattak, taan r., dikke modder.
Ka ut, opnemen b.v. zand, stof, bijeen
geveegd vuil ; r a u t f ó s, t a b a c c o,
met de hand rijst, tabak nemen; raut
manoetolloen iha oer o e, eieren
uit het nest nemen ; h a ï na raut
h a è, het vuur verbrandt het gras onge-
lijk, verbrandt niet alles, alleen het dorre,
niet het versche ; h a f a h Ö raut dei,
het onkruid niet overal uittrekken, hier
en daar nog laten staan ; — aan, raut
aan halai, zich wegpakken.
Rebi, dicht bij elkaar, b.v. djagong
dicht bij elkaar planten.
Rei, zoenen.
Rèn, berg, heuvel.
Renek, arm.
Renoe, man van gewonen stand, de
onderdanen van een radja.
Resik, te, w a i n r., te veel.
Resin, over, over zijn ; s e ï r., er is
nog over, er zijn er nog over ; dient om
telwoorden te vormen ; senoeloe re-
sin i d a, elf ; roewa noeloe re-
sin 1 i m a, vijf-en-twintig.
Ressaii, r. 1 i a, een e zaak voor den
radja of de hoofden uiteen zetten.
Rcta, even aanraken ; reta massin,
r e t a h o e s a k, het eten, vóór men het
in den mond neemt, even in zout of in
een kom met toespijs doopen ; r. a h o e,
met den vinger een weinig kalk in den
mond nemen.
Ri, paal, stijl.
Ria, zwager, dit woord dient ook om
een goeden bekende aan te spreken.
Rik, h a k o o i r., in staande houding
begraven ; t o e 1 a r i k, iets in staande
houding leggen.
Rin, ro rin, mast; manoe r., haan
met lange pooten ; n i a r. 1 i o e h a o e,
hij is langer dan ik.
Rihoen, duizend; — beein, tienduizend.
Ris oaii, kleine ketel om in te koken.
Ritas, boewa ritas, jonge pinang-
schijfjes.
Riti, koper, slaghoedje.
Riti foei, 1 kunstmatig bewerkte
Riti mafoenak, }> armband van goud
Riti oeloen, J of zilver.
Riti waik, koperen armband.
Roaj vadem, vademen.
Roan, kermen ; r. m o r a s-, kermen
van pijn, smeeken ; nia r. we, hij
smeekt om water; — na*', verzuchten;
roan aan ba e m m a, iemand smeeken,
tot iemand verzuchten.
Roboes, muts.
Roda, r o d a ra i, op patrouille gaan
(waarschijnlijk van ronda).
Roebak, een trap geven, een schop
geven.
Roefoe, r. tal a, zeer vlug op de gong
slaan.
Roeïn, been, beenderen, gebeente, graat,
geraamte ; ai r., zie a i.
Roek, scherf.
Roekoet, doen knappen b.v. gerooste
djagong als men die eet.
Roeniau, (Portug. roma) granaatappel.
Koen, r o e n n e a n, op de tanden
knarsen ; k a b o e n r o e n, buikpijn.
Roeoe ? — haroeoe; r o e o e aan,
verfrommeld.
Roeoet, koud.
105
Roesoen, hoop, stapel ; t a h a n i\,
hoop bladeren, een hoop maken, opsta-
pelen b.v. djagong.
Roewa, twee; nanaan r., dubbel-
tongig ; e m m a w a 1 o e roewa,
twee ploegen van acht man, die elkaar
afwisselen b.v. bij het dragen van
een last.
Rohail, uiteinde van iets, grens ; 1 a
n o r O h a n, zonder einde, een stuk, een
gedeelte van iets.
Rokka, de hand in iets hols steken,
b.v. in een bamboe, in een opening ot
spleet, in den zak, iets uit een holte
nemen b.v. r okka m a m m a i h a
k a k a 1 o e k, sirih en pinang uit den
zak halen ; rokka w a n i, honig die in
een holte zit uithalen ; rokka e m m a
n e o n, iemands hart doorgronden.
Roman , licht, zelfstnw. ; h a o e matan
n a t a u k r., mijne oogen kunnen het
licht niet verdragen ; heli r. of' s a r a
r., in het licht staan, het licht benemen ;
tau ba r. n è ë m a i, leg het hier in
het licht.
Rón, wormstekig van rijst, djagong.
Rona hooren, verstaan, voelen, merken,
ruiken, rieken.
Roo, vaartuig; — haï. stoomboot;
laan, zeilschip, prauw met een zeil; —
malaê doodkist van een radja ; d o e d o e
roo m a 1 a è, de doodkist van een radja
dragen.
Rooe, een mandje om kleeren in te
letweu.
RÖS, wrijven, schuren; koeda ros
aan ba ai, het paard schuurt zich aan
een boom.
Rossee, wrijven? rossee aan =
ros aan.
Rottes, 1 i a r., gebrekkig spreken.
Rottoes, e m m a r., een gulzigaard.
S
Sa, Avat ? welke ? welk ? n i a te-
rik sa? wat zegt hij ? sa ai? welke
boom? sa emma mak n è ë? wat
zijn dat voor lui? sa battaraat
n è ë ! wat is dat voor slechte djagong;
ba sa? en taan sa? waarom ?
sa 1 i a a a t m a k n è ë ! wat is dat
voor slechte taal ! ; sa i d a, iets ; 1 a s a
i d a en s a i d a 1 a, niets b.v. sa i d a
la i h a, er is, er was niets ; h a o e la
karé sa i d a, ik zie niets ; nia la
f ó s a i d a, hij gaf niets ; vragend be-
teekent het : wat is er ? wat is dat ? wat
is er aan de hand? sa wordt dikwijls
achter een zin geplaatst, misschien om
nadruk aan het gezegde ce geven.
Saar, vegen.
Saba, een stuk in een kleed zetten,
verstellen, omwikkelen met, b.v. h a d i
b a 1 1 a r k o ra m a k s. ra a n o e t o 1-
loen ketta n a k r o è, eieren met
djagongschillen omwikkelen, opdat zij
niet breken ; h a d i hare k a i n s.
b o 1 1 i r, flesschen met stroo omwik-
kelen.
Sabaan, zeep.
Sabaail, met een dijkje omgeven:
h a d i f a t o e k s. o e ra a, een steenen
rand ora het huis maken; s. we, water
afdamraen.
Sabaat, lao s., dwars voorbijgaan:
s i a toers. dala n, zij zitten dwars
in den weg.
Sabalet, neon s. b a, liet hart is
106
bekommerd om, voortdurend en met
kommer aan iets denken ; neon s. ba
n i a n o a n m o r a s, zij denkt alleen
aan haar ziek kind, bemoeit zich met
niets anders.
Saban. h o e d i s., pisangschaal.
Vakant, verwensenen.
Sabe, overloopen van vochten ; mota
s. t ö Ö n è ë m a i, de rivier is tot hier
overgeloopen.
Sabeben, schnin.
Sabèt, als men in het duister iemand
gewaar wordt, roepen »wie is daar".
Sabette, toer s., met de beenen
kruiselings over elkaar zitten.
Sabi, sleutel, op slot doen ; o d a
matan sabi, de deur is op slot.
Sabir. met een mes of kapmes een
weinig van de bast van een boom afnemen
om dat als obat te gebruiken.
Sabirit met den voet uit elkaar doen
b.v. bijeengeveegd vuil.
Sabó, vol met barang-barang ; van
een paard met veel en allerhande ba-
rang beladen.
Saboe. s a è s., paard rijden zonder
zadel of kussen.
Saboetar, r a i s., avondschemering.
Sabokko, vleesch of wat anders in
in een blad of pinangschaal doen en
dan op het vuur zetten.
SaböÖ, hardop droomen ; f o e t o e
linsoe halo saboö, het hoofd met
den hoofddoek geheel bedekken.
Sabrakka, sinaasappel.
Satlan, een met steenen omringd plein,
dat als dansplaats dient ; foelan no
s o d a n, er is een kring om de maan.
Satfauk, 't komt er niet op aan, 't is on-
verschillig ; s. emma i d a, 't komt er
niet op aan wie ; s. de ï, dat is ook goed.
Naderen aan — deren aan.
Sadi, uitdagen, tergen, aanhitsen; s.
aan, zich zelf opwekken, aanhitsen.
Sadia, zich bekommeren ; 1 a s. s a s a,
over niets bekommerd zijn, treuren om ;
n i a s. t o e ï r n i a o a n, zij treurt om
haar (gestorven of afwezig) kind.
Sadoeka, bekommeren, behoefte, gebrek
hebben aan iets; haoe kaan boeat
lea lear haoe s. sa? ik heb van
alles, waaraan heb ik gebrek, waarover
zou ik mij bekommeren ?
Saè, stijgen, rijzen, klimmen, naar
boven gaan ; saè Fialaran, naar F.
gaan ; aan de beurt komen of zijn in het
spel ; saè r o o, aan boord gaan ; s.
k o e d a, te paard stijgen, te paard rijden ;
s. a i, in een boom klimmen ; t a s s i
saè, de radja is vergramd, letterl. de
zee is onstuimig ; 1 o r o s., de zon komt
op; nia kaan boela s., zijn waanzin
komt op ; s. taan, onderweg plotseling
zien, onverwacht ontmoeten.
Saen, iets ophangen zoodat het aan
weerszijden overhangt b.v. op de drooglijn,
op een paard ; s. ba liman, ba
baas, iets b.v. een kleed op den arm,
op den schouder dragen ; s. aan =
kaen aan; rai lor o saen, oost-
waarts gelegen land ; 1 o r o saen, oosten.
Saet, o laö mai, saetba, kom
hier, eet ; als het kind ongeduldig is,
gebruikt de moeder het woord »s a e t"
in plaats van het gewone woord »ha'.
Saliat. h a 1 a i s., dwars in den weg
loopen, om b.v. een paard den weg af
te snijden ; sahatenkabasahat
een mandje om kleeren in te leggen.
Sahit, eene keukengroente.
Sai, uitgaan, uitkomen, naar buiten
gaan of komen ; sai 1 o e w a n, zie
107
1 o e w a n ; s a i r a i, weer buiten komen
van de moeder als het haar van het kind
geschoren is; niet meer bij het vuur
zitten ; sai hela fèn (letterl. uitgaan,
de vrouw achterlaten), van zijne vrouw
scheiden; er uit b.v. saè sai, er uit
gooien; firi sai, er uit trekken;
in i s s a sai t i a n, de mis is uit ; s a i
sai! op zij ! uit den weg !
Sain, in e n o n s a i n, de tijd van de
afspraak is daar ; m e n o n sain h o r-
s e h i k, er was afgesproken gisteren ;
in e n o n sain o h i n, a w a n, er is
afgesproken vandaag, morgen ; komt voor
in de beteekenis van zullen b.v. sain
ni a t e, hij zal dood gaan ; sain k a n e k
n i k a r, het zal weer een wond worden;
rai sain kottoe (letterl. de rijkjes
zullen vaneen gaan), de vriendschappelijke
verhouding zal ophouden, sain t e n i,
als het weer voorkomt ; d o m i n g o
sain t e n i h a o e m a i, als het weer
Zondag is kom ik ; k a t a k sain, doen
weten.
Sakil, te gemoet gaan, naar iemand
toegaan, vóór zijn tijd, te vroeg b.v.
b a 1 1 a r o n o e s., de djagong bloeit
te vroeg ; n e a n m o n o e s. ; de tanden
zijn vóór den tijd uitgevallen.
Sakan, het benedengedeelte van den
rug ? het uiteinde van den ruggegraad ?
Sakar, weerstreven; anin s, de wind
is tegen ; we s o e 1 i s., het water
stroomt terug ; 1 a r o s. m a t a n, de
zon schijnt in de oogen.
Sakat, aan een riem of touw over
den schouder dragen, overlangs door-
hakken b.v. pisangschalen om er gras
mee te binden ; k o r a t s a k a t, over-
langs doorzagen.
Sakèk, met de pooten in den grond
krabben zooals de kippen doen om voedsel
te vinden.
Saki, overlangs doorsnijden, opensnij-
den b.v. visch, een langwerpige vrucht ;
s. d a 1 a n, het eerst over een weg- gaan,
een weg openen; s. we, in een dijkje
een doortocht maken voor het water.
Sakiki nean, tandenborstel.
Sakili, kittelen bedr.
Sakoenar, schorpioen.
Sakorrè, zacht krabben.
Sakossek, sakossek hare, rijst
trappen ; sakossek h ó ó h a ï, vuur
uittrappen, uitslaan.
Sala, schuld, zonde, schuldig, verkeerd,
mis, bij vergissing, bij ongeluk, verschil-
len; n i a kaan s a 1 a, het is zijn
schuld ; o mak s a 1 a, gij zij t schuldig ;
s a 1 a i h a o, de schuld ligt aan u ; haoe
1 a s a 1 a, ik heb geen schuld; rona
s., verkeerd verstaan ; 1 a ö s. m a 1 o e,
elkaar mis loopen ; salamaloe, on-
derling verschillen, van elkaar verschil-
len ; s a 1 a ba n è ë, hierin ligt het ver-
schil; lia s. m a 1 o e, er is oneenigheid
over iets, men is het met elkaar niet eens;
haoe f o 1 1 i s a 1 a o o n t o e d i k, ik
nain bij vergissing uw mes; n i a n o esi
sala e m m a, hij heeft bij ongeluk
iemand geschoten ; mate s. zie mate;
sala t a i s, sala m o e r a k, kleeren,
geld aan de familie van een overledene
o-even, bij wijze van boete omdat men
niet aan den rouw heeft deelgenomen ;
matan sala, de oogen zijn elders
gericht ; — aan, sala aan b a e m-
m a n i a n fèn, b a e m m a n i a n
1 a e n, overspel doen ; -- sala, even. kort
van duur ; toer s. s. ga even zitten.
Salaak, ruimte onder het dak vóór bet
binnengedeelte van het huis.
108
Salaeil, honger hebben.
Salatak, niet donker en niet licht, van
huidskleur; bijna rijp.
Sale, ten eten uitnoodigen ; r a i s.
e m m a, iemand is heelemaal verdwaald.
Saliii, afzonderlijk.
Salober, k a b a 1 1 a s., de sarong tot
de voeten laten afhangen.
Salolo, s. a i n, de beenen uitstrekken.
Salór, rijst met geplette djagong sa-
men mengen en koken.
Sania, trappen op, stappen ; s. ra è,
stuk trappen; s. s a 1 a, mis trappen, mis
stappen ; s. t o e ï r n è ë, stap hierlangs ;
e m m a s. h a o e o d a, ze hebben mij
wat afgezet ; — doros, uitglijden.
Samaen, schuin.
Samalii). vragen naar iets dat men
reeds weet.
Samana (waarschijnlijk van 't Portug.
s e m a n a, en dus vroeger »week", maar
dan is de beteekenis hier verloren gaan) ;
een tijd lang, b.v. een maand ; nia
m o r a s k e e s a m a n a, hij is reeds
tamelijk lang ziek.
Namara, rood gemaakt haar, dat ze
bij wijze van sieraad op het heft van een
kapmes en van een sabel vastmaken,
vandaar b a 1 1 a r samara,
Sambila. schaaf.
Samen, slang.
Samekko, lao s., in den weg loopen,
voor iemands voeten loopen ; 1 i a s., in
de rede vallen ; s. aan ba d a 1 a n, in
den weg liggen.
Samér, een zekere boom.
Samodo. groene slang, wier beet niet
doodelijk is.
Vunoeda. met den voet tegen iemand
aanstooten terwijl men ligt, iets b.v.
aarde met den voet naar beneden duwen.
Sana, sana tali ba koeda
i b o e n, een touw in den bek van het
paard doen, bij wijze van gebit; sana
s a s a ba liman 1 è t, iets tusschen de
vingers steken ; sana liman, de
handen vouwen ; sana ikoe, het kleed
tusschen de beenen doorhalen en op den
rug vastmaken ; sana aan ba nean
1 è t, tusschen de tanden zitten ; r o o
sana aanbafatoelèt, het vaar-
tuig zit tusschen twee steenen, zit vast
tusschen een spleet; toer sana aan,
tusschen twee menschen in gaan zitten;
sana aan, op iemands bijstand steunen.
Sanak, schrijlings.
Sniiane. lao sanane, met het hoofd
in de lucht loopen ; k r a u sanane,
dé karbouw steekt den kop op.
Sanki. een porceleinen kopje.
Sanoeloe, tien.
Saoe, met de hand zacht over iets heen-
strijken of wrijven ; saoelawarik
o ï n, een kind over het gezicht strijken,
zooals ze doen bij een kind dat huilt;
hodi tais saoe hamös, met een
doek even schoon wrijven ; saoe e m m a
m o r a s, bijgeloovige plechtigheden bij
een herstelden zieke verrichten, waarna
deze weer mag gaan waar hij wil ;
b o e w a saoe, 't is geoorloofd pinang
te plukken ; ai k a m e 1 i n saoe, 't is
geoorloofd sandelhout te kappen; saoe
b o e w a.
Saoer, een roofvogel.
Sapeo, (Portug. chapeo) hoed.
Sara, bedekken, beschutten, beschermen,
afweren ; halo baii hodi sa ra bibi,
een pagar maken om de geiten te weren ;
halo bak' hodi sa ra fehoek,
een pagar maken om de aardappelen te
beschutten ; kaloan sarafoelan,
109
de wolken bedekken de maan ; ai s a r a,
de boomen bedekken, benemen het gezicht ;
ketta sa ra (letterl. bedek niet),
beneem het uitzicht niet, sta niet in den
weg; s a r a m a m m a r, het lijf wenden
om niet geraakt te worden.
Saraban, een pijl van bamboe met
meer dan één punt.
Narat, sleepen, voortsleepen, voort-
trekken ; m o t a s a r a t, de rivier sleept
mee ; s a r a t aan, sleepen onz.
Sarèk, oprispen.
Naren, franje ; boewa sa ren, noe
s a r e n, pinangtak, klapper, tak waar de
vruchten af zijn.
Karotten, afschampen, b.v. een lans.
Sasa, iets, goed, goederen ; e m m a
n i a n sasa, iemands goed, iemands
eigendom ; sasa la of la s a s a, niets ;
s a s ;i la i h a, er is niets ; haoe la
k è t a n sasa, ik heb niets gekregen.
Sasa, afdoen, afnemen b.v. de oorringen,
armband, afplukken b.v. pisangs, open
maken b.v. een mes ; sasa k i at, den
haan van 't geweer overhalen ; s a s a
k a r i we, het water langs verscheidene
wegen afvoeren.
Sasak, dapper.
Nasaki, armband die aan den bovenarm
gedragen wordt.
Sasanan, pot met wijden buik en nau-
wen hals, waar ze rijst in koken.
Naseïk (zie s e ï), we s a s e ï k, water
dat kan worden opgevangen door er een
bamboe of wat anders onder te houden,
water dat door een goot loopt ; s a s e ï k,
de goot zelf? .
Nasekoer, het punt waar twee been-
deren aaneensluiten.
Saseloen, opvolger.
Saseni, in den weg komen, verhinderen,
beletten ; 1 i a i d a saseni n i a, eene
zaak verhinderde hem (te komen) ; h a o e
saseni ba e m m a mate, ik was
belet wegens een sterfgeval.
Sasessar, varen (plant).
Sasi, ontsnappen; h a ï s a s i, het vuur
brandt te hoog zoodat de vlam bij het
dak kan komen.
Nasi ha K. foeoek sasihak, (van
het hoofdhaar) er zijn reeds grijze haren
tusschen.
Nasiri. s a s i r i hare, rijst ziften.
Nasoesik, ook bissi sasoesik,
een ijzer dat dient om gaten in iets te
branden.
Nasoeït, haarkam; — reda, kunstig
bewerkte haarkam van buffelhoorn.
Sasoekat, maat, knevel.
Sasoe koen, haarspeld ; horak s a-
s o e k o e n, pijnlijke aandoening door
inwendige steken in de borst.
Sasoelan, stop, prop om iets dicht te
maken, vandaar de kurk van eene flesch.
Sasoën, d a 1 a n s a s o ë n, zacht
hellende weg.
Sasoeroen, schop, spade, troffel.
Sasoman, zie s o m a n.
Sasöön, een ijzer dat dient om te
wieden.
Sasoro, brij, pap.
Na tan, tegenhouden, bestand zijn tegen ;
nain nèn satan emmalear la
b e 1 e, zes man kunnen veel mensclun
niet tegenhouden ; o e m a satan anin,
het huis is bestand tegen den wind.
Sati, sama s a t i, met het eene been
vooruit en het andere achteruit staan.
Saun, noe s a u n, de schil van de
kokosnoot.
Saut, lian s a u t, heesch, schor.
Sawan, in den voormiddag, 's ochtends,
1L0
vroeg ; iba laö sawau, wij zijn
vroeg vertrokken ; o h i n sawan, van
ochtend, van morgen ; awan sawan,
of dikwijls alleen sawan, morgen
vroeg ; wain roewa sawan, over-
morgen vroeg ; sawan dader en
sawan n o e r a k, zeer vroeg.
Se, wie ? hij die, zij die ; — ida, wie ?
wie is daar? wie is dat?
Seben, schuin ; r a i s e b e n, in schuine
richting plaatsen, schuin zetten ; seben
a a n, schuin staan.
Seboe, houten blok aan den voorpoot
van een karbouw ; seboe r a i, een
terrein effen maken.
Sèëk iemand in zijn huis niet toelaten,
hem zeggen dat hij gaan kan.
Seliet = kasehet.
Seï, nog ; s e ï i h a, er is nog,
er zijn nog, nog niet b.v. nia raai
t i a n ? is hij reeds gekomen ? se ï,
nog niet.
nog niet b.v. nia mai
tian? is hij reeds ge-
komen; seï dauk, nog
niet; als het met een
werkwoord verbonden is,
wordt er »la ' bijgevoegd,
nog niet b.v. hij is nog
niet gekomen ; nia seï
>mai ot nia seï la
mai dauk of nia seï
dauk la mai.
Seï, seï e m m a, kwade wenschen
tegen iemand uitspreken b.v. n o e k a
aat na nola, sterf aan de pokken ;
opvangen van vochten: seï we ba au,
water in een bamboe opvangen ; h o d i
au seï we, door middel van een bamboe
water opvangen.
Seïtl aan, even boven den grond uit-
Seï dauk
en seï daun,
Seï la
seïla dauk
of daun, seï
dauk la
steken b.v. een scherf, een bamboe die
als voetangel dient.
Seki, stutten, schragen; seki hate-
t o e k, door te stutten recht zetten, aan
het spit braden.
Sekoer, sekoer kari naan roeïn,
de beenderen bij de gewrichten vaneen
snijden; sekoer ai halo knekoer
t o 1 1 o e, een boom in drie stukken ver-
deelen.
Sekor, s e k o r k a n o k a r, de »ka-
nokkar ' sluiten.
Seliii, dubbeltje.
Sella, zadel.
Seloe, verwisselen, b.v. een versleten
paardentouw met een nieuw ; opvolgen,
betalen ; seloe k o e d a, het paard ver-
plaatsen.
Seloek, ander : aan, van kleeren
verwisselen.
Selok, selok o da mattan, eene
deur sluiten door er dwarshouten voor te
schuiven ; s e lok o e s o e k, de dak-
sparren leggen ; selok aan, zich vast-
zetten, vast zitten ; roeïn selok
aan ba nanaak, een beentje zit vast
in de keel ; koe da ain selok aan
ba a i a b o e t, de poot van het paard
bleef tusschen boomwortels vastzitten.
Selotti, een aan het dak bijgemaakte
rand.
Senio, vliegen ; kmalar se m o,
plotseling hevig schrikken.
Sena, sluiten, opsluiten, den doortocht
beletten ; m o t a sena s i a, de rivier
belet hen verder te gaan ; sena d a 1 a n,
den weg afsluiten.
Senoeloe, tien.
Sepa, de »kaleek" met den voet ver-
schuiven.
Sere, aanbieden, offeren, overgeven
111
d.i. in iemands handen stellen, over-
leveren ; sera t i 1 o e n, laat je (ziek)
oor (of een ander ziek deel) eens kijken.
Sere, 8 e r e t a r o e, de inzet bij het
hanenvechten (nl. het reeds van weers-
zijden bijeengebrachte geld weer terug-
geven, wanneer geen der beide hanen
overwint) ; werpen van een plat voor-
werp ; t a s s i sere, de radja weent.
Serèk, foeoek s e r è k, haar dat
reeds gedeeltelijk grijs is.
Seret, ondiep ; kanekseret, on-
diepe wond.
Serewisoe, werken, arbeiden, werk;
k a è r en halo.serewisoe, arbeid
verrichten.
Nerin, een offersteen bij of' in een
karbouwenstal.
Sero, eene afperking van bamboe in
zee om visch te vangen.
Seroïn, een lang voorwerp tegen iets
aanzetten b.v. een geweer ; s e r o ï n aan,
met den rug tegen aan leunen.
Se rok, op iets trappen.
Ses, uit den weg gaan, uitwijken,
ook 1 a o s e s ; als uitroep s e s ! op zij !
uit den weg ! dada s e s, op zij trekken ;
sia la nóoek ses maloe, zij
willen voor elkaar niet uit den weg.
Sesek horde van bladnerven gevlochten
om pinang op te drogen, om vleesch op
te snijden.
Sessoe, dringen, verdringen ; s e s s o e
s a i, er uitdringen ; 1 o r o f a 1 i n ses-
soe w a i 1 a o k, de oostmoeson ver-
dringt den westmoeson (de regen komt
zeer laat) ; sessoe lotti, omver-
dringen ; sessoe r a i k 1 a d i k, de
grens verleggen ; sessoe emma laen,
fèn, iemands man, vrouw verdringen
(en zich in de plaats stellen).
Seti, eng, nauw.
Setoer, dringen.
Sewa, huren.
Sia, zij 3de pers., meerv. komt voor
als lidw. iu het meerv. zie spraakk. ;
schragen, stutten ; s i a k n o 1 1 a k, de
handen in de zij zetten; sia maloe,
onderling verschillen in grootte, in leef-
tijd, in waardigheid ; ondergeschikt zijn
aan, volgen op, d.i. minder zijn dan,
na elkaar komen ; na elkaar b.v. o k o a
liman r o e w a d a 1 a i d a V 1 a 1 e
sia maloe, snijdt gij twee takken
met palmsap te gelijk aan? neen, na
elkaar; minder zijn dan b.v. o kaan
ai oïn noeoenèë ka? sia o da.
is uw boom ook zoo? (ook zoo lang en
zoo dik), hij is wat minder.
Sidadi, r a i s i d a d i, land waar vrede
heerscht ; 1 a o s i d a d i, veilig gaan.
veilig reizen.
Sidella, gesp.
Sidi, met den voet tegen aanstooten.
Nidill, er afnemen b.v. het heft van
een parang, de bajonet van het geweer ;
s i d i n kar i, uit elkaar nemen b.v. de
verschillende deelen van een kast.
Sihak, tusschensteken b.v. een mes
tusschen den riem.
Sihi, bij het vlechten met de »knihi"
even insteken, om daarna den vlechtdraad
gemakkelijk te kunnen doorsteken; k i-
1 a t foean sihi d e ï, de kogel
scheurt alleen de huid.
Sik, raden.
Siïk, t o e w a s i ï k, azijn.
Siin, zuur, stijf, rheumatisch aangedaan
van lichaamsdeelen.
Sikat, openbreken b.v. ecu kist mef
een parang of beitel bij wijze van hef-
boom, een zieke de tanden vaneen doen
112
om eten in te geven ; sikat sasoelan,
een kurk of' stop met een mes van de
flesck aflichten.
Sikka, sikka haan ba emma
b a i n a k a, een gast eten voorzetten ;
sikka haan mai, het eten aan-
brengen ; sikka haan ba, het (over-
geschoten) eten wegbrengen ; sikka
b i k a n m a m o e k, de leege borden
wegnemen; sikka k a r i, uit elkaar
nemen ; sikka riaat, een versleten
paal wegnemen om er een ander voor in de
plaats te stellen ; s i m o e s i k k a, bij den
radja sirih en pinang of eten krijgen?
Sikoe, sikoe menon, zich aan den
afgesproken tijd niet houden; nia si-
koe lor on roewa tiana, hij is
reeds twee dagen ten achter, reeds twee
dagen te laat; overslaan.
Sikoei), hoek ; liman s i k o e n,
elleboog ;lia sikoen, geheim, geheime
afspraak ; lao no sikoen, buiten
iemands weten ergens heengaan met eene
kwade bedoeling ; lao kettano si-
koen, toer ketta no sikoen,
heb geen geheime en slechte bedoelingen
in uw handel en wandel.
Silaka, vechten.
Siloe, afbreken bedr. b.v. een stuk
brood, een tak doorbreken, b.v. een stok ;
siloe ai foenan, bloemen plukken;
dalan siloe aan, de weg draait ;
ook : dalan siloe kessak lao
siloe aan, onder het loopen telkens
links en rechts uitwijken ; ook : lao si-
loe kessak.
Simoe, aannemen, ontvangen ; s i m o e
Nai Maromak nian lia, Gods
woord aannemen, antwoorden, invallen
bij zingen of bidden ; s i m o e i n a
a in a, zijne ouders tegenspreken.
Simella, gesp.
Nini, tusschensteken om dicht te ma-
ken b.v. gras, waar het dak stuk is;
sini aan =r sana aan.
Sinoe, klok, schel?
Sinoek, haè sinoek, een soort
gras.
Sintidoe, toezien, oppassen in den zin
van voorzichtig zijn, ook op iemand of
iets passen, letten, voorzichtig! (waar-
schuwend).
Sira, scheuren bedr., uiteentrekken b.v.
gemoetidraden, krabben van een kat;
sira haat, stuk scheuren.
Sirikaut, afrikaan (bloem).
Sirilae, oorring, die boven aan het
oor gedragen wordt.
Sirit, het spint van een boom afhakken.
Siriwain dassawaiu, eeuwig.
Sisi, kammen, manen tot betaling.
Sit, faroe s i t, gebloemd baadje.
Sö, huilen van een hond, als hij zijn
meester zoekt ; zoo, als ; s ö emma
no koe da nian sellamösiha,
zoo iemand een paard heeft, heeft hij
ook een zadel ; s ö nia, zoo hij het
was.
Sobak. aanvallen van dieren die bijten.
Sobar, we sobar e m m a, het wa-
ter doet iemand zinken, iemand verdrinkt ;
sobar aan, zinken, verdrinken ; 1 o r o
sobar aan ba t a s s i, de zon zinkt
in zee.
Söbè, lans van bamboe, pinang of van
ander hout.
Soboe, afbreken, verwoesten, vernielen.
Soboek, overdekken ; h o d i keiler
soboek manoe oan, met een (om-
gekeerde) kist de kuikens overdekken ;
hodi ekat soboek oema oeloen,
de nok met gemoeti overdekken.
113
Sodtii), sodau kloenoe, het reeds
verkoolde gedeelte van een fakkel afslaan.
Soè, wegwerpen, iets niet meer doen,
er mee ophouden ; s o è e m m a, ie-
mand verbannen ; s o è matan, uit-
kijken, ver kijken; soè nai nian lia,
het bevel van den koning verwerpen,
niet opvolgen ; soè oekoen, een bevel
uitvaardigen, ook een bevel niet op-
volgen ; soè nian f ö h o k, den moed
laten zinken ; soè k 1 a d i k ba m a 1 o e,
aan elkaar grenzen ; soè aan, hak-
lotti soè aan, plat tegen den grond
vallen ; 1 o r o soè oan, de laatste zon-
neschijn kort voor den ondergang ?
Soe, met de hand uitscheppen van
droge waar ; soe e m m a m a t e, een
lijk opgraven ; a s o e soe r a i, de hond
maakt een kuil in den grond.
Soean, een stok met ijzeren punt waar-
mee zij kuiltjes in den grond maken om
er de zaadkorrels in te leggen.
Soeas. bewasemen, bedampen (van
knoeas); haï doeboen soeas bat-
t a r, de rook omgeeft den djagong ; soeas
b a 1 1 a r, djagong in den rook hangen.
Soebak, soebak oeloen, geen
hoofddoek dragen wegens rouw.
Soebar, verbergen.
Soedi, s o e d i haï, het vuur aan-
wakkeren door er meer hout bij te doen;
s o e d i rai, onlusten in een land ver-
wekken ; s o e d i moerak, geld bijeen
brengen ; soedi isin, geld bijeen bren-
gen om boete te betalen ; soedi e m m a.
Soehoe, stalen (harden) ; s o e h o e
d o e d o e k, zwam geschikt maken om
als tondel te dienen.
Soeï, openprikken b.v. met eene naald,
uithalen, uitpeuteren ; h o d i t o e cl i k,
h o d i d a u n soeï ai t a r a n, niet
een mes, met een naald een doorn
uithalen ; stooten, met de hoorns : o
liman soeï? o liman n a k o e ï,
zie n a k o e ï.
Soekabi, een boom.
Soekaêr, tamarinde.
Soekat, meten; hodi n e o n s o e-
k a t, b.v. hola hodi neon soekat,
zooveel nemen als men verlangt.
Soekit, uitkrabben, uitpeuteren b.v.
met een mes het vleesch van een klapper.
Soekoe, insteken b.v. bloemen in het
haar, voetangels in den grond; roeïn
soekoe sai, het been steekt er uit
(bij een gewonde hand) ; soekoe fèn
i cl a, ééne der twee vrouwen wegzenden ;
soekoe k a r i k r a u, karbouwen van
de kudde afzonderen ; soekoe r a i
r o h a n ba m a 1 o e, een terrein onder
elkaar verdeelen om b.v. te wieden, ieder
zijn gedeelte aanwijzen.
Soelaii. met een stop of prop sluiten
b.v. een bamboe met melk, een gat mei
iets dichtstoppen.
Soeli, vloeien.
Soemak, uit den grond opkomen van
water.
Soemi, zich bukken.
Soën, soën lia ba mal o e, wegens
minnenijd tegen elkaar uitvallen, elkaar
haten, slaan.
Soenoe, aansteken ; s o e n o e ha ï,
vuur, licht aansteken ; soenoe 1 e r e,
het verbranden van de op het veld uit-
gespreide takken en bladeren ; h o d i
lian soenoe, met woorden bang
maken; terik hodi soenoe, zeggen
om bang te maken ; soenoe b o eta q,
soenoe siïk? brandwonden maken om
te o-enezen, om schadelijke vochten uil
het lichaam te verwijderen.
114
Soeoe, s o e o e a i n liman, het
been, den arm uitrekken, krommen; be-
vreesd zijn ; soeoe aan, ineenkrimpen.
Soeoe k, 1 a ö s o e o e k, krom, gebo-
gen loopen.
Soera, tellen, komt voor in de betee-
kenis van ieder, elk ; soera 1 o r o n,
iederen dag; soera sawan, iedere
ochtend ; batakka ta tossa soera
o e m a, ieder huis één gulden (om bij
te dragen), voetangel.
Soerak, mits, als maar, zoo maar.
Soerat, papier, brief, boek.
Soerik, sabel, zwaard.
Soerit, diarrhee hebben.
Soeroe, scheppen van droge waar b.v.
aarde met een schop ; soeroe etoe
ba b i k a n, rijst op het bord scheppen;
hodi knoeroe soeroe dila isin,
het vleesch van de papaja met een lepel
uitscheppen.
Soeroet, aanzetten tot ; m o t a soe-
roe t, de rivier sleept mee.
Soesar, het Maleische scesah.
Soesik, met een gloeiend ijzer een gat
boren ; soesik battar ba koè,
zooveel mogelijk djagongklossen in het
mandje steken, zoodat de klossen vast
tegen elkaar staan ; soesik aan b.v.
toer, ha rik soesik aan, dicht op
elkaar zitten, staan.
Soesoe, zuigen ; soesoek, natak,
soesoe, itan raan, een muskiet,
een bloedzuiger zuigt ons bloed, planten
van korrels en pitten ; soesoe k n i d i n
letterl. een lans in den grond steken, de
bespreking eener zaak b.v. van een dief-
stal aanvangen.
Soesoek, muskiet.
Soesoe meti, kaballa soesoe
meti, de sarong dragen zonder hem
met een riem of band vast te maken ;
— wèn, melk.
Soesoen, de borsten; — matan, tepel.
Soet, soet inoer, den neus snuiten ;
soet tatöhö, den blaasbalg op- en
neerhalen ; soet sai we, water uit-
spuiten zooals een walvisch.
Soët, afschampen b.v. eene lans.
Soeta, zijde ; t o e s s o e t a, zijden
kleed.
Soeti, afknijpen bij kleine stukjes,
afnemen bij kleine gedeelten b.v. van
een haudvol tabak om aan anderen te
geven; even knijpen.
Soliau, belet zijn; sohan ba o e-
d a n, belet zijn wegens den regen.
Söhè, miraen s ö h è ai, de witte
mieren vreten het hout uit, hollen den
balk uit ; o e 1 a r söhè n a a n, de
wormen bederven het vleesch, verteren
bedr. van wormen ; söhè tais bottes
ba h a ï fohon, een nat kleed boven
het vuur hangen.
Soire, bij de komst van een radja ot
voorname karbouwen slachten?
Sokkar, sokkar b a a, de doode
stammen van een pagar er uit nemen en
nieuwe er in planten ; sokkar lia,
een afgeluisterd gesprek verder vertellen ;
aan iemand meedeelen, wat men van hem
heeft hooren vertellen.
Sokkon, vruchten afplukken vóór ze
rijp zijn.
Sokoer, sarren, tergen ; sokoer
battar, djagong in het rijstblok stampen.
Sollat, zich vermengen met, zich aan-
sluiten bij een troep menschen.
Soloer, oedan soloer ami, de
regen overvalt ons : soloer oeloen,
het hootdhaar wasschen ; hodi leon
soloer emma, iemand die de pokken
115
heeft begieten met water dat vermengd
is met fijn gemaakte blaren die voor
obat dienen.
Solok, zenden, sturen (niet van men-
schen).
Soman, wat bij een ander hoort b.v.
van twee kisten of pakken die een paard
draagt, van hetzelfde paar.
Soiiiop, den mond met eten volstoppen.
Són, són lor o, in de zon staan ;
1 a ö s o n 1 o r o, in de zon loop en ;
són o e d a n, in den regen staan ; 1 a o
s o n o e d a n, in den regen loopen.
Sona. steken, braden, bakken b.v.
visch ; s o n a k a f é, koffie branden ; —
hedi, tatoueeren.
Soo, we s o o r a i i h a t e h e n, het
water doet den grond aan den oever af-
brokkelen ; soo kessak of soo
halara kessak, de boete vermin-
deren, een gedeelte der uitgedeelde dja-
gongkorrels terugnemen (zie fake).
Soo, onkruid afsteken, zooals met een
tuinschoffel.
Sóoer, toer só o e r, stil zitten zonder
iets te zeggen b.v. iemand die zich niet
wel gevoelt.
Soof, rijk.
Sooï, s o o ï b a 1 1 a r, djagong oogsten.
Nooïn, goed zoo, 't is mij goed, laat
maar zijn, ik heb er vrede mee ; s o o ï n
d e ï, ook goed ; s o o ï n o n a, 't is wel,
genoeg ; n a i s o o ï n, bij het aanspreken,
is eerbiediger dan alleen »naè'; —
mai, soo 'in mai. ... sooïn mai la
of 1 a 1 e, nu eens wel dan weer niet.
Sor, s o r o e m a, een huis dekken ;
s o r h a è, een huis met gras dekken ;
sor blik of kalen, met dakijzer
dekken.
Soran. tot vechten aanzetten, vooral
hanen; koeda no krau soran rai,
(het stelen van) paarden en karbouwen
verwekt oorlog; — aan, voorover vallen.
Sorani, christen ; s o r a n i e m m a,
iemand doopen.
Sorat, doorsteken b.v. een dijkje op
een rijstveld, een pijpenroer; verder
voortschuiven b.v. een boom, een lat ;
sor at ai foean of beter s o r a t
h o n o e ai foean, vruchten afstooten ;
sor at honoe manoe knoeoek,
een nest uitstooten.
Sori, bevrijden, redden, twee vechten-
den scheiden ; sori h a ï la hola,
men kon het vuur niet meester worden.
SoiÏD, zijde ; i h a . . . sori n, naast,
op zij van ; nia toer iha haoe
kaan s o r i n, hij zat naast mij ; —
bal oe, de andere zijde, de andere kant ;
de helft b.v. van een vrucht, half; lak e
s o r i n b a 1 o e, de eene helft open
maken van een deur of venster.
Sorin kboas, [ 1 i a s o r i n maki-
Soriii makillk, f 1 i k, zie m a k i 1 i k.
Soroe, weven, gewoonlijk zegt men
soroe atis; soroe tais, een kleed
weven; — liman, van twee de handen
ineenslaan om iemand er op te dragen;
— soroek, een weinig verder ; soroe
soroek hanawa, soroe soroek
h a n a w a, telkens nadat men wat verder
geloopen heeft rusten ; soroe soroek
rai 1 o 1 o n, soroe soroek rai
f e h o e n, nu eens bergland, dan weer
vlak terrein.
Soroek, verder, verder op b.v. iets
plaatsen, gaan staan of zitten; soroek
o d a, een weinig verder ; soroek mai,
meer hier naar toe, dichter bij, kom
nader ; soroek ba en soroek to-
n e, meer daar naar toe, verder op, ga
116
wat verder; s o r o e k, komt ook voor iu
de beteekenis van meer, om den ver-
grootenden trap te vormen, b.v bot so-
r o e k, grooter ; aas soroek, hooger.
Soroen, d a 1 a n s o r o e n, zijweg ;
ai soroen, zie ai; mota soroen,
zijtak van eene rivier; emma nian
soroen t o o na, de verdiende straf
komt over iemand b.v. een diet die ge-
pakt wordt ; nian soroen töölo-
1 o s, hij is er geducht bij ; — wara,
1 i a soroen wara, vandaag zus spre-
ken, en morgen weer zoo?
Soroli, vermengen van vochten.
Sorro, bezoeken.
Sorti winst, voordeel.
SÓS, sös battar djagong stampen
in het rijstblok ; s ó s k a f e, hetzelfde
van koffie.
Sossa. koopen, aanstampen b.v. aarde ;
sossa kilat, het geweer laden.
Sossok, wroeten zooals een varken.
Sotter. afschampen.
Sottir = sorti.
Sottoi), plagen ; ketta sotton haoe,
plaag mij niet.
Ta, kappen, hakken, afkappen, afhak-
ken ; t a k o 1 1 o e, doorhakken, vaneen
hakken of kappen ; ta oeloeu, het
hoofd afslaan; ta emma, iemand doo-
den en daarna het hoofd afslaan ; t a t a 1 i,
touw slaan ; ta toen folin, den prijs
afslaan ; kanek nèësanalo? wat
heeft die wond veroorzaakt ? f a t o e k
t a, ik heb tegen een steen gestooten.
Taan, omdat, om, ter wille van ; s i a
t o è taan t a r o e, zij twisten om den
inzet (bij het hanenvechten) ; taan sa?
waarom? taan n è ë, hierom, daarom;
op : h a ï m o n o e taan a i n, er viel
vuur op den voet, er bij ; sossa taan,
er bij koopen ; h o 1 a t a a n, er bij nemen ;
toer taan ba dei', er maar bij gaan
zitten ; hatènè taan aan, van te
voren weten dat ons iets kwaads over-
komen zal? wat ons overkomen zal?
Taai), komt voor in de beteekenis van
gewoon zijn, gewend zijn aan; isin taan
t i a n a, het lichaam is gewend (aan het
klimaat) ; nia natauk lia n o toe-
wan s e ï la taan d a u n, hij is bang
om met mijnheer te praten, hij is er nog
niet aan gewend ; taan t i 1 o e n, de
ooren spitsen ; taan we, water door
een bamboe of holle boom laten loopen,
mand om rijst in te doen.
Taan, slik.
Taba, werpen b.v. den tol. een steen ;
kilat taba, het geweer knalt ; a i
d i k i n t a b a, de top ontkiemt, open-
gaan van een zweer ; lorotabaol
lor o mattan taba, de zon wordt
zichtbaar.
Tabak, met iets in benedenwaartsche
richting stooten of steken ; tabak rai,
met een stok of wat anders in den grond
steken, op den grond stooten ; nia
nodi ai meek tabak ain, hij
heeft met een puntig hout in zijn voet
gestoken ; kanek nèë sa nalo? ai
tabak, wat heeft die wond veroorzaakt ?
een tak is er op (b.v. op den voet) ge-
vallen, of : ik heb tegen een tak gestooten.
Tabako, tabak.
Taballoek. aan weerszijden van.
Tabar, omgaan met, het gezelschap
117
zoeken van, zich aansluiten bij, zich
voegen bij, b.v. ketta tabar emma
a a t, ga niet om met slechte menschen ;
ook van dieren b.v. haoe kaan krau
tabar o kaan, mijne karbouwen
hebben zich bij de uwen gevoegd.
I abasar, klapwieken ; t a b a s a r k ar i,
zich verspreiden, uiteengaan als hagel bij
een schot.
Tabcs, op zij springen b.v. een paard
dat schrikt, van den weg afgaan.
Tabaak, niet plat, opgezet b.v. een
gevulde beurs ; matan tabaak, puil-
oog, ook : gezwollen b.v. een zeil.
I;i dal-., komt voor in de beteekenis
van teeken, ook : iets als teeken doen
gelden, wanneer iets moet gebeuren,
wanneer b.v. het vleesch moet betaald
worden, dat verschillende lui bij het
slachten van een karbouw genomen heb-
ben ; sia tadak ba foelan, zij
geven de maan als teeken aan, als de
maan weer zichtbaar is, dan moeten zij
betalen.
Tade, langs een stok of boom laten
opgroeien.
Tadessau, aanbeeld.
Tadoe, zichtbaar, te voorschijn komen.
Taè, slaan ; t a è h a è, te paard herten
achtervolgen ; taè krau, de karbouwen
van iemand afnemen ter vergoeding van
schuld ; taè aan, neervallen, te recht
komen op; nia naklotti baè aan
ba f a t o e k, hij viel en kwam op een steen
terecht ;taè fila aan, taè lena aan,
op den rug vallen, achterover slaan.
Taè khellan. tegenover elkaar staan
van twee partijen in den oorlog, in een
spel ; — lelo, een soort sprinkhaan ?
Taek, t a e k hare, rijst in de wan
opschudden.
Taes, filtreeren, door een trechter
laten loopen, aftappen.
Tafaè, half vol ; h e m o e t a f a è,
half leeg drinken.
Tafetoe aan, stuiptrekken, spartelen
van een visch op het droge.
Tafoekoer, een pijl waarvan de punt
overdekt is om de vogels niet te wonden.
Taloenin, verbergen.
Taha, kapmes.
Tabak, vrije man, wiens voorouders
ook steeds vrij zijn geweest; staat tege-
nover m a n a i k.
Taban. blad ; ai t a h a n, boomblad ;
hoedi tahan, pisangblad ; t a h a n
sala sala, wacht nog wat, heb wat
geduld.
Ta bh), traaggezind zijn, niet naar
bevelen willen luisteren.
Tai liman, een voorpoot van een hond
binden.
Tais, doek, kleed; tais fetto, vron-
wenkleed, rok die tot de voeten afhangt ;
tais nain, bovenrand van een kleed ;
tais m a n e, mannenkleed, doek die
tot op de knieën afhangt ; tais n i n i n,
benedenrand van een kleed.
Taka, sluiten, bedekken, toedekken,
beletten, tegenhouden, neerstrijken van
vogels ; neon taka, houden van ; s i a
roewa neon taka maloe, zij
houden van elkaar ; taka oda ma-
t a n, (letterl. de deur sluiten) van zijne
vrouw scheiden ; — aan, voorover vallen,
voorover liggen ;haè taka aan toen
ba koeda, het gras (van het dak) viel
neer op de paarden ; nia naklotti
taka aan taan t o e d i k, hij viel
voorover op een mes; — toen, voor-
over bukken, zich neerbuigen ; taka
toen oïn, het hoofd buigen, omzetten
118
b.v. een glas, bord met de holle zijde
naar beneden; — fila, omslaan b.v.
een vaartuig; — hokkoe, eerbied be-
toonen, stil zitten, niet spreken in de
tegenwoordigheid van een radja; —
roeïk, ruggegraat.
TakaD, de sirihplant waarvan de
bladen gekauwd worden (zie foeroek).
Takrabat, toba tak rabat, voor-
over liggen.
Tala, gong.
Tala'i, zich met het gelaat naar toe-
keeren ; s i a toer tala a m i, zij
zitten met het gezicht naar ons toe;
oda matan tala dalan, de deur
ziet uit op den Aveg.
Talas, eene groote aardvrucht.
Talatar = taratta.
Tali, de sagopalm op Timor, Mal.
g a b a n g, tali t a h a n en tali 1 a i k,
blad van den sagopalm, Avordt gebruikt
om te dekken en om te binden; sor
tali, met die bladen een huis dekken,
touAv in het algemeen ; tali k f a u,
touw van den bast van den waroeboom ;
tali h i r i k, tomv A'an de jonge
blaren van den sagoboom gemaakt ;
tali foeïk, lianen, slingerplanten ; t a 1 i
k o 1 1 o e, sterven ; — moeti, kwartje.
Talik. familie.
Talin, touw ; koeda talin. paarde-
touw ; manoe talin, touw waarmee
een kip is gebonden ; k o è n i a n talin,
het touw van het mandje, Avaarmee het
wordt opgehangen ; battar talin ida,
een bosse van tien djagongklossen,
weerhouden Avorden door ; h a o e s e ï
talin ba haoe kaan töos, ik
word nog weerhouden door het werk in
mijn tuin.
Xalioek, om het hardst b.v. loopeu,
om strijd, om het hoogst, s i a h a n a
t a 1 i o e k, zij schieten om het hoogst.
Talioer, met den rug naar toegekeerd,
den rug toekeeren, ook fig. ; s i a n a r ï k
talioer a m i, zij stonden met den rug
naar ons toe ; 1 a o talioer n a i nian
1 i a, zich aan het bevel van den koning
niet storen.
Tama, ingaan, binnengaan, binnen-
komen, in dienst treden, in dienst zijn;
tama serewisoe, in het werk ko-
men ; tama heen emma nian
moe rak, geld van iemand leenen ; h o d i
tama, naar binnen brengen ; tama
sorani, christen Avorden ; tama s o 1-
d a d o e, soldaat worden ; tama a a t,
slecht Avorden; — rai, op groot wild jagen.
Taiuan, t a m a n cru z, een kruis
planten, iets in den grond plaatsen, vast-
zetten, b.v. steenen, een paal; har ik
noeoe taman, staan alsof men ge-
plant is, heel stil staan.
Tu mi. groeten bij het Aveggaan (zie
h o d e a n).
Tamoen, boven het vuur drogen, in
den rook hangen.
Tailioka, inzetten, inplaatsen b.v. een
kom in een rijstmandje.
Tanabar, tanabar tais, tAvee sa-
rongs aandoen (van vrouwen bij gelegen-
heid van een feest), een stuk op een
kleed zetten ; tanabar r i, een nieuAven
paal naast een ouden plaatsen.
Tanan, ka t a n a n, alleen maar rijst
eten. zonder vleesch of visch er bij ;
koeda t a n a n, paard zonder vracht;
laö tanan, zonder vracht gaan ; h e-
m o e tanan dei, zoo maar drinken,
zonder er nog iets bij te doen.
Tanasak, mandje om rijst of ander
eten in te doen.
119
Talie, met de hand of de handen onder-
steunen, op de hand dragen of honden ;
t a n a t i m i r, de hand onder de kin
houden ; s e ï t a n e, nog onbeslist zijn ;
tehen, balk waar de rand van het
dak op rust.
Tanen, ain tanen, voetzool; liman
tanen, de binnenzijde der hand.
Taiiessak, om strijd, om het hardst
b.v. loopen.
Tams, huilen.
Tanoe. tanoe taha = tidin
t a h a, misselijk maken van stank.
Tanoetoek, hamer.
Tara, hangen bedr. en onz., iets op-
hangen ; o ï n t a ra m a 1 o e, op elkaar
gelijken; nia tara netik ai tahan
t i a n a, (letterl. hij heeft reeds een blad
opgehangen), de zin is : hij heeft reeds
geld gegeven voor eene bruid (men hangt
een klapperblad ergens op, om te waar-
schuwen dat men van de sirih en pinang
moet afblijven, zoo ook als iemand reeds
geld gegeven heeft, is het meisje zijne
bruid geworden en mag dus een ander
er geene aanspraak meer op maken);
tara lia banai, eene zaak ter be-
slissing aan den radja overlaten ; 1 o r o
tara o d a, als de zon even op is ; 1 o r o
tara tara, als de zon warm begint te
worden, kunstspoor van een haan ; tara
toïr lia ba maloe, eene zaak aan
hoogeren ter beslissing overlaten ; —
bcssa, karbeel; — kait, weerhaak.
Ta rail, doorn.
Taratta, schelden op iemands vader
of moeder en deze van bloedschande
betichten.
Taroe, een prijs opzetten, de inzet, om
iets wedden.
Taroeïk, berg, heuvel.
Taroekoe, handboeien.
Taroetoe, rommelen van den donder,
dreunen.
Tasa, gaar ; d a 1 a n t a s a t i a n, de
weg is al goed zichtbaar, er is al veel
over geloopen.
la sak, rijp.
Tasan, vordering ; t o e ï r t a s a n,
het geld dat men te vorderen heeft gaan
halen, zijn schuldenaar naloopen; moe-
rak tasan, zie moerak; emma
tasan, die in eene zaak betrokken is,
niet onzijdig, staat tegenover emma
m a t a k.
Tasi, zee ; t a s i m a n e, de zee aan
de Zuidkust van Timor; tassi fetto,
de zee aan de Noordkust.
Tasi raat, , n
> zeestrand.
Tasi tehen,
Tasoe, braadpan.
Tata, bijten, tusschen de tanden houden.
Tataak, muizenval.
Tataes, trechter, filtreer.
Ta rak, aaneen gesloten ; tatak aan,
aansluiten onz.
Tate, boete betalen, ook t a t e lia,
door omkeeren ledigen, uitstorten van
droge waar; tate rai, aarde ophoogen.
Taté, achteruitslaan, trappen van een
paard, een schop geven.
Tatean, vergelijken ; lia t a t e a n,
vergelijking.
Tatebek aan, stuiptrekken.
Tatehoer, moeras.
Tatele, we t a t e 1 e, het water draagt.
Tatelen = fafelen.
Tatere, iets op den rand van eene tafel
of van wat anders plaatsen, zoodat er
gevaar bestaat dat het er afvalt ; t a-
t e r e aan, zich op den rand b.v. van
eene steilte plaatsen.
120
Tatetar roeïn, ruggegraat.
Tatikar, we t a t i h a r, waterval ;
latoe tatihar, steile en hooge steen,
waar men niet over heen kan loopen, waar
men af moet springen (zie h a t i h a).
Tatiilis, steile diepte, steile helling,
steil b.v. de oever eener rivier.
Tatoean, iets wat men heeft uitgeleend
niet meer terug willen hebben, maar de
waarde er van of het voorwerp nieuw
terugvorderen.
Tatoedak, we tatoedak, waterval ;
haè tatoedak, een grassoort ; t a-
toek t a i s, twee sarongs aandoen.
Tatoek, saè koe da tatoek, met
twee op één paard rijden.
Tatoek, (van t o e == aanrijgen) een
touwtje of een stuk van een bladrib met
aangeregen visch.
TatöhÖ, blaasbalg.
Tatoras, groote zwarte mier.
Tatossa. ieder één ; s i a n è t a n
batakka tatossa, zij krijgen ieder
één gulden.
Tau, zetten, neerzetten, plaatsen
leggen ; tau a i n, obat op den voet
doen ; o e d a n tau r a i, de eerste
regens vallen ; tora oedan tau
haat, de regen heeft de gierst vernield;
tau 1 i a ba, iemand vooraf de woorden
in den mond geven, ook : iemand van
eene zaak beschuldigen, eene zaak op
iemand laden ; t a u t a a n, er bij doen,
ook: tau t e n i, b.v. tau teni o d a,
doe er nog een beetje bij ; bijstaan in den
oorlog ; e m i la b e 1 e tau taan
K o a, jelui moogt Koa (een Portugeesch
rijkje) niet helpen; daarenboven; emma
t a è h a o e tau taan, zij hebben mij
daarenboven geslagen ; — toer, een spel
waarbij de »kaleek" van de knie wordt
afgeschoten ; — toeïr, tau t o e ï r
emma nian 1 i a, naar iemands raad,
gezegde luisteren, er naar handelen.
'hui K, (van hatauk) dean tank,
t a è tank, door te berispen, door te
slaan vrees aanjagen.
TauD, indigo.
Tawa ~ hadoeloer, een zeker
gezang.
Tawail, antwoorden ?tawan maloe
1 i a n, elkaar antwoorden.
Te, want, immers; dit woordje wordt
soms zonder beteekenis tusschen de
woorden ingeplaatst, b.v. sai te bele
r= sai bele, zij zijn er allemaal uit.
Tè, het Maleische b e r a k.
Tebe, 's nachts in een kring dansen;
trappen, achteruitslaan van een paard ;
ai tebe, een (vallende) tak komt op
iemand neer ; tebe haè, hier en daar
het versleten gras van een dak afnemen
en er nieuw voor in de plaats leggen.
Tebes, wezenlijk, werkelijk, inderdaad,
't is waar, het is zoo ; noeoenèë
tebes, zoo is het inderdaad ; tebes
ka b o s s o k, waar of gelogen ; a tebes,
o dat is waar ook.
Tebok, houten kom om uit te eten ;
hasai tebok noeroe, het etens-
bakje en den lepel van den overledene
uit het huis verwijderen en dan stuk
breken.
Teheil, rand ; matatehen, rivier-
oever ; tasi tehen, zeeoever.
Teïn, koken bedr. ; teïn e t o e, rijst
koken ; teïn m a s i n, zout bereiden
uit zeewater (zie cl aiiii en n a s o e) ;
teïn ha ï, vuur stoken ; ai teïn,
brandhout ; sia teïn tian amikaan
ai nalo mohoe, zij hebben ons hout
opgestookt.
121
Tèk, o a n t è k, heel weinig, ook :
oan tèk o da; matan tèk, liman
tèk, zie hakte k.
Tekar, boean t e k a r i t a, nacht-
merrie hebben.
Teki, afraden; — tekir, plotseling;
t e k i tekir teki tekir, nu
eens dan weer.
Tekiraik, hagedis.
Tekka, tekka kloenoe = s o-
dan kloenoe.
Tekkis, terstond; o lao tekkis, ga
terstond; — haè, eerlang.
Tekki tekkis = teki tekir.
Tekoes aan, zich verweren als men
gegrepen wordt.
Tckos, tekos we, het water beroeren.
Telas, telas taisbaisin, eene
deken of een kleed over het lijf uitspiei-
den ; telas h ö Ö h a ï, het vuur smoren.
Tellen, opgooien en weer vangen;
k r a u tellen e m m a, een karbouw
slingert iemand in de hoogte.
Tello, schroeien, zengen.
TellOT, onduidelijk spreken.
Temas, pakken, grijpen; boe sa t e-
m a s m a n o e o a n, de kat grijpt een
kuiken.
Teme, een rond mandje om pinang in
te doen.
Tc in i, noemen.
Tenioekoen, (geen Tettum) = dato.
Tèll, uitwerpsel, drek, bezinksel ; m a-
t a n t è n, het vuil der oogen ; t i 1 o e n
t è n, oorsmeer ; bissi tèn, roest;
1 o r o tèn, de laatste avondschemering.
Tenaboen, tenaboen dato, het
vleesch dat aan den radja wordt gegeven
als op zijn last iemands karbouw of
varken geslacht wordt.
Tenara, naar boven kijken.
Tene, verzoeken, uitnoodigen om b.v.
mee te gaan.
Teni, nog, nog meer, wederom ; nia
n a 1 o teni d e ï, hij doet het maar
weer; teni ahoe, op het kalkkokertje
kloppen om de kalk er uit te doen vallen.
Tenik, wederom.
Teniroe, spuwen.
Tenoenoe, bedreigen, maar de bedrei-
ging nog niet uitvoeren, zeggen maar
niet doen.
Teo teon, dikwijls, herhaaldelijk b.v.
iets zeggen.
Teoe teoe, schel, die ze aan het hoofd-
stel vastmaken.
Teoer, wegjagen, nazetten; teo er
k o e d a, de paarden voortdrijven.
Teras, t e r a s o e k o e n, een alge-
meen bevel afkondigen.
Tereo, kilat te re o, het geweer
knalt.
Teri, af slaan. b.v. takjes als ze te laag
over den weg hangen, snoeien.
Terik, zeggen, spreken.
Teroes, verdragen, uithouden; ai la
t e r o e s, het hout, de balk kan het niet
dragen, het is er te zwaar voor.
Tessi, dwars doorsnijden, dwars door-
hakken, dwars doorzagen ; lao tessi,
doorkruisen ? dwars oversteken, als de
weg omloopt; terik tessi, vlug
spreken ?
Tetak, te tak naiiii, vleesch fijn
hakken; tetak t o edik, voortdurend
met een mes op iets slaan of' kloppen.
Tetar, loshakken, lossnijden ; t e t a r
haè, het oude gras van het dak afnemen
door de » koeboes" waarmee het in-
bonden is los te hakken ; lab o t e f a r
tali, een muis knaagt een touw door.
Tetas, vastkloppen b.v. aarde; sa ma
122
t e t a s, vast trappen, met de vlakke hand
zacht op iets kloppen b.v. op een paard.
Tete wesek, schommelen, in een
schommel heen en weer zweven.
Tetoe, wegen; — en tetoe loro, een
klein huisje op hooge palen of in een
boom om een tuin te kunnen overzien, een
hooge bali-bali buiten het huis, waar men
een of ander op neerlegt om te drogen.
Tetoek, in evenwicht ; moerak t e-
t o e k, het geld is bij elkaar ; e m m a
tetoek, de menschen zijn bij elkaar,
de menschen die komen moesten zijn er,
gelijk ; rai tetoek (letterl. gelijk
terrein) dit werd gezegd van streken
waar de pokken niet heerschten, het staat
tegenover rai k a 1 i ï s ; krau te-
toek, jonge wijfjeskarbouw.
Tettek, dwars.
TetteD, uitspreiden en op de drooglijn
hangen.
Tia. wordt soms gebruikt om de gebie-
dende wijs te vormen, b.v. s o è tia, gooi
het weg ; de voegwoorden : als, toen, nadat,
na, met den verleden tijd worden gevormd
door »t i a" achter het werkwoord te
plaatsen b.v. ha tiaamileelao,
na gegeten te hebben zullen wij gaan, ot
als wij gegeten hebben; s i a nare t i ;i,
s i a t e r i k, toen zij het gezien hadden
zeiden zij ; dikwijls plaatst men in zulke
zinnen h o 1 1 o e vóór tia, zie h o 1 1 o e.
Tia dei, a t o e tia d é ï, zie
a t o e.
Tiak, naar buiten drukken, een bocht
doen krijgen, bol doen staan, doen zwellen
zooals de wind de zeilen.
Thin dient om den verleden tijd
Tiaua te vormen, zie spraakk.; het
kan dikwijls vertaald worden door »al,
reeds".
Tiban =r h i b a n.
Tidin, zakken onz. en bedr. ; t a s s i
t i d i n, de zee wordt kalm ; i s i n tidin,
(bij koorts) de temperatuur daalt, de
koorts neemt af, ook : het lichaam neemt
af, bij wordt mager ; tidin taha,
t o e d i k, b a 1 i o e n, een parang, een
mes, een bijl in den steel vastzetten,
een zak bij het vullen even oplichten
en neerlaten om den inhoud te doen
zakken ; n a w a n tidin, niet boos
meer, staat tegenover nawari saè.
Tika, met een net visschen.
Tihar, kleine langwerpige trom die
de vrouwen bij het dansen onder den
arm dragen.
Tihoe, met de vuist slaan.
Tiï, scheppen van vochten.
Tikar, ombuigen, opwaarts buigen en
daardoor een kant of rand aan iets
maken, b.v. een blad, een pinangschaal
om er een bakje van te maken; boe-
koe tikar aan, het boek d.i. de kaft
van het boek is omgebogen, omhoog-
getrokken (b.v. als men het in de zon
laat liggen).
Ti kas, terugkeeren? tikas koeda,
het paard omkeeren om terug te gaan?
het paard slaan om het vlug te doen
loopen.
Tikis, streng bekijven, verwijten.
Tiloek, zich aan een bevel niet storen,
bijten van een varken.
Tiloeu, oor ; d a u n t i 1 o e n, het oog
van de naald ; t i 1 o e n d i o e k zie di-
oek; tiloen tós, hardhoorig (in
figuurl. zin).
Tim ir, kin ; — ralioek, baard.
Timis, timis kokkon, proeven
hoe iets smaakt, proeven of er b.v. zout
genoeg in het eten is.
123
Tiuan, jaar, van westmoeson tot west-
in oeson ; t i n a n t Ö ö t i a n, de west-
tnoesoen is reeds daar ; seïfoelan
h i r a f o ï n t i n a u t o o ? hoeveel
maanden nog vóór de Avestmoeson er
is ? t a ra a t i n a n s a i t i n a n, jaar
in jaar uit.
Tinoe, t i n o e m a 1 o e, met elkaar
samengaan van man en vrouw? — aan,
zich op afstand houden, zich schuil
houden.
Tira, een weinig scheuren, splijten van
bamboe, van hout.
Tiri Iolo, een zekere vogel.
Tiris, iets doen draaien zooals een tol ;
t i r i s aan, draaien zooals een tol.
Tiroe, geweerschot; t i r o e i d a, hagel
en kruit voor één schot ; tiroe la mo-
no e r a i, de hagel vau een schot valt
niet op den grond (om uit te drukken
dat men zeer juist heeft geschoten).
Tisi, het water afgieten bij het koken ;
t i s i e m m a, bekijven ; — — , o e d a n
tisi tisi, aanhoudende regen.
Titak, iets ruw neerzetten, neersmak-
ken ; nia tanisnodititikaan,
hij huilde en wierp zich op den grond;
b a 1 1 a r t i t a k aan b a r a i, de (in
een boom opgehangen) djagong is op
den grond gesmakt.
Titi, de wan met rijst of wat anders
er in schudden.
Titik, t i t i k h i r i k, met een mes
de bladstrooken van de gebang zuiveren,
er afstrijken wat niet geschikt is om er
touw van te maken ; titik aan, trillen,
trippelen.
Titoe, t i t o e k o e d a, op de paarden
passen.
Toa toan, langzaam b.v. spreken.
Toba, liggen, zich te ruste leggen,
slapen; toba da 1 a u, onderweg over-
nachten ; toba d o e k o e r, slapen.
Tolioer, 1 a o toboer, door alles
heenloopen, of er een weg is of niet;
toboer taan, ergens tegen aan loopen.
Toda, toda tais, een kleed afdoen,
de sarong afdoen ; toda f a r o e a i n.
de broek uittrekken; toda h a è, het
oude gras (van het dak) afnemen.
Todak, rukken ; t o d a k toen, naar
beneden rukken, naar een wapen grijpen;
nia todak aloë atoe nodi taè,
hij greep den rijststamper om er mee
te slaan.
Todan. zwaar ; neon t o cl a n, traag-
gezind ; oïn t o d a n, onwillig, traag in
het gehoorzamen ; 1 a ö t o cl a n, zwan-
ger zijn; emma ain todan, zie ain;
sa todan! wat beteekent het ! wat is
er moeielijks aan !
Toe, toe kabas ba d a u n, een
draad door de naald steken, rijgen, aan-
rijgen ; toe n e a n, cle tanden uitpeu-
teren ; toe r a r ó k, met den vinger
iemand in de lende steken om hem aan het
lachen te maken, insteken b.v. den vinger
in het water om te voelen of het al
warm is, het geweer in het schietgat;
asoe nèë krak at ketta toe ni a,
das een kwade hond, raak hem niet
aan ; toe cl i ï en t o e cl i ï o e m a n.
met een stok in een wespennest wroeten.
Toè, twisten.
Toeai), oud van menschen, dieren en
levenlooze voorwerpen, helpen ; f o 1 1 i
t o e a n, helpen opnemen ; k o h i töean,
helpen vangen ; t e o e r toean, helpen
achternazetten ; t e r i k toean, mee-
praten ; ha toean, meeëten, helpen
opeten.
Toeba, in een boom klim men zonder
124
»ai knanaèr" ; asoe toeba koe-
da ain, etoek koedakiki, een
hond kwam tegen de pooten van het
paard aan, daarom schrok het paard.
Toebi, gebak, koek, brood ; t o e b i
r a h o e n, broodkruimel.
Toebir, t o e b i r k a n e k, obat op de
wond doen ; toebir ain, obat op den
voet doen ; toebir koeak, een gaatje
stoppen met was of iets dergelijks.
Toebis, een ronde mand.
Toeboe, ontkiemen, opkomen, uitko-
men, ontspruiten ; nean toeboe na,
de tanden komen al door ; 1 i r a s f o ï n
t o e b o e, de vleugels zijn pas uit.
Toeboek, even aan stooten, er aanraken
of komen, b.v. toeboek mor as, als
ik er aankom doet het pijn ; sa i d a
la toeboek ita, niets komt ons in
den weg, niets verhindert, verontrust ons
(wij kunnen vrij doorloopen).
Toeda, werpen ; t o e d a d i m a n, de
lans werpen.
Toedik, mes,
Toedoe, iemand aanwijzen b.v. voor
een of ander werk ; f a è toedoe,
volgens aanwijzing verdeelen?
Toehak, eene dikke slingerplant.
Toeliar = had a u, rukken.
Toellik, betten.
ToehoeD, groote trom.
Toeï toeïr, hare t o e ï t o e ï r, met
den blik volgen.
Toeïr, volgen, opvolgen van een bevel,
volgens; 1 a Ü toeïr, naloopen, na-
komen ; o r a s i d a a m i 1 a ö toeïr,
strak volgen wij, komen wij na; toeda
toeï r, achterna gooien ; h a 1 i k o e
toeïr n è ë, kijk hier langs.
Toek, droog, van kokosnooten, van
djagong op het veld.
Toeka, ztuiten onz., niet verder kunnen,
vast zitten, belet zijn ; 1 a Ö toeka,
vast loopen ; ami toen lioe, sia
toeka iha Kaboena, wij gaan ver-
der door naar beneden, zij blijven in
Kaboena achter.
Tot kar, ruilen ; t o e k a r moerak,
geld wisselen.
Toekir, rijst, melk in een bamboe
koken.
Toekis, rai toekis, harde grond,
hard, vast b.v. kalk zoodat hij in het
kokertje blijft zitten.
Toekoe, tegen aanstooten ; m a n o e-
tolloen toe koe maloe, de eieren
zijn tegen elkaar gestooten ; t o e k o e
koeak, stuk kloppen ; toekoe bat-
t a r, djagong met een steen fijn slaan;
toe koe isin, zacht op iemands lijf
kloppen, zooals de voornamen hier hun
slaven of slavinnen laten doen als zij
niet kunnnen slapen, of als ze ziek zijn;
toekoe r o e w a, twee uur ; t o e k o e
t ö o t i a n, het is tijd om b.v. het werk
te beginnen, uurwerk ; — toekoe, b o t-
tes toekoe toe koe, doornat.
Toekoes, heel dicht bij, vlak tegenaan ;
koeda nar ik toekoes maloe,
de paarden staan vlak naast elkaar ;
ketta toekoes resik, niet te dicht,
niet vlak tegenaan, b.v. maak dien kuil
niet te dicht bij, niet vlak naast den
anderen; sesia oda matan halo
t o e k o e s, de deur goed dichtmaken.
Tuela, op iets neerleggen, op iets neer-
zetten ; toela ba koeda, op het paard
leggen ; toela ba letten, zet het
boven neer, dragen van een paard ; koe-
da toela f ö s. het paard draagt rijst ;
toela lia ba emma, iemand met de
mededeeling eener zaak belasten, aan
125
iemand de beslissing eener zaak overlaten,
iemand van eene zaak beschuldigen, de
schuld van iets op iemand laden; sia
toela knaok ban ia, zij beschuldi-
gen hem van diefstal ; toela baboet
ba e m m a, iemand valsch beschuldigen ;
toela matak, zonder rede, zonder
grond beschuldigen ; mota toela e m-
m a = mota k a e n e m m a ; toela
aan ba b.v. oema tehen toela
aan ba ai n è ë, de rand van het dak
rust op dien balk.
Toelak, fahi to el ak, met zijn snuit
loswerken, van een varken, toelak
t a b a k o, tabak onder de lip steken.
Toelau. m a n o e t o e 1 a n, jonge kip.
Toelén, manoetalloen toelèn,
ei zonder kiem.
Toeli, aangaan, aanvaren, aandoen;
boloe toeli, aanroepen in het voor-
bijgaan ; halikoe toeli, in 't voor-
bijgaan even bij iemand gaan kijken;
toeli s a s a, in 't voorbijgaan in het
huis iets nemen b.v. een pajong; mota
toeli emma, de rivier sleept iemand
mee; overwinnen in den oorlog, sterker
zijn dan, ook van hout b.v. ai soeli
toeli ai na, ijzerhout is sterker dan
rood hout, in waarde gelijk zijn, de waarde
hebben van ; toeli maloe, aan elkaar
in waarde gelijk zijn; oan toeli ina,
als de moeder bij de bevalling sterft.
Toeloen, helpen.
Toema, ongedierte in kleeren.
Toemoes, toemoes n o e n o e n,
den mond sluiten, de lippen op elkaar
drukken ; noenoen toemoes, met
gesloten mond.
Toen, dalen, naar beneden gaan;
toer toen, neerzitten ; r a i toen,
neerleggen, af klimmen, afdalen, afkomen;
toen hasi k o e d a, van het paard
stijgen ; i s i n toen, mager worden,
afvallen ; s a è toen, op en neer gaan ;
mota toen (letterl. de rivier daalt,
komt af) overstrooming door water van de
bovenlanden.
Toenin, een gaf of kuil dicht maken.
Toenoe, roosteren, bakken b.v. brood.
Toer, zitten ; toer 1 i a en toer
mate, een begrafenisfeest bijwonen;
k i 1 a t toer maten, de haan van 't
geweer is overgetrokken ; ai toer, zie
a i, knie ; toer kleek, knieschijf.
Toerak, indraaien b.v. een puntig ijzer
om een gat te maken.
Toeras, het afgeslagen hoofd van een
misdadiger op een paal of een tak steken.
Toeri, een streep trekken; toeri
k e s s a k, een blad aan weerszijden van
de rib afscheuren.
Toeris, een soort erwt.
Toeroe, lekken ; oema toeroe,
het dak lekt.
Toeroek, t o e r o e k o ï n, het gelaat
buigen ; o ï n toeroek, gebogen gelaat.
Toesail, beboeten.
Toetan, langer maken b.v. een touw
door er een ander aan te binden, een
balk door te lasschen, een huis door er
een stuk in dezelfde richting aan te
bouwen ; t e r i k t o e t a n, d a 1 e toe-
tan, verder voortzeggen, verder vertellen;
sewa toetan emma, iemand er bij
huren b.v. om te helpen dragen als de
last te zwaar is ; t o e t a n aan, aan-
eensluiten ; toetau aan ba m ;i 1 o e,
aan elkaar vast zitten.
Toetoe, pikken, steken van ongedierte;
toetoe les, stuk pikken b.v. papier,
een kleed.
Toedoetloe, wijsvinger.
120
Toetoer, op het hoofd dragen van
een last ;tassi nakonoe toetoer,
als de vloed op zijn hoogst is.
Toetoes, bedekken, dicht maken met,
b.v. een kist kalk met een plank be-
dekken tegen den regen ; h a d i h o e d i
tahan toetoes etoe, de rijst
(reeds gaar) met een pisangblad bedekken.
Tcewa, palmwijn ; toewa ara, arak.
Toewan, heer, mijnheer.
Tohar, breken, afbreken enz. van hout,
ijzer, armen en beenen, ook: de voet van
een glas, het oor van een kopje ; s o è
tohar aan ofleak tohar aan,
te pletter vallen.
Tohi, t o h i b a 1 1 ar, djagong pellen;
tohi ba doet, verkoolde stukjes van
de inlandsche kaars afknijpen.
Tohoe boeli, waar ze kalkkokertjes
van maken.
Toir, t a r a t o ï r, zie t a r a.
Tok, klaar, gereed, voltallig; moe-
rak t ö k ö n a, het geld is bij elkaar.
Tokka, 1 a o t o k k a, gebrekkig loopen.
Tokkar, iemand verwijtend toespreken.
Tokko = g e k k o.
Tokkoe, de laatste slagen geven bij
het omkappen van een boom, en wel
aan de andere zijde dan die is nitgekapt.
Tokkas, niet vreten van dieren?
hassan tokko s, ingevallen wangen.
Tollak, iemand van ontucht beschul-
digen.
Tollan. slikken, inslikken, doorslikken.
Tolle, uitlachen? schertsend plagen?
Tollo, begieten, uitgieten van vochten,
uitstorten van rijst, invallen bij zingen,
bij bidden.
Tolloe, drie.
Tolloei), ei; manoe tolloe n,
kippenei ; bebe tolloe n, eendenei.
Tollon, noe tollo n, het ronde gele
vruchtbeginsel in de kokosnoot.
Toma, inhalen, krijgen ; ba k o h i
la t o m a, gaan vangen maar niet
krijgen; iemand nog levend aantreffen,
tijdgenoot zijn ; ami s e ï toma oi
a m i m o r i s t o ra a, het is bij ons
leven gebeurd.
Tomak, heel, geheel, niet gewond ;
t i 1 o e n tomak, doof, ook : die de
taal van het land waar hij zich bevindt
niet verstaat.
Toman, gewoon zijn; toman m a-
1 o e, met elkaar vriendschappelijk om-
gaan.
Tomas, maar goed dat, gelukkig dat;
tomas enima la nare, gelukkig
dat niemand het gezien heeft ; komt ook
voor in eene andere beteekenis, misschien
»oni rede dat"?
Tonan. neerdrukken.
Tone, gaan, vooruit! loop door! s o-
roek tone — so roek ba, verder
op ; 1 a o tone = 1 a o ba.
Toni, stil liggen van een vaartuig.
Tonoe, prijzen.
TÖÖ, tot, tot aan ; hosi nèë toö
o e m a ba, van af hier tot aan het
huis ; t ö Ö nèë, t ö ö n è ë m a i, tot
hier ; t Ö Ö n è ë b a, tot daar, tot ginds ;
toereikend, genoeg, er bij kunnen ; h a o e
liman 1 a t o o, mijne hand kan er
niet bij, ik kan zoo hoog of zoo ver
niet reiken ; aankomen, aangekomen ;
a w a n t ö ö, morgen komen wij er aan,
morgen zijn wij er ; t ö ö ba t i a, ami
hare, toen wij daar aankwamen zagen
wij ; geboren worden, ter wereld komen ;
o toö iha nèëbè? waar zijt gij ge-
boren ? h o r r i t o n i n 1 a w a r i k i d a
t ö ö, van nacht is er een kind geboren ;
127
t ö o o, het is aan u (om te spelen ot
wat anders te doen), het is uwe beurt;
la t ö ö, niet genoeg, niet toereikend,
minder, niet zooveel (het Maleische koe-
rang) ; naroek la t ö o, koerang pan-
djang ; naroek la t o ö n è ë, niet zoo
laug als dit ; bot la t ö Ö, niet dik
genoeg, niet zoo dik ; nia m o r a s la
t Ö o h o r s e h i k, hij is minder ziek
dan gisteren; ontbreken.
TóoeK, ondervragen, vragen ; nia
t ó o e k h a o e naran, hij vroeg mij n
naam.
Tooï, uithollen ; tooï ai halo bero,
halo h a o k, een boom uithollen en er
een vlerkprauw, een voederbak van ma-
ken ; tooï ai w è n, boomgom uithalen.
Tooit, met een zwaar stuk hout slaan ;
t o o k h o ö, dood slaan.
Toon, stijf hoofdig ; k o e d a toon,
paard dat ongevoelig is voor slagen,
hoewel het geslagen wordt, toch even
langzaam loopt.
TooS, tuin, veld, akker; toos bat-
ta r, djagongtuin ; t ö ö s har e, rijst-
tuin.
Tora, gierst.
Tori. eene met schietgaten voorziene
versterking van steenen of zware stuk-
ken hout.
Tori'0 oenian, een offersteen in het
midden van een tnin, het midden van
iets; — mea, eene ziekte waardoor hec
geheele lijf met puistjes bezet is en jeukt.
Torrok, zich heel stil houden b.v.
iemand die zich niet wel gevoelt, ook
van dieren ; k r a u la na torro k
1 e r i k, de karbouw vreet niet, blijft
maar stil liggen.
Torron, t o r r o n l i a.n, knorren van
een varken.
Tos, hard, stijf, vast, b.v. eene schroot
die moeilijk los gaat, een kurk; o da
matan 1 a k e tos, de deur gaat lastig
open ; oeloen f a t o e n tos, of o e-
1 o e n tos, die zich aan geen bevelen
stoort, stijf kop ; n a a n tos, taai
vleesch; oïn tos, niet verlegen, brutaal ;
1 e n o e k m a t e t 6 s, een schildpad is
niet gauw dood.
Tossak = toraas.
Totoon, nakoekoen t o t o o n,
stikdonker.
Totta, recht maken, recht buigen ;
t o 1 1 a aan, zich uitrekken.
Tottok, ingewandsworm.
W
Waar, schoft ; niki waar modok,
vleermuis, waarvan de haren in den nek
geel zijn.
Wai, komt soms voor in de beteekenis
van groot b.v. man o e wai, een groote
haan ; a s o e wai, een groote hond ;
wai kottes enwaifatoek, van
iemand die niet groeit ; battar wai,
de grootste van de drie hier voorkomende
djagongsoorten ; matan wai, de oogen
zijn open, niet slapen ; wai roei a,
wai tolloe, over twee, drie dagen ;
wai h i r a ? over hoeveel dagen? dient
ook als hulptelwoord bij dieren en
levenlooze voorwerpen ; b e b e \v a i
1 i m a, vijf eenden ; k o e d a wai t o 1-
1 o e, drie paarden ; ai b a 1 o e n wai
r o e w a, twee kisten.
Wailaok, westmoeson,
Waiwain, gewoonlijk, reeds sinds lang;
128
wai wain noeoenèëdeï, zoo is
het al sinds lang, zoo is het gewoonlijk;
haoe wai wain la kalikoe, ik
heb er sinds lang niet naar gekeken.
Wain, veel ; wain kir» of wain
h i r a s i a n, over eenige dagen ; w a i n
roewa, wain tolloe, over twee,
drie dagen ; wain hira? over hoeveel
dagen (op vragenden toon uitgesproken) ;
wain h i r a k en h o r r i h i r a k, zie
h i r a k ; wain roewak aan, twee
dagen geleden ; ook : hor ri wain roe-
wak aan, zie horri; h o r r i wain,
de vorige oostmoeson ; wain n è ë, nu,
tegenwoordig (van tijd) ; wain komt
ook voor als hulptelwoord, evenals wai.
Wake waken, nean wake waken,
de tand staat erg los.
Wakoes, iets heen en weer schudden;
a n i n wakoes ai. de wind schudt de
boomen.
Walan, met bloot bovenlijf.
Waloe, acht.
Wani, bij, ook: wani nain; wani
1 a 1 a r, kleine bij ; wani rai, groote
bij; wani wèn, honig; wani oeman,
bijennest, ook: w a n i ai nean?; wani
d a b a n, leeg bijennest?
Wara, oïn wara, buiten westen;
ook van iemand die te veel gedronken
heeft ; 1 i a n wara, wartaal ; — — ,
samengaan.
Warak en Warak aan, veel ; e m m a
w a r a k, veel menschen ; e m m a wa-
rak aan, de meeste menschen, de men-
schen in het algemeen ; e m m a i d a-
ida, te rik Maraè, emma warak
aan lanatènè, enkelen spreken de
taal van Lamak nen, de meesten kennen
ze niet; de anderen, de verschillenden:
nai terik ba ita, hottoe ita
terik hikar ba dato warak
aan, de radja zegt het aan u, en dan
zegt u het weer aan de andere hoofden,
aan de verschillende hoofden, de ove-
rigen (als de overigen de meerder-
heid vormen) ; ami roewa hètan
deï, warak aan la nètan, wij
twee alleen hebben het gekregen, de ove-
rigen hebben het niet gekregen ; s i a
warak, zij daar allemaal ; neon w a-
r a k, van iemand.
Wattan, ai w a 1 1 a n, een zeer dikke
tak.
We, water ; we m è r, zout water,
zeewater; we mis, zoet water; —
dalan, waterweg, beekje; — kanoe
= we dalan; — kabossoe, put ; —
kedo, uit den grond opkomend water
in den westmoeson, moerassige plek; —
krokkon, water dat uit den grond op-
komt, moerassige plek ; — knoeoek,
bron, put ; — matan, bron ; — nain,
glazenmaker (insect); — saseïk, zie
saseïk; — soe, ondiep putje bijeene
rivier; — soemak, water dat uit den
grond opkomt; - — talihar, waterval.
Wèwèil, erg nat.
Wèn, vocht, sap, etter, vloeistof; mean
wèn, verguldsel ; soesoe wèn, melk;
ai wèn, boomgom.
Weoek aan, schommelen, slingeren
enz.
We roek, hangen bedr. ophangen;
we roek aan, hangen onz.
Wiroek, wegslingeren ; h o d i ai r o-
han wiroek aso e, een stuk hout
naar een hond slingeren.
AANHANGSEL.
Ai kwa, obat ter bevordering- van de
bevalling.
Alas noedoer, e m ui a a 1 a s n o e-
d o e r = iemand die zich voor goed
elders gevestigd heeft.
Babonan, zakje vóór in den sarong.
Baek, schelp je.
ltasin. komt ook voor in de beteeke-
nis van »oud".
Boeboer, komt ook voor in de betee-
kenis van » telkens".
Damar, met lijm of iets dergelijks best-
rijken, om te stoppen of dicht te maken.
Dokkar, schokken van een paard bij
het rijden.
Fafoear, stuk, brok, b.v. vleesch.
Fatoe res, r a i f a t o e res= grond
met veel kleine steenen vermengd.
Fatoe 1110 kon, r a i fatoe m o k o n,
zeer steenachtige grond ?
Fèt, (aan de Zuidkust) zitmatje voor
één persoon.
Hafoetar, hafoetar abat = sirih
in de »abat" planten.
Hakabit, onder den arm dragen.
llanió oïn, de duizeligheid verdrijven
b.v. n i a toer a t o e h a m ó oïn,
n i a t o b a oïn n a 1 a i, hij zit om de
duizeligheid te verdrijven, als hij ligt
wordt hij duizelig.
Haroesoen, zuchten.
Hasasi haï, letterl. het vuur laten ont-
snappen ; brand veroorzaken.
Ilóho. telkens verzoeken.
Kaboeloer, neon seï k a b o e lo e r
= het hart is nog gesloten : van iemand
die nog onwetend is, staat tegenover
neon n a k f o è r.
Kadoes, een dikke klim plant.
Kaik = k w a i k.
Koeda aan, recht (verticaal) neervallen ;
rai inoer koeda aan bissik
ihatassi tehen rr de kaap komt
vlak aan zee uit.
Labo, zeereiger.
Lèn, een touw rondom iets vastbinden
om het te dragen.
Loekoe, duiken b.v. lo e k o e m o e-
tiara (voor moetiara is in het
Tettum geen woord).
Makaroek, terikniakaroek, ver-
keerd spreken.
Mane, mannelijk ; emma mane,
man ; 1 a w a r i k m a n e, jongen ; o e m a
mane, de familie van iemands vrouw,
moeder, grootmoeder ; — foo, zwager.
Maraka, 1 a o marak a, op groot
wild jagen.
Aakbassak. k i 1 a t n a k b a s s a k. het
geweer ketst.
130
\akoo, 1 e e nakoodei, het zal toch
gaaf blijven (van hout) b.v. een houten
paal, al is hij ook in den grond geplant.
\ aksinak. 1 o r o naksinak, de zon
schijnt.
Name, blaten.
Xesik, in de keel krie welen ; w e
nesik emma, het water komt iemand
in de keel •= hij verdrinkt.
Pikoe, eenige bladstengels van den
gebangpalm (zoogenaamde bebak) aan
een bamboenaald geregen om eene om-
wanding te vormen.
Rai inan, klip.
Ra koet, in 't voorbijgaan wegnemen
b.v. een kleed van de drooglijn.
Saui, sanibattar, een djagong-
kolf, waar de schil nog aanzit, roos-
teren.
Sessek, bak waarin het zout bereid
wordt.
Siloe aan, 1 a o s i 1 o e aan = zigzag
loopen.
Tabik, oema tabik taan in a-
1 o e. de huizen staan dicht op elkaar.
Talakan, boomen, met een stok een
vaartuig voortduwen.
Talia, talia koeda noenoen,
het touw waaraan het paard geleid wordt
om zijn bek slaan.
Tane ba, komt ook voor in de betee-
kenis van ondergeschikt zijn aan.
ia toedoen, wijsvinger.
Tatollan, kossem.
Teras, slaan om te straffen ?
Tetoer, een roofvogel.
Toetoes, de opening van een pot of
mandje met een blad overdekken om
dicht te maken.
Toïr, toïr kilat ba maloe =
het geweer aan elkaar overgeven ; als de
eene geschoten heeft, dan den andere
laten schieten.
Tossak, schijnt ook voor te komen in de
beteekenis van » jammer" b.v. tossak
ami halottoek mak foïn ri
i d a dei = jammer dat wij (den boom)
dun hebben gemaakt, zoodoende is het
maar één paal (anders waren er twee uit
gekomen).
SPREEKWIJZEN.
Morgen ga ik naar beneden.
Gaat gij alleen?
Neen, ik en Seran.
Gij moet morgen hier langs komen, ik
zal u een brief meegeven.
Ben je er al?
Hier is de brief.
Verfrommel hem niet, laat hem zoo als
hij is.
Waar zal ik hen indoen?
Beter dat mijnheer hem in een papier
wikkelt.
Zorg dat de regen hem niet nat maakt.
Hoe is uw naam?
Mijn naam is Bere.
Waar woont gij ?
Ik woon in Tatara.
Zijt gij getrouwd ?
Ja.
Hebt gij kinderen ?
Ja.
Hoeveel kinderen ?
Drie.
Allemaal jongens ?
Een jongen en twee meisjes.
De jongen moet op school komen.
41s hij grooter is zal hij komen.
Wat komt gij doen ?
Ik kom kippen verkoopen.
Goed, hoeveel kippen hebt gij ?
Awan haoe toen.
O ba missan?
Lale ami roewa Seran.
Awan o atoe hosi nèë, haoe atoe fö soe-
rat ba o.
O mai tian ?
Soerat mak nèë, of: soerat nèë mai.
Ketta halo nakroeoe, halo noeoenèë nafati.
Atoe tau ba sa ?
Diak Hoe toewan faloen ba soerat ida.
Sintidoe oedan ketta nalo bottes.
O naran sa ?
Haoe naran Bere.
O toer iha nèëbè ?
Haoe toer iha Fatara ba.
O mó fèn ka ?
Haoe kö fèn, of: hèë.
O mó oan ka ?
Haoe kó aan, of: hèë.
Oan hira? of: oan nain hira?
Oan tolloe.
Mane missa ?
Mane nain ida, fetto nain roewa.
Mane atoe tama schola.
Kwaik nalao lee tama.
O mai halo sa ? of: o mai sa ?
Haoe mai atoe faan manoe.
Diak, of sooïn, oon manoe hira ?
132
Twee.
Wat neemt gij er voor ?
Voor den haan een halven gulden, voor
de kip een kwartje.
Als je nog kippen hebt, breng ze maar.
Goed mijnheer.
Heb je geen pisangs ?
De pisangs zijn nog niet rijp.
Laat ze eerst rijp worden.
Als de pisangs nog niet rijp zijn, moet
je ze nog niet afslaan.
Maak het paard klaar, ik wil uitgaan.
Welk paard wil mijnheer berijden ?
Het zwarte.
Het zwarte is pas van beneden gekomen,
het is misschien nog moe.
Goed, haal den schimmel.
Het touw is stuk, het paard is wegge-
loopen.
Waar is het naar toe geloopen?
Ik weet het niet.
Ga het terstond vangen.
Ik alleen kan het niet vangen, met twee
of drie dan gaat het.
Wij hebben het al gevangen.
Als het maar niet gevochten heeft ; als
het maar geen wond heeft.
Neen, het is niet gewond.
Doe eerst het hoofdstel aan.
Houd het vast, laat het niet los.
Wees niet bang, het paard is mak.
De buikriem zit niet vast, hij is nog te los.
Ik ga er op.
Laat het paard los.
Als ik terugkom moet gij djagong aan
het paard geven.
Ga op zij, dat het paard u geen trap
geve.
Laat het paard niet schrikken.
Laat het nog niet los.
Roewa.
O mola sa ?
Manoe aman baloen ida, manoe inan tali
moeti ida.
O kaoen manoe seï iha, hadi mai deï.
Diak toewan, of: sooïn toewan.
Oon hoedi la iha ?
Hoedi seï la tassak daun.
Halo tassak lai.
Hoedi la tassak daun ketta lai ta.
Haclia koeda haoe atoe laö.
Toewan atoe saè koeda sa, of: koeda
nèëbé ?
Koeda metan.
Koeda metan foïn hosi tassi saè, nia kala
seï makkar.
Sooïn mola koeda babassi.
Tali kottoe, koeda nalaï tian.
Nalai ba nèëbé ?
Adin of haoe la katènè.
O ba kohi kedan.
Haoe missan kohi la diak ; sö emma
nain roewa ka tolloe mak foïn.
Ami kohi tian.
Ketta nakaat ; ketta kanek.
Lale la kanek.
Tan ferreoe lai, of: sana ferreoe lai.
Kaèr niatös ketta haboesik.
Ketta hatauk, koeda maus.
Heti kaboe la kmeti, seï koek.
Haoe saè na.
Maboesik koeda.
Haoe mai kikar o atoe fö battar ba
koeda.
Ses, of ses tia, of sai sai, koeda ketta
taté o.
Ketta halo koeda serebak.
Ketta lai haboesik.
133
Laat het paard eerst drinken.
Geef het gras en djagong.
De staartriem is te kort, maak hem wat
langer.
Trek den buikriem strak aan; nog wat;
genoeg.
De hoeven zijn te lang, je moet ze wat
afkappen.
Radja, over vijf dagen moet de bevolking
aan de wegen werken.
Om zeven uur 's morgens moeten de
menschen er zijn.
De weg moet één depa breed zijn.
Zijn de menschen allen aanwezig?
De lui uit kampong A zijn er niet.
Radja, laat de lui uit kampong A on-
middellijk roepen.
Het hoofd moet bij mij komen.
Hier moeten goten gemaakt worden voor
de afwatering,
Op modderige plaatsen moeten steenen
gelegd worden en daarop aarde.
Hier moet een brug gelegd worden.
Denkt er aan, de boomen voor de brug
moeten dik zijn.
Het hout voor de brug moet sterk zijn.
Hebt gij alles goed begrepen, radja?
Van middag kom ik kijken; vanmiddag
moet de weg in orde zijn.
Is de weg in orde, temoekoen?
Hier moeten de boomen wat uitgekapt
worden, dan kan de zon den weg droog
maken na den regen.
De brug is sterk, maar te smal.
Er moeten nog twee boomen naast ge-
legd worden.
De weg is goed.
De goten zijn te smal.
Waar is de bevolking van kampong A?
O maró koeda lai.
Fo haè no battar.
Sana ikoe badak, halo naroek lioe oda.
Heti kaboe dada hakaas ; teni ; sooï'n
öna.
Nanoetak naroek resik, o atoe tessi oda,
of: hedik oda.
Nai wain lima emma atoe serewisoe
dalan, of: hadia dalan.
(Toekoe hitoe sawan) Loro tara oda emma
atoe iha.
Dalan aloë loewa roa ida.
Emma mai bele ka ?
Emma A la mai.
Nai ita haroeka emma baloe kedan
emma A.
Temoekoen atoe mai iha haoe, of: atoe
sakka haoe.
Iha nèè' atoe halo we dalan hadi halo we
lao lioe, of: soeli lioe.
Nèëbé rai taau atoe tau fatoek, hottoe
iha fatoe fohon atoe tau rai, of: hattoe
tau teni rai ba fatoe fohon.
Iha nèë atoe halo lalette.
Hanoïn lalette nia kaan ai miste bot, of:
atoe bot.
Lalette nia kaan ai atoe monas.
Naran lia nèë ita rona diak nai ?
Loro manas haoe ba kalikoe ; loro manas
dalan atoe hottoe.
Hé temoekoen dalan diak ona ka?
Ai nèë nian tahan atoe ta halara, nèëbe
oedan namotto tia, loro bele kona,
nalo dalan maran nikar.
Lalette monas bè klót.
Atoe rai teni ai roewa iha sorin.
Dalan diak ona.
We dalan klót resik.
Emma A iha nèëbé?
134
Hoe laat zijn zij gekomen ?
Waarom is de temoekoen niet bij mij
geweest ?
Temoekoen, waarom zijt gij zoo laat ge-
komen ?
Denk er aan, een volgenden keer niet te
laat te komen.
Wanneer gij weer te laat komt, laat ik
u nog werken.
Wat komt gij doen.
Ik kom obat vragen.
Wat mankeert je ?
Mijn voet is gewond.
Hoe komt gij aan die wond ?
Er is een steen op gevallen.
Mijnheer zij zoo goed er obat op te doen.
Goed, hier is obat.
Leg het er op.
Bind het hiermee.
Over drie dagen moet je terugkomen.
Ik vraag nog obat tegen koorts.
Wie heeft er koorts ?
Mijne moeder.
Goed, hier is koorts-obat
Hoe moet ik daarmee te werk gaan ?
Dat moet je met water mengen en dan
aan den zieke te drinken geven.
Als de zieke nog koorts heeft moet gij
het nog niet geven, als de koorts at
is dan geven.
Waarom ben je gisteren niet gekomen?
Ik was verhinderd.
Waardoor was je verhinderd?
Ik was verhinderd wegens het werk in
den tuin.
Toch maar komen, als je niet komt kan
je voet niet genezen.
Morgen gaat mijnheer naar Fialaran.
Ga naar den fettor, zeg dat hij twee
paarden moet leveren.
Sia mai loro noeoe néëbé ?
Temoekoen la sakka haoe basa ?
Temoekoen, o mai kleoer noeoenèë basa?
Hanoïn, sain teni ketta mai kleoer.
O mai kleoer teni haoe seï kalo o sere-
wisoe.
O mai halo sa ? o mai sa ?
Haoe mai koesoe ai moroek.
O moras sa ?
Haoe ain kanek.
Sa nalo ?
Fatoek monoe taan.
Toewan atoe tau.
Sooin, ai moroek mak uèë.
Tau ba, of: taka ba.
Hodi nèë foetoe.
Wain tolloe o atoe mai hikar.
Haoe seï koesoe ai moroek isin manas
nian.
Se mak isin manas ?
Haoe kaan ina.
Sooin ai moroek isin manas nian mak nèë.
Nèë atoe halo noeoesa ?
Atoe kahoer no we, hottoe fo emma
moras hemoe.
Isin seï manas ketta lai fö, isin tidin
foïn fö.
Horsehik o la mai ba sa ?
Haoe sohan.
O sohan ba sa ?
Haoe sohan ba töos.
Atoe mai deï ; o la mai ain la bele
diak.
Awan toewan saè Fialaran.
Oba fettor, kattak nia atoe fo koeda
roewa.
135
Een voor u, een voor de barang.
Wat heeft de fettor gezegd?
Morgen vroeg zullen de paarden komen.
Nu gaan we de barang klaar maken.
Krijg drie baadjes en drie broeken.
Waar moet ik die indoen?
Doe ze hier in.
Neemt mijnheer dit ding ook mee?
Dat neem ik ook mee.
Pas op, dat ding breekt licht.
Maak ook den proviand maar terstond
klaar.
Is alles reeds klaar?
Alles is klaar.
Bind het nu.
Het begint al licht te worden.
Maak terstond het paard klaar.
Een beetje vlug, talm niet.
Leg de barang van mijnheer op het paard.
Wat moet ik met dit ding aanvangen?
Wikkel het maar in uw kleed.
Stijg op, we gaan.
Ga jij vooruit.
Waarom sta je stil?
De barang is niet goed gebonden, ik zal
hem goed binden.
Bind hem stevig, dat hij niet valle.
De barang is ongelijk, hangt aan den
eenen kant af.
Aan den eenen kant is hij zwaar, aan
den anderen kant licht.
Neem dat eene pakje er af en leg dat
maar vóór u op het paard.
Is de barang nu in evenwicht of nog niet ?
Hij is in evenwicht.
Goed, vooruit maar.
Waarom sta je weer stil ?
Het paard wil drinken.
Goed, mijn paard wil misschien ook
drinken.
Zal ik het hoofdstel afnemen?
Ida o saè, ida toela bahoak.
Fettor naak sa?
Awan sawan koeda atoe mai.
Ita hadia sasa lai.
Masai faroe tolloe no faroe ain tolloe.
Atoe tau ba sa?
Tau ba nèë.
Boeat nèë toewan nodi no ka?
Kodi no.
Sintidoe, boeat nèë nakroè maas.
Bokaè mos hadia kedan deï.
Sasa hottoe hottoe tok bele tian ka ?
Tok bele tian.
Hatali ba na; foetoe ba na.
Rai naloewa na.
Madia kedan koeda.
Lailais oda, ketta maleoer aan.
Toewan nian sasa toela ba na.
Boeat nèë atoe halo noeoesa?
Faloen ba oon tais deï.
Saè na, ita lao.
lao oeloek.
O marik ba sa ?
Bahoak foetoe la diak, haoe foetoe kadia
lai.
Foetoe halo kmeti, ketta monoe.
Bahoak sala maloe, naèr maloe.
Sorin baloe todan, sorin baloe kmaan.
Faloen kiïk ida nèë kassoe tia, miti deï.
Bahoak tetoek ona seï ?
Tetoek ona.
Sooïn tone na.
O marïk mikar ba sa?
Koeda atoe nemoe.
Sooïn, haoen koeda kala atoe nemoe no.
Haoe atoe kassoe ferreoe ?
136
't Is niet noodig het hoofdstel at' te nemen.
Mijn paard heeft geen dorst, het wil niet
drinken.
Ik wil drinken, reik me de veldflesch aan.
Ik heb de flesch niet meegenomen, ik heb
ze bij het weggaan vergeten.
Is hier geen bron ?
Een beetje verder is een bron.
Hier is de bron.
Stijg af, schep water, breng het hier.
Waar moet ik het in scheppen?
Is er geen bamboe of een klapperdop ?
Heb je een parang bij je?
Ik heb er een bij me.
Goed, kap een stuk bamboe, maak het
schoon en schep er water in.
Gooi de bamboe niet weg, draag hem
mee.
't Is niet noodig hem mee te nemen, ginds
is ook bamboe.
Wil mijnheer rusten of nog niet.
Ik zou al willen rusten, maar er is geen
gras ; wat moet het paard eten ?
Allemaal droog gras, dat eet het paard
niet graag.
Wat verder is er versch gras.
Goed, als we daar zijn, zullen we rusten.
Als we bij het versche gras zijn, zullen
we rusten.
Neem het hoofdstel af.
Maak het zadel los.
Bind het paard aan dien boom.
Bind het in de schaduw.
Breng mijn proviand hier.
Maak het los.
Eet jij niet ?
Ik heb geen proviand meegenomen.
Waarom niet ?
Het paard is verzadigd.
Goed, maak het klaar.
Wind het touw om den nek van het paard.
La lika kassoe ferreoe.
Haoe kaan koeda la naró, la nóoek
nemoe.
Haoe atoe kemoe, lolo bottir mai.
Bottir haoe la kodi fali haoe laö loewa.
We matan iha nèë la iha ka?
Soroek oda we matan iha.
We matan mak nèë.
O toen, koeroe we, modi mai.
Atoe koeroe ba sa?
Au la iha, lale feloe kakoén ?
O modi taha?
Haoe kodi.
Sooïn, o ta au rohan ida, hamos, hottoe
koeroe we ba.
Ketta soè au. o modi looi looi.
La lika hodi, nèëba au mos iha.
Toewan atoe nanawa ka seï?
Haoe atoe kanawa na bè haè la iha,
koeda atoe na sa?
Haè mara missa; koeda na la diak.
Soroek oda ba haè matak iha.
Sooïn toö ba lee hanawa.
Toö haè matak ba lee hanawa.
Kassoe ferreoe.
Kore sella.
Kessi koeda ba ai nèë.
Kessi ba leon.
Modi haoen bokaè mai.
Kore tia.
O la ma ?
Haoe la kodi bokaè.
O la modi ba sa?
Koeda na bossoe tian.
Sooïn madia ba.
Kobar tali ba koeda kakorok.
137
Wat zijn dat voor lui ginds ?
Dat zijn lui van Samak nen.
Waarom gaan zij naar beneden ?
Om sandelhout te verkoop en.
Js er in Fialaran ook sandelhout ?
In Fialaran is het sandelhout schaars.
Waar woont de radja?
De radja woont in Lafoeli.
Wil mijnheer over Lafoeli gaan ?
Neen ; roep dien man.
Zeg hem dat hij aan den radja laat weten,
dat hij morgen in Lahoeroes bij mij
moet komen.
Heb je 't goed verstaan ?
Ik heb het goed verstaan.
We zijn er bijna.
We zijn er.
Neem de barang van het paard.
Zet hem voorzichtig neer.
Breng de paarden naar de bron.
Als de paarden gedronken hebben, moet
je ze djagong en gras geven.
Waar heb je de kisten neergezet?
Hier mijnheer.
Maak de touwen los.
Breng de kisten in huis.
Neem het goed er uit.
Twee flesschen zijn gebroken, zij hebben
tegen elkaar gestooten.
Je hebt ze niet goed ingepakt.
Leg de baadjes in de kast.
Er zit slik aan de schoenen, maak ze schoon.
Mijnheer, ik vraag wat geld om sirih en
pinang te koopen.
Hoeveel vraag je ?
Een halve gulden is genoeg.
Ken jij den weg naar Asoe manoe ?
Ja mijnheer.
Is Assoe manoe ver ?
Niet ver, zooals van Lahoeroes naar Mata
Moroe, een beetje verder.
Sa emma iha néëba ?
Emma Maraè.
Sia toen tassi atoe halo sa ?
Atoe faan ai kamelin.
Iha Fialaran ba mos no ai kamelinka ?
Iha Fialaran ai kamelin moekit.
Nai toer iha nèë'bé ?
Nai toer iha Lafoeli.
Toewan atoe nosi Lafoeli ka ?
Lale ; boloe emma nèë.
Terik ba nia, nia atoe fó natènè ba nai,
awan atoe sakka haoe iha Lahoeroes.
O rona, diak ka lalé?
Haoe rona diak.
lta nareïs toö.
Ita tÖÖ na, of: toö ona, of: töö tian.
Kassoe bahoak.
Rai nainaik.
O modi koeda we matan ba.
Koeda nemoe tia, o atoe fö battar no
haè.
Keiler o rai nèëbé?
Nèë mai toewan.
Kore tali.
Hatama keiler ba oema laran.
Hasai sasa.
Bottir roewa nakroè, toekoe maloe.
O mahida la diak.
Faroe tau ba lamari.
Kasso no taau, hamos tia.
Toean haoe koesoe moerak oda atoe
sossa mamma.
O moesoe hira?
Baloen ida sooïn.
Dalan ba Asoe manoe o mare ka ?
Haoe karé toewan, of: hèë toewan.
Asoe manoe kedók ka?
La kedók; noeoe hosi Lahoeroes ba Mata
Moroe, kedók lioe oda.
138
Goed, we vertrekken terstond.
Loop wat vlug, want het zal gaan re-
genen.
Ginds regent het al.
Als wij vlug loopen, haalt de regen ons
niet in.
Deze weg is erg steil.
Een weinig verder is de weg vlak.
Als we op den vlakken weg zijn, zullen
we de paarden laten galoppeeren.
Als de paarden galoppeeren, zijn wij er
terstond.
Hoe heet die kampong daar?
Die heet Ninloeli.
Wij zijn al dicht bij.
Tegenwoordig zijn de wegen zeer goed.
Waren de wegen vroeger niet goed ?
Neen mijnheer, vroeger waren de wegen
smal en zeer modderig, vervolgens
veel lage takken, men moest steeds
bukken.
Vroeger moest men dikwijls afstijgen.
Maar tegenwoordig hoeft men niet meer
af te stijgen ; van af beneden tot
Asoe manoe.
Sooïn ita laö kedan.
Laö lailais oda, te oedan atoe mai na,
of: Öna.
Nèëba oedan Öna.
Ita laö lais oedan la toma ita.
Dalan nèë lolon basoek.
Soroek oda ba, dalan fehan.
Töö dalan fehan ba, ita atoe kalera
koeda.
Koeda nalai kalera ita la oras tÖÖ.
Kenoea nèaba naran sa ?
Naran Ninloeli.
Ita kreïs Öna.
Oras nèë dalan diak lolos.
Oeloek aan dalan la diak ka ?
Oeloek aan dalan la diak toewan; oeloek
aan dalan klót, no taau klean; hottoe
ai kraik mak wain, lika hatoeoe nima
nimak.
Oeloek aan lika toen hosi koeda dala wain.
Mais oras nèë la lika toen ona hom
(of hosi) namon töö Asoe manoe ba.
VERBETERBLAD
BEHOORENDE BIJ DE
Tettum = Hollandsche Woordenlijst.
(Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en
Wetenschappen Deel LVI 2 e stuk).
Blz.
I laatste regel : koekoïr lees : kakoïr.
II 2 de regel van boven: nia kau lees: nia kaan.
»
3de
»
»
»
» » » » »
III
20ste
»
»
» laron » loron.
»
22ste
»
»
» tan tossa » ta tossa.
»
23ste
»
»
» )
> » » » »
IV
13de
» van
onderen :
: geef mij een of ander in te legge
mij
een
kistje om een of ander in te leggen.
VI
20ste
regel
van boven :
aras lees: oras.
»
21
»
»
»
ohin ohin nèë lees: ohin, ohin nèë,
VIII
12de
»
»
onderen
: naklus lees : nakliïs.
»
7 de
»
»
»
Laro » Loro.
IX
1ste
»
»
boven :
fahon » fohon.
»
3de
»
»
»
fohan » fohon.
»
7 de
»
»
»
beneden; langs lees: beneden laugs
XII
15de
»
»
»
kroèr lees: kwèr.
»
18de
»
»
»
daar » door.
XIII
14de
»
»
»
sat » sai.
»
15de
»
»
»
teos » töös.
»
10de
»
»
onderen
: kottoeek» kottoek.
XIV
7 de
»
»
boven :
af » of.
2 Ai kabbellak lees: ai kabellak.
4 » awan lees : Awan.
»
»
140
Blz.
4 Ai awan sawau lees: awan sawan.
» Hadi ba lees : hodi ba.
5 Balilis lees : Babilis.
6 De doornappelplaat lees : de dooruappelplant.
» Badoet kalokoe lees: kalohoe.
.9 Sia la belle ami lees: sia la bele aini.
» Sia tolloe belle lees: sia tolloe bele.
1 1 Loro f alin sin nalo biti bit lees : sia.
12 Evenredig van de vracbt lees: aan.
» Het (bandje) past lees : het (baadje) past.
13 Daar b.v. te praten lees: door.
Hadi liman bokir tali lees : hodi.
— booi, bolle wangen lees: — booi b.v. hassan bolle wangen.
Las baroes lees: lao boroes.
14 Ria tanis bossok lees : nia.
» Farae b. ; nola nain lees : faroe b. nola nain.
» Botto koeri lees: Botto kari.
» Baban lees: Daban.
15 Dadeïk aan, druppelen enz. lees: onz.
» Dadokko aan lees: dadokko oan.
16 Daudaum lees: Daudaun.
22 Mata faloe enima lees: rnota.
» Toe f. lees; toer f.
» Kale fatin lees : kafé fatin.
» Mata f o fatin lees : raota.
» Amin faur aan lees : anin.
23 Hadi mina fila lees: hodi.
» Fila fali, plotseling, daarna lees: plotseling daarna.
25 „Ikatten" = „foeloe foetoes" lees: „foetoe foetoes".
26 Fore wehale lees : fore wehali.
28 Hadan oekoen lees : hadau oekoen.
» » maloe » » maloe.
29 Hadoeroe kaè lees : koè.
» Haër di baloen lees : ai baloen.
30 Hahaan, voeder lees: voeden.
31 Haholok aan lees: oan.
32 Hakboea hari lees: kari.
34 Hakiisoek lees : Haklisoek.
36 Haksoesoek aan lees : Haksoeoek aan.
37 Karon bodan lees: karon todan.
141
Blz.
38 Halis, halo het geluid dat men met den mond maakt als het eten te
warm is, doen, maken: lees: Halis, het geluid dat men met den mond
maakt als het eten te warm is.
» Halo, doen, maken.
39 H. manae lees: h. manoe.
» Hamanas =z hahanos lees : hahanas.
40 Hamed lees : Hamea.
» Nia nameno toeï ami lees : toeïr.
» Hoban naan hadi hamis lees: hodi.
41 Bóf h. even groot lees : bot.
» Haoe kahida kanètan, heen ; haoe kaan bokaè, lees : haoe kahida kanetau
heen haoe kaan bokaè.
43 Ami hadi manoe lees: hodi.
» Hare aan lees : hari aan.
» Anin narodan bahan lees: tahan.
44 haseï emma nian lissan lees: lisan.
» Hassak aan tona lees : tone.
45 Toer h., in hinderlaag leggen lees: liggen.
» Nia bossok kodi lees : nia bossok nodi.
» Hatana lees : Hatënë.
» Hatetoek, iets oprichten, recht houden, b.v. het hoofd weer recht zetten
b.v. een huis lees: Hatetoek, iets oprichten, recht houden b.v. het
hoofd, een huis.
» Me natiha lees: we.
46 Hodi ia mak hatoen lees : hodi sa.
47 Bloederen lees : bladeren.
» Hèhar lees : Hèhèr.
» Hahar aan lees : Hèhèr aan.
48 Heli katos lees : hatos.
49 Laron hira hira lees: loron.
» Laron lima lima lees : loron.
50 Hisa aan, hangen enz. lees : onz.
» Iha mota nèë nai bee lees : iha mota nèë no nai bee.
» Loe no sa idoe lees: la no sa ida.
51 Battas h., djagongstruik lees: battar.
» Hoeda noeroen aan lees : koeda.
52 Wegs vergezellen, voortdurend verzoeken ; telkens vragen om iets ; ook :
hoesoe hohö lees : wegs vergezellen.
Höhö, voortdurend verzoeken ; telkens vragen om iets ; ook : hoesoe hfthö ;
bij een werkw. geeft het te kennen dat de handeling telkens plaats heeft.
142
Blz.
52
»
53
54
»
57
58
60
62
»
63
65
67
68
»
69
»
71
72
»
»
73
»
»
74
»
»
75
»
»
»
77
»
78
Manoe talloen lees : manoe tolloen.
Hole ? — lè tina holi lees : Holi ? tina holi.
Ik heb er al voor een poos opgezet lees : ik heb het er al.
Horsehik kalau lees : kalan.
Kilah foean lees : kilat.
Hottoe tia ami lao lees : ha hottoe tia ami lao.
Rai kalau ona lees : rai kalan ona.
Neon vakfoèr lees : neon nakfoèr.
Koeda kottoek koho lees : kahd.
Kaloeak lees : Kalaak.
Sasoeroen koeret lees : kseret.
Fo boetan hadi k. lees : hodi.
Tontoedoe lees : tatoedoe.
Kata'oek lees : kato'oek.
Sin toen lees : sia.
Soerat kieken lees : klehen.
Knikir, natan k. lees : matan.
Köbo, lang lees : long.
Koehoes, k. mode lees : modo.
Koi abas lees : abes.
Beproeven is de beteekenis lees: in.
Kroek (van karoè) lees : (van haroè).
La . . . dank lees : La dauk.
Dank of daun lees : dauk.
Dakaparren lees : daksparren.
Ndoek lees : nooek.
Dilo lees : dik
Assan lees : ossan.
Ail lees: ain 1.
Ai kabelluk lees : ai kabellak.
Nasi tassi lees : nosi tas&i.
Ani lao na lees: ami.
Ros haï lees: roo haï.
Hasi laran lees : hosi laran.
Hadi fatoek lees: hodi.
Toela 1. b.v. koeda lees: toela 1. ba koeda.
Lamlauk lees : Laulauk.
Lalar ketta naboen lees : noboen.
Hala lèt lees: hola lèt.
Of' om eene lees : of' om eene zaak te bespreken.
143
Blz.
80 Dubbele rij, 't zij van huizen lees: 't zij van huizen 't zij van boomen.
» Ama niam oïn lees : nian.
81 Koeda kessi laloè maloe lees: loloè.
» Las loloe oda lees : lao loloè oda.
» Lolok, las 1. lees: lao 1.
» Hadi 1.1. lees : hodi.
82 Amin noe lees : anin noe.
83 Lan lauk lees : lau lauk.
» Bau ba nèë lees: tau.
» Se mak valo lees : nalo.
» Laro makaas lees : loro.
» Lia sarin makilik lees : sorin.
84 Hoeri lees : hoesi.
» Malarik lees: Malorik.
85 Laro m.m. lees: loro.
» M. inan, hoen lees : m. inanhoen — legkip.
86 Taraak lees : tomak.
» Laro lees: loro.
87 Midoer lees: Midar.
» Modak lees : Modok.
90 Nahaboet, mata n. lees: mota.
» Naromak lees : Maromak.
» (Staat tegenover ate : kruisjak) lees : ate kmissak.
91 Nakdokko, schudden enz. lees: onz. (= onzijdig).
» Heen en weer slingeren enz. lees: onz.
» Nakfera, splijten enz. lees : onz.
» Nakfila, veranderen enz. lees: onz.
92 Nakfoèr lostornen enz. lees : onz.
» » uitrafelen enz. lees: onz.
» Naklila, rollen enz. lees: onz.
» Manoetak lees: nanoetak.
93 Een ruig lees ; een ring.
» Nakroè, breken enz. lees : onz.
94 Naksadik, mamerau n. lees: mameran.
» Naksahi, faelan lees : foelan.
» Naksidin, losgaan, loslaten enz. lees : onz.
» Naksiloe, breken enz., afbreken enz. lees : onz.
» Laro n. lees : loro n.
» Naksirat, mamerau lees: mameran.
95 Namonas, limon lees : liman.
144
Blz.
95
96
»
97
98
99
100
101
»
102
103
»
104
105
»
»
106
107
108
109
110
»
»
112
114
»
115
»
117
»
»
118
»
120
122
Nia nala n. haoe lees : nola.
Nari lees : Narï.
Rai naroma tiau lees : tian.
Naweek, nat, dun, aangelengd lees : dun aangelengd.
Anin ketta lokit lees : likit.
Noeanlia lees: Noeantia.
Loat oeloe tolloek, wijde mond lees: mand.
Dië oeman, wespennest lees: diï.
Ohm laro manas lees : loro.
Makerik oï salan bout lees : makerik oï salan, — bont.
R. laron, dag, bij dag lees : loron.
Rai falin lees : folin.
Hadi lilin lees : hodi.
Toela rik, iets in staande houding leggen lees: iets in staande houding
op het paard leggen.
Hadi battar kommak lees : hodi.
Hadi hare kain lees : hodi.
Hadi fatoek lees : hodi.
Foelan no sodan lees : sadan.
Laro s. matan lees : loro.
Sama, s. raè lees: s. roè.
Sasa kiat lees : kilat.
Iba lao sawan lees : ita.
Nia seï mai lees: nia seï la mai.
Sere lees : Sera.
Limau sikoen lees : liman.
Soeoe het been, den arm uitrekken lees : intrekken.
Toes soeta lees: tais.
Is eerbiediger dan alleen ,,naè" ; lees : „nai".
Rai fehoen lees : fehan.
Tabaak lees : Tabook.
Matan tabaak lees: tabook.
Nia naklotti baè aan lees : taè aan.
Sia toer tala ami lees : talai.
Oda matan tala dalan lees : talai.
Een bosse lees : een bosje.
Tanan, ka tanan lees : ha.
Mata tehen lees : mota.
Tete wesek lees : Tete weoek.
Bij wordt mager lees : hij.
145
Blz.
123 Nia tanis nodi titik aan lees : titak aan.
124 Toeka ztuiten lees: stuiten.
» Sesia oda matan lees : sena.
125 Toelèn, manoetalloen lees : manoetolloen.
» Toen hasi koeda lees : hosi.
» Toenin een gaf lees: gat.
126 Hadi hoedi tahan lees: hodi.
» Tohar, breken, afbreken enz. lees : onz.
» Tokkas lees: Tokkos.
» Haoe limau la toö lees : liman.
128 Wain kira lees: hira.
» — talihar lees : tatihar.
131 Haoe kö aan lees: oan.
132 O kaoen manoe seï iha, hadi mai deï lees
O kaan » » » hodi » » .
» Tan ferreoe lees : Tau.
133 Emma baloe kedan lees: boloe.
» Hadi halo we lao lioe lees: hodi.
» Hattoe tau teni rai lees : hottoe.
137 Mata Moroe lees : Mota.
138 Kenoea nèaba lees : nèèba.
MAF? 31 1916
HET VERHAAL VAN DEN GULZIGAARD
IN HET
Tontemboansch, Sangireesch en Bare'e.
Tekst, vertaling en aanteekeningen
UITGEGEVEN* DOOR
J. Alb. T. SCHWARZ en N. ADRIANI.
VERHANDELINGEN
VAN HET
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen,
DEEL LVI.
3 de S T U K.
ALBRECHT & Co.,
BA VA VIA.
M. NIJHOFF.
's GrEAVENHAG-E.
1906.
m 3 l W r
HET VERHAAL VAN DEN ÖULZIGAARD
IN HET
Tontemboansch, Sangireesch en Bare'e.
Tekst, vertaling en aanteekeningen
UITGEGEVEN DOOR
J. Alb. T. SCHWARZ en N. ADRIANI.
VERHANDELINGEN
VAN HET
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.
DEEL LVI.
3 de 3 T U K.
ALBRECHT & Co.
BA VA VIA.
M. NIJHOFF.
's Gravenhage.
1906.
HET VERHAAL VAN DEN GULZIG AARD.
IN HET
Tontemboansch, Sangireesch en Bare'e.
Tekst, vertaling en aanteekeuiugeu uitgegeven door
J. ALB. T. SCHWARZ en N. ADR1ANI.
(No. 42 van de „Tontemboansche Teksten, met vertaling en aanteekeningen
uitgegeven door J. Alb. T. Schwarz")*
Het verhaal van den Gulzigaard, den vraatzieken jongen, die tot een
buitengewoon sterken jongeling opgegroeid, door zijne ouders wordt verstooten,
omdat zij hem niet langer kunnen onderhouden en die daarna de wijde wereld
ingaat en allerlei avonturen beleeft, welke hem aanleiding geven proeven van
buitengewone kracht af te leggen, waardoor hij ten slotte de hand eener konings-
dochter verwerft en zijn schoonvader in de regeering opvolgt, is reeds in twee
Toradja'sche (Bare'e-taal) en in drie Minahassische redacties medegedeeld in de
Verh. van 't Bat. Gen. Dl. 55, l e stuk. Aldaar is ook nog eene Loloda'sche
redactie van dit verhaal gegeven, die aan den Heer M. J. van Baarda, zende-
ling-leeraar op Halmahera, is te danken en die eenigszins afwijkt van eene over-
levering reeds in 1895 door hem gegeven in de Bij dr. Kon. lust. bl. 263.
Alleen van de Toradja'sche en de Galelareesche overleveringen van dit
verhaal is de oorspronkelijke tekst met volledige vertaling gegeven. De andere
lezingen zijn slechts in kort overzicht medegedeeld. Thans echter zal hier ge-
geven worden : tekst met vertaling en aanteekeningen van de Tontemboansche
overlevering van dit verhaal, door den eerstgenoemde van ons opgeteekend in
1871, uit den mond van een Tontemboan te Sondër, verder eene Sangireesche
overlevering, waarvan de tekst is opgeteekend door Dr. K. G. F. Steller, zen-
deling-leeraar te Manganitoe (Groot-Sangir), en nog twee Toradja'sche in de
Bare'e-taal, door den laatstgenoemde van ons opgeteekend uit den mond van
lieden uit Poe'oe mBoto, een landschap aan den Z.-oever van het Posso-meer.
Vooraf dient nog het een en ander te Avorden gezegd, ter vergelijking-
van deze lezingen met de reeds in de Bijdr. van het K. 1. en de Verh. van
't Bat. Gen. bekend gemaakte. Beginnen wij met den Tontemboanschen tekst.
In de Tontemboansche overlevering tracht de Vader van den Gulzigaard
Vevb. Bat. Uen. LVI, ■',. l
hem tweemaal onder een boom te verpletteren. Beide keeren mislukt de toeleg.
de Gulzigaard gaat met eenige teerkost op reis en ontmoet in het bosch dat
hij doortrekt een zeer sterken man die T e w u-w a ' t a n g heet. welke naam
de beteekenis heeft van »Boomen-rooier". Van dezen Heus wordt verteld dat
hij bezig was visch te zoeken tusschen de steenen, wat in 't geheel niet
met zijn naam overeenkomt. Eene vergelijking met de Tomboeloe'-sehe overleve-
ring (Verh. Bat. Gen. bovengen. bl. 21) doet zien, dat de Tontemboansche ver-
teller hier heeft bekort en dat de » Boomenrooier" en de »Vischzoeker" twee
verschillende personen zijn, met wie de Gulzigaard achtereenvolgens ontmoe-
tingen heeft. Na de ontmoeting met T ë \v u-w a ' t a n g wordt die met s i
Sera '-t o w »de Menscheneter" vermeld. Deze ontmoeting heeft in het Tom-
boeloe'-sche (t. a. p. bl. 23) en in het Bare'e-verhaal (t. a. pi. bl. 10 en 41)
plaats, nadat de helden reeds de zee zijn overgestoken. Hier zal dus wellicht
ook de Tontemboansche verteller van twee ontmoetingen eene hebben gemaakt.
In den verderen loop van 't verhaal wordt de Menscheneter si M a w ë r i s
genoemd. Zie daarover de Aanteekeuingen achter de vertaling van den Ton-
temboanschen tekst.
Nadat ook de Menscheneter is overwonnen en. evenals T ë w u-w a '-
tang, gedwongen den G. als slaaf te volgen, komen zij aan zee. Yau den
stam van een grooten boom maken zij in weinig tij ds een vaartuig, waar-
in zij de zee oversteken, tot dat zij aan een eiland komen, waar de G.
terstond T ë w u-w a ' t a n g met de dochter van den koning laat huwen.
Hier valt opnieuw de kortheid der Tt. overlevering op te merken. De gewone
gang van 't verhaal is, dat zij op zee een zeemonster tegenkomen, 't welk door
den G. wordt doorgehakt en geheel of gedeeltelijk weggeslingerd. Het kreng
valt neer voor het huis van den Vorst van het land waar zij straks zullen
aankomen en door het op te ruimen, wat niemand van de landzaten had kun-
nen doen. verwerft een der helden de hand der koningsdochter. Het wegge-
slingerde kreng" valt elders neer. waar dezelfde gelegenheid is voor een tweede
van den troep om met eene koningsdochter te trouwen. Zoo gaat het door. tot
dat de G. alleen overblijft. Maar in de Tt. overlevering is er van het zeemon-
ster geen sprake, evenmin als in de Verh. Bat. Gen. Dl. 55 bl. 24 vermelde.
Eene bizonderheid die de meeste overleveringen van dit verhaal hebben,
ontbreekt ook hier niet : de G. plant een bloem ot boom voor het huis van elk
zijner achtergelaten makkers, die zal verwelken als hem eenig leed overkomt.
Hierop moeten de makkers letten, om hem ter hulp te snellen.
Daarop volgt de strijd met den Grijpvogel, in dit verhaal Iv i o n g-
genaamd, die hier wordt voorgesteld als een monster met ijzeren tanden en
vleugels en 12 koppen. In het verhaal van S e s e n T a o 1 a zijn er zeven van
die dieren, de laatste met 7 koppen. Gelijk in de meeste andere overleveringen,
doodt hier de G. het monster, maar komt ook zelf in den strijd om; de achter-
3
gelaten makkers zien de geplante struiken verflensen, komen hunnen aanvoerder
te hulp en werken er toe mede om hem weer in het leven terug te roepen.
\a dood geweest te zijn en weder levend te zijn geworden, is de held van
't verhaal verlost van zijne vraatzucht. Deze zonder twijfel echte trek van 't ver-
haal, die bijna geheel met de Torodja'sche voorstellingen overeenkomt, is door
dus tot nog toe alleen in deze Tt. overlevering aangetroffen.
Nog eene andere belangrijke bizonderheid vermeldt deze Tt. lezing. De
makkers, die de beenderen van hun gesneuvelden aanvoerder verzamelen, voegen
deze aaneen en de Prinses baadt ze met r a n o 1 a 1 a. Dit rano lala ot
c a n o 1 a 1 a e is door een Tt. deskundige verklaard met rano ma'dios of
r a n o m a n d i o s. Volgens dezen zegsman zijn er twee stroomen, welker
water bovennatuurlijke kracht heeft. Rano lala die naar het W. en Rano
in a ' d i o s die naar het O. vloeit. Elk dier stroomen roept voortdurend zijn
eigen naam uit, dus lala, lala, m a n d i o s (ma'dios), m a n d i o s. Nu
worden in het verhaal van S e s e n ' T a o 1 a de dooden opgewekt, met water
dat i 1 a 1 a. i 1 a 1 a roept (t. a. pi. bl. 12 en 50) en dus de eerste helft der
Mohainmedaausche geloofsbelijdenis uitspreekt, die in den mond der strandbe-
woners van de Tominibocht luidt : la i 1 a h a i 1 a 1 a en door hen als een ge-
wone uitroep van verwondering zéér druk wordt gebruikt. Men beweert dan ook
dat het geheel synoniem is met o ine! ofine gee! »moeder! moederlief!"
Vandaar dat onder deze lieden moilala beduidt » zijne verwondering uiten"
en i 1 a 1 a » wonderbaarlijk"; men spreekt van tana ilala, duanga ilala
voor »een land. een schip met bizondere eigenschappen".
Toch heeft waarschijnlijk de Mohammedaansche geloofsbelijdenis niet dan
schijnbare overeenkomst met den naam van dit wonderwater. Een Bare'e verhaal,
opgeteekend bij de To Pebato, toont aan dat u e talala-lala bij de Toradja's
een bekende naam is voor tooverwater of wonderwater. De korte inhoud van
't verhaal is deze : Een man ligt te slapen en wordt door het spelen zijner
zevens zoons gewekt. Hierover verstoord, gelast hij bun te gaan halen het
T a 1 a 1 a-1 a 1 a-water, in het land van Grootmoeder, ginds aan gene zijde dei-
zee. De zoons gaan; na vele avonturen komt de jongste inderdaad bij de in
de Toradja'sche verhalen traditioneele »Oude Vrouw", die het wonderwater
bewaakt. »Hij hoorde inderdaad het t a 1 a 1 a-1 a 1 a- water, dat steeds talala-
talala-talala riep en zeide: Hier is het water dat wij zoeken." De Oude
vrouw neemt den vermoeiden reiziger op, verzorgt hem, maar verbiedt hem uit
een zeker venster te kijken. Als zij op zekeren dag haren tuin is gaan bewerken,
kijkt hij uit dat venster en ziet het wonderwater, waarin zeven meisjes gaan
baden, die als parkieten komen aangevlogen, hare vogelhuid als een pak kleeren
uittrekken en zich dan als jonge meisjes vertoonen. Door hare vogelhuid weg
te nemen, dwingt hij de Jongste hem als zijne vrouw te volgen; verder schept
hij van het wonderwater in een bamboe en neemt het mee. Ja, zegt Parkietje
(het meisje), al hadt je ons water mee genomen en niet een van ons, dan
zou het zijn geluid niet meer geven." Thuis gekomen, biedt hij zijn vader
het water aan, maar deze is verlegen om het aan te nemen. Daarop giet hij
het wonderwater uit op het erf van 't huis dat hij met Parkietje gaat bewonen.
na met haar getrouwd te zijn. en daar wordt het tot eene bron van wónder-
water, waarbij zij steeds blijven wonen.
In het groote verhaal van Sese nTaola heeft dus de Mohammedaansche
bewerker dit t a 1 a 1 a in i 1 a 1 a veranderd, om met het de Mohammedaansche
geloofsbelijdenis in verband te kunnen brengen. Hetzelfde is gebeurd in eene
andere Toradja'sche vertelling, het » Verhaal van Pondajole ". Deze zoekt den
weg naar den hemel en komt bij den Windenden Rotan, in de Toradja'sche
verhalen een der vervoermiddelen voor menschen die ten hemel willen opstijgen.
De Rotan ligt opgewonden op den grond : Pondajole houdt zich aan het
boveneinde vast. de Rotan ontplooit zijne windingen en strekt zich opwaarts.
Pondajole langzaam naar boven brengende. Zoo dikwijls als de Rotan
naar ééne zijde overhelt, moet Pondajole hem aan dien kant met water
besproeien. In de meeste verhalen is dit gewoon water, maar in het verhaal
van Pondajole heet het u e m o 1 a h a i 1 a 1 a. Dit is zonder twijfel aai?
het Mohammedaansche la i 1 a h a i 1 a 1 a ontleend, maar daar het eene nieuwig-
heid van den verteller is om dit water een naam te geven, kan het niet ver-
wonderen dat hij dien naam aan de Mohammedanen ontleent.
Merkwaardig is het. dat het wonderwater in het Toradja'sche verhaal
u e Talala-lala behalve met dezen naam. ook met dien van u e 1 a m o a
» goden- water" Avordt genoemd, wat dus geheel overeenkomt met r a n o m a-
d i o s of mandios van het Tontemboansch verhaal, daar liet bestanddeel
dios in deze benaming het Spaansche Dios »God" moet zijn.
Stroomend water heeft als »levend water'" reeds van zelf levendmakende
kracht, als veel zielestof bevattend. In vele Toradja'sche verhalen is bespren-
ging met gewoon water voldoende om dooden op te wekken. De bizondere
naam, gegeven aan dit water, is ontleend aan het klaterend geluid dat het
maakt en waarmede het eveneens bewijst levenskracht te bezitten.
De gelijkheid in klank van dezen naam met een stuk van de Moham-
medaansche geloofsbelijdenis bracht de Mohammedanen er van zelf toe om
dien naam te wijzigen, te meer daar zij gewoon zijn het water te belezen
om het geneeskrachtig te maken en dus van geneeskrachtig water van zelt
denken dat het belezen is en de belangrijkste woorden uit de belezing in zijn
gemurmel herhaalt.
In één der twee Poe'oe niBoto'sche overleveringen heet de held Sese
nTaola. evenals in het groote verhaal Verh. Bat. Gen. 55. Reeds terstond
wordt ook zijne zuster genoemd en wel met denzelfden naam als in het groote
verhaal: G i 1 i mPinebetu'e. Deze naam is Verh. Bat. Gen. 55, bl. 109,
r. 2 r. 1 v. o. onjuist verklaard. De beteekenis is »zijde-stof met sterretjes
bestikt".
De verteller heeft geheel vergeten dat Sese nTaola door zijne onver-
zadelijkheid zijne ouders ruïneerde en zij daarom trachtten hem om te brengen.
Vandaar dat hij voor de aanslagen van zijn vader geen behoorlijke redenen weet
op te geven. In plaats van Reuzen te overwinnen en hen tot slaven te maken,
neemt hij zijne zes broers mede, die hij telkens hier en daar achterlaat; de
zuster is thuis achtergebleven. Bij allen laat hij planten achter, die zullen
verwelken als hij sterft. Als ten slotte al zijne broeders gehuwd en achter-
gebleven zijn, komt hij aan eene stad die door een Grijpvogel is uitgemoord ;
hij vindt daar als eenig overgeblevene een meisje, dat zich in eene kist heeft
verborgen en dat, evenals in het groote verhaal, Lemo n Ton da heet. Bij
het dooden van den vogel sneuvelt ook hij, de planten verwelken; Gili
raPinebetu'e komt met alle broeders te hulp en schudt hem uit den dood-
alaap wakker: de broeders keeren terug, maar Gili mPinebetu'e blijft bij
Sese nTaola wonen, die met Lemo nTonda huwt. Terwijl Sese
nTaola voor langen tijd slaapt, komt Bangka-Rondo zijne vrouw rooven,
die hij op dezelfde wijze weer terughaalt als in het groote verhaal.
In de andere overlevering, uit dezelfde streek afkomstig, heet de held
»de Gulzige Jongen'": zéér in 't kort wordt het begin der geschiedenis verteld
als in 't groote verhaal. Ook de geschiedenis met het zeemonster ontbreekt
ui et. Het verloop is geheel als in 't groote verhaal.
Telkens waar het kreng van de zeeslang wordt opgeruimd, blijven twee
zijner makkers gehuwd achter. Ten slotte strijd met den Grijpvogel, huwelijk
met het van dit monster bevrijde meisje, in 't leven terugbrengen van de bevolking
der uitgemooi'de stad en daarna een echt Toradja'sch slot: een sneltocht tegen
zijne ouders die hem indertijd niet meer hebben willen voeden en hem hebben
willen dooden. Hij velt zijn vader in een tweestrijd, slaat hem en zijne moeder
het hoofd af en voert die hoofden in triomf mede.
Zooals in vele Toradja'sche verhalen, Avordt ook hier verteld dat het
hoofd van den vader telkens aan den zoon aanwijzingen geeft hoe hij moet doen
om de gesnelde koppen naar deu adat te behandelen. Ten slotte geeft de vader
dan aan, wat de zoon moet doen om het sprekend hoofd voor goed te doen
zwijgen : en daarmee eindigt het verhaal, dat nog besloten Avordt met eene aan-
sporing om uitsluitend bij de To Kinadoe, de erfvijanden der Bare'e-sprekers.
die vooral veel met de dicht bij hen wonende To Poe'oe mBoto vechten, te
gaan snellen.
Ten slotte het Sangïreesche verhaal. Dit vermeldt nog de bizonderheid
dat de held van het verhaal slechts één span lang is en daarom den naam van
Sëndango' heeft. Zijne vraatzucht en zijne kracht zijn intusschen buiten-
gewoon. De aanslagen van zijn vader op het leven van Sëndango' zijn in
liet Sangireesche verhaal ook drieërlei: <le tweede en derde, liet trachten te
verpletteren onder een steen en onder een boom, hebben ook de parallellen, de
eerste aanslag is alleen aan het Sangireesche verhaal eigen. De vader heeft
nl. een bamboestoel omgekapt en de onderste gedeelten der bamboestengels,
die in den grond zijn blijven staan, aangepnnt; daarop neemt hij zijn zoon op
en werpt hem op die talrijke opstaande scherpe punten. Het ventje komt er
echter ongedeerd af en brengt ten bewijze daarvan den geheelen bundel gekapte
bamboestengels thuis. Nadat men het driemaal op zijn leven heeft toegelegd,
gaat Sëndango' de wijde wereld in. Zijne kracht helpt hem om drie reuzen
te overwinnen en hem tot zijne slaven te maken. Yan dit punt af is het verhaal
kort en onvolledig afverteld. De drie reuzen treden is het geheel niet meer op.
Sëndango' komt met zijne makkers van zelf is eene stad terecht, waar een
groote visch ligt te rotten, die daar vanzelf is komen aandrijven. Door dien dooden
visch met een krachtigen schop voor goed te verwijderen, wint Sëndango'
de hand der koningsdochter en wordt koning in kaars vaders plaats.
Het Sangireesche verhaal is dus het minst volledige, daar het van 't gevecht
met de Grijpvogels niets vermeldt en evenmin van het planten der boomen of
struiken, die aan de achtergelatenen het teeken moeten geven dat hun aan-
voerder hunne hulp noodig heeft. De bizonderheid dat de held van het verbaal
slechts één span lang is, herinnert aan de figuur van Sangaraugau in de
Tonbemboansche Teksten Nos. 39 en 40.
Thans volgen tekst, vertaling en aanteekeningen, eerst van het Tontem-
boansche, daarna van de beide Bare'e en ten slotte van het Sangireesche verhaal.
I. Tontemboansche tekst.
[Omtrent de spelling valt het volgende te zeggen:
Enclyticae die nimmer als afzonderlijke woorden voorkomen, zijn zonder -
aan de woorden gevoegd, zooals oka en kë' in siituoka. siituke'. doch
woorden die ook afzonderlijk worden gebruikt, zijn met - aangehecht waar zij
enclytisch zijn, bij v. i t j a t ë k a ' - m a n g e, pakapaluna-mako. De twee
leden eener woordherhaling en die van de samengestelde bijnamen zijn door
hetzelfde teeken aan elkaar verbonden. De apostrophe duidt de hamzah aan, het
sterretje het elisie-teeken van de ë. Tusschen haakjes is geplaatst de ë. die
niet anders is dan een tusschenklank, uitgesproken tusschen een woord met
gesloten eindsyllabe en een daaraan gehecht suffix dat met een medeklinker
begint, bv. in isusut(ë)na==isusut-f-na, terwijl susutëna = susutën
-j- na],
(No. 42.) Kukua au doro' i Tjonibangaii.
Sapaka si Tjombangan, ja anak e rua ambalesa. mëngënto-ngënto' au
do'kosa i Lombagi. Jawoja këmualinape'-mai tow, sia ngarauano in Tjombangan.
Sapaka sia ja marae kakëli pënganen. A si tjatarenape' i nitjuman
sangawtwëroian Én tewi' ; mando-raai rnao ngawëwëroian; tani'tu nimëngawë-
Qgawës, akar a si tjapituan ngando sia nitjumano ala'inbak. Makawangko'
sia niengawë-ngawës ëui pakanëna, aka-akar(ë)na i makano makatëlu *n tëwi'.
Jawoja pailëkën-ako i amanga in tani'tu, *ng knanao: inde', kakëli
pënganën si toja'ang anio'! mëkaapn re'e iaku! Ja tia'pe', wo ko patengkukë'.
Ang kasomoian tu'u-mai in i itu, sia towano i amanga *ng kuana :
Maio, e itow! mangeta palun.
Tani'tu sera maja'o. Mëmaja-niaja'oka sera mailëko a'kël, wo *ng kuao
i amanga a si Tjombangan : Sapaka ko niëna'kë'-mange wia, eni ! wo mangeku
tongkeiën en a'kël. Ma'am bèta' ko përëmba'ano in a'kël tio'o mareso-reso,
eni ! Tumongkeio tu'u si amanga akar in a'kël in dumë'mba. Ilumë'mbao *n
a'kël. nimatëw si Tjombangan ; ta'am bèta' sia ra'itja nitumintjas. Siituoka
*ng kuao i amanga: Itu, nimateo tu'u si Tjëli-pënganën! Jawoja marengo am
bale si amang i Tjombangan. Itjatëka'-mange sia, eng knanao a si pënana'ana:
Ja nimateo tu u si Tjëli-pënganën.
Janta'an këwareng(ë)na-mange am bale, kua'a si Tjombangan tunië'telo in
a'kël, tinimboianakë'-inai an tëuipok wo itu përuana-mio' in tjumese' wo palnna
l)inawë'inbëk(ë)nakë' in tu'mir(ë)na. Pakapaluna-mako itu, ja alinao-mange am bale
*n towang. Itjatëka'-mange am bale sia, ëng knanao : mama" kua'a, si
towang pinaluku e!
Siituoka si amanga mangaja'ka'o-mai, wo *ng kuana: ko topukën!
ambanakë' re'e si Tjëli- pënganën: kuaku ja nimateo. Tani'tu nimamuali. Jawoja
ra'itja ka'i ure *n an somoi-mai iitu kuao i amanga a si Tjombangan : Maio,
e itow! angenta-mai tjaju iparuruk. Siituoka sera maja'o muntëp in talun.
Mailëko wë tës wawangkëran sera, kuao i amanga a si Tjombangan: O itow,
niëna kë' mange wia, wo mangeku tongkeiën ëng kaju iparuruk(e)tape', ta'an
ma'am bèta' ko përë'mba'ano in bë'tes, tio'o matintja-tintjas eni ! Jawoja mangeo
tu'u tumongkei sia, akaran im bë'tës in dumë'mba. Rumë'mbao *n iitu ni-
matëw ka'i si Tjombangan. ta'an sinepanakë' re'e. Itjairë'mba-mio' im bë tës
a si Tjombangan, kuao i amanga: Itu, nimateo tu'u si Tjeli-pënganen, toro tu'u.
An somoi-mai iitu mangen ka'i am bale si amang i Tjombangan.
[tjatëka'-mange sia ëng kuanao in tjumua a si pënana'ana: Toro, nimateo tu'u
si TjeJi-pënganën, niatëwo im bë'tës wawangkëran. Ta'an da'ipe' ure sia am
bale, rumintja'kas-ai *m bë'tës pawulengëno-mai i Tjombangan. Këpa'anera
in dintja'kasa im bë tës, wo kësereera-mange isia i mawule-wuleng-ai im bë'tës.
wawangkëran, kua'a sera mangaja'ka'-mai, wo *ng kuaera: O, ambia'itjÖ ka'i
tu'u re'e si Tjombangan, Keli-pënganën ! Itjatëka'-mai si Tjombangan ipëla'u-
la'us(ë)nao wo'o ipëwangen am bale *m bë tës, ta'an ëm bale nimèrë mbakS'.
Siituoka iwëta'nao-mio' ëm bë'tës, wo *ng kuana: Nio' ëng kaju iparuruk(ë)ta,
e maina' ! Tani'tu ka'i nimamuali.
An somoioka-mai makaateo si Tjombangan, wo *ng kuana: inde !
8
pëpate-patengkë' re'e i mama' aku. Itji'it in tani'tu ja awëse' aku* n tumintjas
ambia. Tani'tu nimamuali. A si ëndooka makasa *ng kuao i Tjombangan a
si inang-a: iua' ! isiwo-mio' walunën aku, en aku *n tnmalune'. Jawosiaisiwo
tu'u i inanga walun, wo sia maja'.
Mómaja-inaja' sia akar i makatajang wo munër in talun. An unëroka
in talun sia itjasumpako-mai si ësa rojongam bangko'. avo sia sumalu in iitu.
Mënalu-naluoka in iitu sia, ja mailèko si Tëwu-wa'tang mëro'mb marae kata-
k" te. Ambituoka si Tjombangan sia papai-pailëkëno i Tëwu-wa tang in
tjëtër(«)na, matupil se watu-watu toka lawi *ng kawangkër. Siituoka *ng
kuao i Tjombangan : Sianao *ndo'on, sa sianakë', tio'o tare ipapaile-ilëk-ai
iaku. Sowatëno i Tëwu-wa'tang ëng kuana : Anae, uli-ulit'? niëmbataruanta ?
sa si Avatu wawangk'ran anio' itjapasot(ë)niuka, ja ulit tu'u ko takëte : taan
sara'itja, lepe. Ja *ng kuao i Tjombangan: Ja mee, ta'an sawo *n iitu ra'itja
itjapasot(e)ku, ja aku itjaata an iitjo, ta'an sa ka'itje' itjatpasot(ë)kuka. ja iitjo *n
itjaata an iaku. Sowatëno i Tëwu-wa'tang eng kuanao : Ja sama'.
Siituoka mio' kamasan-ai i Tjombangan ëm batu wo ipasot(< s )na-mange,
iaka-akar in da'io kinailëkan inde' ambisa *n tinumpaan-io' im batu.
Ipasot-ako i Tjombangan si watu iitu, ja si Tëwu-wa'tang maindoo atana.
Tani'tu nimamuali. An somoi-mai iitu sera maja'o. Ja *ni paalin i Tjom-
bangan paalinoka i Tëwu-wa'tang. Tu'u sera mëmaja-niaja', akarera in itjasum-
pak-ange si ësa ro'ong pëngénto-ngënto'an i Sëra'-tow.
Maio a si ro'ong iitu sera, papatulino i Tjombangan api am bale i
Sëra'-tow si Tówu-wa'tang. Mangeu sia, pëAvueiëno i Sëra'-tow eng kuana :
Mawisa ko ? Sumowato si Tëwu-wa'tang ëng kuana : Airu'ndu'-mai i Tjom-
bangan mangilëke' api. Turu'ano i Sëra'-tow indoan api sia, ëng kuana : Muntëp-
ange Avia'i, avo mange mangilèk-ai api ambitu, Muntëp-ange si Tëwu-wa'tang. sia
mailêk se tOAv pérakanën ang kaAA'ali avo sia mainde': ambituoka sia isê'sëko
am buni karapi e toAV aiwëimbën i Sëra'-tow ambitu. Siituoka sia pang^nto-
ng 3 nto'ono i Tjombangan ra'io mareng. JaAvoja em pa'pa' si TëAvu-Ava'tang in
da'io mareng, kua'a sia *n tondongano-mange i Tjombangan. Itjasumpa k(ë)na-
mange im bale i Sëra'-tow waAA T angkëran iitu, sia mali'tji-li'tjir iitu, wo *ng
kuana: Enso' si TëAvu-wa'tang, e Séra'-toAv? Sowatënao *ng kuana: Ra'itja
ambia. Numuwu'o si Tjombangan: Uli-ulit! ra'itja ituru'mu sia ? sawo sia ra'itja
ituru'mu, ja tarepe' ëm balemu iana en itjawalintuang. Sowatëno i Sëra'-tow
ëng kuana: 0, iitjoo *ndo'on ë malintuang in iasa ! Ja *ng kuao i Tjombangan:
Uli-ulit ! sa ka'itje' ën iasa itjawalintuangkukë', ja ko itjaata an iaku, ta'an sa
ra'itja, ja iaku *n itjaata an iitjo. SoAvatëno i S^ra'-toAV ën iitu. ëng kuana : Ja
me'eniu e! Siituoka ipëkango-mange i Tjombangan ëm bale i S> ra'-toAV wo
itjaAvalintuang-ange. Këwalinkiang-ange im bale, pai'lékëno si Tëwu-wa'tang
karapi e tow aiAvëimbëu i Sëra'-tow kumësoto-mai ; AA r o *m baja se pérakanën
ang kawali, em pakailë-ilékënoka se ipaAvile-wileioka-inio' in tjaluara in dano.
9
Jawoja ein pa'pa' tu'u in aitjapëkangkë' i Tjombangan em bale i Sëra'-tow, ja
anaeitu sia itjaatao a si Tjombangan, tannka ka'i si Téwu-wa'tang.
Ang kasomoian-ai iitn, ririorera i maja'. ja si Tjombangan mapaema'
pisowera in tëlu. Em pisow i Tjombangan sangarëpa *ng kalambot wo tumunibël
ëng kawólar, ja *ng kakura'mber in de 'ndena makarua pakon, ëng kautër in iitu
ja tëlu pitjul. Jawoja *m pisow e rua mëkele sitjun ëng kalambot wo rua tomposi
*ng kawëlar. wo sangarangan ëng kakura'mber in de'ndena. Tani'tu ema'ano
*m pisowera in tëlu. Pakaema'an-ako *n iitu, ja sera maja'o kinaialian in tje'arera.
Sera mëmaja-rnaja' maunër in talun, iaka-akarera i nimakatajango.
An somoi-mai iitu sera tumawi-mio' i lawanan. Siituoka *ng kuao i
Tjombangan a si Téwu-wa'tang wo a si Mawëris : Kasaanu in tumongkei si
wè'tës wawangkëran anio', e Téwu-wa'tang, wo kasaanu ka itje' i mo ow ën
fcëmpok, eni. e Mawëris: en sapaka *n iaua ja ema'antape' londei em pa'pa' kita
ja sumengkot. Tani'tu kasaano-niange i Téwu-wa'tang in tumongkei ëm be'tës ;
rumë'mba-mio 1 ëm bë'tës. kasaano ka'itje'-mio' i Mawëris i mo'ow ën tëmpok.
Siituoka ja Avu'mbu'anerao. pinakasa-kasaanerakë' ka'i-mio' i nimapo'ow ën a
mëkele tampilira avo *n a mëkele tëmpok. Pakawu'mbu'anera-mako ë londei.
wulengmo-mai i Téwu-wa'tang avo si Maw 'ris ën iitu avo sera mangem a lawanan.
Itjatpka'-mange a lawanan ambitu sera ja *ng kuao i Tjombangan a se rua:
Sapaka kita, ja sumengkoto. Wo tu'u sera moleo.
Mémole-moleoka sera itjasumpako-mange si ësa punten. Siituoka sera
sumuAva'o Avitu avo *ng kuao i Tjombangan a si Tëwu-Ava'tang : Sapaka ko ja
itanekuo a si Wawu' i Tjolano a si punten iasa, anaitu ko ja mënto o ambia.
An somoi-ai iitu sera mangem an do'ong wo mange am bale i Tjolano. Siituoka
ja si Téwu-wa'tang ipangiléko i Tjombangan si luluna e Wawu' i Tjolano tanean.
Tani tu niênan i Tjolano. jawo sera tumane. JaAvoja itane-mako i Tjombangan
si TëAvu-wa tang, ja sia itëla'uuao ambitu, avo sia ta'arana in tana'i : O TéAVu-
\va tang sapaka aku ja musew sangatu'ur tënga' an dior im balemiow. Jawoja
karngana itu ilé-ilëkënu-mange : sawo ë luluna in iitu mawëlëso, ja pora-porakën-
ange i mange milëk-ai a si ësa punten aku. en aku ja nimateo: taan ko ja
karëngana tumuli-mange si Mawëris a si ësa punten, eni ! wo kamu in clua më-
Avalioka-mange, eni ! Ipakata ar(é)na-mako *m baja se itu, ja si Tjombangan wo
si Mawëris moleo. Ure-ureano ka'i sera in dua inawole, itjasumpako ka'i mange
ësa punten, wo sera sumuAva' ambitu. Jawoja ambituoka ka'i sera, ja itaneo
i Tjombangan a si luluua e Wawu' i Tjolano ambitu si Mawëris. Wo ka'i sia
itëla'una, en si Tjombangan sumengkote' ka'i-mange am punten) balina.
Janta'an rior(ë)na wo sia mole ja sia nimnsew ka'i tënga' an dior
im bale i Mawëris, avo *ng kuana in tuma'ar: Mawëris, sapaka aku
ja niusëAv tënga' an dior im balemiow, en aku ja sumengkoto. Janta'an ën
tënga' iitu karëngana sere-serenu-mange, sawo e luluna in iitu mawëlëso, ja
pora-porakënioAv-ange i mange milëk-ai iaku *n a si punten angeangku. en aku ja
10
nimateo. Ta'an ko ja tulinoka-inai i Tëwu-wa'tang, eni ! wo leamu in dua ëin-
wali-mauge. Jawoja ipakata'ar(«)na-mako *m baja se itu ja sia moleo. Ure-ureano
sia menen gko-neiigkot, mailëko ka'i ësa punten. Siituoka sia sumuwa'o witu.
Itjaitana'na-mange, sia nimela'u-la'us nimuntëp-ange an do'oug.
Muntëpo-mange sia rnarae kapënës se tow, ein pa'pa' se inakaro'ong ja nisu-
më'sëk am bale. Wo sia munër-ange in do'ong wo mailëk tow, wo sia wueiana
in tana'i: Ka'itu-itu *n ambia kalulu in tow e? Sowateno i tow iitu *ng
kuana: O se tow ambia ja mainde', em papa' im pëugaaien i Tjiong-kiong.
saugapulu' wo rua *n do'kos, mai mëngaindo se Wawu' i Tjolauo ; kua'a se
Wawu' i Tjolano, siow-wo. e ! wajaoka in ësa in tarepe' : pinakaindoo i Tjiong-
kiong isia.
Siituoka sia mëla'u-la'uso inange a si Tjolano. Mangem sia, wo niangilëk
a si Tjolano, inde' sia ro'na mënto' ambitu. SoAvatëno i Tjolano *ng kuana:
Ko'na, ta'an sa re'e wo'o u anu. pëkia'mbitëngku ko. Eng kuao i Tjombangan :
Ro'na, janta'an sapa itu, e Kolano ? Jawoja sisileno i Tjolano sapa waja nima-
nuiali an sangkum i uwaluo ngando, eng kuana : Sapaka se Wawu' aua'ku ja
siow-wo, ta'an wajaoka in ësa in tarepe', eni pa'pa' maio pinakaindo-mange i
Tjiong-kioug saugapulu' wo rua *n do'kos: kasusur in ëndo ja *n ambia aiëna.
wo *ng kasusui\ë)na i mai, en da'itja tumëra a si mërangka'-mange si ëndo.
Sa nirumëimbëngo-mai i mërangka'o-mange si ëndo, ja sia mitjoo matelew-ai.
wo an tajange' marëseko-mai *m ba'ang, em pa pa' ëm ba'ang(ë na ja uwaseitjë'.
Ja tarepe' ka'i sia mai: anae sawo nirumëimbëngo-mai wo niruinëseko-mai, ja
isiao itu. Isiao ë niruma'itja se ana'ku. Jawoja milëk-ai se tow mëro'ong, e
makasë'sëkoka Avaja am bale em pa'pa'na. Anae sa ro'na, paten si Tjiong-kiong
isia. Ja sawo sia kapateanuka. ja iitjoo ën tumane a si ana'ku tëla'u i Tjiong-
kiong, wo itjooka *ng kolano sumawël au iaku.
Sowatëno i Tjombangan ëng kuana; Sama'! ëpe'angkuoka ; janta'an
ambisa *n ënto'angku i lumukut isia, e Kolano V Ja *ng kuao i Tjolano : Sapaka
ko ja mange mënto' a lesar, ambitu lukutanu sia. Tani'tu si Tjombangan mindoo-
mai im pisow(ë)na wawangkëran, wo mange mënto' a lesar. Jawoja mëngënto-
ugënto'oka ambitu sia, ra'itja ura mitjo rumimbeimngai wo rumësek-ai ëjn
ba'ang i Tjiong-kiong. Wo sia mënusu-nusut-ai wo tumëngo-mio' si Tjombangan
makaena' a lesar. Siituoka sia përiorëna wo'o-mio' in dumagit; ta'an kinasa-
angkë'mange i Tjombangan i nimo'ow si ro'kos ësa. Ja *ng kuao i Tjombangan :
Isusute' ka'i-mai. Eng kuao i Tjiong-kiong: Ro'nape' ipëkiindo tokol, sanga-
pulu'pe' wo ësa *n do kos. Siituoka si Tjiong-kiong sumoro'o-mange tojo'. Ta'an
da'itja ka'i ure sia sumusuto-mio' wo si Tjombangan përagitëna ka'i wo'o-mio'
wo po'owën ka'i-mange i Tjombangan si ro'kos ësa. .la *ng kuao ka'i i Tjom-
bangan : Isusute' ka'i-mai ! Eng kuao i Tjiong-kiong : Ro'nape' ipëkiindo
tokol, tuama ! sangapulu'pe' ën do'kos.
Jawoja sumoro'o ka'i-mange tojo' si Tjiong-kiong. Ra'itja ure nisumu-
11
suto ka'i-mai wo mëragit ka'i wo'o-niio' si Tjombangan, ta'an itjairagit(ë)na
wo'o-mio' sangapo'ow itjairagit, sangapo'ow i Tjombaugan. Niniëngulu-ngulur
taui'tu, iaka-akar ëii do'kos i Tjioug-kiong ësaoka.
Jawoja mande sia in ësaoka *n do'kos makuape' kendo'o iu taua'i : Ro'nape'
ipëkiindo tokol, aweane ësa. Taui'tu sia *n sumusuto ka'i-mio'. Itjairagit(ë)na
ka'i tu'u wo'o-mio' si Tjombaugau, kasaana-mange i mo'ow si tjapulu' wo rua
iu do'kos(ë)ua. Siituoka sia itjalepoko-mio', wo matew-io' si Tjombaugau. Jawoja
en sia *n utëro tu'u ulit, anae ra'io kinakëtean i Tjombangan, iaka-akar itjaia-
tëw-io' i Tjiong-kioug isia, ja sia itjarumuno-mio' wo nimateo witu.
Ja aitjaulur tu'u tanu in aitjua i Tjombangan a si Tëwu-wa'tang
wo si Mawëris ; pa'pa'an këpate-mitjo i Tjombangan, mawëlëso ë luluna in
ténga' aiusëw(ë)ua. A si ëudokë' iitu pa'ilëkëuo i Tëwu-wa'tang wo si Mawëris
ja uimawëlëso ë luluna in tënga'. Siituoka si Tëwu-wa'tang mamorako mole
wo tumuli-inange si Mawëris a si punten ësa, wo sera in dua mëwali-mange
mole a si punten pinatean i Tjombangan. Ure-ureano sera mëmole-mole itja-
suinpako-mange si punten iitu wo mëla'u-la'us sumuwa' wo niange an do'oug.
Ambituoka sera mangein a si Tjolano wo mamuei sawo ambisa *m pinatean i
Tjombangan. Mueio sera. Pakawueiënera-mako. ja itjuao-mauge i Tjolano an
isera in taua'i : Sapaka eta' sia ja pinekia'mbit(ë)ku mate si Tjiong-kioug sanga-
pulu' wo rua *n do'kos, nimëngaiudo se ana'ku, ta'au kua'a sia, ja tina'arangku
in taua'i: Sawo si Tjiong-kiong isia kapateanu, ja iitjo *n tumane a si ana'ku
kaakaran, wo *n sumawël an iaku. maindo kolano, Jauta'an pateua-mako si
Tjiong-kiong, ra'io re'e kinakëteaua i nimëtombo-tombol-ange, iaka-akar(é)na
i niatëwo-mio' i Tjiong-kiong wo mapala'us mate. Jawoja sapaka *m pinateana
ja a monge ë lesar, ta'an ën owa'ua in tarepe' ja nimatongkaro.
Sowatënerao ëng kuaera : Mande sia tongkaro, ta'an karëngana *n du'ina
mangeaniitjë' umungën wo tulusën. Siituoka *ng kuao i Tjolano : Sarua' !
sawo sia tuniow(e)pe' aumawël, ja isiaka *n tumane a si ana'ku tëla'u i Tjiong-
kiong pinatena. Wo isiaka maindo kolano sumawël an iaku, em pa'pa' siitu
*n aita'ar(ë)ku an isia ririor(ë)na i mate si Tjiong-kiong. Jawoja siituoka sera
mangein a lesar, wo pailëkenerao si Tjiong-kiong, toka sapa *ng kawangkér.
Itjatëka'-mange sera in dua kasaanera-mio' in dua i mo'ow ën tetelew
i Tjiong-kiong mëkele ësa: si ësa aipasot-ange i Tëwu-wa'tang an to'tolan in
daran ini bale i amanga, ja si ësa aipasot-ange i Mawëris an to'tolan in daran
im bale i amanga. An somoi-mai iitu, tupilënerao *n owa'na i Tjiong-kioug.
Pakatupilënera-mako iitu, ja sera mumungo in du'i i Tjombangan, wo ito sapu-
tenera in tjulo' wo alin-ange a si Wawu' i Tjolano.
Ambituoka itu ja tulusenerao wo lële'en i Wawu' in dano lala. Paka-
lële'ena-mako itu, ja mio'o mero'-mai, e nitumow-o sumawël. Taui'tu si Tjo-
mbangan nitumowo. Janta'an sia ja ra'io tanu in dior, em pa pa sia ja ra i"
këli pënganën.
12
Jawoja au somoi-mai iitu si Wawn' wo si Tjombangan tumaneo, wo si
Tjombangan maindoo kolano a si punten iitu, nisumawël a si empona.
Verhaal van den Gulzigaard.
Wat Kombangan betreft, hij was het kind van twee echtelieden, wonende
aan den oorsprong der Lombagi. Terstond van zijne geboorte af werd hij Kom-
bangan genaamd. Nu, hij was in hooge mate een veel-eter. Den eersten keer
dat hij at was 't een kilomaat rijst, den volgenden dag reeds twee kilomaten,
aldus steeds toenemende tot op den zevenden dag, toen at hij reeds een V-,
gantang. Hoe grooter hij werd, steeds vermeerderde hetgeen door hem gegeten
werd. totdat hij reeds 3 gantang rijst at.
Toen zijn vader zag dat het zoo was. zeide hij : »0 vreeselijk, welk een
veel-eter is dit kind. hij zal mij nog opmaken. Wacht maar. ik zal u wel van
kant maken."
Daarna riep hem dan zijn vader, zeggende: »kom, ventje, wij gaan
sago kloppen." Aldus gingen zij heen. Al voortgaande zagen zij een arèn-boom.
toen zeide de vader tot Kombangan: »Gij blijft maar hier, he, ik ga den arèn-
boom omhakken. Al zijt gij. stakkert, op 't punt van door den vallenden boom
te worden getroffen, gij moogt volstrekt niet op zijde gaan, hoor!" Inderdaad
ging de vader aan het omkappen, totdat de arèn-boom omviel. Toen de arèn-
palm omviel, heeft hij Kombangan nedergedrukt : maar de stakkert is niet
weggeloopen. Toen zeide zijn vader: »Zoo. de veeleter is werkelijk gestorven."
Nu keerde de vader van Kombangan naar huis terug. Toen hij aangekomen
was. zeide hij tot zijne vrouw: »Nu. de Yeeleter is inderdaad gestorven."
Doch zoodra was hij niet naar huis teruggekeerd, of Kombangan spleet
den arèn-boom, na hem slechts bij den top te hebben aangepakt, en die werd
door hem van boven naar beneden in tweeën gescheurd en hij klopte er de sago
uit, doordat hij er slechts met zijn hiel in stampte. Toen hij gereed was met
kloppen, bracht hij de sago naar huis. Te huis gekomen, zeide hij : »Wel vader,
daar is de sago die ik geklopt heb ! '
Toeu schrok zijn vader en zeide: »Je mag doorstoken worden ! Daar heb
je den Veelvraat: ik dacht dat hij al dood was.' Aldus is het geschied.
Wederom niet lang daarna, zeide de vader tot Kombangan : »Kom ventje,
laat ons brandhout gaan halen." Toen zijn zij het bosch ingegaan. Toen zij
een zeer grooten waringïn-boom zagen, zeide de vader tot Kombangan: » Blij f
hier boven, ventje, dan ga ik ons brandhout kappen. Al zijt gij, stakkert, op
't punt van door den vallenden waringin te worden getroffen, loop volstrekt
niet weg, hoor!" Toen ging hij werkelijk aan het omhakken, totdat de waringin
omviel. Toen hij omviel, heeft hij Kombangan wederom nedergedrukt, maar
deze ving hem slechts op. Zoodra de waringin op Kombangan was gevallen,
zeide de vader: ..Ziezoo. nu is de Veelvraat gelukkig werkelijk gestorven."
18
Daarop ging de vader van Kombaiigan naar huis. Tehuis gekomen,
zeide hij tot zijne vrouw: » Gelukkig, de Veeleter is werkelijk gestorven, ver-
pletterd door een zéér grooten waringingin-boom."
Maar nog niet lang was hij thuis, toen de door Kombangan daarheen
gedragen waringin gedruiscdi maakte. Zoodra zij het gedruisch van den waringin
hadden gehoord en 'gezien hadden dat hij den zeer grooten waringin kwam
aandragen, schrokken zij en zeiden: » O. de Gulzigaard, de Veeleter is waarachtig
toch maar weer hier." Toen Kombangan thuis was gekomen, wilde hij terstond
den waringin tegen het huis doen leunen, maar het huis zou er maar van zijn
omgevallen. Toen liet hij den waringin op den grond los en zeide : ..Daar
is ons brandhout, vader." Aldus is het wederom geschied.
Daarna heeft Kombangan het begrepen en zeide : »() vreeselijk, vader
zoekt mij maar slechts te dooden. Daar dit zoo is, is het beter dat ik van hier
wegloop." Aldus is het geschied. Op zekeren dag zeide Kombangan tot zijne
moeder: »() moeder, kook iets tot teerkost, daar ik naar het bosch ga." Nu.
zijne moeder kookte hem dan teerkost en hij ging.
Hij liep maar voort, totdat hij steeds verder kwam en midden in het
bosch. In het midden van het bosch kwam hij bij een grooten stroom en hij
volgde dien. Terwijl hij dien volgde, zag hij TëAvu-wa'tang (Boomen-rooier)
met de hand visch pakken tusschen de steenen. buitengewoon zeer sterk. Terwijl
Kombangan daar was. liet Tëwu-wa'tang hem voortdurend zijne kracht zien,
omwentelende steenen als tuinhutten zoo groot. Toen zeide Kombangan : »Als
het slechts dat is, och arme. laat het dan maar niet zoo telkens aan mij zien."
Téwu-wa tang antwoordde en zeide: »Zoo, werkelijk? Zullen wij met elkander
wedden? Indien deze zeer groote steen door u wel kan worden weggeworpen,
dan zijt gij inderdaad zeer sterk, maar zoo niet dan zijt gij krachteloos."
»Komaan. zeide Kombangan. maar indien die niet door mij kan weggeslinggerd
worden, dan kom ik slaaf te worden bij u. maar indien ik, stakkert, hem kan
wegslingereu. dan komt gij slaaf te worden bij mij." Tëwu-wa'tang antwoordde
en zeide : »Dat is goed."
Daarop zich nederwaarts richtende, pakte Kombangan met één hand den
steen op en slingerde dien opwaarts, totdat waarlijk niet meer te weten was
waar de plaats van nederkomst van dien steen was. Nadat Kombangan den
steen had weggeslingerd, werd Tëwu-wa'tang zijn slaaf. Aldus geschiedde het.
Daarna liepen zij voort. Wat door Kombangan gedragen was, werd voortaan
gedragen door Tëwu-wa'tang. Zij liepen maar steeds voort, totdat zij kwamen
aan een dorp. de woonplaats van Kannibaal.
Toen zij bij dat dorp gekomen waren, liet Kombangan Tëwu-wa'tang
aan het huis van Kannibaal aangaan om vuur. Toen hij daarheen ging. vroeg
hem Kannibaal: »Waar gaat gij heen?" Tëwu-wa'tang antwoordde en zeide :
»Ik ben gezonden door Kombangan om vuur te vragen." Kannibaal wees hem
14
de plaats waar hij vuur kou halen eu zeide: »Ga hier binnen eu ga daar vuur
vragen." Tëwu-wa'tang ging naar binnen, hij zag de menschen die gekookt
werden in een ijzeren pan en hij was bang; daar zijnde werd hij verborgen in
een hok met de menschen die door Kannibaal opgesloten waren. Toen werd
door Kombangan lang op hem gewacht, hij kwam niet meer terug. Daar
Tëwu-wa'tang niet meer terugkeerde, zoo werd hij door Kombangan gevolgd.
Gekomen aan dat zeer groote huis van Kannibaal, liep hij er eenige malen
omheen en zeide: »Waar is Tëwu-wa'tang, o Kannibaal?"
Deze antwoordde: »Hij is niet hier." Kombangan zeide : » Werkelijk? toont
gij hem niet? Indien gij hem niet toont, dan wordt op 't oogenblik dit huis
van u onderste boven gekeerd." Kannibaal antwoordde: » Och, zij t gij het, stum-
pert, die dit zult onderste boven keeren ?" Kombangan zeide : » Zeker, indien ik.
lacy, dit kan onderste boven keeren. dan komt gij slaaf' te worden bij mij.
maar zoo niet, dan kom ik slaaf te worden bij u." Daarop antwoordde Kanni-
baal, zeggende: »Nu, probeer gij het maar. hoor." Daarop schopte Kombaugan
het huis van Kannibaal en het geraakte onderste boven. Zoodra het huis ten
onderste boven was gekeerd, werd Tëwu-wa'tang zichtbaar, te zamen met de
lieden die door Kannibaal waren opgesloten naar buiten komende, ea allen
die in de pot gekookt werden, daar geheel zichtbaar waren degenen die op
en neer werden gedraaid door het gekook van het water. Aangezien werkelijk
was kunnen omgeschopt worden door Kombangan het huis van Kannibaal,
daarom is hij komen slaaf' te worden bij Kombangan, gelijk ook Tëwu-wa'tang.
Daarna, voor zij op weg giugen. liet Kombangan voor hun drieën kap-
messen maken. Het. kapmes van Kombangan was een vadem in lengte en eene
el in breedte en de dikte van den rug tweemaal pakon en de zwaarte was 3
pikoel. De kapmessen der beide anderen waren gelijkelijk 3 / 4 vadem in lengte
en 2 el in breedte en een span in dikte op den rug. Aldus waren gemaakt de
kapmessen van hun drieën. Nadat die gemaakt waren gingen zij op weg, elk
hunner dragende zijn eigen mes. Zij liepen voort in het midden van het bosch
gaande, totdat zij op zijn verst waren gekomen.
Daarna kwamen zij nabij het strand. Toen zeide Kombangan tot Tëwu-
wa'tang en tot den MaAvëris : »Sla gij dezen grooten waringin-boom in één slag
door, Tëwu-wa'tang en gij, Mawëris, sla in één slag den top door, he, dewijl
wat dat betreft, daarvan wordt door ons gemaakt een vaartuig, daar wij gaan
zeilen." Aldus kapte Tëwu-wa'tang den w r aringin met één slag door, de waringin
viel om en met één slag kapte de Mawëris den top door. Daarop holden zij
hem uit, telkens met één slag kapten zij de beide zijvlakken af en de beide
uiteinden. Toen zij de schuit geheel hadden uitgehold, werd die door Tëwu-
wa'tang en den Mawëris op den schouder gedragen en zij gingen naar het strand.
Toen zij aan het strand waren gekomen, zeide Kombangan : »Wat ons betreft.
wij gaan varen." En inderdaad roeiden zij op.
I
'
Zij roeiden steeds door en kwamen aan een eiland. Zij ging-en daar ten
anker en toen zeide Kombangan tot Tëwu-wa'tang : »Wat u betreft, gij wordt
door mij uitgehuwelijkt aan de Dochter des Konings van dit eiland, daarom
blijft gij hier.*' Daarop gingen zij naar het dorp en begaven zich naar het huis
des Konings. Toen vroeg Kombangan voor Téwn-wa'tang de oudste der Dochters
des Konings ten huwelijk. De Koning stemde daarin toe en zij traden in het
huwelijk. Nadat Tëwu-wa'tang door hem was uitgehuwelijkt, liet Kombangan
hem daar achter en hij sprak af aldus: » Tëwu-wa'tang, ik zal een pinangboom
planten vóór uw huis. Gij moet daarnaar telkens gaan zien. Indien de jonge
bladeren daarvan reeds beginnen te verleppen, haast u dan naar mij te gaan
zien op een ander eiland, want dan ben ik gestorven, maar gij moet Mawëris
afhalen op het andere eiland, hoor. en gij beiden te zamen moet dan weder
verder gaan, boor!" Nadat hij dit alles had afgesproken, gingen Kombangan en
de Mawëris scheep. Langen tijd voeren zij en kwamen bij een eiland en gingen
daar voor anker. Toen zij daar waren, huwde Kombangan den Mawëris uit aan
dr Oudste der Dochters des Konings aldaar. En ook hij werd door hem achter-
gelaten, dewijl Kombangan onder zeil ging, weder naar een ander eiland. Doch
voor dat hij schee]» ging. plantte hij ook een pinangboom vóór het huis van
den Mawëris en sprak af: »0 Mawëris. wat mij betreft, ik plant een pinang
vóór ulieder huis. ;iangezien ik onder zeil ga. Maar naar die pinang moet gij
telkens gaan kijken: indien zijne jonge bladeren verwelken, haast u dan naar
mij te gaan zien op het eiland waar ik heenga, want dan ben ik dood. Maar
gij wordt door Tëwu-wa'tang afgehaald, hoor! en te zamen gaat gij verder."
Toen hij dit alles had afgesproken, ging hij op reis. Langen tijd zeilde hij en
zag weder een eiland. Toen ging hij daar voor anker.
Zoodra hij aan wal gekomen was, ging hij terstond door, het dorp binnen.
Toen hij daar binnen gekomen was, waren de menschen buiten gewoon stil.
daar de bewoners zich in de huizen hadden verstopt. En hij ging naar het
midden van het dorp en hij zag iemand en aan dézen werd door hem gevraagd :
» Waarom is het hier zoo verlaten door de menschen V" De man antwoordde :» O.
de lieden hier zijn bevreesd, dewijl tot hen gewoon is te komen de Grijpvogel
met twaalf koppen ; hij is gewoon hier te komen halen de Dochters des Ko-
nings: terwijl de Dochters des Konings vroeger 9 waren, is er thans nog maar
ééne, allen zijn weggenomen door dien Grijpvogel".
Toen ging hij recht door naar den Koning. Daar gekomen, vroeg hij
aan den koning of hij wellicht daar mocht blijven. De Koning antwoordde,
zeggende: »Het mag, maar indien . . . ne . . . het kan, heb ik u om hulp te
verzoeken." Kombangan zeide: »Het kan, maar wat is het, o Koning?'
Toen verhaalde de Koning al wat er gebeurd was gedurende acht dagen,
zeggende: De prinsessen mijne kinderen waren vroeger negen, maar er is nog
maar slechts ééne thans, daar de Grijpvogel met twaalf koppen ze allen is komen
lti
halen: eiken dag komt hij hier en eiken keer als hij komt is liet niet anders
dan wanneer de zon reeds hoog wil staan. Wanneer (het licht) verduistert,
terwijl de zon reeds hooger wil gaan. komt hij van het Oosten herwaarts gevlogen
en terwijl hij nog ver is. maken zijne tanden reeds veel gerammel, daa* zijne
tanden van enkel ijzer zijn. Straks zal hij weder komen, derhalve wanneer het
reeds duister is geworden en er een geweldig leven wordt gemaakt, dan is hij
het. Hij is het die mijne kinderen heeft vernietigd. Zie. de bewoners van het
dorp verstoppen zich allen voortdurend om hem in de huizen. Daarom, indien
het mogelijk is. dood dien Grijpvogel. Indien gij hem kunt dooden, zult gij
mijne dochter huwen die is overgelaten door den Grijpvogel en gij zult koning
worden iu inijue plaats."
Kombangan antwoordde en zeide : » Goed, ik zal het beproeven, maar
waar zal mijne verblijfplaats zijn om hem te belagen, o Koning?"
De Koning zeide: »Wat u betreft, blijf op het dorpsplein, daar worde hij
door u belaagd." Aldus nam Kombangan zijn zéér groot kapmes bij zich en
ging zijne plaats innemen op het dorpsplein.
Terwijl hij zich nu daar ophield, werd het niet lang daarna duister iu
het Oosten en rammelden de tanden van den Grijpvogel. En hij kwam steeds
uader aan en zag neer op Kombangan, die zich ophield op het dorpsplein. Toen
haastte hij zich nederwaarts om hem zoo mogelijk te grijpen, maar in één slag-
opwaarts slechts hieuw Kombangan een zijner koppen af. En Kombangan zeide:
»Koru weder nader bij (met je koppen)." De Grijpvogel zeide: » Je kunt er nog
een nemen om er mede te vechten, elf koppen nog heb ik over."
Toeu trok zich de Grijpvogel een weinig opwaarts terug. Maar het duurde
wederom niet lang of hij kwam weder nederwaarts en wederom wilde hij zoo
mogelijk maar Kombangan pakken. En wederom sloeg Kombangan opwaarts
een kop af. En Kombangan zeide weder: »Kom Aveder naderbij met je koppen.''
De Grijpvogel zeide: »Ge kunt er nog een nemen om mede te vechten, dappere
kerel, ik heb nog tien koppen." En de Grijpvogel week weder een weinig
opwaarts terug.
Niet lang daarna naderde hij wederom en wilde opnieuw zoo mogelijk
Kombangan grijpen, maar zoodra hij omlaag wilde grijpen, kwam er een slag.
zoo dikwijls als hij wilde grijpen kwam er een slag van Kombangan.
Zoo ging het den eenen keer na den anderen, totdat er slechts één kop
van den Grijpvogel overbleef. Hoewel hij echter nog maar één kop over had,
sprak de stumpert nog aldus: »Je kunt er nog een nemen om mede te vechten,
er is nog één." Aldus naderde hij weder naar beneden, zoodra hij weder zoo
mogelijk naar beneden Kombangan wilde grijpen, kapte deze met één slag opwaarts
zijn twaalfden kop af. Toen kwam hij naar beneden te vallen en drukte Kom-
bangan neder. Daar hij zéér zwaar was, had Kombangan niet meer genoeg
kracht, zoodat hij door den Grijpvogel werd nederwaarts gedrukt en zittende
17
kwam neder te vallen en daar stierf. Het is werkelijk geschied gelijk gezeo-d
was door Kombangan tot Tëwu-wa'tang en den Mawëris ; want zoodra Kombangan
dood was, verdorden de jonge bladeren van de pinangboomen door hem geplant.
Op dien dag slechts zagen Tëwu-wa'tang en de Mawëris dat de jonge bladeren
van den pinangboom verdord waren. Toen haastte zich Téwu.wa'tang te roeien
en legde aan op het andere eiland om den Mawëris af te halen en zij beiden
roeiden te zamen naar het eiland waar Kombangan was gestorven. Langen tijd
roeiden zij en kwamen aan op dat eiland en wierpen terstond het anker uit en
gingen in het dorp. Daar gekomen, gingen zij naar den koning om te vragen
waar wel Kombangan gestorven was. Zij deden de vraag.
Toen zij het gevraagd hadden, zeide de koning tot hen aldus : Wat hem
aangaat, de stakkert, ik heb zijne hulp gevraagd om den Grijp vogel met twaalf
koppen te dooden, die telkens mijne dochters heeft weggenomen ; maar daarom
heb ik hem aldus beloofd : Indien de Grijpvogel door u kan gedood worden,
zult gij mijne jongste dochter huwen, en in mijne plaats koning worden. Maar
nadat hij den Grijpvogel heeft gedood, heeft hij het niet meer kunnen uithouden
toen hij hem opwaarts wilde ophouden, zoodat hij door den Grijpvogel is neerge-
drukt en terstond is gestorven. Wat nu betreft de plaats waar hij gestorven is,
die is op het dorpsplein, maar zijn lichaam is thans reeds aan het vergaan.
Zij antwoordden, zeggende : Al is hij reeds verworden, maar zijne been-
deren moeten wij gaan verzamelen en aan elkaar hechten. Toen zeide de koning :
Goed, als hij weer levend wordt, dan zal slechts hij mijne dochter trouwen, die
is overgelaten door den door hem gedooden Grijpvogel. En hij slechts zal
koning worden in mijne plaats, want dit heb ik hem beloofd, voordat de Grijpvogel
door hem werd gedood.
En toen gingen zij naar het dorpsplein eu zagen den Grijpvogel, zoo
groot als wat wel ! Toen zij beiden daar waren aangekomen, kapten zij met
één slag de vlerken van den Grijpvogel af, ieder één, de eene werd opwaarts
weggeslingerd door Tëwu-wa'tang naar den voet der trap van zijns vaders huis
en de andere werd opwaarts weggeslingerd door den Mawëris naar den voet van
de trap van het huis zijns vaders. Daarna wentelden zij het lichaam van
den Grijpvogel weg. Nadat zij dit weggewenteld hadden, verzamelden zij de
beenderen van Kombangan en wikkelden die in wit lijnwaad en brachten die bij
de Koningsdochter. Daar hechtten zij die aaneen en de Prinses besproeide ze
met tooverwater. Nadat zij ze besproeid had bewoog hij zich opwaarts van
den grond, daar hij weder levend geworden was. Zoo is Kombangan weder
levend geworden. Echter was hij niet meer als vroeger, daar hij geen veelvraat
meer was. Daarna is de Prinses met Kombangan gehuwd en Kombangan is
geworden koning op dat eiland in de plaats van zijn schoonvader.
Verh._Bat. Gen. LVI, 3
18
AANTEEKENINGEN.
Kombangan, met a n gevormd van k o m b a n g »brok, brokstuk",
ook » groot en diep van wonden".
Kumombang in tja ju »groote brokken van een stuk hout af-
kappen".
De beteekenis van kombangan kan zijn »het stuk waarvan de brokken
worden afgenomen", dus »waar afgebrokkeld wordt', maar het kan ook beteekenen
»waar brokken zijn", d.i. »de persoon aan wien brokken worden toegeworpen".
Ygl. e n t o'a n »plaats waar, waarop ent o' (blijven) geschiedt, verblijfplaats",
a s i n a n » waaraan zout wordt gedaan", w u e i a n »aau wien eene vraag wordt
gedaan", re ge san »wat aan den wind (r ë g ë s) is blootgesteld'.
Naast kombangan staat de vorm k o m b a n g ë n, die o.a. Verh.
Bat. Gen. LY, Ie stuk, bl. 24 is opgegeven. Deze vorm beteekent »gulzigaard,
schrokker" en is een eigennaam voor honden. Het achtervoegsel ë n duidt
dikwijls aan »behept met een gebrek, tot zijn nadeel eenige eigenschap of
eenig gebrek hebbend, 't zij een lichaams- of een karaktergebrek, bijv.
k ë r i s, cascado (ichthyosis), kërisën »aan cascado lijdend", këmberën
»met strontjes (k ë m b e r) aan het oog'', w a r u'ni b u'v* n (1) »aan een
loopend oor (waru'mbu') lijdend", wërisën »met spikkels, moedervlekken
( w é r i s)", en in versterkte beteekenis van den geredupliceerden stam, bijv.
lalangun (1) «voortdurend dronken (lang u)", 1 i 1 i m u'u t ë n »zweeterig
zijn", van limu'ut »zweet".
Nevens deze beide vormen, staat nog in Tombasian-atas de uitspraak
lombangan, hetwelk eene verkorting moet zijn van Kolom bangan,
een frequentatieve vorm van Kombangan.
In het Bent. Ponos. en Sang. is kom bang »maag '; voor »gulzig"
heeft Sang. makombang, Mongond. motombong. Audere talen van
Noord- en Midden-Celebes hebben voor »maag, buik" dit zelfde woord in
eenigszins gewijzigde vormen, als : o m ba n g a (Talautsch), o m b o n g o
(Goront.), k o m p o n g (Mongond. Bobongko'sch, Loindangsch, Tontolisch),
o m p o n g (Tominische talen), k o m p o (Toradja'sche en Morische talen),
k o m b o (Banggaisch).
Ambalesa, uit am bale ésa »in één huis", bet. «huisgenoot", in
(1) Wordt ën gevoegd achter een woord dat met hanizah sluit, dan assimileert zich de é
van ë n met den klinker der eindlettergreep van 't stamwoord ; is deze eindlettergreep open, dan
trekt ë met den klinker daarvan samen.
19
't biz. »echtgenoot". Deze samenstelling is geheel tot één woord geworden,
met den klemtoon op de voorlaatste lettergreep.
M ë n g e n t o-n g ë n t o', van ë n t o' »lang, van tijd, lang geleden".
De woordherhaling is in het Tontemboansch onvolkomen ; de consonantische
eindsluiter (hier hamzah) van het grondwoord wordt bij het eerste lid van
den herhaalden vorm weggelaten, zie bijv. het eenige regels verder voorkomende
nimëngawë-ngawës, van den stam a w ë s.
A n d o'k o s a ; r o'k o s »hoofd", bet. ook, evenals het Mal. u 1 u, van
eene rivier, den oorsprong, de bron.
De regels van klankverbinding in het Tontemboansch vorderen dat r en w,
't zij midden in een woord, 't zij in den zin, onmiddellijk voorafgegaan door
een nasaal, te zamen met dezen tot n d, m b wordt. In het algemeen kent
het Tt. de d en de b niet, dan voorafgegaan door nasaal of door hamzah, ook
wel door hamzah en nasaal, bijv. w a'b a' en w a'm b a' »mond" s ë k ad en
s ë k a'n d »offerstafknop".
De -a in r o'k o s a is het pron. suff. 3e pers. e.v., hier op te vatten als
lidwoord of betrekkingswoord, dus »het hoofd", of »de bron, de oorsprong".
Verg. hetzelfde gebruik in 't Jav. Mal. enz. Sommige woorden komen nimmer
zonder dit pron. suff. voor, wanneer zij in eene bepaalde beteekenis gebruikt
worden, bijv. lal ai »sirih", lal ai na »blad", of liever »boomblad", daar het
suffix op den boom wijst waarvan het blad afkomstig is, terwijl lal ai. zonder
nadere aanduiding, het siri h-blad aanduidt. Als genitief-aanduider, zooals bijv.
in 't Jav. en Boeg. doet dit suffix geen dienst, zooals ook hier is te zien, waar
het gevolgd wordt door ?', genitief van s i, het lidwoord voor eigennamen, namen
van levende wezens en reeds bekende of genoemde levenlooze voorwerpen.
L o m b a g i, eene rivier in Mongondou, zie Meded. v. w. het Ned. Zen-
delinggenootschap, 1867, bl. 288. In Mongondou heet deze rivier ook Lom-
ba g i n. Vele Minahassische verhalen spelen in Mongondou.
Këmualinape'-mai tow. » Zoodra hij pas was geworden herwaarts
mensch", d. i. »terstond van zijne geboorte af". Muali »gedrag", lewo' ë
mualina »slecht is zijn gedrag", ook »wording, oorsprong". Het voorvoegsel
kë, voor een werkwoordstam gehecht, beteekent »met dat, tegelijk dat, zoodr:i'\
zooals te zien is in den in dit verhaal voorkomenden zin : K ë p a ' a n e r a i n
dintja'kasa im bë'tës, wo kës er eer a-mange isia i mawule-
wuleng-ai im bë'tës wawangkëran »Zoodra zij het gedruisch van den
waringin hadden gehoord en gezien hadden dat hij den zeer grooten waringin
kwam aandragen"; këaina am bia, ja nimauran » met dat hij daar kwam,
regende het"; këwua' i lansot »ten tijde dat de lansat vrucht draagt".
20
P e' »uog, ook ruaar", versterkt hier de beteekeuis van k ë, en is te
zamen daarmede weer te geven niet »zoodra maar".
De encliticae (m) ai en (m) a k o worden toegevoegd aan werkwoorden
van beweging, al naar dat de beweging wordt geacht naar den spreker toe of
van hem af gekeerd te zijn. Iets dat grooter wordt, opwast, zal doorgaans als
(m) a i » herwaarts" te groeien worden voorgesteld.
N g a r a n a n, passief van n g a r a n »naaui". Het achtervoegsel a n
vormt het passief der werkwoorden die in het actief indirect overgankelijk zijn
en hun voorwerp met het voorzetsel a regeeren. Men zegt dus : ngumaran
a si toja'ang »het kind een naam geven" ; tumimboi a si tjawajo
»het paard vasthouden", timboian-io' si tjawajo »het paard wordt
(worde) vastgehouden".
Met de pron. suff, verbonden : si toja'aug anio' ngaranangku
L o n t o', »ik noem dit kind L." ; si tjawajo anio' timboianu »dit
paard wordt door u vastgehouden".
Mgaranano iu Tjombangan; de enclitica o drukt hier den
historischen tijd uit; i* heeft hier de functie om het middel aan te wijzen,
dus »benoemd met K." ; tinong keitju im pati si munte anio' »ik
heb met een bijl dezen lemon-boon omgehakt".
S a p a k a (klemt, op s a) »wat betreft, aangaande", met s a gevormd van
a p a »wat, welke", s a p a, id. Het achtergevoegde k a, in het M a k e 1 a ' i-
dialect k ë m (dus : s a p a k ë m) is in dit woord en eenige andere een vast
bestanddeel geworden. Daar waar het niet met het woord is sarnencregroeid,
is het meestal te vertalen met »toch": het wordt dan gebruikt om aan te
duiden dat iets tegen het oorspronkelijke plan of tegen de verwachting, toch
geschiedt, bijv. wene'ka (wene'këm) eng kanënta »wij zullen toch
rijst eten"; niindoka i Sëmbël si tjawajo »S. heeft toch het paard
genomen", pit u ka se ko'ko'ta » onze kippen zijn toch zeven' (het valt mee).
Marae kakëli pënganën; marae »bovenmate, zéér, buitenge-
woon'', van rae »anders, verschil, variatie". Bijv. marae katowo sia
» buitengewoon leugenachtig is hij '.
Kakëli van këli »veel", kakëli »hoe veel! welk eene veelheid,
welke eene menigte!"
Pënganën, van kan »eten", bet. »hetgeen gewoonlijk wordt gege-
ten", zooals pëngëlëpën »hetgeen gewoonlijk wordt gedronken", van ë 1 ë p
» drinken".
A si tjatarenape' i nitjuman »op zijn eersten keer pas, van te
hebben gegeten". Katare of katare-tare »de eerste in tijdsorde"; het
21
pron. suff. 3e pers. doelt op Kombangan en de i is een betrekkings woord dat
nitjuman van katare-tarena doet afhangen.
Dikwijls vindt men i gebruikt tusschen een woord en zijne nadere
bepaling, bijv. sera i raëkarëtuk »zij die met elkaar bevriend zijn", kita
i maumung am bia »wij die hier zijn verzameld", kami in ëpat »wij
met ons vieren"; aitjuaku in si wale itu, ja a mongena i lalan »ik
heb gezegd dat dat huis aan de Noordzijde van den weg was".
Sanga-wëwëroian ën tëwi' »een kilo-maat vol was de gestampte
rijst". Wëwëroian, van wëroi »storten", dus: »plaats waarin (-an) door-
gaans (reduplicatie) iets wordt gestort". Het is de benaming voor eene maat
waarin ongeveer 1 K.G. gestampte rijst gaat.
San ga-; uit sa »één" en nga- een voorvoegsel dat waarschijnlijk uit
k a- is ontstaan. Het wordt gevoegd voor alle substantieven, die in de hoedanig-
heid van maatwoorden met de telwoorden worden verbonden. Wellicht heeft
de nasaal van het lidwoord of betrekkingswoord ë n g de tenuis van k a ver-
dreven, zoodat bijv. tëlu ngaro'ong »drie dorpen vol" zou staan voor
tëlu *ngkaro'ong, gelijk men ook zegt tëlu *n do'ong voor »drie
dorpen". In het Sangireesch althans worden de zelfst. naamwoorden, die als
maatwoorden met den kortsten vorm der telwoorden worden samengesteld, met
k a- gevormd, dus sëngkatau (zooveel als, zoo groot als) één mensch",
tëlu ngkaorasë »drie uur lang". Zie Sprkk. bl. 82.
Dit n g a- is dus van het maatwoord onscheidbaar, zie bijv. het even
verder voorkomende r u a o nga wëwëroian » reeds twee maat vol", maar
de tweelettergrepigheid der samenstelling s a n g a heeft het voor het spraak-
gebruik tot een afzonderlijk woord doen worden, zooals blijkt uit de herhaling,
wanneer het distributief wordt gebruikt, bijv. sanga-sangaro'ong »elk
dorp afzonderlijk".
Nimëngawë-ngawës »is steeds blijven toenemen", een actieve
vorm met ng van awüs »genoeg", als w.w. gebruikt »bijvoegen". M ë-
met nasaal tusschenzetsel wordt voor den herhaalden stam gevoegd, om aan
te duiden dat het subject steeds voortgaat met het verrichten der handeling,
bijv. mënowa-nowat »steeds blijven antwoorden", van sowat (sumo-
wat, masowat enz.) » antwoorden".
Kapituan »tot zeven (p i t u) geworden", dus: a si tjapituan
ngando »op het tot een zevental vol zijn de dagen".
S i a nitjuraano ala'mbak »hij heeft reeds gegeten % gantang".
De enclitica -o, die dikwijls ons »reeds" is, bij de perfectieve vormen, maar
ook vaak met het Mal. -1 a h in beteekenis overeenkomt, is aan het Matana'i-
22
dialect eigen, het Makela'i gebruikt ë m of m, het Tomboeloe'-sch en het
Bare'e gebruiken -m o. De onderstelling ligt dus voor de hand, dat de beide Ton-
teraboansche dialecten elk een deel van dit oorspronkelijker ni o hebben behouden.
A 1 a ' m b a k is met a- gevormd van 1 a ' m b a k »half, de helft, hal-
verwege, een halve gantang"; het komt nooit voor met sa-, bv. sangala-
'm b a k, wellicht staat het dus voor sala'mbak.
Het Tomb. heeft 1 a w a k in de beteekenis »half" en K a 1 a w a k a n,
de benaming van eene plaats die halverwege tusschen hemel en aarde ligt.
Makawangko' »hoe langer hoe grooter, steeds grooter wordende".
Het uit ma-f ka ontstane voorvoegsel m a k a- heeft een aantal
beteekenissen, waarin de grondbeteekenis van k a- »tot een geheel gekomen,
een volkomen vorm bereikt hebbende, niet meer in staat van worden, maar in
dien van zijn verkeerende" duidelijk uitkomt. Daar m a-, voor adjectief-
stammen, de beteekenis van »worden" heeft, bijv. m a w a n g k o' »groot
worden", heeft maka vaak de bet. »worden tot hetgeen de vorm met ka-
als geheel zijnde aanduidt, dus : hoe langer hoe meer worden, steeds tot meer-
dere volkomenheid brengen, wat het grondwoord aanduidt, bijv. makaëlur
» stiller worden", makalewo' »slechter worden", makaako »nog meer
Westwaarts (a k o) gaan".
Makaako ë lalan, makalewo' »hoe verder W. waarts de weg,
hoe slechter", makaure makaaio ko »hoe langer (u r e) hoe meer her-
waarts (ai) gij komt"; nimakaakoosia »hij is nog meer W. waarts
gegaan" ;makagogaro ëmpagër »de heining wordt hoe langer hoe losser".
Aka-akar(ë)na i makano »totdat hij reeds ging eten", eene
dergelijke uitdrukking als het reeds boven behandelde: a si tjatarenape'
i nitjuman, want ook hier doelt het suffix -n a op Kombangan.
Makatëlu *n tewi' »driemaal de rijst", die zoo even is genoemd,
nl. in de wantang (mand van 1 gantang = 1 / 3 pikoel), d. i. dus: drie
gantang of 1 pikoel.
Pailëkën-ako; de enclitisch gebruikte vormen ak o, itjo, io', die
in het algemeen eene richting van den spreker af aanduiden, worden vaak
gebruikt in de beteekenis van ons »nadat", inzonderheid ako, terwijl ai, ange,
e k o en o n g e, die eene richting naar den spreker toe aanduiden, nimmer met
»nadat", maar dikwijls met »toen" zijn te vertalen.
Mekaapu re'e iaku »hij wil mij opmaken". Het voorvoegsel m ë-
duidt aan » zullen, willen, gaan doen wat het grondwoord aanduidt".
Van k a a p u «einde" wordt het grondw. a p u, (Parig. o p u) niet meer
23
gebruikt, de afleidingen worden gevormd van k a a p u, bijv. kumaapu,
makaapu »eindigen, opmaken", kakaapuan »einde".
Patengkukë' »worde gedood door mij slechts". Dit ké' beteekent
hier »niet anders dan"; de vader wil zeggen dat er niet anders op zit, dan dat
hij zijn schadelijken zoon doode ; p a t e n is samengetrokken uit p a t e en ë n
» wordt, worde gedood, te dooden". Zoo is ook het een weinig verder voorko-
mende towan, in sia towano i amanga »hij werd geroepen door zijn
vader", uit t o w a en en samengetrokken.
Mangeta palun staat voor mange palunta, »wij gaan sago
kloppen"; dergelijke »hulpwerkwoorden", zooals men ze zou kunnen noemen,
trekken gewoonlijk het pron. suff. tot zich.
Mëmaja-maja'oka sera » terwijl zij gingen"; de duratieve betee-
ken is dezer uitdrukking ligt evenzeer in de woordherhaling als in het achter-
gevoegde -o k a.
Përë'mbaano in a'kël »op het punt van te worden bevallen door
den suikerpalm", van m ë r ë ' m b a »willen vallen, zullen vallen, gaan vallen".
Tumongkeio, rumë'mbao, enz. ; de -u m-vorm met -o is hier,
zooals veelal in verhalen geschiedt, als historische tijd gebruikt.
Itjatëka'; het voorvoegsel i t j a-, ontstaan uit i -)- k a, vóór den
w. w. stam gevoegd, heeft de beteekenis : zonder opzet of eigen toedoen, dus
bij geval (accidenteel) geraakt in den toestand door het grondwoord aangeduid.
De bet. van itjatëka' is dus meer die van ons » terecht gekomen, aangeland",
doch het wordt gewoonlijk in den zin van ons »gekomen, aangekomen" gebruikt,
en de perfectieve vorm aitjatëka' in dien van »is aangekomen, is er al".
Andere voorbeelden: itjaako » bij toeval in het westen beland, zonder opzet
W. waarts geraakt", itjaënda' »bebloed geraakt", i t j a g e ' e 1 (ë) k u si
sera' anio' »ik kom te walgen van dit vleesch" ; aitjagioo ën amona
en aitjalëpok-wo »zijn gelaat is komen misvormd te worden, doordat hy
vroeger is komen te vallen".
Pënana'an, van den stam ë n a' »vredig, kalm, rustig", waarvan
p a ë n a ' a n » verblijfplaats". De vorm pënana'an, uit p ë - ë n a - ë n a ' a n
»de plaats waar, de persoon bij wien men gewoon is te verblijven", heeft in
het spraakgebruik de beteekenis van » echtgenoot", biz. » vrouw" gekregen,
bijv. si pënana'an i Liwe »de vrouw van Liwe", terwijl si mënana
a si Mama ja »hij die bij M. woont" beteekent »de man van Maroeaja".
24
Si Tjëli-pënganën »hij van wien veel is hetgeen hij gewoon is
te eten", dus: »de Yeeleter".
Tinimboianakë'-niai »is door hem slechts beetgepakt herwaarts':
tinimboian. perfectieve vorm van timboian. wat weder het passief is
van t u m i m b o i a. Is het actief direct o vergankelijk, zooals bijv. rum an gat.
dau is de passieve vorm rangatén » wordt, worde geroepen' . waarvan weder
de perfectieve vorm is r i n a n g a t. Van marangat » roepende, bezig met
roepen"' is dan de passieve vorm parangatën en van mërangat »wil.
zal. gaat roepen" përangatën. terwijl een niet direct overgankelijk werkwoord
deze vormen met pa-an. pë-an vormt, dns pa-, pëtimboian.
Pakapaluna-mako » nadat hij geheel gereed was met sago-
kloppen". Hierin is mak o met »nadat" weergegeven, zie boven. Het voor-
voegsel p a k a-. nominale vorm van m a k a. heeft hier de beteekenis »geheel
en al doen. volkomen doen. afmaken de handeling die het grondwoord uitdrukt",
bijv. en tan de p a k a a i e n o-m a n g e e rombit »de mais is geheel en
al (allemaal) weggenomen door de dieven": pinakagula ëm pe' »al de
palmwijn is tot suiker gemaakt".
De vormen pakapalun a-m ako en alinao zijn hier weder als
historische tijden gebruikt.
Ko topukën, een scheldwoord, beteekenende : gij moet doorstoken,
doorregen worden, zoodat gij plotseling komt te sterven.
Kaju iparuruk: ruruk (dial. 1 u 1 u k) bet. »hout schuiven naar
of op het vuur", bijv. a k u rnmuruk in t j a j u a n a p i. »ik schuif brand-
hout in het vuur": rurukan in tjaju eng kure' »beschuif met het hout
de rijstpot. schuif brandhout naar den rijstpot toe": i ruruk éng kaju an
api »met het hout worde geschoven in het vuur". Zoo is dus kaju iparu-
r u k »brandhout". woordelijk »hout waarmede men schuift (duratief, gewoon
is te schuiven) in het vuur".
Wawangkëran: de geredupliceerde vorm. met suffix -a n. vau een
adjectief-stam gevormd, duidt een zéér hooge mate der eigenschap aan, die het
adjectief uitdrukt, bijv. këkëlian »zéér veel", kokolëkan »zéér kort",
kukulo'an »zéér wit", lalambotan »zeer lang", sasama'an »zeer
goed".
W ë t e s er eene algemeene benaming voor groote boomen met hang-
wortels en met lianen begroeid: het behoeit niet altoos juist een waringin te
zijn. Ook is wë'tës de naam van het Zevengesternte.
25
1 p ë 1 a ' u-1 a ' u s (ë) n a o wo'o ipë wangen am bale *m b ë '-
t ë s; de bet. van 1 a ' u s is » doorgaan", i p ë 1 a ' n-1 a ' n s (ë) n a (de Ö tusschen s
en n dient alleen om de verbinding s n op te lossen), passief van mëla'us
»willen doorgaan", met de instrumentale i-; i p e w a n g e n is dezelfde vorm
van wangen »leunen, steunen", terwijl wo'o is weer te geven met »mo-
gelijker wijze, zoo mogelijk". De vorm met ipë- geeft dus hier op fijne wijze
aan wat K. wel gaarne had willen doen, maar door de omstandigheden niet
kon verrichten. »Hij had er wel in eens mee willen doorgaan en zoo moge-
lijk den boom tegen het huis doen leunen, maar . . . enz."
I w Ö t a n a o-m i o' ë m b ë ' t ë s »hij liet nederwaarts los, liet naar
beneden vallen (met) den waringin"; de i- heeft hier weder betrekking op het-
geen waarmee wordt omgevallen. W ë t a' is waarschijnlijk een bijvorm van
w Ö k a r »nederlaten, naar beneden laten", van welk laatste woord t i m b u k a r
» grafstede, graf teeken", dus » plaats ^urn) waarin het lijk wordt nedergelaten"
is af te leiden.
Mama', van a m a', als roepwoord voor » vader", is evenzoo gevormd als
n i n a', t i t o', p a p o', van i n a' »moeder", ito' »oom" en a p o' »grootva-
der, grootmoeder". Door herhaling van den begin-consonant der tweede letter-
greep wordt het woord in den vorm eener herhaling der zelfde lettergreep
gebracht.
Makaateo, van a t e, met achtergevoegd -o en voorgevoegd m a k a.
In dit woord heeft m a k a de beteekenis van »kunnen, in staat zijn te doen wat
het grondwoord aanduidt" of bij stammen die een zoeken, streven, trachten be-
teekenen, »gevonden, bereikt, geraakt, verkregen hebben, wat het grondwoord
aangeeft, geslaagd zijn in het streven", bijv. m a k a a i » kunnen herwaarts
komen", makakambe »kunnen omvatten" ; makagirot(ë)ka ko?
»kunt gij vertellen?"; makaere »vinden, geslaagd zijn in het zoeken (ere),
makaindo »overwinnen, geslaagd zijn in het nemen, halen (i n d o), hebben
kunnen te pakken krijgen", makailëk »te weten komen".
Makasa »éénrnaal, ééns", van ë s a, dus uit makaësa; a si
öndooka makasa »op den dag terwijl éénmaal", ook wel, met weglating
van ëndo, a si makasa.
W a 1 u n ë n »iets dat tot teerkost (w a 1 u n) kan gemaakt worden, wat
op reis als proviand te gebruiken is".
Akar i makatajang » totdat hij heelemaal ver was", d. i. »zoo
ver hij maar kon, zoo ver mogelijk".
26
Salu, sumalu »eene rivier volgen, den loop eener rivier nagaan",
mcnal u-n a 1 u, voortdurend den loop der rivier volgen". Zie het boven bij
m ë n g a w ë-n gawes opgemerkte.
Papa i-p a i 1 ë k Ö n : hier is de woordherhaling bijna tot reduplicatie
geworden, daar slechts de beide lettergrepen p a i zijn herhaald, na het causatief-
voorvoegsel p a-. De beteekenis is : »liet hem voortdurend zien, toonde hem
voortdurend '. Het is waarschijnlijk de drielettergrepigheid van p a p a i, die
deze verkorte woordherhaling heeft veroorzaakt, daar zonder het causale p a-
de vorm luidt p a i 1 ë-i 1 ë k ë n.
W a t u-w a t u »de verschillende steenen". Deze beteekenis der woord-
herhaling bij zelfst. naamwoorden, nl. die van een meervoud met verscheidenheid,
is zeer gewoon in het Tt.
Mémbataruanta; de vormen met voorgevoegd m e- en achter-
as o
gevoegd -a n hebben de beteekenis van wederkeerige werkwoorden. Zij worden
in den Adhortatief met het pron. suf'f'., in den Indicatief met de volle vormen
der pron. pers. geconstrueerd, dus : mëmbataruan kita »wij gaan samen
wedden" ; zoo ook mëntëlësanta »laat ons samen handelen", men-
télësan kita »wij koopen van elkaar", mémbu'unanta »laat aan ons
elkaar verkoopen", m e m b uu n a n kita »wij verkoopen aan elkaar".
Ja m e'e of a m e'e van w e'e »geven", dus »geef!' in de beteekenis
van »laat het zoo zijn, komaan, nu goed dan", zooals iemand zegt die in een
voorstel bewilligt.
Sa k a i t j e' i t j a p a s o t (é) k u k a ; de beteekenis van k a i t j e' is
hier weer te geven met ons : »ik nu eens, ik op mijne beurt eens". In dezen
zin is het een nederigheidsuitdrukking van iemand die van zich zelven spreekt.
De vorm i t j a p a s o t (ë) k u k a is van den stam pasot »slinger",
masot, mapasot »slingeren. een slinger gebruiken". Het voorvoegsel
itja- is reeds boven besproken. Het achtergevoegde -ka, waarover ook reeds
boven is gesproken, kan hier worden vertaald met een nadrukkelijk »wèl",
daar het in tegenstelling is gezegd tot het eenige woorden vroeger voorkomende
r a i t j a.
De geheele zin is, ironisch, zeer npderig gesteld, aldus : » indien ik, op
mijne beurt, hem toch wèl kan komen weg te slingeren".
K a m a s a n, met -S n gevormd van k a m a s a, samengetrokken uit
kama »hand" en ë s a »één"; kumamasa, makamasa »iets verrichten
27
met ééne hand", kamasan in tumimboi Öng kusi »vat het bord aan
met ééne hand", kamarua »met twee handen iets verrichten".
S ë r a't o w »menscheneter", van sera', Makela'i s ë d a', s u m e r a'
»vleesch eten". De gewone naam van dit mythische monster, die ook verderop
in dit verhaal wordt gebruikt, is si M a w ë r i s, te Ka'kas (dial. van het
Tondano-sch) si M a w é r i-w ë r i s. Zijne woning ligt te midden van een groot
en somber woud, tusschen steenachtige bergen en rotsen. De Tontemboan
wijzen die woning aau in de kloof tusschen de bergen W o w i s en L e n g k o'a n,
ten W. van het dorp Lëilém. Naar het volksgeloof heeft de M a w e r i s eene
reusachtige menschengedaante, met angstwekkend uitzicht en lange scherpe
nagels; hij bezit het vermogen om de gedaante van een vogel aan te nemen,
soms klein, soms reusachtig groot, en vliegt dan den nachts bij duister weer
met groote snelheid door de lucht, voortdurend zijn naam roepende : r i i s,
w ë r i i s ! menschen en dieren doodende, het bloed uit de lichamen zuigende,
lever en hart verzwelgende, boomen beschadigende.
In den MawPris is verpersoonlijkt de Stormwind, die door de berg-
kloven giert, door zijne kracht wolken voortdrijft, de planten, zells de laagst
groeiende, beweegt en door zijne guurheid ziekte en dood verspreidt. De
benaming m a w ë r i s, van den wortel r i s, is blijkbaar eene nabootsing van
het geluid van den wind, als deze scherp fluitend blaast, door eene nauwe
opening giert, in kloven en bergengten huilt. De naam is te vertalen met
»de wöris roepende". De Tontemboan zeggen: si Mawëris mawang-
kër-ako e matëkek, marangk a'-m ako e makumpe' (of:
m a k o 1 ë k) »de M. wordt telkens groot en dan weer klein, hij wordt telkens
lang en dan weer kort".
Bij de Tomboeloe' is de Mawëris bekend onder de benamingen si
S i o w Enrur en P i k p i k. Zie verder Verh. Bat. Gen. Deel LV, 1 e stuk,
bl. 1, 22, Noot 1.
M a i o a s i r o'o n g »toen zij aan dat dorp kwamen ', zie het boven,
bij p a i 1 ë k ë n-a k o opgemerkte.
Papatulin; de stam is t u 1 i »eene plaats aandoen op zijn weg ';
eerst is de duratieve vorm van 't passief p a - é n van dezen stam gemaakt
en daarop het causatieve p a- voorgevoegd, dus » wordt gelast om aan te gaan
(om iets te vragen of te halen)', mangen; de n is veroorzaakt door de
volgende s in s i a.
De oorspronkelijke vorm is e m, een overblijfsel van het enclitische
-m o, dat boven bij ngaranano is besproken. In het Makela'i vervangt dit
em geheel het -o van het Matana'i, maar in de vormen mongem, me kom.
mitjom, mak om, mio'om en mangem komt het ook in het Mt. voor,
waar het dus is gevoegd achter monge » No ordelijk", meko »Zuidelijk",
28
mitjo »Oostelijk'', mako » Westelijk", m io' »afwaarts", m ange »opwaarts".
Bij mio'om is reeds ë geassimileerd aan de o' van raio'; ra'iom »reeds
gedaan, niet meer', bestaat uit ra'i -\- o -4- m. Dit zijn de eenige dergelijke
vormen in het Matana i.
A i r u ' n d u', perfectieve vorm van i r u ' n d u' ; het voorvoegsel a-, dat
waarschijnlijk verkort is uit n i m a i, wordt tot vorming van perfectieven gevoegd
voor de passieven met i-, das in den vorm a i-, voor den enkelen of reeds van
andere prefixen voorzienen stam. Dus ai tja-, perf. van itja-; ai pa- van
i p a-, causatief; aipaka-, van ipaka-, uitdrukkende dat de handeling volledig
is geschied ; a i p a p a- van i p a p a-, om uit te drukken hetgeen men heeft doen
geschieden en aip^ki- van ipfki- »is op verzoek geschied".
In het Makela i wordt ook van de actieve vormen, die in het Mt. een
perfectief met voorvoeging van n i- (thans in de uitspraak reeds afgesleten tot
i-) vormen, in plaats van n i-, a i- voorgevoegd ; deze vorming is echter beperkt
tot de stammen met ingevoegd um-, die met 1, r, k, t, s, g, n, ng, begin-
nen, bv. aitjuman of aikuman, Mk., (n) i t j u m a n, Mt., perf. van kuman,
kan »eten".
Përakanën, van den stam ra kan, r u m a k a n, enz. »vleesch
koken, voeder voor dieren koken". Men zou den vorm parakanën ver-
wachten, passief van m arakan »aan het koken zijn", maar përakanën
neemt hier de plaats in van peraka-rakanën »die aldaar werden gekookt.
Aiwëimbën, van den stam wëimbën »opsluiten in een hok".
De wortel van dezen stam is w ë n, waaruit de stam is ontstaan door herhaling
met palataliseering. Op dezelfde wijze is gevormd de plantennaam 1 é i 1 ë m
uit den wortel 1 ë m, Clerodandron Minahassae, tuintung » voorhoofd ', van
tung, raindang »rood'", van den wortel rang.
lpawile-wileioka-mio' »telkens om en om, op en neder gaande",
i ; langi
van den stom wil ei »rond, langwerpig rond'. Vandaar ook de naam der
manffffa-vrucht k a w i 1 e i.
'oo
P i s o w » kapmes " ; de afleiding van het Mal. p i s a u uit het Chineesch
kan moeilijk juist zijn, daar de To Napoe als gewone benaming van het zwaard
p i h o hebben, naar de klankwetten hunner taal uit pisau ontstaan. Het is
niet aan te nemen dat dit rooversvolk uit het Centraal-gebergte van Midden-
Celebes geen eigen naam zou hebben voor het wapen dat zij bijna nimmer afleggen.
Tumumbël, eene lengtemaat, metende van den top van den middel-
29
vinger tot den oksel, dus de volle lengte van den arm, indien deze vlak aan
het lichaam ware afgekapt. Vandaar de naam, immers de stam tumbél
beduidt »een tak vlak bij den stam afkappen".
Pakon, eene lengtemaat: de breedte der hand, gemeten van het uiteinde
van den duim, die rechtuit van de hand af is uitgestrekt, dus ongeveer een
halve Rijnlandsche voet.
Mëkele sitjun; k e 1 e, Mk. tanu, Mt. »gelijk"; samengesteld
met a ' i »deze, dit", worden deze woorden tot k e 1 a ' i en t a n a ' i »aldus,
gelijk dit". Deze uitdrukkingen, die typisch zijn voor de beide dialecten van
het Tontemboansch, zijn de benamingen geworden waarmede zij genoemd
worden. De sprekers zijn dan se Matana'i en se Makela'i.
Mékele »aan elkaar gelijk zijn".
Sitjun, van sitju »elleboog", met achtervoegsel -ën; daarmede
wordt aangeduid eene lengtemaat van den top van den middelvinger van den
uitgestrekten rechterarm tot den elleboog van den in tegengestelde richting
gestrekten linkerarm, dus ongeveer s / i vadem.
T o m p o s i (klemtoon op de voorlaatste), een lengtemaat van den top
van den middelvinger tot aan den elleboog, dus de aloude el.
Kinaialian in tje'arera »elk hunner dragende zijn eigen krom
hakmes".
De stam van kinaialian is van ali »brengen, dragen". Had men hier
met den vorm kinaalian te doen, dan zou de verklaring eenvoudig deze zijn :
een perfectieve vorm, met -in- gemaakt van een met k a - a n afgeleid woord,
zooals bijv. kinaënda'an »niet bloed bevlekt geraakt", kinaapian" »in
brand geraakt', kinaarian »plaats waar is zoek geraakt". Maar in den vorm
kinaialian is nog een voorvoegsel i - onverklaard. In het algemeen wordt
deze vorm thans niet meer gebruikt en nog slechts weinigen verstaan hem.
Hier volgen nog eenige voorbeelden met vertaling:
Kinaipatean si tjo'ko' aiweteng an isia »door ieder werd
gedood de kip die hem was toebedeeld".
Sa karuu mi o' an dan o, kinaiwulengan aas u »indiengijl. naar
het water gaat, zij door ieder een water-bamboe gedragen".
Kinaiwajoan in tjusi tjinanan si ësa wo si e sa »door ieder
werd gewasschen het bord waaruit door elk was gegeten".
Tio'o mindo-indo in tjarai e walina, eng kinai tjaraian
in tjaraina »neemt niet het baadje van anderen, want ieder moet zijn eigen
baadje gebruiken".
Kinaiëlëpan im pe'na »door ieder werd zijn eigen palmwijn
gedronken".
30
Kinaialian in ë k e 1 e ësa *n.tunturan »door ieder werd zijn
visch gebracht".
Kinaisaputau »door ieder werd zijn deel ingepakt".
Kinaiwarengan im pe' paal in »door ieder werd overgeschon-
ken de palmwijn door hem gebracht".
De vertalingen dezer zinnen brengen terstond tot vergelijking van het
hier aangetroffen voor voegsel i - met het Sangireesche s i, bestanddeel van het
samengestelde prefix m a s i' en verder met Tag. m a g s i -, Bis. n a s i g -, Bat.
m a s i. Zie Sang. Sprkk. bl. 112, 113. Evenals het Sang. si' geeft het Tont.
i- aan »eene handeling door velen verricht, op dezelfde wijze en ieder voor zich
zelven". Dat het prefix in het Tont. reeds de s heeft verloren, zal wel hieraan
zijn toe te schrijven, dat het niet meer wordt verstaan en dus bezig is te verdwij-
nen. Het moet dan ook tot de verouderde voorvoegsels worden gerekend, die
nog slechts rudimentair aanwezig zijn.
Kasaanu in tumongkei » worde door u met één slag omgekapt '.
Eenige regels verder is te vinden de vorm pinakasa-kasaanera
»is telkens door hen slechts met één slag gekapt". Deze vormen stammen van
het grondwoord ësa »één, eenig, alleen".
Punten » eiland" staat fouetisch gelijk met een kra ma-vorm van Jav.
Soend. Tomboel. p u 1 o, Mal. p u 1 a u. In Sang. Spraakk. bl. 62 Noot 1 is
reeds gewezen op het Sang. b e n t e n g, een Sasahara (pantang)-term naast bua'
»opstaan" en op bohinting » gespikkeld, van kippen", naast k a m b o h e-
s a n g »bont geteekend, van id". Zoo vindt men de Jav. vormen tuduh en
t ë d a h, die als Krania en Ngoko naast elkaar staan in de bet. »aanwijzing,
terechtwijzing", beide terug in de Bare'e synoniemen patudju en patada
»vermaning, terechtwijzing, inlichting". Het Parigisch noemt »kokosmelk" sari,
het Jav. santen is de kra ma- vorm daarvan.
Wawu' i tjolano »dochter des kouings". De Minahassische stammen
hebben nimmer een hoofd gehad dat den titel k o 1 a n o voerde ; het is dus
twijfelachtig of dit woord wel in de Minahassische talen thuis behoort. De
titel wawu', voor de dochters van een k o 1 a n o is dan misschien ook over-
genomen. Het Sangireesch heeft b a w u', het Talantsch wawu als titel voor
jonge vrouwen van hooge geboorte ; voor oudere vrouwen en voor mannen is de
hoogste titel m a w u, dat in de Minahassische talen niet voorkomt.
N i ê n a n, van ê n, »ja", dus: niênan i tjolano » er is ja op
gezegd door den Vorst".
T ë n g a', pinang. In de animistische beschouwing behoort de pinang
31
tot de meest zielestof-houdende gewassen, zoowel omdat hij als een hooge boom
uit eene kleine vrucht opgroeit, alsook omdat de vrucht bedwelmende kracht
heeft. In de Bare'e overlevering worden andere planten voor het hier beoogde
doel gebruikt, maar steeds valt de keuze op gewassen die als zielestof-houdend
bekend staan.
K a r ë n g a n, van den stam r ë n g a n, Mal. d ë n g a n, Sang, d i-
ng a n g, Bar. r o n g o, Parig. r a n g a, enz. In het algemeen beteekent dit woord
»makker, gezel", in het Tt. » tijdgenoot", rénga-rëngan » geleidegeest",
d. i. dus ook degene die tegelijk met de persoon wiens geleigeest hij is, wordt
geboren. Als bepaling bij namen van dieren en planten beteekent karëngan
de soort die oorspronkelijk inheemsen is, in tegenstelling tot de ingevoerde,
uitheemsche soorten, bv. w a w i tjarëngan »inheemsche varkenssoort". In
deze beteekenis is karëngan synoniem met Sang. kahëngang »echt,
waar" (waarin h ë n g a n g dus een bijvorm van het bovengenoemde dingang
is), doch ook »oorspronkelijk, inheemsen", bijv. in areng kahëngang
» oorspronkelijke, inheemsche, echt Sangireesche naam" dien de Sangireesche Chris-
tenen nog veelal naast hun Christelijken naam hebben; van iemand die H a n a,
Sompo Lawo' heet, is dus Hana (Hanna) de areng sahani en Som po
L a w o' de a r e n g kahëngang.
Verder is karëngan een modaal woord tot uitdrukking van hetgeen
moet of behoort te geschieden, bijv. karen gana sere-serenu mange
»daar moet gij goed naar kijken".
Kiong-kiong is eigenlijk de naam van den grooten kiekendief, die aldus
heet naar zijn geluid. De rol dien deze roofvogel hier speelt, wordt in de Torodja-
sche verhalen vervuld door de kuajangi, een vischarend, of door de tob o-
n g k i 1 o, een kiekendief, voor welke vogels men soms weder den vogel G a r u d a
gesubstitueerd vindt. Het schijnt dus dat deze roofvogel-verhalen niet geheel
onoorspronkelijk zijn, maar dat de Garuda-figuur later wijzigingen in de oor-
spronkelijke voorstellingen heeft gebracht.
Daar de woordherhaling in het Tontemboansch eene onvolledige is, kan
de vorm van het woord kiong-kiong bevreemding wekken. Men zou ver-
wachten kio-kiong, of ngkio-ngkiong, het laatste naar het model
mbila-mbilang » landschildpad ', van den stam w i 1 a n g, dus ontstaan uit
wilang-wilang, waarbij de n g van het eerste lid is samengetrokken
met de w van het tweede, tot mb, aan welken beginner van het tweede lid
die van het eerste is gelijk gemaakt. In talon-talo'd » bamboe om op te
slaan tot het geven van seinen" is het eerste lid behandeld alsof het grondwoord
t a 1 o ' n d was, een vorm die zeer gemakkelijk uit t a 1 o ' d ontstaat, maar die
van het tweede lid niet is gemaakt. Kiong-kiong is een klanknabootsend
32
woord, waarin de n g, die zich vóór de k zoo gemakkelijk handhaaft, is blijven
staan, doch niet vóór den beginner van het eerste lid is aangevuld.
T a ' a n sa re'e w o ' o u a n u »maar indien, mogelijker wijze ....
dinges '"; hier is nagedaan het aarzelend spreken van iemand die niet
goed met zijn verzoek durft voor den dag komen. Het aan a n u voorafgaande
u is weder eene verkorting van a n u, die ook, naast n u, in het Bare'e voorkomt.
Se ana'ku; de vorm a n a' wordt gebruikt met de pron. suff. -k u,
-m u, -n a, -t a, dus ; ana'ku, a n a ' t a, maar met -a m i, -i o w en -era
wordt de vorm a n a k gebruikt.
T u 1 u s, als w. w. hechten, goed sluitend aaneenvoegen; als zelfst. n.
w. is het de naam der heilige bezoar-steenen, die de w a 1 i a n vroeger in de
p a t o k a (mandje voor geheime en heilige zaken) bewaarde. Men had t u 1 u s
i m p i s o k, t. in t j o ' k o', t. i m p o ' p o', t. in t j a wok, bezoar-steenen
afkomstig van zwaluwen, kippen, kokosnoten, muizen, en ook tulus in tjilat,
belemnitis, beschouwd als tanden van het dier dat door zijn gebrul den donder
veroorzaakt. Deze steentjes werden door de w a 1 i a n ook d i o s genoemd, het
Sp. Dios „God", dat ook in den tweeden naam van het in de Inleiding be-
sprokene rano lala ofrano ma'dios, mandios voorkomt.
Ja isiaka *n tumane a si ana'ku »dan is hij het toch, dan
blijft het er bij dat hij het is, die mijn kind zal huwen". W o isiaka
maindo kola n o »en hij blijft het die vorst wordt". De beteekenis van
het enclitische -ka »toch, tegen de verwachting in, al lijkt het onwaarschijn-
lijk", komt hier zeer duidelijk uit.
II. BARE'E-TEKSTEN.
(Dialect van Poe'oe mBoto).
Sese nTaola.
Laolita i Sese nTaola.
Mosomborimo Ta Datu pai Indo i Datu, masae karoo-roonja, napoanamo
i Sese nTaola. Napakoromo inenja pai setu umanja be napokono. Da nape-
pate umanja, mesono inenja: Ne'e nupepate, jaku mompakoroka. Djadji,
napoana wo'u au we'a, i Gili mPinebetu'e; mesono umanja: Jaku da mo-
mpakoroka au we'a. Are'epa bae mpotao i Sese nTaola, natudumakamo ri soma,
napepate nu umanja, napepate se'e, be mate, dja penainja madja'a, marompi.
Naoremo ri ra mbanua, sawi lairia, nato'o umanja, ndjo'u wo'u ndato-
woka nunu ndapampere, maka mantjuru katuamanja pai napokalose ngkasugi
nu anangkodinja, maka maria ajapanja pai aga 2 nja, napepali. Djadji ndjo'u,
napereka nunu da nakamate pai napalaika, djadji monggale 3 anangkodi setu,
napasa'a nunu keira 3 nio. Djela ndoi soma, napeoasi : Imbe i da kupadika,
uma ? — Dikamo ndoi tana setu ! — Mempone ri banua nato'o ndawuntja ri
wajau mbatu. Nakenimo ndjoi ria, nawuntjamo ri wajau mbatu, napalaika.
Monggale-nggale anangkodi, nakojo watu bangke, nakeni wo'u, djela ri banua-
nja, nato'o: Imbe'i da kupadika?
Dika ndoi anda. — Nadika lai anda, maombo anda ; mempone ri ra
mbanua, mompaumo napompauka kasangkomponja we'a, tua'inja, nato'oka:
Da kumalaimo ri tana ntau, mau maroo-roo ire'i, dja napepate jaku se'i.
Tumangimo i Gili mPinebetu'e, nato'o mpolinga:
Ne nupalaika jaku, — laika jaku,
Dja da pura inosaku.
Mena'umo i Sese nTaola ri soma, napatika kondo, da napaintjani kapa-
tenja ane rnalele kondo, mesonomo i Sese nTaola, nato'oka tua'inja:
See kusojo ri ata, see ri ata,
Nakaosa mawo ndaja.
Se'i kondo ntapoga'a, ntapoga'a,
Simbente taendo ndaja.
Da kumalaimo jaku, -laimo jaku,
Da ndjo'u ri tana ntau.
Mesono tua'inja:
Io palaimo jau, -laimo jau,
Endo-endo wo'u jaku.
Verh. Bat. Gen. LVI, 3 3
34
Xapojununio i Sese uTaola kasangkomponja aono. paka tuama pai
niasiwu, napalaikamo i Gili niPinebetu'e. rnaka ane nakeni, si'anio uasuru, da
napepatemo umauja. Djarno au aono se'e, si'a melulu- ri tukakanja, malaimo.
Palainja se'e. ri lipu ntau kaudjo'u nipalainja; djela riria, uapompauka wo'u
kasangkomponja doi 2 da nadika. napapowe'a. aua i Ta Datu uaporongo, maka
lairia napadika kasaugkomponja. lairia wo'u napalaika. Tumangimo tua'iuja
nato'o :
Xe nupalaika jaku, -laika jaku,
Dja da pura inosaku.
Mesono i Sese uTaola :
Se'i kondo utapoga'a. utapoga'a,
Xdapalele-lele udaja.
Mesono muni tua'iuja :
Io palaimo jau. -laimo jau.
Osamo iuawo ndajaku.
Djadji napalaikamo wo'u. dja moauu- reme. djelamo ri lipu, mempone
ri ra mbanua. uapedougekamo siudate au maugkaa-ugkaasaka. taliwauua:
Setumo linggona rata. linggona rata.
Se'i mamougo ngkuwawa.
Lo'umo ana we'a mampaoiongoka i Sese uTaola, mamongo'roo mamongo,
nato'o: Jaku se'i podo moliu madika kasangkompoku da mowe'a. samba'a da
kudika se'i. Xapompaukamo kasangkomponja se'e, mesono kasangkomponja:
Setu jakumo nudika, kupokono jau au da kupowe'a. siko palaimo. Xapalaika
wo'u, au morongo matao paroo-roonja lai we'anja.
Malaimo wo'u. maramu pesuwu eo. djela wo'u ri lipu. mempone ri ra
mbanua, napedongeka samba'a ana we'a ri ra ngkujambu. udjo'u mepamongoka
tau setu.
Se'i maniongo ngkuwawa. -ugo ngkuwawa.
Da napongo ntau rata.
Xapongo mamongo setu, mawaa mamongo, nato'o: Jaku dja moliu,
madika kasangkompoku da mowe'a — Xato'oka tua'inja: Banja dja kuoa madika,
kudika da mampowe'a. Xaioka. malai wo'u i Sese uTaola. djamo samba'apa
tua'inja napojuuu — Palainjamo, dja maramu wo'u pesuwu nu eo, napeintali,
manoro ewa lipu doro. tebabalue ntimali, kasondonja: napeole banua madago,
napesuamo rajanja, nakita ana we'a djamo membaa-, madolidi kabujanja, ri
langka kare'enja. Xato'o :
Se'i mamongo; ngkuwawa. -ugo ngkuwawa,
Da napongo anu rata.
Mamongorno ; ana we'a setu, i Datu to'onja. Se'imo tua'inja, natingkauba
ri tangkudenja, nato'o: Xe'e nudika jaku, da nupojunu — O, ne'e ewase'e,
da kupapowe'a siko, da kudika ire'i.
35
Mura nupojumi jaku, -junu jaku,
Da ndjo'u ri tana ntau.
Da ire'imo sarai, -mo sarai,
Da kudikarao tua'i.
Napalaikamo, djamo ngkalionja palai i Sese nTaola se'e. Palainjamo ngka-
ngkalionja, na'enggemo. Dja maraniu pesindi ndeme, djela ri lipu, bare'e re'e
tau, puranio nasangke ngkuajangi. Djamo se'i samba'a we'a ri ra mpeti, jabi
ntau au nasangke ngkuajangi. Mompau we'a ndate ri ra mpeti, ndjairiamo
napasambunika inenja pai si'a wo'u nasangke ngkuajangi.
Jaku djamo jabi ntau, jabi ntau,
Ma'i nasangke indjau.
Sese nTaola silau, -la silau,
Nawa-nawamo sa jaku.
Djadji nasombimo ampa lai soma i Sese nTaolamo se'e, dja roo nasombi
ampa se'e, ma'imo kuajangi mai tongo ndaoa, dja podo nakita, nadadumo, ka-
lo'unjamo, liu kono ampa. Mesusuamo i Sese nTaola ndji ara ampa, djadji
naperemo Dgkuajangi, malodongimo ri daa ngkuajangi, matemo i Sese nTaola,
malelemo kondo au nadika-dika ri kasangkomponja. Napakoroka i Gili
mPinebetu'e malai, mampatuwu tukakanja. Palainjamo, nawailiu kasangko-
mponja tuama au nadika-dika i nTjese nTaola owi, napojunu ndeku mampatuwu
i Sese nTaola, naratamo ndati soma, nato'o :
Se'e ndjaumo ri tana, -mo ri tana,
Mate i Sese nTaola.
Ndjo'u nano'osaka, naluntasaka ri witinja a napatuwu, djadji napano-
wamo ngkasangkomponja kuajangi, nato'o i Gili mPinebetu'e :
Sese nTaola pembangu, -la pembangu,
Siko kupatuwu jau.
Sese nTaola penaa, -la penaa,
Rata kulike ri ngapa.
Dja podo nalike se'e, membangu, motunda i Sese nTaola, nato'o :
Bara tua'iku rata, a'iku rata,
Mowangu jaku ri ngapa.
Da mempone ndati langkanja, -ti langkanja,
Ndatemo limama rata.
Memponemo i Sese nTaola ndatiria, nato'o :
Setu limamamu kaka, -mamu kaka,
Jalimo roo kupasangka.
Motundamo ri ali, mamongo ; potundanja se'e, majalimo au ri ra mpeti,
nato'o :
Se'i mesuwumo jaku, -suwumo jaku,
Si'a tua'i ndajamu.
36
Mesono i Sese nTaola :
Mau bare'e nupau, -re'e nupau,
Si'a kupepali jau.
Mamongo tondjuka jaku, -ndjuka jaku,
A nakajoa ndajaku.
Natondjuka kodjo mamongo, napongo, majoamo raja i Sese nTaola.
Siko kupepali jau, -pali jau,
Se'i majoa rajaku.
Djadji naporongomo i Sese nTaola we'a setu ri ra mpeti, i Lemo nTonda
to'onja. Kanaporongonja se'e, malaisimo wa'a ngkasangkomponja au tuama,
djamo au we'a, i Gili mPinebetu e, maroo-maroomo ndjai tukakanja, natoo :
Ndipalai komi jau, komi jau,
Da loi we'anii lau.
Jaku ire'imo jau, re'imo jau;
Se'i mowe'amo jaka.
Djadji, napowe a i Lemo n Tonda, maroo-roo i Gili mPinebetu'e, bare'e
si'a molangkai. Karoonja napowe'a, napakoroka i Sese nTaola rongonja i Lemo
nTonda; ndjai ria gori ngkandjo'unja, lai ria wo'u gori mpalainja, lairia
karoo-karoonja, lairia wo'u karoo-karoo i nTjese nTaola, mampowe'a i Lemo
nTonda.
Se'i mainongoniu, kaka, -mongomu, kaka,
Siko ne bajore gaga.
Roo mamongo natoo:
Roomo mamongo jaku, -mongo jaku,
A'i kujoremo jau.
Kajorenjamo; masae kajorenja, se'i maimo i Bangka Rondo, iwalinja,
napokalose mpowe'a i nTjese nTaolo i Lemo nTonda. Mesono i Lemo nTonda,
mangkita tau maria ma'i ri djaja :
Se'i ma'imo ri djaja, -mo ri djaja,
Sese nTaola penaa.
Ma'i mariamo tau, -riamo tau,
Petiro tau tulau.
Silaumo maria tau, bare'e membangu i Sese nTaola; kende mempone i
Bangka Rondo, sawi, natimamo we'a se'e, nakeni. Djadji kanakeninja se'e, nato'o :
Sese nTaola pemba, -ola pembangu,
Jaku nakenimo ntau.
lo pembangu gangga-, -mbangu ganggara,
Jaku tudumo ri tana.
Sindate are'e membangu, djadji nakeni ndeki lipunja, napasa'a ana maju-
nunja, djadji kasangkomponja i Gili mPinebetu'e malike i Sese nTaola.
Sese nTaola pemba-, -ola pembangu,
37
We'amu nakeni ntau.
Siko dja lintu ngkajo-, -ntu ngkajore,
We'amu roo nabole.
Nato'o : roo napowe'a i Bangka Rondo, kanja peti setu ragili ri rajanja,
bare'e lo'u naloka i mBangka Rondo, pai nakabare'e nale'o we'a se'e.
Sese nTaola pemba-, -ola pembangu,
We'amu nakeni ntau.
Malemba ntu'u ra-, ntu'u rajaku,
Mangalike ana ntau.
Kalumbangumo i Sese nTaola.
Jaku banja ana, ana ntau.
Jaku tukakamu jau.
Rengkoku mbe'imo ja-, mbe'imo jau ?
Si'amo tudjuka jau.
Mesonomo tua'inja, i Gili mPinebetu'e :
Lau ri peti sala-, peti salaka,
Kalau rengko ntuama.
Natima peti, najali rengkonja, morengko.
Roomo morengko ja-, rengko jau.
Djajaku irnbe'imo jau?
Napeoasi djajanja, a melulu we'anja.
Poragia nupodja-, nupodjaja,
Kila nupo'o'ojawa.
Palainjamo ndeku, melulu we'anja. Djela ndati we'anja, nato'o :
Sese nTaola sindja-, -ola sindjau,
Pondadu, timamo jaku.
Djadji, natimamo we'anja sindate, maekanja wo'u tau sindate, are'e nataha
mantjaju, sawe mantu'uri lionja are'e. Nakenimo we'anja ri banuanja, rata
lairia, nato'o :
Io rata ri banu-, ri banua,
Mamongo ma imo wawa.
Roo mamongo pai nakamaroo-maroomo ri langkanja, napakoroka mbe anja.
E ratamo tuka-, -mo tukaka,
Djamo limama mpasangka.
Maroo-maroomo ngkalionja, are'emo nataha mewalili ri papanja, a nape-
pate. Dja maroo-maroomo, lairia tandonja kudonge.
38
Verhaal van Sese nTaola.
Er was eeus een Koning en eene Koningin, reeds langen tijd waren zij
getrouwd, toen zij een kind kregen, Sese nTaola; de moeder verzorgde het,
maar daar had je de vader, die mocht het niet lijden. De vader wilde het
dooden, de moeder antwoordde: Dood het niet, ik verzorg het. Toen baarde
zij ook een meisje Gili mPinebetoe'e.
De vader zeide: Ik zal voor het meisje zorgen. Sese nTaola was nog
niet goed groot, toen hij uit het huis op het erf werd gebracht en zijn vader
hem trachtte te dooden ; deze trachtte hem wel te dooden, maar hij ging niet
dood, slechts het zwaard van zijn vader ging op hem stuk, het werd schaardig.
De vader bracht het kind in huis ; boven gekomen, zeide hij, dat hij een
waringin voor hem wilde omhakken, om hem te verpletteren, want hem werd
tot schuld aangerekeud dat hij een jongen was en (de vader) was verstoord
over den rijkdom van zijn kind, want dit had vele katoenen goederen en be-
zittingen, die het had verworven. Zoo ging hij dan heen en verpletterde hem
met een waringin, dat hij zou sterven en liep van hem weg; daarop bewoog
zich dat kind en droeg den waringin met bladeren en al op den schouder.
Gekomen aan het erf, vroeg hij : Waar zal ik hem neerleggen, vader ? Leg
hem daar maar op den grond. Hij ging naar boven in huis. toen zeide (de
vader) dat hij moest gestopt worden in het hol van een rots. Hij werd dan
daarheen gebracht, in een rotshol gestopt en achtergelaten. Het kind bewoog
zich, droeg den grooten steen en nam hem mee naar zijn huis, en zeide:
Waar zal ik hem neerleggen? Leg hem maar daar op het trapportaal. Hij
leidde hem op het trapportaal en dit viel neer, hij klom het huis in en begon
een gesprek, hij sprak met zijne zuster, zijn jongere zusje en zeide tot haar :
Ik ga naar een ander land, al blijf ik hier, zij willen mij toch maar dood-
maken. Toen weende Gili mPinebetoe'e en zeide, al zingende:
Verlaat mij niet, verlaat mij niet
Dan blijf ik niet in 't leven.
Sese nTaola ging de trap af naar 't erf, plukte een takje kondo af, opdat zij weten
zoude dat hij dood was, als de kondo verflenste ; toen zeide Sese nTaola tot zijn zusje :
Deze steek ik tusschen de dakbladeren, tusschen de dakbladeren,
Dat uw verlangen naar mij gestild worde.
Van deze kondo hier zullen wij elk een stuk meenemen, elk een stuk meenemen,
En gelijkelijk aan elkaar blijven denken.
Ik .ga nu heen, ga nu heen,
En begeef mij naar een ander land.
Zijn zusje antwoordde :
Goed, ga maar, ga maar,
Denk vooral ook aan mij
39
Sese nTaola nam zijne zes broeders mee, allen jongens en nog klein en
liet zijne zuster Gili mPinebetoe'e achter, want als hij haar had meegenomen,
dan zou hij schuldig gehouden zijn en door zijn vader gedood worden. Slechts
die zes volgden hun oudsten broeder, zij gingen op reis. Op hun tocht ging
hunne reis naar eene vrepmde stad; daar aangekomen, zeide hij tot zijn jonaste
broertje, dat hij hem zou achterlaten en zou uithuwen, hij huwde de dochter
van het dorpshoofd, want overal waar hij een zijner broeders zich deed vestigen,
daar liet hij hem ook achter. Zijn jongere broeder weende en zeide :
Verlaat mij niet, verlaat mij niet !
Dan blijf ik niet in 't leven.
Sese nTaola antwoordde:
Van deze kondo zullen wij elk een tak medenetnen, elk een tak medenemen,
Om onze harten met elkaar in gemeenschap te doen blijven.
Zijn jongere broeder antwoordde weder:
Goed, vertrek maar, vertrek maar.
Mijn verlangen is reeds gestild.
Zoo verliet hij hem dan ook ; de zon nu was al eenigszins zóó (hier
wijst de verteller met de hand) toen zij in een dorp kwamen ; zij gingen een
huis binnen en hoorden daar boven een der huisbewoners, die zong:
Daar komt een gast aan, een gast aan,
Hier breng ik sirih-pinang.
Nu ging een meisje Sese nTaola de sirih-pinang aanbieden. Hij pruimde;
na gepruimd te hebben, zeide hij : Ik ben slechts doortrekkende, om een mijner
broeders achter te laten, om te trouwen, een van hen laat ik hier achter. Nu
sprak hij met zijn broeder en deze zeide: Laat gij mij maar achter, ik houd
van degene met wie ik zal trouwen, ga gij maar uws weegs. Hij liet hem
achter, de gehuwde had het goed bij zijne vrouw.
Hij ging voort en toen de dag heet was, kwam hij weer aan eene stad,
ging een huis binnen en werd gehoord door een meisje, dat in een door gor-
dijnen afgeschoten vertrek zat. Zij ging hem sirih-pinang aanbieden.
Hier breng ik pinang, breng ik pinang,
Dat de gast die pruime.
Hij nam de sirih-pinang en toen zijn speeksel rood was, zeide hij : Ik ben slechts
doortrekkende, om een mijner broers achter te laten om te trouwen. Hij zeide tot zijn
jongeren broeder : Het is mij er niet om te doen om u achter te laten, ik laat u achter
om u te doen trouwen. De ander stemde er in toe en Sese nTaola ging opnieuw
weg en nam nog maar één zijner jongere broeders als gezel mede. Terwijl hij
voortging en het warm werd, zag hij inderdaad eene stad die er volkrijk uitzag, de
huizen hingen aan beide zijden van den berg af, zooveel waren er ; hij zag een mooi
huis en ging het binnengedeelte in en zag een jong meisje, welker huid een rooden
schijn had, zij was fraai blank en bevond zich in een kamertje. Zij zeide:
40
Hier breng ik pinang, breng ik pinang,
Dafc de gast die pruime.
Hij nam een sirihpruim ; dat meisje, heette Datoe. Daar was zijn jongere
broeder, die hing zich aan zijn hals en zeide : Laat mij niet achter, neem mij
mee. Neen, dat niet, ik zal u uithuwelijken, ik zal u hier achterlaten.
't Ts beter dat ge mij medeneemt, mij medeneemt,
Naar een ander land.
En dat wij hier maar een oogenblik blijven, een oogenblik blijven.
— Laat ik u achterlaten, broertje ! —
Sese nTaola liet hem achter en vertrok in zijn eentje. Hij reisde maar
in zijn eentje voort, dat wilde hij. Toen de zon heet was kwam hij aan een
dorp waar geen menschen waren, allen waren zij in de vlucht opgepakt
door een roofvogel. Alleen was er nog een meisje, in een kist, de eenig
overgeblevene van de menschen die door den roofvogel waren opgepakt. Het
meisje daarboven in de kist sprak, zij was daar door hare moeder verstopt en
deze was ook door den roofvogel opgepakt.
Ik ben slechts de eenig overgeblevene, de eenig overgeblevene,
Van de lieden die hij is komen oppakken.
Sese nTaola daar beneden, daar beneden,
Wil eens om mij denken.
Daarop scherpte Sese nTaola voetangels op het erf en toen hij die voet-
angels had gescherpt, kwam de Vogel Grijp aan, midden in de lucht, zoodra
deze hem (Sese nTaola) had gezien, schoot hij op hem toe en in zijne vaart
werd hij pardoes door de voetangels getroffen. Toen kwam Sese nTaola te
voorschijn van onder de voetangels en toen viel de Vogel Grijp op hem en
Sese nTaola verdronk in het bloed van den Vogel, hij stierf en de kondo s die
hij bij elk zijner broeders had achtergelaten, verflensten. Nu maakte Gili
mPinebetoe'e zich op om heen te gaan, om haren broeder op te wekken. Op haren
tocht kwam zij hare broeders voorbij, die Sese nTaola vroeger had achtergela-
ten, zij nam ze mee op reis om Sese nTaola te doen herleven ; zij vond hem
op het erf en zeide :
Daar ligt hij nu op den grond, op den grond,
Sese nTaola is gestorven.
Zij ging heen en trok hem aan zijn lichaam, rukte hem aan zijne beenen,
om hem te doen herleven, de Vogel Grijp werd door zijne broeders verbrand
en Gili mPinebetoe'e zeide :
Sese nTaola, sta op, sta op !
Ik breng u in 't leven terug.
Sese nTaola, ontwaak, ontwaak!
Ik ben in 't dorp gekomen om u te wekken.
Zij schudde hem slechts wakker en Sese nTaola stond op, ging zitten en zeide :
41
Is soms mijne zuster gekomen, zuster gekomen?
Om mij in het dorp op te wekken?
Laat ons dan de huistrap opgaan naar de kamer,
Daar is de pinang te vinden.
Sese nTaola klom de trap op en het meisje zeide :
Hier is je pinang, o broer, je pinang, broer.
Neem ze er maar uit, ik heb ze al bij elkaar gepakt.
Hij ging op de mat zitten en nam een sirih-pruim en toen hij gezeten
was, kwam het meisje uit de kist en zeide :
Nu kom ik er uit, kom ik er uit,
Zij is de uitverkorene van uw hart.
Sese nTaola zeide :
Al hadt ge het niet gezegd, hadt ge het niet gezegd,
Om haar is het mij te doen.
Reik mij de sirih aan, sirih aan,
Dat ik van den schrik bekome.
Zij reikte hem de sirih toe, Sese nTaola pruimde ze en bekwam weer
van den schrik.
Om u is het mij te doen, is het mij te doen,
Nu ben ik van den schrik bekomen.
En toen trouwde Sese nTaola dat meisje in de kist, Lemo nTonda
was haar naam. Toen hij haar getrouwd had, gingen al zijne broeders heen,
slechts de zuster Gili mPinebetoe'e bleef bij haren broeder; hij zeide:
Gaat gij lieden maar heen, maar heen,
Naar uwe vrouwen ginds.
Ik blijf hier, blijf hier,
Ik heb hier eene vrouw getrouwd.
Zoo huwde hij dan Lemo nTonda, en Gili mPinebetoe'e bleef achter,
zij had geen man. Nadat hij haar getrouwd had, zorgde Sese nTaola goed
voor zijne vrouw Lemo nTonda, waar zij heenging, daar ging ook hij heen, waar
zij bleef, daar bleef ook Sese nTaola nu hij met Lemo nTonda getrouwd was.
Hier is uwe sirih, man, sirih, man.
Wees geen al te groote slaper.
Na gepruimd te hebben, zeide hij :
Ik ben klaar met pruimen, klaar met pruimen.
Vrouw, ik ga slapen.
Hij sliep maar door; toen hij lang had geslapen, kwam daar Bangka
Rondo aan, zijn vijand, die verstoord was over bet huwelijk van Sese nTaola
met Lemo nTonda. Lemo nTonda ziende dat daar vele menschen op den weg
aankwamen, zeide :
Daar komen ze aan op den weg, aan op den weg,
42
Sese nTaola ontwaak.
Daar komen vele mensclien aan, vele menschen aan,
Komaan sta dan op, sta dan op.
Zie eens naar die menschen daar beneden.
Daar waren vele menschen, Sese nTaola stond niet op, roef ! klom
Bangka Rondo naar boven, in huis gekomen nam hij die vrouw en pakte haar
mee. Toen zij werd medegenomen, zeide zij :
Sese nTaola, sta op, sta op.
Men neemt mij mede.
Kom, sta vlug op, sta vlug op,
Ik ben al beneden op den grond.
Hij daar boven stond niet op, zoo bracht haar dan Bangka Rondo naar
zijne stad, zijne slaveu droegen haar op den schouder. En toen maakte Gili
mPinebetoe'e Sese nTaola wakker.
Sese nTaola sta op, sta op,
Men heeft uwe vrouw medegenomen.
Gij zijt maar vast in slaap, vast in slaap,
Uwe vrouw is al uit hare kist gehaald.
Zij zeide dat Bangka Rondo haar al getrouwd had, maar die kist was
van binnen toegesloten en Bangka Rondo kon haar niet open krijgen, zoodat
hij de vrouw niet kon te pakken krijgen.
Sese nTaola, sta op, sta op.
Men heeft uwe vrouw medegenomen.
Ik ben er ter deeg vermoeid van, ter deeg vermoeid van
Om dien kerel wakker te maken.
Nu sprong Sese nTaola op :
Ik ben geen kerel, ben geen kerel,
Ik ben uw oudere broeder.
Mijne kleeren en wapenen, waar zijn ze, waar zijn ze ?
Geef mij die aan.
Zijne zuster Gili mPinebetoe'e antwoordde :
Daar in de zilveren kist, zilveren kist
Liggen de mannen-kleeren en wapenen.
Hij nam de kist, haalde er de kleeren en wapenen uit en deed ze aan.
Ik ben gekleed en gewapend, gekleed en gewapend,
Waar is mijn vervoermiddel?
Hij vroeg naar zijn vervoermiddel, om zijne vrouw achterna te gaan.
Den Regenboog moet ge tot vervoermiddel nemen, tot vervoermiddel nemen,
Den bliksem tot houvast.
Daar ging hij dan heen, zijne vrouw achterna. Toen hij gekomen was,
waar zijne vrouw was ; zeide deze :
43
Sese nTaola daarginds, -ola daarginds,
Haast u, kon mij halen.
Hij nam dan zijne vrouw die in het huis was, de lieden in huis waren bang,
zij durfden niet met het zwaard slaan, zelfs niet eens naar zijn gezicht kijken.
Hij bracht zijne vrouw naar huis, daar aangekomen, zeide hij :
Ziezoo, wij zijn thuis, wij zijn thuis,
Breng de sirih eens hier.
Na gepruimd te hebben, bleef hij maar in zijne kamer, zijne vrouw ver-
zorgde hem.
Hier is ze, man, hier is ze man,
't Is maar een bijeengevoegde sirihpruim.
Hij bleef daar maar in zijn eentje wonea, hij dorst niet meer naar zijn
vader terug te keeren, dan zou hij gedood worden. Hij bleef daar maar ; tot
hiertoe heb ik het gehoord.
AANTEEKENINGEN.
Daar het Woordenboek van de Bare'e-taal nog niet spoedig zal verschijnen,
zou wel bij ieder woord eene aanteekening kunnen gemaakt worden. De verta-
ling is echter ook op het woordelijk verstaan van den tekst ingericht en daar-
om zijn de aanteekeningen beperkt tot het aanwijzen van dialectische en uit-
heemsche woorden en het verklaren van enkele dingen die door de vertaling
niet worden opgehelderd. Verder wordt verwezen naar de Inleiding, Vertaling
en Aanteekeningen bij het groote Verhaal van Sese nTaola, in Deel 55, Ie
Stuk, der Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap.
De woordelijke vertaling der eerste woorden luidt: » Waren, gehuwd de
Vader-der-Koningsdochter en de Moeder-der-Koningsdochter", maar daar dit het
traditioneele begin is van de meeste Toradja'sche vertellingen, zijn ze ook met
de geijkte beginwoorden onzer sprookjes weergegeven. Dikwijls vraagt een ver-
teller verlof om te mogen beginnen met: da kuposomborimo ? »zal ik maar
mosomborimo zeggen?"
Mosombovi voor » trouwen" is bij de To Rano en To Poe oe mBoto in
gebruik, ten N. van het Meer is morongo meer in gebruik en wordt sombori
gebruikt in de bet. »gezin ', bijv. sanljombori^ syn. met sampangkoni »gezin,
degenen die uit één pot eten".
uma, bijvorm van ama, het gewone woord voor »vader" bij de Meer-be-
woners en bij de stammen van het Centraalgebergte. Ten N. van het Meer
zegt men papa; ama is nog over in tuima »man", en in den samengetrokken
44
vorm tama »oom", in teknonymen verkort tot ta, bijv. Ta Urana »Ooxn
van Oerana' .
arëepa bae mpolao, Poe'oe mBoto'sch voor : bare'epa bangke mpodago.
Met are e wordt het PmB. dialect van het bare' e onderscheiden, verder Zuidelijk
heeft men nog het areè en het ac'e. Het PmB. onderscheidt zich, behalve in
den woordenschat, die nog sterker dan de dialecten ten N. van het Meer onder
pantang-invloed staat, ook nog door eenige vormen van het Bare'e ; zoo gebruikt
het als pron. suff. Ie pers. mvd. excl. -ƒ«', Bar. niami, bijv. umangfci, Bar. papa
mami en voegt dit /./ en het pron. suff. Ie pers. e.v. kit met nasaleering aan,
bv. umangku, Bar. papakn. Als beleefdheidsvorm van den 3den pers. gebruikt
het nda, bijv. talinda »ZEd.'s hoofddoek" waarvoor de To Lage talia, de To
Pebato, evenals in den niet-beleefden vorm, talinja zeggen. Het consonanten-
stelsel is eenigszins weeker, doordat genasaleerde tenues soms gemedialiseerd
worden, bijv. monggale, voor mokale »zich bewegen'. In dit verhaal zal men
ook telkens a aantreffen voor da, de partikel die het Futurum aanduidt. Yerder
hebben de To PmB. een aantal stopwoorden, die ten M . van 't Meer niet in gebruik
zijn en daar dus zeer belachelijk worden gevonden, zooals we, jakunja, sinja, kilaiija,
kaminja, kominja, ela, en hebben eene sleepende, vriendelijk klinkende uitspraak,
in tegenstelling tot de To Pebato, die dof en kort afgebroken of op half schreeu-
wenden toon spreken, alsof zij boos zijn, terwijl de wijze van spreken der To Lage
hem die er niet aan gewoon is doet denken dat zij geraakt of beleedigd zijn.
ajapanja pai aga agatija. Het woord aga aga is aan het Boegineesch
ontleend, aga bet. »wat", aga aga »wat het ook zij, goederen, barang-barang".
Daar aga in het Jav. Mal. enz. apa is, een woord dat ook in de West-Toradja'sche
(Parigisch-Kailische) talen en in W. lijke leden der O. Toradja'sche taalgroep
(de bergtalen : Napoesch, Besoa'sch, Badasch) voorkomt, is het niet gewaagd
ajapa af te leiden van apa. Het moet dan met reduplicatie zijn gevormd en
wel met die reduplicatie, die thans nog bij de To Pebato in gebruik is, nl.
herhaling der eerste lettergreep met toevoeging van i, bijv. madaidago, van
madago »goed", puipur a, voor pura-pura »allen, alles", koikodi van kodi » klein",
eiede, van ede »kort"; zoo staat dus ajapa voor aiapa en dit voor apa-apa, syn.
met Boeg. aga aga » goederen". Dat apa ook in het Bare" e heeft geleefd, bewijst
de naam van het spelletje apa te'i? »wat is dit?" waarbij iemand, die met
zijn rug naar eenige uitgestalde voorwerpen zit, telkens den naam moet noemen van
hetgeen achter zijn rug wordt aangewezen. Verder is apa in gebruik in de be-
teekenis : »ongeveer, zoowat, min of meer", enclitisch uitgesproken na bijvoegelijke
naamwoorden, of woorden die een getal of eene maat uitdrukken, bv. josamo
apa napekondoroka »het is al min of meer duidelijk te zien" : se'i goa ndapera-
pika gambe sambukti apa »hier is mais, om voor te vragen één stukje of meer
gambir", tontji apa da kurata da kukeni »ik zal wel den eenen of anderen vogel
vinden, om dien thuis te brengen".
45
ndoi, PniB. voor ndjai, lai »te, op, enz." syn met ri.
see, PniB. voor sei; ook de vormen sei en wei heeft het PmB. voor se' j
of se e.
Van de gezongen regels valt alleen te zeggen, dat de twee laatste voeten
van de eerste helft van elk couplet tweemaal worden gezongen.
paroo-roonja, PmB., voor haroo-roonja.
ftujambu, wellicht uit het Mak. Iculambu; de / is reeds tot j geworden,
zoodat het woord er als echt Bare'e uitziet. Men duidt er zoowel het gordijn
als de met gordijnen afgesloten ruimte mee aan.
naengge, PmB. voor: napokono, mpodjo » willen, gaarne hebben".
limama is een wisselwoord voor mamongo »pinang '. Een andere vorm
is minama, dat vooral in de priesterzangen voor pinang wordt gebruikt. Men
zou, het invoegsel tot voorvoegsel makende, uit een onderstelden vorm
nimama, dit limama kunnen doen voortkomen, waarmede tevens de beteekenis
zoude gevonden zijn, n.1. »het gekauwde'. De overgang van n tot / is
bijv. in het Gorontaleesch zéér gewoon, maar in het Bare'e niet. Wel gaat
/ in /( over, doch van het omgekeerde zijn mij geene voorbeelden bekend. Er
moet in eene vroegere periode de taal een voorvoegsel li hebben bestaan, dat
bijv. nog over is in limbajo »schaduw, spiegelbeeld ', van wajo, Mal. bajang,
enz. ; limbo/tori (klemtoon op mbo) »snel gedijend, voordeelig opgroeiend", vgl.
mabolio »dik, vet ' ; linggona »gast, vreemdeling", vgl. Mak. Boeg. go?ia, en het
daarover gezegde in Tijdschr. Bat. Gen. Dl. 45, bl. 448; malingaa »licht, vlug"
en manga'a »licht, niet zwaar ' ; mahngkaivu raja »het binnenste (maag, inge-
wanden) omgekeerd (makawu) hebben, een gevoel hebben »alsof 't hart je in je
lijf omdraait", door te veel eten of door met een volle maag diep te bukken
of zwaar werk te verrichten' ; malinganga »leven maken", van nganga »mond ';
kahvuongo »geraas, herrie maken" van wongo »ondeugend ', enz. Het schijnt mij
daarom zekerder in li- van limama ook dit voorvoegsel te zien. Ook in het
Sangireesch komt li- als verouderd voorvoegsel voor (Sprkk. 130-132), eveneens
in het Tontemboansch.
majali is hier een intransitieve vorm, te vertalen met »er uit komen,
zich er buiten begeven". Wil men het onderscheid tusschen het transitieve en
het intransitieve majali in den vorm uitdrukken, dan vervangt men het eerste
door manga juli, daar de meervoudige beteekenis van dit voorvoegsel is verloren
gegaan. Zie Tijdschr. Bat. Gen. Dl. 45, bl. 425 en ook bl. 397. En den intran-
sitieven vorm kan men, des gewenscht, vervangen door den accidenteelen vorm
met lepa-, althans indien men ontkennend spreekt : bare e lepajali »komt er niet
uit, kan er niet uit geraken", ongeveer synoniem met bare'e majali.
Icaruporongonja; de beteekenis van ka- in deze vormen is behandeld in
Tijdschr. Bat. Gen. Dl. 41, bl. 534, vlgg.
malaisi, meervoudsvorm van malai, de meervoudigheid der handeling is
46
hier van het meervoudige onderwerp afkomstig, daar het werkwoord intransitief
is. Zie Tijdschr. Bat. Gen. Dl. 45, bl. 412.
ndipalai, PmB. voor nipalai, meervoudsvorm voor den 2den pers. , in
het enkelvond als beleefdheidsvorm gebruikt.
kujore »ik ga slapen". Het gebruik der pron. praef. bij intransitieve of
intransitief gebruikte werkwoorden, is eene afwijking van den regel, dat een
vervoegde werkwoordsvorm transitief is. In kujore moet men echter meer eene
navolging zien van het gebruik om ku-, la-, ka-, dus de pron. praef. van den
len persoon, ook te voegen vóór intransitieve of niet-transitief gebruikte werk-
woorden met een m-prefix, hetwelk vooral geschiedt in verhalenden stijl of na de
partikel da, om eene ophanden zijnde daad of gebeurtenis te vermelden of een
zin voorwaardelijk te maken, bijv: da kimvdni of da ngkumalai »ik zal heengaan,
laat ik heengaan*', da ntamoliu »we zullen voorbijgaan" da ngkameonlo, mawengimo
»we zouden wel hebben willen rusten, maar het werd al duister". Daar jore nimmer
een m-prefix krijgt, heeft kujore het uiterlijk van een vervoegden transitieven vorm.
Bang ka Bondo, zie Verh. Bat. Gen. 55, Ie stuk, bl. 28.
ana ntau is in de vertaling weergegeven met »kerel ', omdat deze uit-
drukking, woordelijk »andermans kind" zooveel wil zeggen als : »iemand die
mij niet aangaat".
poragia nupodjaja, zie t. a. p. bl. 30.
I Anangkodi Madoko.
Mosombori tau radua, moaua au wea, ananja tuaina; bangke 3 mo, madoko
gaga, narampa kina'a nu inenja pai papanja, bemo mangkoni tau tu anja.
Montjongkamo unianja a marupepate anangkodi madoko setu, nakeni ri jopo,
natowoka kadju, nakaeka watu, natowoka nunu bangke, napopalapalaka riu,
nato'o umanja: matemo, taowemo niaendo 3 , ntanoka be niasae djela wo'u, napa-
sa'a kadju, watu, nunu, narengkasaka ri soma. Katogongkaninjamo se'e, me-
pasabi ri inenja pai umanja, malai, malosemo rajanja, togongkani napepatemo
tau tu'anja pai tuwunio wo'u; tudumo ri anda, natima wea papitu ogu ri tau
mombadju, nawuntja ri tujali. Metango 3 inenja ri tuke, nato'o: O, ne'e malai
anaku, mawo rajaku ri siko — Bare'e, ine, jaku da malaimo, maka ndidjea-
djeanimo jaku, dja wantje'emo, dja malai mampepali asi-asi jaku, ane mewali-
limo jaku, ndidonge bambarinja. Malai 3 mo, sindate inenja mekukuou.
Palainja se'e, are'e masae naratamo i To Moginggi Wojo — A, nato'o, maka
se e siko, ndjaa nukudja maroo-roo ire'i ? — Wojo kukae-kae wungka eo, siko
ungka rimbe'i? — Jaku se i i Anangkodi Madoko, napepateka samba'a baula,
bare'e gana, pai nadjea 2 ni nu ineku — Mewali, tau setu mombelulu, tatogomo,
maka i Moginggi Wojo santua'i. I Anangkodi Madoko moguma 3 nunu, se'i
aio dja kahaa-haa malulu wuanja, kinouinja wungka eo. Melindja 3 tau setu,
djamo pelindja-lindjanja, Masae 3 djela ri To Monta'a-nta'a, tau setu djamo
ponta'a 3 nja kadju wungka eo, tau santua'i wo'u, nadjea 3 ni nu umanja pai inenja.
Melulu wo'u tau setu, djadji sinja alimamo si'a. Ri ra mpelulunja naratamo i
To Monai-nai, djamo ponai 3 nja, tau setu santua'i. Melulu, papitumo tau se'e.
Djela ri wiwi ntasi, monangumo, mewalilimo jununja, da pura inosanja, kasae
mponangu i Anangkodi Madoko. Mesono si'a : A, dangga komi, are'e ndikoto,
ndipesawi mai gumangku, naka jaku mamponanguka komi, ne'e ndipepate
tontji au mai gumangku. Are'e monangu si'a, dja melindja ri wawo ntasi,
jununja pura 3 mesawi ri nunu. Are'e masae, me'onto, nato'o da mantaka dio 3 nja,
ntanoka dja watu bae, ewa jakasi, napodio 3 , nataka ri gumanja. Are'e masae
me'onto wo'u, naompo mPajowi ntasi, ewa pola wungka eo ogunja, ewa banua
kabaenja. Nato'o i Anangkodi Madoko : Ndisaju komi aono se'e — Io, kanaa —
Nasaju kodjo, are'e sangkudja tindja ; dja tetende penainja, dja marompi. — A,
dangga komi, sako mantjaju Pajowi ntasi are'e ware, koisa jaku, papaliuka da
mantjaju, bara re'e tepondo. Pai nasaju, podo natere, natungki pai tepondomo
wo'onja tudumo ri ue i nTa Datu ri sambote ntasi, katudunja se'e, wusumo ue
i nTa Datu, ompomo, bemo mandiu i Ta Datu. Napokau kabilasanja : Koisa,
ndisu'a! — Nasu'a, are'e sako dja lo'u, tau terua-ntjowu ! Djelamo i Anangkodi
48
Madoko : Nundjaa nipoonge-ongeka, Ta Datu ? — A, wusumo uengku sindjau,
bara nundjaa to'onja sindjau au mampakawusu. — Iaku da mantu'uri? — Io,
nditu'urimo ngkabongo ! — Ndjo'umo kodjo tau papitu setu, da mandiu rajanja,
nato'oka anu aono : Koisa, ndisu'a! — Nasu'a kodjo, are'e sako dja lo'u. — A,
jakumo ! — Podo nasingkilaka mpenainja, tepidji, tudumo wo'u ri ue i Ta Datu
samba'a. Mewalimo waima'i, mepone ri lobo, napelinggona, motobu tau, mesono
i Ta Datu ; A, maria totoka liu wungka eo, pai epa siko se'e au matonga. —
Io, ewase'e jau — Ewambe'iino, Anangkodi Madoko, sindjaumo anangku we'a,
porongomo. — A, nato'o, jaku ne'e mowe'a, se'i i To Moginggi Wojo, si'a da
mapowe'a, da kudika ire'i. — Radua ana i nTa Datu au we'a, naporongomo ntau
santua i. Mesono i Moginggi Wojo : A, are'e ku'engge da mowe'a ire'i, da nupo-
pojunu jau jaku. — Se'emo kuto'o-to'o owi, pai are'e nu'engge. — Masae-masae
na'enggemo, napalaika. Pompalakananja pai jnnunja setu, nato'o :
Se'i Kondo ngkudika, si'a da nukita-kita,
Tandamo ngkatuama, nadika nteasamba'a.
Ane malelemo kondo, mate i Ana ngkodi Madoko.
Masae-masae malai, nato'o :
Dja ewantje'emo saaja, da malaimo tuama.
Djela ri ue i nTa Datu sampanga, maria tau singkandomu lairia. — Nu-
ndjaa nupowoo-wooka sindjau ? — Ntano wo'o mPajowi, nadju'i ri lipu i nTa
Datu iwengi. — I sema mantende ? — A ; taintjani, bara i sema, dja tudu ma i
manawu ungka ri tongo ndaoa. — Ndjo'u mampeole tau alima setu, napokau
au aopo da mandju'i, be mewali, be lo'u. — A, jakumo ! — Dja si'a mandju'i,
lo'umo. — Napaporongo pai ananja i nTa Datu, are e na'engge, nato'o : jununja
i Monta'a-nta'a santua'i. Naiokamo i nTa Datu, pai are'e wo'u na'engge i Mo-
nta'a-nta'a da nadika, nato'o :
Ba ngku engge da nudika, dja mawo raja kukita.
Da nu'engge, boi kupepate siko ! - — Masae-masae na'enggemo, nato'o : Io,
mau baree ku'engge, tampe ane ewantje'emo. Mesono i Anangkodi Madoko :
Se'i kondo ri tana, petondoni ntau rata.
Ane malelemo kondo, mate i Anangkodi Madoko.
Palai-lainjamo sindjau, djamo tatogo tau se'e. Naratamo ue i Ta Datu
sampanga, wusu, katudu mPajowi, osomo sampole tondo ri napantjaju pai mawau,
ulenja mariamo. Lo'u nadju'i i Anangkodi Madoko, be nakoto nu jununja, tepi-
djimo ndjoi tasi. — A, banjapa jaku da mamporongo anami radua, junuku jau,
se i i To Monai-nai santua'i. Tumangimo i To Monai-nai, be na'engge da nadika.
Masae 3 panangimo, nadikaka kondo, nato'o :
Se'i dja kondo ri soma, petondoni ntau dongka.
Ane malelemo kondo, mate i Anangkodi Madoko.
Bangke reme malaimo, djamo palai 3 nja, ngkalionja. Nawali-ntjosoi nda-
janja madika 3 jununja. Malai 3 narata lipu soa. — A, are'emo re'e tau se'e. —
49
Mepone ri lobo, nduu, nduu naringko ganda, ntanoka ndo'u tau radua, sadu'a
pai samakumpu ri ra ngganda, nato'o : A, ne'e me'ase, sima'i kuajangi, kami
se'i djamo ri ganda se'i pai naka tuwu kami, niaka lipu se'i naopisaka ngkuaja-
ngi. Ne'e mesuwu 3 ri ganda, jaku se'i maintjani da mangkelo. — A, pakatao,
ma'ai kabaenja, wantjenja ewa totua kabae 3 nja, tau pura 3 nasangke, nakeni ndeki
jangi. Palainjamo: A, da mantjombi ampa. -- Nasombi ampa setu, nakae tana,
roo nakae, moinose 3 si'a ri wawo ntana rapongkelo kuajangi, maka ane nakita
tau, nadadu, nasangke.
Moko 3 mo dja reme, bara kuajangi se'e,
Mosu 3 mo da tudu, adjalimu mPalaburu.
Are'e masae nakita ma'i ewa mamongo saogu, dja manggapi 3 mo se'e,
nato'o : O de telenja se'e, konomo kira 3 i ngkede. Tuma'imo a tudu, i Ana-
ngkodi Madoko mewuntja ri ra mbajau, santjiimo da nasangke, sakaumo kono
ampa ri wawo mbajau, dja kono se'e, hua-hua nganganja mekakai. Mesu-
wumo i Anangkodi Madoko, nasaju, natanibukamo apu, napanowa wukunja.
Mesonomo au ri ganda: Bare'epa da pura, makumpuku, ndatepa samba'a au
tina. — Ioino, du'a, da kukira 3 wo'u sangkani. — Nawali-ntjombi ampa, maka
auu owi maregemo, pitumpuju nasombi, uataka wo'u, maroo 3 mo wo'n ri wobo
mbajau, mongkaa 3 sakamo :
Mosu-mosumo da tudu, adjalimu mPalaburu.
Dja moko 3 mo eo, bara kuajangi tengko.
Ine ndisusuri aku, dja puramo raja ntan.
Are'e masae tuma'imo au tina, nakita mosumo, mewuntjamo lo'u ri ra
mbajau, kasadjapanja konomo ampa, pekakakainjamo kuajangi, mesuwumoi Ana-
ngkodi Madoko, napasasa. Mesuwumo tu'anja pai makumpunja, nepa nakita i
Anangkodi Madoko. Napoawakamo kadju, napanowa, maregemo wukunja.
Jakumo se'i, du'a, makumpumi da kuporongo. — Io, si'amo, du'a, ndiadika kita
banua — Naadi, napeintasaka, ndjaumo ri ra mbanuanja, atanja, rindinja pembajo,
nononja saogu 3 , benta 3 njamo naadi. Wuku ntau mate nawebuka pakuli, me-
mbangu, tuwumo wo'u, kare'enjamo tau salipu. — Ewasae'emo, du'a, ndipombadju-
kaku baili, da kumalaimo mampepate inengku pai umangku. — Majaimo, nakeni
we'anja pai eranja, tau nepa napembangu. Napodjajaki wo'u jununja nadika-
owi, madagomo rajanja mangkita 3 i Anangkodi Madoko. - Kita da lo'u ma-
mpanga'esi anu madjea 3 ni kita. Nato'oka we'anja :
Ane pusarno sambuja, matemo we dja i Uma.
Se'i jaku da majai,
Ane pusarno santji'e, da mate we dja i Ine.
Majai tau ndjo'u mepadasoki. Nato'o: o ndjau sindjau, pai niaroso sin ja
tau salipu sindjau. Ia mawuro da tapelengko, mau sangkudja rosonja. bara satu
au magasi mpodago. Djela ri soma, nato'o :
Se'imo jaku we djela, ma'i mepali ngkawtda.
Verh. Bat. Gen. LVI, 3 •»
50
Ne'e ndiwilai jaku, da mombetotoino tau.
Mesono iuenja :
Ne'e wasetu anaku, jaku kantja iwenu?
Mesono i Anangkodi Madoko :
Jaku ndidjea 2 ui, ndipeoleka we nunu.
Si'a nditowoka jaku.
Mesono inenja :
Bare'e nadjea-djeani. siko madja'a ngkadoko.
Mesono i Anangkodi Madoko :
Lawi gorinjamo komi, kupapopuli tomou.
Mesono inenja :
Ne'e wasetu anaku, dja niaekamo rajaku.
Mesono i Anangkodi Madoko :
Da ndipokaeka wenu, ua ndipepali setu.
Posonipomo ma'i, ine, jaku mawila rajaku inopea-. — Nepa rku kede.
pesono nu umanja, inemu tongo monibadju.
Posonipomo pesa ma'i, da ntapombepopomai.
Ne'e mawila mpeta'a, epa da ngkumosalana. —
Ne'e masaemo gaga, mawila jaku ri tana.
Bare'e masae kodjo, mosompomo umanja, mombetoto pai bare'e nio-
mbeore, masae 2 pombetotonja, mate umanja, dja mate uniauja, nato'oka inenja :
Posompomo wei ine, da kupangantjasa siko.
A. anaku, ne'e nusaju jaku, mapari rajaku owi mompakoroka siko. —
Are'e na'engge inenja mena'u, dja napeponeki, sawi ri ra mbanua. nasasakimo
inenja, wo'o umanja nawaikamo bilasanja mouba, pai tongo mpompau- dja,
nato'o :
Balu-balukanio aku, wase'e mangkeni tau.
Mesono i Anangkodi Madoko :
Mau bare'e nuto'o, kuuerika talombo.
Mesono umanja :
Ira ngkonau makuni, nuwembe nupotowugi.
Mesono i Anangkodi Madoko :
Mau bare'e nuto'o, lawinja da kupondolu.
Masae nakenimo kodjo wo'onja, napogugumoraka. djela ri lipu i nTa Datu
samba'a, napogandaka wo'u. Mesono umanja:
Wase'e mangkeni tau, napogandakamo jau.
Mesono ananja :
Mau bare'e ndito'o, napogandakamo kodjo.
Dja pusa pogandanja, nakeni wo'u, naimba 2 ka lipu, nato'omo wo'u:
Wase'e ana ntuania, mangkeni wo'o i mpapa.
Bare'e masae nadonge wo'u mbe'anja : A. i Anangkodi Madoko tuma'imo !
51
Podo napangipika, togorabengipa nadongerno kodjo.
Balu-balukamo aku, wase'e mangkeni tau.
Dja pogumoranja se'e, napoapukamo rongonja pae pulu, nato'o umanja :
Mangkeni au napouma, napontjumbanika sinja.
Mesono ananja :
Mau bare'e ndito'o, lawi kupepone lobo.
Bare'e masae napogandaka, mesono umanja :
Ane mangkonimo tau, ndipogandakamo jaku.
Ane we roo mangkoni, da motoemo komi.
Mesono ananja:
Mau bare'e ndito'o, lawi kumotoe kodjo.
Mesono umanja :
Ane roo mogandamo, jakumo da ndisasamo.
Mesono ananja :
Mau bare'e ndito'o, lawi da kusasa kodjo.
Masae siwuragamo tau, nato'o : Se'imo kita siwuragamo, maka tampepate
i uraa pai i ine, matemo samboko.
Se'i komi da motoe, ware anu napouma.
Mompau inenja:
Se'i komi we motoe, mate anu napoine.
Mesono umanja :
Dja ewantje'emo saja, mepali mate i mpapa.
Mesono ananja :
Da siwnragamo kita, da takalinga si'a.
Io, da ntaowe mampanga'esi umanta pai inenta, dja da ntapanga'esi
To Kinadu.
De Gulzige Jongen.
Een man en eene vrouw waren gehuwd, de vrouw kreeg een kind en
haar kind was een jongen ; toen hij wat grooter werd, was hij een erge
gulzigaard, hij pakte het eten van zijne moeder en zijn vader weg, zijne
ouders hadden niet meer te eten. Zijn vader maakte een plan om dien gul-
zigen jongen te dooden; hij bracht hem naar het bosch en hakte daar een
boom boven hem om, groef' een steen boven hem uit, hieuw een waringin boven
hem om, nadat hij eerst eene stelling voor hem had gemaakt. Zijn vader zeide:
Hij is dood, laat ons ophouden aan hem te denken. Intusschen na niet langen
52
tijd kwam hij weder, met den boom, den steen, den waringin op zijn schouder,
die wierp hij op het erf. Toen dit voor den derden keer was gebeurd, vroeg
hij aan zijne moeder en zijn vader verlof om heen te gaan en vertrok, ver-
stoord dat driemaal zijne ouders getracht hadden hem te dooden en hij weder
opgeleefd was ; beneden op het trapportaal gekomen, nam hij zeven korrels
rijst van de stampsters en stak die in eene fluit. Zijne moeder keek door het
venster en zeide : Ga niet heen, mijn kind, ik verlang naar je. — Neen, moeder
ik ga heen, want u heeft mij mishandeld, het blijft er nu bij, ik ga maar
weg, mijn fortuin zoeken ; als ik teruggekeerd ben, dan zult u bericht krijgen.
Hij ging heen, zijne moeder te huis weende luid.
Op zijn tocht ontmoette hij na niet langen tijd den » Bamboe-
Schudder". Zoo, zeide hij, daar ben jij dus, waarvoor houd-je je hier op? —
Ik graaf hier eiken dag bamboe uit ; waar kom jij vandaan 'i — Ik ben
de Gulzige Jongen, al slacht men een buffel voor mij, dat is niet genoeg en
daarom heeft mij mijne moeder mishandeld. En zoo gingen dan deze drie
lieden met elkaar mede, want de Bamboe-Schudder had nog een jongeren
broeder. De Gulzige Jongen had een waringin als zwaard op zijde en de
jaarvogels vlogen al roepende de vruchten achterna, die hun dagelijksch voedsel
waren. Zij liepen maar steeds door; na geruimen tijd kwameu zij aan den
Houthakker, deze deed niets dan hout hakken, iederen dag; het waren twee
broeders, die door hunne ouders slecht behandeld waren. Ook die lieden gingen
mede, zoodat zij met hun vijven waren. Al voortgaande troffen zij den Rotan-
Schraper aan, die niets deed dan rotan schrapen; ook hij was met een jongeren
broeder. Zij gingen mede, en waren met hun zevenen. Gekomen aan het
zeestrand, gingen zij zwemmen, zijne makkers wilden terugkeeren, want de
adem ging hen begeven, zoolang zwom de Gulzige Jongen door. Ach, zeide
hij, gijlieden zijt zwakkelingen, gij kunt het niet uithouden, klimt maar op
mijne zwaardscheéde, dan zal ik u wel zwemmende voortduwen, maakt niet de
vogels op mijne zwaardscheéde dood. Hij zwom niet, hij liep maar over het
zee-oppervlak, al zijne makkers waren op den waringin geklommen. Na
eenigen tijd hield hij op en zeide dat hij zijn schelletje wilde aanbinden, het
was intusschen een groote steen, als een sagotredmand, die hij als schelletje
gebruikte en aan zijne zwaardscheéde bond.
Niet lang daarna hielden zij weer op, tegengehouden door eene zeeslang,
zoo groot als een gewone patola-slang, zoo groot als een huis.
De Gulzige Jongen zeide : Hakt gij met u vijven er op in. — Ja, dat is goed.
Zij hakten er werkelijk op in, maar drongen er met hunne zwaarden
niet diep in, hunne zwaarden sprongen terug, zij werden maar schaardig.
Ach, gij zijt zwakkelingen; zelfs een zeeslang kunt gij niet in tweeën hakken,
kom, laat mij eens, laat mij maar begaan, of er ook een stuk afvliegt.
Nu hij hakte er dan op in, hij gaf er maar een snee in, prikte er in
53
en daar vloog het stuk er af, het kopstuk kwam neer iu de rivier van een dorpshoofd
aan den overkant der zee; toen het was neergekomen, was de rivier van het
hoofd versperd, afgesloten, het hoofd kon niet meer baden. Hij gelastte zijne
slaven : kom, haalt het er uit ! Zij trachten het er uit te halen, maar het ging
er niet eens uit, er waren een 2000 menschen. Toen kwam de Gulzige
Jongen: Waarover maakt gij zoon leven, Ta Datoe ? Wel, mijne rivier
daarginds is verstopt, wat mag het wel zijn daarginds dat het verstopt heeft? —
Wil ik eens gaan kijken ? — Wel ja, ga maar eens kijken voor de aardigheid.
Zij gingen inderdaad met hun zevenen, met het plan om te baden ; hij zeide
tot de zes : Komaan, haalt het er eens uit. Zij trachtten inderdaad het er uit
te halen, maar het ging volstrekt niet. Kom, laat mij maar.
Hij prikte er maar met zijn zwaard in en het vloog weg en kwam weder
neer aan het water van een ander dorpshoofd.
Hij keerde weder terug, ging het dorpshuis binnen, werd gastvrij ont-
vangen, de menschen liepen te hoop en Ta Datoe zeide : Ja, er trekken eiken
dag vele gasten door, maar gij eerst zijt een fiinkert. — Ja, dat mag wel zoo
zijn. — Wat dunkt u, Gulzige Jongen, daar is mijne dochter, neem haar tot
vrouw ! — Ach, laat ik geen vrouw nemen, hier is de Bamboe-Schudder, laat hij
haar trouwen, dan laat ik hem hier achter.
Ta Datoe had twee dochters en die werden door de beide broeders ge-
huwd. De Bamboe-Schudder zeide: Ach, ik heb geen zin om hier te trouwen,
neem mij als gezel mede. — - Ik heb het te voren al gezegd, maar gij wildet niet.
Na eenigen tijd wilde hij wel, en de anderen lieten hem achter. Toen
de Gulzige Jongen van deze zijne makkers afscheid nam, zeide hij :
Hier laat ik Icondo achter, daarnaar moet gij kijken.
Ten teeken mijner dapperheid, is er telkens bij ieder een neergezet.
Wanneer de kondo verflenst, is de Gulzige Jongen dood.
Eenigen tijd daarop ging hij heen en zeide :
Nu, zoo is het dan, wij mannen gaan op reis.
Zij kwamen nu aan een andere rivier van een dorpshoofd, daar waren
vele lieden verzameld.
Waarom maakt gij daarginds leven? Dat was intusschen de kop der
Zeeslang die den vorigen dag uit de stad van Ta Datoe was weggeslingerd.
Wie heeft hem opgegooid ? — Wel, weet ik het ! Wie mag het wel geweest
zijn, het is slechts hier neergekomen, midden uit de lucht gevallen. Nu gingen
die vijf kijken en hij gelastte de vier om den kop er uit te halen, maar het
lukte niet, hij ging niet. Och, laat mij maar.
Hij haalde hem er uit en hij ging, Ta Datoe wilde hem met zijne
dochter doen trouwen, maar hij wilde niet, hij wees zijne makkers, de Omhakker
en zijn jongeren broeder aan. Ta Datoe stemde er in toe, maar ook de Omhakker
wilde niet achtergelaten worden en zeide:
54
Ik wil niet, dat gij mij achterlaat, ik heb slechts heimwee in 't vooruitzicht.
— Je moet willen, anders sla ik je dood ! Eenigen tijd daarna, wilde hij
wel en zeide: Ja, al heb ik er geen zin in. goed, als het er zoo mee gesteld
is. De Gulzige Jongen zeide:
Hier zijn hondo's op den grond, ten teeken voor de aankomelingen.
Wanneer de kondo's verflensen, is de Gulzige Jongen gestorven.
Bij zijn vertrek waren zij nog maar met hun drieën. Zij kwamen aan
een ander water van een dorpshoofd, dat verstopt was doordat de Zeeslang er
in was gevallen, een gedeelte was verrot, daar waar het doorgehakt was, en het
stonk, er waren al vele wormen in.
Toen de Gulzige Jongen het er uithaalde ging het er uit, zijne makkers
konden het niet, het vloog weg de zee in. Ach, laat ik het nog niet zijn, die
uwe beide dochters trouw, laat mijne gezellen het zijn, de Rotan-Schraper en
zijn broeder.
De Rotan-Schraper weende, hij wilde niet achtergelaten worden. Na
eenigen tijd gaf hij toe : de Gulzige Jongen liet kondo bij hem achter en zeide :
Hier is kondo op het erf, ten teeken voor de nieuw aangekomenen.
Wanneer de kondo verflenst, dan is de Gulzige Jongen gestorven.
Den volgenden morgen ging hij heen. hij ging maar steeds door in zijn
eentje. Hij kreeg berouw dat hij zijne makkers had achtergelaten. Al door-
loopende, kwam hij aan eene ledige stad. Ach, er zijn hier geen menschen meer.
Hij ging in het dorpshuis, bom. bom sloeg hij op de trom ; intusschen waren
daar twee menschen in : eene grootmoeder met hare kleindochter in de trom.
dezen zeiden : Zeg, maak niet zoo'n leven, daar komt een Grijpvogel aan ; wij
zitten hier in de trom en zijn daardoor nog in leven, want deze stad is uit-
gemoord door den Grijpvogel. — Komt volstrekt niet uit de trom, ik weet hem
wel te lokken. — Pas toch op, hij is zeer groot, zijne sporen zijn als /be/a-klop-
planken zoo groot, alle menschen heeft hij opgepakt en naar boven in de
lucht gebracht.
Hij ging heen (en dacht) : kom, ik zal voetangels scherpen. Hij scherpte
voetangels en groef den grond uit ; na dien uitgegraven te hebben, voerde hij
een krijgsdans uit op den grond om den Grijpvogel te lokken, want als deze
menschen zag, vloog hij er op af en pakte ze op.
De zon is verduisterd, misschien is het de Grijpvogel !
Spoedig zal komen, uw door den Schepper bepaalde doodsuur.
Niet lang daarna zag hij hem komen, zoo groot als eene pinangnoot, hij
sloeg de klauwen al uit en de Gulzige Jongen zeide : Och, het arme meisje is
het slachtoffer geworden van de list van den jongen man. Hij kwam nader
en zou neerstrijken, daar schoot de Gulzige Jongen het hol binnen, rits! zou
hij hem oppakken, roef ! daar kwam hij tegen de voetangels aan die boven het
gat stonden ; toen hij geraakt was, brulde zijne stem van het schreeuwen.
55
De Gulzige Jongen kwam uit het hol, hakte hem den kop af, legde
vuur op hem en brandde van zijn beenderen kalk.
De vrouw in de trom antwoordde: 't Is nog niet uit, kleinzoon, er is
daarboven nog een wijfje. — Goed, Grootmoeder, die zal ik ook wel eens beetnemen.
Hij scherpte opnieuw voetangels, want de vorige waren verbrijzeld; zeventig
scherpte hij er en stelde ze op, hij bleef stand houden bij den ingang van het
hol en zong :
Spoedig zal komen, uw door den Schepper bepaalde doodsuur.
De zon is verduisterd, misschien is het de Grijpvogel.
Maak mij niet akelig, een mensch zou zijn inoed verliezen.
Niet lang daarna kwam het wijfje aan ; toen hij zag dat het dichtbij was,
vloog hij het hol binnen, op eens werd hij door de voetangels getroffen en
hevig schreeuwde de Grijpvogel; de Gulzige Jongen kwam te voorschijn, om
hem den kop af te hakken.
Nu kwamen de Grootmoeder en de kleindochter te voorschijn, nu eerst
zagen zij den Gulzigen Jongen. Zij legden een houtvuur op hem aan, verbrandden
hem en zijne beenderen werden fijn. — Grootmoeder, ik zou uwe kleindochter wel
willen trouwen. — Goed, doe het maar.
Grootmoeder, wil ons een huis tooveren. Zij sprak een tooverspreuk
uit en zij deden de oogen open en daar zaten zij in hun huis, het dak en de
wanden van glas, het stond slechts op één paal, alles wat er bij hoorde had
zij met have tooverspreuk te voorschijn gebracht.
De beenderen der gestorvenen besprengde zij met toovermiddelen en zij
stonden op en leefden weer, het was weer een heele stad vol.
Wel Grootmoeder, wil mij rijst voor leeftocht stampen, dat ik heenga
en mijne moeder en mijn vader doode.
Hij ging heen, nam zijne vrouw en zijne zwagers mede, die juist waren
levend gemaakt.
Hij ging ook nog aan bij zijne makkers, die hij vroeger had achter-
gelaten en zij waren in hun schik den Gulzigen Jongen te zien.
Laat ons gaan snellen de hoofden van hen die ons mishandeld hebben.
Hij zeide tot zijne vrouw:
Als er nog eene maand is verloopen, dan is Vader dood.
Nu ga ik op weg. Als er nog eene maand om is, dan is Moeder dood.
Degenen die het terrein gingen verspieden, vertrokken. Zij zeiden: O,
het is daarginds, maar de lieden van dat dorp daar zijn sterk. In den vroegen
morgen zullen wij onzen slag slaan, al zijn zij nog zoo sterk, misschien wel
honderd die ter dege vlug zijn.
Op het erf gekomen, zeide hij :
Hier ben ik aangekomen, om met het zwaard te strijden.
Stelt mijn geduld niet op de proef, laat ons te zamen vechten.
56
Zijne moeder antwoordde:
Spreek niet zoo mijn zoon, hoe zal ik dat doen?
De Gulzige Jongen antwoordde:
U heeft mij mishandeld, u heeft een waringin voor mij uitgezocht, en
die on mij laten vallen.
Zijne moeder antwoordde:
Men heeft u niet mishandeld, gij waart een vreeselij ke gulzigaard.
De Gulzige Jongen zeide :
Het is nu eenmaal uw lot, ik zal de hanen laten vechten.
Zijne moeder antwoordde:
Spreek niet zoo mijn zoon, ik ben bevreesd.
De Gulzige Jongen antAvoordde:
Hoe kan u er bang voor zijn, daar u het immers gezocht heeft.
Spring naar beneden, moeder, ik heb er genoeg van om te wachten.
Wacht nog even, mijn jongen, antwoordde zijn vader, uwe moeder is
juist bezig rijst te stampen.
Spring dan toch naar beneden, dat wij met elkaar kunnen vechten.
Wees niet ongeduldig in het wachten, laat ik eerst mijn broek
aantrekken.
Laat het niet te lang duren, ik verveel mij op den grond.
Het duurde inderdaad niet lang, of zijn vader sprong naar beneden, zij
streden met elkaar, maar sprongen niet tegen elkaar op de lucht in ; toen zij
geruimen tijd met elkaar gevochten hadden, sneuvelde zijn vader; toen zijn
vader was gestorven, zeide hij tot zijne moeder:
Spring nu naar beneden, moeder, dat ik je in stukken hakke.
Ach mijn kind, sla mij niet dood, ik heb het vroeger zwaar gehad met
u op te voeden.
Zijne moeder wilde niet naar beneden komen, hij klom dan bij haar
naar boven; boven in huis gekomen, hakte hij zijne moeder in stukken, het
hoofd van zijn vader gaf hij aan zijne volgelingen om het in de sarong te
dragen, maar het sprak nog en zeide:
Roep het baht-balu over mij uit, zoo hoort het als men een verslagene
als buit medebrengt.
De Gulzige Jongen antwoordde:
Al hadt gij het niet gezegd, ik zoude (het hoofd) op de punt mijner lans dragen.
Zijn vader antwoordde :
Een geel arèn-blad, schud dat en maak het tot drager van den schedel.
De Gulzige Jongen antwoordde:
Al zoudt gij het niet gezegd hebben, ik zou toch van zelf den dolit-zang
hebben gezongen.
Na eenigen tijd bracht hij werkelijk het hoofd in het dorp en vierde er
57
het koppensnellers-feest mede; gekomen in het dorp van een ander dorpshoofd,
vierde hij er evenzoo het feest over. Zijn vader antwoordde :
Zoo hoort het, als men een verslagene als buit thuis brengt, dan vin-t
men er het /o&o-feest voor.
De Zoon antwoordde:
l.
Al zou u het niet gezegd hebben, ik zou er wel degelijk het lobo-ïeesi
voor hebben gevierd.
Toen het lobo-i eest gedaan was, nam hij het hoofd opnieuw mede eu
bracht het in de verschillende dorpen, en dit zeide weder :
Zoo past het een rechtgeaarden zoon, het hoofd van zijn vader rond te brengen.
Niet lang daarna vernam zijne vrouw: De Gulzige Jongen komt aan.
Zij had het slechts gedroomd, drie dagen daarna hoorde zij het werkelijk.
Roep het balu-balu over mij uit, zoo hoort het als men een verslagene
als buit thuis brengt.
Toen hij kwam feestvieren, kookte zij kleefrijst voor haren man. Zijn
vader zeide :
Als men hem dien men vader noemt als krijgsbuit thuis brengt, dan
moet men er het /o&o-feest voor vieren.
De Zoon antwoordde :
Al zou u het niet gezegd hebben, ik zou toch de lubo beklommen hebben.
Nadat eenigen tijd voor hem de trommen waren geslagen, zeide de Vader :
Als men gaat eten, sla dan voor mij op de trom.
Als gij gedaan hebt met eten, dan moet gij een toespraak houden.
De Zoon antwoordde :
Al zou u het niet hebbeu gezegd, ik zou toch zeker eene rede ge-
houden hebben.
De Vader antwoordde :
Als gij gedaan hebt met trommelen, hak mij dan in stukken.
De Zoon antwoordde:
Al had u het niet gezegd, ik zou u toch zeker hebben in stukken gehakt.
Na eenigen tijd gingen de menschen uiteen en zeide hij : Nu gaan wij
uiteen, want wij hebben vader en moeder gedood, zij zijn beiden dood.
Nu moet gij eene rede houden, uwen vader hebt gij doodgeslagen.
De Moeder zeide :
Nu moet gij eene rede houden, uwe moeder hebt gij doodgeslagen.
De Vader antwoordde :
Zoo behoort het ook, als men den dood van zijn vader zoekt.
De Zoon antwoordde:
Laat ons uiteengaan en laat ons hen vergeten.
Juist, laat ons ophouden onze vaders en moeders te snellen, laat ons nog
slechts bij de To Kinadoe gaan snellen.
58
AANTEEKENINGEN.
Natima wea papitu ogu; in de Toradja'sche verhalen komt
het vaak voor, dat de held op reis gaat, inet geen andere proviand dan zeven
korrels rijst, die hij in eene bamboe-fluit verbergt. In de Strand-Bare'e-verhaleu
en ook in de Sangireesche vei halen, worden gewoonlijk këtupat's (Bar.
k o t u p a , Sang. ë m p i h i s ë ' ) genoemd, maar de echte Toradja's kennen dit
artikel nog niet.
Mampepali asi-asi, eig. «medelijden zoeken", d. w. z. meuschen
zoeken die medelijden met mij hebben, nu mijne ouders mij verstooten.
Ndidonge bambarinja; dit zijn onheilspellende woorden. Als een
Toradja beleedigd is en nog geen kans ziet om wraak te nemen, beheerscht hij
zich en neemt eerst in de vormen afscheid, maar laat daarbij tevens merken
dat hij over eenigen tijd denkt terug te komen. De andere partij begrijpt dan
dat hij makkers en wapenen gaat halen, om aan zijne eischen tot schadevergoe-
ding klem bij te zetten of' om met zijne beleedigers te gaan vechten.
Moguma 3 nunu » gebruikte een waringin-stam als ware het eene
zwaardscheede", d. w. z. hij gordde dien om zijn middel.
Deze trek komt in bijna alle Toradja'sche lezingen van dit verhaal voor en
ook in de Galelareesche overlevering, door den Heer M. J. van Baarda bekend
gemaakt, waarover op bl. 8 der Verh. Bat. Gen. Dl. 55, Ie stuk is gesproken.
In dat verhaal heet de visch die door den jongen reus wordt aangetroffen terwijl
hij met zijne makkers de zee oversteekt, n u n u. Op de aangehaalde plaats
is het vermoeden uitgesproken, dat de naam van den waringin, n u n u, in het
Galelareesche verhaal op den visch zou zijn overgegaan. Maar het woord
n u n u is verder in het Galelareesch niet bekend ; het ligt dus voor de hand
om aan te nemen dat in dit Gal. verhaal, dat oorspronkelijk in het Ternataansch
tot de Galelareezen is gekomen, de visch N u n van Nabi Junus is geplaatst
voor het zeemonster dat in dit verhaal eene rol heeft te spelen. »Het Ar.
^.j zegt Dr. Snotjck Hurgronje, komt alleen iu den Qoeran en de gewijde
overleveringen voor, vooral waar sprake is van Joenoes en van de schepping
en plaatsing der aarde (1). Het wordt dan verklaard als l=^.». »visch in 't
algemeen", maar het is voor de Arabieren steeds een vreemd woord geweest
en alleen gebruikt voor wondervisschen. De Maleiers kennen het uit bewer-
kingen der Profeten- verhalen." Of er verder nog verwarring met het woord
(1) De naam Nun is de gewone voor den visch die indirect de aarde draagt, zooals ook de
Maleische woordenboeken vermelden.
59
n u n u, dat op Midden-Celebes, en ook in het Sangireesch en Bentenansch het ge-
wone woord voor »waringin" is, heeft plaats gehad, zal eerst met zekerheid kunnen
uitgemaakt worden, wanneer de plaats van oorsprong van dit verhaal bekend is.
Naka jaku uiamponanguka komi »opdat ik met u-lieden
voortzwemme". In het PmB. dialect wordt naka reeds als voegwoord ere-
bruikt, in de bet. »opdat". Het Bar. heeft om wenschende, toelatende en
redengevende zinnen te stellen, den aiouden causatieven vorm behouden, nl.
pa- voor transitieve, ka- voor intransitieve werkwoordstammen. Ook vele
echte causatieven worden nog op deze wijze gevormd, maar het achtervoegsel
- a k a heeft reeds voor een groot deel de vorming der causatieven tot zich
getrokken. Men zou dus den causatieven vorm in wenschende, toelatende en
'redengevende zinnen als een afzonderlijke wijs kunnen beschouwen, bijv. als
een conjuctief. Voorbeelden zijn : e u s e ' i k u k e n i k a s i k o nupawaika
g a m b e »deze spinazie breng ik u, dat gij er mij gambir voor moogt geven" ;
n e ' e melindjari w e n g i, da n a s o k o a n g g a s i k o. N a p a n-
tjoko! »loop niet in het duister, dan pakken u de spoken. Laat ze
(mij) pakken !" nipesawiri g u m a k u, k u p a m p o n a n g k a komi
» klimt op mijne zwaardscheede, dat ik met ui. voortzwemme". Deze
laatste zin is de overzetting van den PmB.'schen zin in het Bare'e dat
ten N. van het Meer wordt gesproken. Voorbeelden met intransitieve werk-
woorden : w a i k a k u k i n a ' a, kukatuwu »geef mij rijst, opdat ik leve" ;
k o j o b a s o m u t a kal o ' u, »neem je draagmand op, dat wij kunnen heen-
gaan" ; s e i a 1 i p a i tambangoni, n i k a j o r e »hier is eene mat en
een hoofdkussen, dat gij kunt slapen"; tejoro edja, be da manawu
tan? Nakanawu! »als de trap is omgekeerd," vallen de menschen dan niet?
Laat ze vallen!"
Bij adjectief-stammen wordt steeds naka- voorgevoegd, waarin n a
dan als een versteend pron. praef. 3e pers. moet worden beschouwd, wanneer
feitelijk een Ie of 2e persoon zijn bedoeld. In dat geval moet dan ook nog
een voornaamwoord van den lsten of 2den persoon volgen ; is de 3e pers.
bedoeld, dan behoeft dit niet. Voorbeelden : waikaku sabu nakabu j a
jaku »geef mij zeep, opdat ik wit worde' ; s e ' i sabu kuwai nakabuja
s i k o »hier geef ik je zeep, opdat je wit moogt worden" ; n a p e r a p i sabu.
nakabuja „zij vraagt zeep, opdat zij wit worde". Zoowel bij deze stammen,
als bij de intransitieve werkwoordstammen wordt naka, ook in het echte
Bare'e dikwijls tot een afzonderlijk voegwoord, zoodat dan het adjectief zijn
voorvoegsel m a -, het werkwoord zijn persoonlijk voornaamwoord moet hebben,
bv. s e ' i k i n a ' a, naka t u wu s i k o »hier is rijst, opdat gij moogt leven",
se'i sabu, naka mabuja siko »hier is zeep, opdat gij wit moogt worden".
Nog verder gaat het PmB. met zijn : naka jaku mamponanguka komi.
60
Zie verder Tijdschr. Bat. (4en. Dl. 41. bl. 535.
K i n o n i. PniB. »eteu, voedsel, gekookte rijst", van koni »eten",
Bar. k i n a ' a, van kina' (van ka', voor k a n), met infix -in en suffix
- a n. Het Par. heeft alleen het suffix, in zijn woord k o n i s a. In de syno-
nieme vormen linoro (voor r i n o r o) en r o r o a » gebraad"' zijn in het
Bar. ook het infix - i n en het suffix - a gelijkwaardig.
D i o~. een klanknabootsend woord, voor »schel, bel" ; kleine koperen
klokjes worden door de Toradja's soms aan hunne zwaardscheeden gedragen,
uit ijdelheid.
Over de Pajowi, zie de meermalen aangeh. Inleiding op de vertaling
van Sese nTaola, bl. 12.
Po la. PniB. voor duata »slang". Met pola wordt soms in 't algemeen
»slang", soms meer in 't bizonder de python bedoeld.
M o o n g e - o u g e, PniB. » leven maken", Bar. kawoo-woo.
Mantu'uri. PmB. »zien. kijken". Bar. meole, mampeole.
Totoka, wissel woord voor t a u. in den zin van » een ander, een vreem-
deling" en linggona »gast, vreemdeling". Het is samengesteld uit to en
toka, Jav. tëka, Loindangsch toka »komen". in het Bar. nog in gebruik
in toka-. hetz. als gana 2 »alles wat noodig is, al de ingrediënten", en
mom pa toka »verschaffen, bijeenbrengen, leveren wat noodig is", bijv. het
noodige voor het sirih-pruimen.
E p a., PmB. voor Bar. n e p a, Str. Bar. d e p a.
Tonga, PmB. voor Bar. montjo »echt. eerlijk, waar. flink, oprecht",
vgl. Boeg. tongëng, Mandarsch, Rongkonsch tongan, Tag. tingir. Bis.
tongod, Bent. tungar, Sang. tengadë'.
Se'emo kuto'o-to'o owi, enz., de bedoeling is: dat heb ik vooruit
al gedacht of gezegd, toen ge met me wildet meegaan, dat ge nog wel eens
lastig zoudt zijn, maar toen wildet ge daar niet van hooren spreken.
D o n g k a, PmB. d j e 1 a. Bar. »komen", vgl. Soend. d o n g k a p, Jav.
d u n g k a p.
D u'a, PmB. voor tu'a «grootmoeder", verkorting van in e tu'a. Even-
als in bue, PmB. pue, Parig. »grootmoeder". is hier de tenuis-begmner tot
media geworden.
Gl
Me'ase, PmB. voor mokaliwongo, Bar. »leven maken".
Pai na ka tuwu ka mi, hiervoor kan men in het Bar. ook zeggen:
p a i k a k a t u w u.
W a n t j e n j a e w a totna k a b a e 2 n j a, de foeja-klopplank, waar-
mede hier de sporen van den vogel worden vergeleken, heeft gemiddeld de
volgende afmetingen: Lengte M. 1.25, breedte 0,2, dikte 0,00.
O pi, Nap. op e, Par. opu, Lalakisch, id., Tog. Saoes. Bada'sch, Boeng-
koesch, Tontolisch u p u, Lole'sch opus, Koelaw. Tontemboansch a p u, bet. »op,
ten einde, tot den laatste toe weg, klaar, gedaan, enz." In de W. Toradja'sche
talen omschrijft naopu, naupu het perfectum, in het Bar. beteekeut o pi
»tot den laatste toe dood, uitgestorven".
A d j a 1 i m u mPahiburu; a d j a 1 i is » het door God bepaalde ster-
vensuur"; de Moh. strandbewoners gebruiken het woord ook in dien vorm. In
het PmB. moet het uit het Z. (Loewoe) zijn gekomen; Dr. Matthes geeft in
het Boeg. Woordenboek alleen den vorm ad j alen g op. De vorm adjali is
evenwel regelrecht van adjal afkomstig.
Voor »God" is hier de Toradja'sche benaming Palaburu behouden.
Deze combinatie is niet zoo vreemd als zij wel lijkt. De woorden adjali,
djandji en wat verder »het noodlot, het vooraf bepaalde stervensuur" aan-
duidt, mogen van de Mohammedanen afkomstig zijn, de Toradja vat dit denk-
beeld terstond en is het er geheel mee eens, het is hem oorspronkelijk in 't
geheel niet vreemd. Hij behoeft er dus nog niet toe te zijn overgegaan om den
Toradja'schen Pue m Palaburu met den naam Ala ta'ala aan te dniden,
om reeds van djandji en adjali te spreken.
Palaburu is de nominale vorm van malaburu » vormen, kneden".
Pue m Palaburu is dus »de Heere Schepper". Nadere verklaring omtrent
den vorm van dit woord kan ik nog niet geven.
O de telen ja, enz. Dit is eene spreekwoordelijke uitdrukking om iemand
aan te duiden die er in geloopen is, die het door hem niet geziene of niet ge-
telde gevaar nu ziet genaken. Tel e »meisje" is een bijvorm van til e, Parig.
Kail. talen » vagina", afwisselende met tel e (Goront. Rongkongsch), sele
(Boengkoesch, Morisch). til o (Bada'sch) en leti (Bare'e), lësi (Boeg.), lei
(Oemala'sch), terwijl kede een bijvorm is naast kedje, Bar. »penis".
Euajangi tengko; wat de combinatie dezer twee vogelnamen
beduidt, is niet duidelijk. De tengko is de meest gewone omineuze vogel bij
de Toradja's. Men hoort zijn geluid op alle tijden van den dag en houdt er, zelfs
62
in omstandigheden van gering aanbelang, half in ernst, half in scherts rekening
mede. Ook de kuajangi is een voorspellende vogel, maar alleen voor zee-
vaarders ; de echte Toradja's hebben dus zelden met hem te maken.
Adi; de tooverwensch waarmede iets uit niets, of iets groots en fraais
uit iets zéér gerings wordt voortgebracht, heet a d i. naar de beginwoorden :
adi adi sakurio. Dit a d i is ident. met Jav. Mal. Mak. Boeg. enz.
adji, Lampongsch a d i - a d i, Sang. adi »reciteeren, hardop voorlezen". Bij
het tooveren in de verhalen worden de oogen gesloten, de tooverformule wordt
opgezegd en daarna worden de oogen geopend ; is de formule inderdaad toover-
krachtig, dan is ook het gewenschte aanwezig.
No non ja saogu-saogu; van bizonder fraaie huizen wordt dik-
wijls in de Toradja'sche verhalen verteld dat zij op één paal staan. Zij zijn
daardoor ongeveer ontoegankelijk voor iedereen wien door de bewoners niet
wenschen binnen te laten. Vooral wanneer in een verhaal van eene Koningsdochter
wordt verteld, om wier hand een wedstrijd is geopend, dan zit deze doorgaans
in een hoog vertrek, dat op één enkelen hoogen paal staat; degenen die naar
de hand der Koningsdochter dingen, moeten dan een bal tot in dit vertrek werpen.
Mepadasoki; in de nabijheid van het doel van hun tocht gekomen,
houden de koppensnellers zich schuil in het bosch en zenden verspieders uit,
om de getalsterkte van het belaagde dorp, de dagelijksche gewoonten der
dorpelingen en de beste gelegenheden om met succes den aanval te doen, te
bespieden. Zijn de verspieders op de hoogte van hetgeen zij moeten weten, dan
komen zij terug in het kamp der hunnen, ieder der strijders- raakt hen aan,
en als zij hun verslag hebben gedaan, gaat men over den aanval beraadslagen.
K a w e 1 a, wisselterm voor pen ai »zwaard", wellicht van we la
»wond".
Tomou »broeister", wisselterm voor manu »kip, haan".
Kupangantjasa, waarschijnlijk is deze manga -vorm gekozen om de
maat vol te maken. De vorm is overigens wat hierboven is genoemd »conjunctief",
zoodat da eigenlijk overbodig is; voldoende zou zijn: kupantjasa siko
»dat ik je in stukken hakke".
De Gulzigaard spreekt hier zijne moeder met siko aan, in plaats van
met k o m i, een bewijs dat hij haar niet meer als moeder wil beschouwen.
Balu-balukamo aku; dit doelt op den uitroep dien de terug-
63
keerende koppensnellers telkens herhalen; wanneer zij bijv. van de To Kinadoe
terugkomen : balu balu To Kina du e! of' T o Kinadu balumo, d.i.
»de Kinadoes zijn weduwen en weduwnaars, hebben de een haar man, de ander
zijne vrouw verloren, zijn in rouw". Zoodra een van den troep dit heeft geroepen,
vallen de anderen in met den typischen krijgskreet der Toradja's (m e p o k u),
dien ook de Minahassers kennen (k u m e r e t).
Kuuerika t a 1 o m b o ; de bet. van het PniB. u e r i is die van
tangkueri in het gewone, Bare'e, nl. »aan het uiteinde vasthouden", hier
»op de punt der lans nemen en op die wijze het hoofd dragen" ; talombo
is een wisselwoord voor tawala »lans". Maar hiermede is de uitdrukking
nog niet verklaard.
Ira ngkonau makuni, enz. Deze regel en de volgende behooren
tot de steeds gezongen coupletten bij het binnentrekken van het dorp door de
terugkeerende koppensnellers. Towugi staat voor t o w u r i »zwarte man" en
is eene benaming van den arèn-palm of' zijne takken en bladeren.
Jakumo da ndisasamo; het hoofd of de schedel van den vader
ligt in eene daarvoor gemaakte uitholling in een vloerplank van de lob o, het
groote dorpshuis waarin de schedels worden opgehangen. Daar het hoofd nog
leeft en spreekt, verzoekt het te worden aan stukken gehakt, om te kunnen sterven.
De bizonderheden omtrent de gebruiken door de huiswaarts keerende
koppensnellers gevolgd, zijn te vinden in het opstel van den Heer Kri t yt :
»Het koppensnellen der Toradja's van Midden-Celebes en zijne beteekenis". in
de Verslagen en Mededeelingen der Kon. Academie van Wetenschappen, Afd.
Letterkunde, 4e Rks, 3e Dl., 2e stuk, 1899, bl. 147-229.
III. SANGIREESCHE TEKST.
Be'ke nSendango.
Tangü pia' tan i rë'dua sëngkapapüng, areug u ese' i Wibo, areng u
wawine i Kë'dang. Tangü i rë'dua rnë'dë'dalahikingke ; tawe nararëngu' (pani-
ring bera mbio e), ute nakaë'ba'e aua' i rë'dua ese'. Ku' dario' mëngkai kado-
do'-dodo' piraü ; tangü nisë'ba'e si Sëndango. Kute'u marëngu'-dëngu'
kaka'guwa'e rario' ene ; iamange kai në'sasë'silë' pia' ana'e ene, watu' kai
tumani'e niakombang. U i Sëndango, ma'eng kumang busa', taha'dua ngkalu
e, tawe makaralaedë'. Tangü iamange në'bera'e suralung u naunge, u ana'e
patengke, batu' sen ta makatahang më'gëli' u kange. ïangü su sahëlo iamange
mëngkatewe namaringang u ana'e : Wo'ete, amang ! i kadua ren më'dea' Jaha-
seng. Angküng u ana'e: Ho, amang! Bo'ue i rë'dua tahana' mëngkatewe nahun-
daleng. Arawe i ninang i Sëndango e wë'ga wue, u kapapüngekai ma'ngakalë'
mamate ana' i rë'dua e. Kute'u i rë'dua ru'dalengke marë'sung masaka, tangü
nakaë'ba'e wulo sëmpüng. Bo'ue iamang e në'bera'e su ana'e : Manuwangke
sini lahaseng i kadua tahana'.
Ute wo'u ene iamang e mëngkatewe nëhë'pa wulo sëmpüng ene. Sarangke
nasuen hë'pane, tangü niëhabë' apan tuide. Sarang nasuen ëhabe, tangü iamang
e mëngkatewe simanggidë' ana'e, nisapua', bo'ue mëngkatewe ni'tateledë' su pung
u wulo niëhabe kanini. Ute i Sëndango e nasusu'e su kalawo' u wadange.
Bo'ue i amange mëngkatewe napule' ; su ënane i Sëndango sen nate. Kute'u
i amange wë'da ntana'darëna ku'kaiang su wale, ute sëngkianu i Sëndango
narënta'e lai, ku' bulo sëmpüng e ma'susüng su tëmbo'e, ku' mëngkatewe
niënsa'e apidë' nëbera u : Endaung lahaseng i kadua e, amang ! Ute i amange
mëngkate ta'kakë'di'e, du'dalinau' kawe unu'e i Sëndango sau' në'biahë'.
Tangü wo'u ene sëngkapira hë'bine i amang e në'sau'ewe namaringang u
ana'e, uade më'dea' sunggilë'. Ho i rë'dua mëngkatewe rimaleng. Kute'u sarang
sen nakaë'ba' batu masaria, ute mëngkatewe ni'kakë'kadë' bo'u sëmbë'ka. Sarang
sen masanggidë' limunggi watu ene, tangü i Sëndango e mëngkatewe niapasuë'
su wangkane. Bo'u ene mëngkatewe nikanoakem batu ene, ku' liminggi'e
ringang u nakaë'pisë' si Sëndango. Bo'u ene napule'e iamange. Ta nararëna
kadodo' iamange ku'kaiang su wale, ute narënta'e lai i Sëndango, apidë'
ma'nuëngf batu kë'kasariang; ene. Sarang nasongo su wale mëng-katewe niënsa'e watu
65
kanini ka'kasüng si sie, apidë' në'bera: Endaung sunggil i kadua e, amang!
Ute rimalinau'e iamange.
Tangü wou ene sëngkapira hë'bine iarnange në'sau'e namaringang si
Sëndaugo, uade i rë'dua kai më'de'a kalu. Tangü mëngkatewe rimaleng i rë'dua
tahana'e ; sarang nakaë'ba' kalu, ute iamange raëngkatewe nanuwang. Tangü
sara'eng sen masandigë' mahaka, ute i Sëndango pirua ni'laoro n aniange
su pia' kahakang kalu ene niapararisi'e sene; sarang kalu sen nahaka, ute i
Sëndango pirua ruëngkate nikaë'pisang u kalu ene. Bo'u ene tangü iamange
mëngkatewe napule' solong bale; ta nararëna iamange ku'kaiang su wale,
tangü ënsae' i Sëndango e pirua më'gë'gnha' 3 dingang u kalu ka'papasange.
Ute iamange saunengke rimalinau' u i sie kai ta makaakalë' mamate an'ae.
Tangü i Sëndango e pirua nakaëna'e mahune'u i sie kai lë'aka'eng i
aniange pateng; bo'u ene i Sëndango në'bera'e si ninange : Inang: ia' koateko
sinasa'ku ëmpihisë kinamisë' sio, dingang u kina'e tëluhë' siombau', dingangu
pakeangku siomparesë', batu' ia' kai ren dumaleng, u i amangku e kai raa'-
ngakalë' mamate sia'. Ute pirua i ninange mëngkatewe simangi'. Kai ho, i
Sëndango mëngkatewe nanahionge si ninange apidë' ka'berane : 1 kau, inang,
abe kasusa, ia' e mapia wue. Bo'u su'sangi' i ninange mëngkatewe nënggepe'
pakean dingang u në'koa' sinasa' u ana'e; sarang sen nasue nariahi, ute i Së-
ndango në'kata'en ninange; bo'ue i sia rimalengke maliu m bulude, maliu m
balane, marë'sung masaka. Tangü i sie nakaë'ba'e ansuang ma'ngeke', ku' eke'e
kai kalu mbango' sëngkalu. Sara'eng ansuang nakasilo si Sëndango e, në'bera'e
ungkung: Heute! ren taku ipëndaha isi, ipanë'bu pangila' ! Tangü simimbahe
i Sëndango, angkung : Kapiako, upung! më'bera kerene, mapia i kadua ren
më'bisara. Kute'u në'bera'e i Sëndango: Mapia i kadua ren më'dalia, i sai n
ikalënsung, i sie makoa' ëlang. Sara'eng ansuang nakaringihë' ene, mëngkatewe
në'pë'du apidë' në'bera ungkung: I kau apa ëndai' kë'ta'u sëngkiki relain
ma'ngabasë' më'dalia n ia'e ? Bo'u në'bisara ëndai' ene, tangü i rë'dua mëngkatewe
në'dalahë'ku' në'dalia'e ; ku' kalu masasaria e, kamageng ka'anggila n i rë'dua e,
mëngkatewe masue ma'papë'di; kute'u wë'dan ta nakaë'ba' pananasa' mamang
sëlihi' ute ansuang e nikalënsungke n Sëndango. Tangü në'bera'e i Sëndango:
Ma'eng i kau madiri makoa' ëlangku e ute i kau taku potokang. Tangü
simimbahe ansuang: Apa'ewen sen nipë'kire man mariadi kerene. Ute lm
Ansuang e timole'e si Sëndango, nakoa' ëlange.
•Bo'u ene i rë'dua mëngkatewe rimaleng. Kute'u nakaë'ba'e wue Ansuang
sëmbau', arenge i Mëlalë'sa, Tangü Ansuang ene në'bera'e: Heute pia' taku'
ipëndaha isi, ipanë'bu pangila'. Tangü simimbahe i Sëndango inë'sülung o
kalëmona ni'sasimbahe su Ansuang sëmbau' ëndai' sen nakoa' ëlange. Sarong
Ansuang ëndai' nakaringihë' ene, ute mëngkatewe limë'ge, apidë' në'bera: IroV!
ikau apa ëndai' kadidi' ene relainpia' së'kehe mamaringang më'dalia n ia'e?
Ho, wo'u nahumbisara kerene, ute mëngkatewe në'dalia i rë'dua: suapa
Verh. Bat. Gen. LVI. 3
60
dëngu'i rë'dua në'dalia, ute sëngkianu nikalënsungke Ansuang e ringang u
apidë' uakoa' ëlange.
Bo'ue sau'ewe rimaleng i sire tëlu, tangü sau'ewe nakaë'ba' Ansuang
sëmbau' ku' arenge Manganganu'. Ku' Ausuang ini e malain nipë'dalia n Së-
ndango. Ku' mau ikë'kalënsung i Sëndango e.
Tangü i sire ini e sau'ewe nëmpë'daleng maëlo mahëbi ute sëngkianu
nahumpa'e su pondol u soa sëmbau' ku' soa ene mëngkatewe më'gë'noha'.
Tangü sirnanggide i Sëndango su taumata sëngkatau ku' nakiwalo : Mënsang
unu'e soa ini kawe maghahe. Tanga simimbahe tau ene angkung: I kami kai
mëlë'lunggi ngkina' masaria ta' sih inge kasariane nisampelë' su apeng; ku'
datu nsoa ini e sen namohang u i sai n makalunggi ngkina' ene, i sie makoa'
datu nsoa ini. Kute'u i Sëndango në'bera'e : Dako'ko i kau pauli' su Ratu e, u
ia' makalunggi ngkina' ene. Tangü areng u kina' ene kai solöng.
Kute'u tau ene mëngkatewe natamai nëhabarë' su Ratu më'sulung u
ni'papauli' i Sëndango si sie e. Dingang u maligba' nipakiala' i Sëndango
e. Sarang Datu nakasilo u kai rario' kere ngkakadodo'e, ute Ratu mëngkatewe
në'pë'du ta' sibinge ringang u në'bera : Sedang kawanuaku sen dingang u hiwune
ta makalunggi kina' ene, rumakeleng u i kau apa ëndai' sëngkiki e. Tangü i
Sëndango mëngkatewe në'bera : Mageng ia' ta makaluuggi, ute ia' pateng, tuang !
Kaiso ma'eng ia' be makalunggi, ute i Tuang mëgëli'ben apa si sia'? Tangü
Ratu simimbangke : Mageng i kau makalunggi së'sanu kina' ene, ute i kau maratu
su soa ini. Ratu ma'ngëna u man ta makalunggi i sie. Bo'u ene nasasae'e i
Sëndango solong apeng të'toleng u Mawu Ratu ringang u biwu-hiwu taumata
ese', bawine, dario', matimadë', më'biala si Sëndango mënsang makoa' e kereapa.
I Sëndango sëngkatoto' e mëngkatewe bimaung kina' e apidë' nitoda nlaedë'. Ute kina.
ene mëngkatewe timeledë' baki'u ta nikasilo kinanawöng u kina', ene karaune.
Ute Ratu ringang u taumata lawo' mëngkateAve rimalinau' ta' sihinge.
Bo'ue Ratu mëngkatewe simanggidë' si Sëndango, apide' në'gëli' u adatë', ka'berane:
Salamatë' si kau, u su ëlo ini e i kau sen nariadi Ratu nsoa ini e.
VERTALING.
Verhaal van Eén=span.
Er waren eens twee ecbtgenooten, de man heette Bibo, de vrouw Këdang.
En zij beiden onderhielden elkaar ; niet lang daarna (men bedenke dat het een
sprookje is) kregen zij een zoon, dat kind nu was maar heel klein, de stakkert,
en het werd genoemd Eén-span. Dat kind nu werd hoe langer hoe grooter; zijn
vader nu was ontevreden dat hij dat kind had, want het was bizonder gulzig. Als
Sëndango (Eén-span) pisang at, dan konden twee geheele trossen pisang tegelijk
hem nog niet verzadigd maken. Toen zeide zijn vader bij zich zei ven, dat hij
67
zijn kind maar moest dooden, omdat hij het al niet meer kon volhouden hem
zijn eten te geven. Op zekeren dag nu nam de vader zijn kind mede: Kom,
vadertje, wij gaan bamboe zoeken (om de dekbladeren van het dak overheen te
vouwen). De jongen zeide : Goed, vader. Daarop gingen hij en zijn zoon
maar op weg. Maar de moeder van Sëndango wist niet dat haar echtgenoot een
list gebruikte om hun kind te dooden. Zij beiden nu liepen maar door, berg af',
berg op, en zij vonden een stoel bamboe. Daarop zeide de vader tot zijn zoon:
L;iat ons samen hier dak-bamboe hakken. En daarop kapte hij den heelen
bamboe-stoel, zonder iets over te laten. Toen hij klaar was met omkappen, sleep
hij punten aan de stronken ; daarop naderde de vader zijn zoon, lichtte hem op en
wierp hem in den bamboestoel, dien hij zooeven had scherp gemaakt. Eén-span
nu werd gestoken over zijn geheele lichaam. Daarop ging de vader naar huis ;
naar zijne meening was Eén-span reeds dood. Nog niet lang zat de vader in
huis, ot plotseling kwam Eén-span aan en den geheelen stoel bamboe droeg hij
op zijn hoofd en dien smeet hij neer, terwijl hij zeide: »Daar zijn onze dak-
bamboes, vader!" Zijn vader nu zweeg stil en verwonderde zich maar hoe
Eén-span had kunnen herleven.
Daarop weder na eenige dagen nam opnieuw de vader zijn zoon mede,
zeggende dat hij haardsteenen ging zoeken. En zoo gingen zij er dan op uit.
En nadat zij een grooten steen hadden gevonden, groeven zij hem van de eene
zijde uit. Toen deze steen reeds bijna zou omrollen, liet hij Eén-span in het
uitgegraven gat gaan. Daarop bewoog hij dien steen en deze rolde om en viel
boven op Eén-span. Daarop keerde de vader terug. Een kort poosje slechts zat
de vader in huis, of daar kwam ook Eén-span, dien zeer grooten steen op zijn
hoofd dragende. Nadat hij in huis was teruggekeerd, smeet hij den steen neer,
dien hij zooeven op het hoofd had gedragen, zeggende : Hier is ons beider
haardsteen, vader! Toen verwonderde zich de vader. Wederom na eenige dagen
nam de vader opnieuw Eén-span mede, zeggende dat zij beiden hout gingen
halen. Vader en zoon liepen daarop voort en nadat zij een boom hadden ge-
vonden, ging de vader hem omhakken. En toen hij reeds bijna zou omvallen,
werd de arme Eén-span door zijn vader bevolen om te gaan waar de boom zou
vallen en daar liet hij hem staan ; toen die boom was gevallen, geraakte de
de arme Eén-span bedolven onder dien boom. Daarop keerde de vader terug
naar huis; nog niet lang zat de vader in huis, of daar kwam de arme Eén-span
aansjouwen, met den geheelen boom, takken, bladeren en al, dien hij op zijn
schouder droeg. En de vader verbaasde zich nog des te meer, dat hij geen
middel kon vinden om zijn zoon om te brengen.
Daarop begreep de arme Eén-span, dat hij dus door zijn vader werd
bedrogen om gedood te worden en daarop zeide Eén-span tot zijne moeder :
»Moeder, wil voor mij mijn leeftocht gereedmaken, negen kleine ketoepais en
de toespijs, negen eieren en negen stel kleederen, want ik wil op reis gaan,
68
daar mijn vader eene list zoekt om mij te dooden. Eu zijne arme moeder
ging weenen.
Maar Eén-span troostte zijne moeder, zeggende: Gij, moeder, heb geen
zorg, mij zal niets overkomen. Nadat zijne moeder geweend had, naaide zij de
kleeren en maakte leeftocht voor haren zoon ; toen het alles was gereed ge-
maakt, nam Eén-span afscheid van zijne moeder en hij liep maar door, over
bergen en dalen, op en af. Daarop trof hij een reus aan, die bezig was met
hengelen en zijn hengel was een geheele kokosstam. Nadat de reus Eén-span
gezien had, zeide hij : »Ha, daarmee zal ik mijne tanden bebloed maken, mijne
blinkers doen schuimen". Daarop antwoordde Eén-span : »Wacht even, grootvader,
met zoo te spreken, laat ons liever eerst eens met elkaar praten"; en toen zeide
Eén-span: »Laat ons eerst eens met elkaar worstelen. Degene die overwonnen
wordt, die wordt slaaf." Nadat de reus dit had gehoord, werd hij toornig, ter-
wijl hij zeide: » Jij, dat ding daar, slechts één hapje. Snoeft ge dat ge 't nog
wel aandurft met mij te worstelen?" Toen hij aldus had gesproken, omvatten
zij elkaar en worstelden en groote boomen braken heelemaal door, wanneer zij
er tegenaan kwamen ; en nog niet zou men den tijd gevonden hebben, om eene
sirih-pruim rood te kauwen, toen de reus reeds was ten onder gebracht door
Eén-span. Toen zeide Eén-span: »Indien gij weigert mijn slaaf te worden, zoo
snijd ik u den hals af." En de reus antwoordde: »Wat is afgesproken, aldus
geschiedt". Daarop volgde de reus Eén-span als zijn slaaf.
Vervolgens gingen zij samen verder. En zij troffen weder een reus aan,
genaamd Water-drooglegger. En die reus zeide: »Ha, daar is iets waarmede
ik mijne tanden kan bloedig maken, mijne blinkers doen schuimen". Eén-span
antwoordde zooals hij te voren had geantwoord aan den anderen reus, die reeds
ziju slaaf was geworden. Toen de reus dat gehoord had, lachte hij en zeide:
»Wel, jij klein ding daar, hebt de vermetelheid om mij tot worstelen uit te
noodigen?"
Nu, nadat zij aldus hadden gesproken, gingen zij met elkaar worstelen.
Gedurende den tijd dat zij met elkaar worstelden, werd de reus plotseling onder
gebracht en werd meteen zijn slaaf.
En daarop gingen zij weder op weg met hun drieën en weder troffen
zij een reus aan, wiens nan man! a-iedie-im = kijk uit! do-ndë akama-n = breng touw! ahasie-de basie-k =
bindt 't varken! a-eha-k papi-s basie-kë ehe- = maak dit varkentje los!
5). -Ra miet" schijnt letterlijk te beteekenen: „den overkant — gegaan". Evenzoo: ik ga naar
Kombë = nök kombë miet; naar den tuin gaan = maraukë miet
Red.
Stem, Minggoe-i.
Schreeuwen (van pijn of
schrik), Esö-rë.
Roepen, Warie-t(ë).
Roep dien man, O-nim e-pe awarie-t.
Die man heeft mij geroepen,
O-nim e-pe mi-ndab warie-t nok.
Lachen, Harie-. l )
Schreien, Ievie-, ievie-në.
(Een) z'uur gezicht (zetten),
Nanie- dehe-.
Niezen, Asie-.
Snot, Moe-mbë.
Hoesten, Kapoe-rë.
Die man hoest (is zwaar ver-
kouden), O-nim e-pe kapoe-rë ie»
rie-rë.
Zingen, Zie ( 3 ) (lange ie; Zieë).
H o o r e n, Grau-në.
Wat is d a t V To ka-sap ?
Hebt ge hoor en schreeuwen?
Wö mi-ndab gau-në o-nim esö-rë?
Ginds zingen vele menschen,
Epindë o-nim otie-vë zie.
Zien, Iedie-, hiepö-gë.
Begrijpen, weten, Miha-i, meha-i.
Vergeten, Hatanoe-k.
Niet weten, Bimba-i.
Z w ij g e n, Sarie-n.
Die man zegt niets; hij zit
maar zwijgend, O-nim e-pe bakë
miuggoe-i, basa rie-n ambie-dë.
Liefhebben, Roe-së.
Hartstochtelijk beminnen,
Roe-së beka-i. Boe-btie eha-n nok
roe-së beka-i.
Dood, Kahie-vdë.
Levend, Mèmö-n.
Die man is (al) dood, O-nim e-pe
mi-ndab kahie-vdë.
Die man leeft nog, O-nim e-pe
mèmö-n.
Die man zal straks dood zijn,
A-de o-nim e-pe damie- kahie-vdë.
Lucht, Iemoe-.
Stank, Do-m iemoe-.
D o o d e n, Wazie-hë.
K r ij g voeren, Nasa-k, nasak, nasa-kë.
Die menschen komen deze
d o o d e n, O-nim eha-n damie-më
wazie-hë o-nim ehe-.
Slaan (met knuppel), Oesa-k.
Met den knotsslaan, Pa-nggë
oesa-k.
De groote kerel heeft den
kleinen geslagen, Ja-bani-m 3 )
mi-ndab oesa-k papi-s oni-m.
Een kleine behoefte doen, Kö-nö.
— groote — — Na, *)
handa-m.
Ik ga enz. Nok na, nok handa-m,
(ma-kie kazie-m?).
Ziek, Ierie-rë.
B u i k p ij n, Handa-m ierie-rë.
Wonde, Aroe-.
Pijn, vaneene wonde, Aroe- ierie-rë.
Zweer, Boe-ngie.
Lidteeken, van eene wonde,
Aroe- re-kë.
Rillen, van angst, Oeja-vë.
Koorts, Tie-kë nasa-k.
Hoofdpijn, Pa ierie-rë.
Huid uitslag, Samanie-.
Verkoudheid, Kapoe-rë.
1). Of harie-rë?
2). „Zie" is de benaming voor een feest met zang en dans. (Vgl. ook lager).
3). Ook sömb(e) oni-m ?
4). Na = faeces.
Kod
• 8
Rheumathiek, beri-beri, Kavasie-.
Vroeger ziek, thans gezond,
Mandie-n ierie-rë, nama- ninggi-p.
Weer gezond geworden, JS ama-
ninggi-p mi-ndab kien.
Gebroken (v. arm, vleugel),
Kagoe-bë.
Die man kan niet loopen,
Dö-mmi-nggoni-m, tagoe- kagoe-bë.
Zijn voet is gebroken, Tagoe-
aja-n mi-ndab kagoe-bë.
Stom, Jawa-rë.
Doof, Gau.
Blind, Dö-m kie-ndë.
Blinde, Do-mkie-ndoni-m.
Genezen (gezond van li-
chaam), Mi-ndab wien; wöha-nie
ninggi-p, mi-ndab wien.
Masseeren van borst en buik,
Bowa-rë.
ld. van armen en beenen, Ke-
wahie-bë.
Bezweren (van den regen,
van eene wond), Wagoe-m.
ld. (van eigendom, opdat de
dief getroffen worde; dit
geschiedt bij klappers, var-
kens enz.), Gamo-.
Bezweer mijne wonde, Nok
aroe- awagoemi-m, (awagoemie-tn).
Toovenaar (bezweerder), Misa-vë.
Gonggong is een toovenaar,
Gonggong misa-vë.
Hij kan bezweren, Gonggong gamo-
meha-i.
Geest, Ha ie-së.
Kwade geest, Dö-m ha ie-së.
Goede geest, Ninggi-p ha ie-së.
Er zijn geen geesten! Ha ie-së
bakë!
Dapper, Jari-t.
Een dapper man, Jari-t oni-m.
Bang, Oe-tnë.
Schrift (inkervingen), Grè,,
tö-k.
Verhaal, Meha-n.
Zeg wat, vertel wat, Meha-n
awahie-m.
Gezang.
Zingen, van een klein gezel-
schap, in het dorp, Ongga-t zie. *)
Zin ge n van velen, van hein-
de en verre gekomen, Ja-ba
zie, ja-bë zie.
Geest geworden (van de ziel,
die het lichaam verlaten
heeft), Mi-ndab wien ha ie-së.
Priester (e ig. hij, die het Pe-
mali-zijn begrijpt), Dem oni-m.
Pemali (verboden), Dema-.
Heilige plaats (eig. verza-
melplaats van geesten), Ha
ie-s miera-ve.
Pemali-bamboe ( 3 ) Soe-bë dema-.
-hout ( 3 ) De dema-.
— -steen ( 2 ) Kata-rë dema-.
Graf, Patarë.
Begraven, Wögie-bë.
Lijkfeest, Zie ; jamoe- awe-.
Huwen, Amnanggie-bë.
Die jongeling is nu gehuwd,
hij is thans man, Ewa-tie e-pe
mi-ndab amnanggie-bë, nama- am-
na-ngga.
1). Vgl. noot (2) op pag. 7.Letterl. klapa-fuif, wellicht omdat deze zonder meer onder de palmen
plaats vindt, terwijl bij het „Ja-ba zie" een plaats voor het feest in gereedheid wordt gebracht.
2). In verband met het Nederlandsch taaieigen zou men bij de Hollandsche equivalenten
liever de volgorde der samenstellende deelen omgekeerd zien, daar het hoofdbegrip in dezen blijk-
baar het pemali-zijn is, met betrekking tot de genoemde zaken. Vgl. noot (1) op pag. 5. Red.
9
Die maagd is thans gehuwd,
Kieva-söm iewogë e-pe mi-ndab wien
sa-vë, (of) mi-ndab ambie-dë.
Scheiden, Adewnë.
Wiens vrouw is dat? Te o-nim
oesoe-m ?
Die vrouw is gescheiden,
Boe-btie e-pe mi-ndab adewnë.
Ik ben gescheiden van mijne
vrouw, Nok mi-ndab adewnë nok
oesoe-m.
Bruidschat (lett. » Dienen de
voor e ene vrouw;" de verloof-
de maagd zit op een stapel
vruchten, aangebracht door
haar aanstaanden man en
bestemd voor hare ouder s.),
Iewogë ambie-dë na-nggoek. : )
Verloven (geschiedt door het
ruilen van »i e h i e r r ë" 3 )
met »samoddë 3 ) en»basiekë
goei" *), Parane-.
Inkervingen (op buik en
borst bij de maagden; b ij
het heelen der wonden kun-
nen zij trouwen), Gari-vë.
Bevallen, Fenë, 5 ) ievoe e-në.
Die vrouw is pas bevallen,
Boe-btie e-pe na-mare-kë fe-oene.
Dat kind is pas geboren,
Papoe-s e-pe na-mare-kë.
Het kind is (al) geboren, Pa-
poe-s mi-ndab ievoe-n.
Die vrouw zal morgen beval-
len, Apa-pë boe-btie- e-pe damie-
ie-voe-në papoe-s.
Bevallen, Ewa-rë (?), wora-m (?)
Zwanger, Siepa-r.
Huisje, waar de vrouwen be-
vallen, Wora-m sava-.
Hoogzwangere vrouwen gaan
naar dat huis j e, Boe-btie ja-bë
siepa-r wora-m sava- miet.
Overspel (lett. een ander-
mans vrouw nemen) , A-bnë
boe-btie ie-sie o-nim kombë. fi )
Fluitje (van klapper dopje),
Bora-bë,
Fluitje om de honden mede
te roepen (lett. „voor de hon-
d e n"), Bora-bë got na-nggoek.
Trom, Kënda-ra.
Dansen, Zie. 7 )
Dansen; het voor- en achter-
waarts loopen, Zie auvëmaha-i
maha-i.
Dansen; in de rondte loopen
om een paal, Zie sake-vë.
Morgen zal gedanst worden,
Apa-pë zie damie- wien.
Huis, Sava-, aha-.
Groot huis, Sö-mbë sava-.
Huisje, Papi-s sava-.
Sago-nerf, Jari-s.
Bamboe, Soe-bë.
Om het huis te om wan den,
Sava- rarie-dë na-nggoek.
Deur (lett. weg), Koï.
1). „Na-nggoek" wijst een doel. een persoon of zaak aan ter wille waarvan «enig instrument
gebezigd wordt. Vergelijk liet gebruik van „kanggo" in het Javaansch. Zie lager pag. 17 links.
2). (Oor)ringen.
3). Wellicht het lager genoemde samö-nde = halsketting van pitten.
4). = varkensstaart.
5). Of ,.Ve oe-nè"?
G). „kö-mbe" komt m,m. overeen met het Maleische „poenja" als posses.sicf-exponont. Nok
kö-mbe = van mij, het mijne.
7). Vgl. noot (2) op pag. 7.
Kr.l
10
Sluit de deur, Koï ararie-dë.
Open de deur, Koï auwkoha-bë.
Dichtdoen, afsluiten, Rarie-dë.
Binnengaan, Kwamie-n, koewamie-n.
Openen, Koha-bë.
Laddertje, trapje, Kimbaka- (?)
Dandie-dë (?)
Bruggetje, Pa-rrë.
Stijl, Aha-ddë.
Hout, dienende voor het
huis, De sava- (aha-) na-nggoek.
Opschuren, bewaren, Baki-vvë.
V o o r r a a d s c h u u r : Huisje om
aardvruchten in te bewaren,
Papi-s sava- na-rë baki-vvë na-nggoek.
Dakspanten (van bamboe), Sa-
rari-gë.
Dak (van atap sago), Eb, ebëkë.
Bale-bale, Sara-.
Slaapplaats, Sara- noe na-nggoek.
Zoldering (lett. dienende tot
bewaarplaats van goed),
Maka-d(dë) baki-vvë na-nggoek.
G o e d (e r e n), Maka-d(dë).
Schuren, ter opberging, van
aardvruchten (narre, koffë,
k i m), Na-rrë sava-, koffë sava-, kim
sava-.
P a g e r, Ro-da.
Kookplaats (lett. dienende
voor vuur), Taka-vë na-nggoek.
Vuur, Taka-vë.
Brand, Sö-mbë taka-vë.
Verbranden, Oenie-p.
In brand steken, (b.v. van alang 2 ),
Oeta-ddë.
Aansteken, Hoe-së.
Rook, Ra-kë, taka-vë rak.
Mijn huis is verbrand, Nok
sava- (sö-mbë) taka-vë mi-ndab oenie-p.
Steek het vuur aan! Taka-vë
ahoe-së !
Doof het vuur uit (Doe zand op
het vuur, dan is het uit),
Taka-vë asake-vë sa, damie- kahie-vdë.
Schaduw, Owa-bë.
A s c h, Taka-vë söpa-1.
Vlam, Aroe-i.
Brandhout, Kitirë.
Sproei water op het vuur,
dan gaat het uit, Daka- aroe-
wa-ddë, taka-vë damie- kahie-vdë.
Besproeien, Roewa-ddë.
Maken, doen, Awe.
Feestvieren (bij het begraven\
Jamoe- awe-.
Kangaroe's gaan zoeken, Saham
awe-.
Kangaroe's naspeuren, —
narau-.
Kangaroe's schieten, —
ja-së.
Brandhout halen, Kiti-rë awe-.
Prauwen gaan halen (inrui-
len, zich verschaffen), Ja-
voe-n awe-.
Hoofdblokje, Saki-vvë (?), (pa
nan-ggoek).
L i g m a t, Iega-.
Leg de 1 i g mat uit, Asake-vë iega-.
Sla de ligmat o p e n, Iega- aöemoe-s.
Piek, Dam, da-më (van hout met punt
van casuaris-nagel), Krapoe- ^van ni-
boeng, waarin aan weerszijden een zes-
tal weerhaken.)
Boog, Mie-së. *)
Boogpees (lett. rotan), Toep.
Pijl (van niboeng), arie-bë.
1). Of mie-zë?
Red.
11
(van hout, met punt van casu-
aris-nagel), Toerie-p, toeri-p.
(van bamboe, met knop, knobbel,
in plaats van punt), Kapa-n.
Pijl (van bamboe), Dade-w.
P ij 1 p u n t (casuaris-nagel), Ie„
tie-rë.
Schild, Ban.
Stok waaromheen een door-
boorde steen, Pa-ngga, pa-nggë.
Mand, tasch (van biezen en
van boomschors, wordt met
een band over den schouder
gedragen), Wa-dë.
Dragen (met band over den
s c h o u d e r), Era-m.
Draag de tasch! Wa-dë aëra-m !
Fakkel, Soeroe-.
Tempoeroeng (wordt gebruikt
om op marsch water in
mede te nemen), Aga-r.
Roosteren, Rala-ddë.
Koken, Sip, sipë.
Pas gekookte sago, Da sipëre-kë.
Sago-koek, dienende voor
reis-proviand, Da sipëre-kë
(tamoe-) maha-i na-nggoek.
Zuivere sago-koek, Gora-nggë.
Gemengde sago-koek (zijnde
sago, gemengd met klap-
per, zoetwater- of ze e-v i s c h,
of vleesch van varkens,
kangaroe 's of krokodillen.
Het mengsel wordt gewik-
keld in pisang blad (jar-rë),
Da garamoe-, da gramoe-.
Peper, Kie-ndëdë.
Vleesch, Moei (Saha-m moei, basie-kë
moei.)
V i s c h, Para-rë, para-ra.
Zee-visch, E-toebërie-k(ë) para-rë.
Visch uit plassen, Boe-bërie-k(ë)
para-rë.
Visch uit de slooten om de
tuinen, Araroe-n para-rë.
Krokodille n-v 1 e e s c h Kioe- moei.
(1 e 1 1. lichaam)
Kioe wöha-nie.
Jong (van kangaroe, varken),
Saha-m papoe-s, basie-kë papoe-s.
Jong (van hond, vogel), Gö-t
nèn, oesoe-bë nèn.
Nagel, Ietie-rë.
Vogel, Oesoe-bë.
Vliegen, Va-die-.
Vleugel, Tahage-(?).
Al weggevlogen, Mi-ndab va-die.
Veeren, Poet.
Nest, Evi-së, evie-së.
E i, Kana-.
Staart, Wak, goei.
Staart van kangaroe, oppos-
s u m, Saha-m wak, ba-ngga wak.
Staart van varken, visch, Ba-
sie-kë goei, papo-goei.
Varken, Basie-kë.
Knorren, Basie-kë esö-rë.
Wild z w ij n, Mörë basie-kë.
Tam varken, Nèn basie-kë.
Hond, Got.
Blaffen (eig. het huilen der
honden), Warie-n.
Paradijsvogel, Sagie-rë.
Hoen, Nönö-m.
Oasuaris, Ke-e.
— nagel, Ietie-rë ke-e.
Duif, Bevö-m, boebö-die {?)
Kraai, Rara-ggë.
Reiger, Die.
Kiekendief, Kiedoe-bë.
Kakatoe (rood e), Kararie-.
— (witte), Ka-i.
12
Kroonduif, Mahoe-kë.
Vleermuis, Kere.
Rat, Boja-in.
Buidelrat, Toeba-, toeba-n.
Oppossum, Ba-nggë.
Kangoeroe (kleine soort,
w a 1 1 a b y), Saha-m.
Kangoeroe, groot e, Tora-i
Luis, Ba-mbë.
Vlieg, Bramboe-rë, Boeramboe-rë.
Muskiet, Nanggie-t.
Sprinkhaan, Tanggie-m.
Mier, kleine zwarte, Moesë
moesë.
Mier, groote zwarte, Tagavi-,
kona-i moe-së moe-së.
Mier, groote r o o d e, Kanarnie-n.
Mierenhoop, (kegel van 2 M.
hoogte), Orowa-.
Verharde stukken van een
mierenhoop, gebruikt om 'n
stookplaats te maken, Orowa-
kata-rë.
Slang (groote), Harioe-.
(k 1 e i n e\ Sakie-.
— (zeer kleine, vergif-
tig e\ Sesa-i.
Visch -soorten.
M 1. I k a n pare, Papo-.
— — kakap, Jama-ra(?) pane-(?).
— — sëmbilan, Handa-, Anie,,
sie-s, Kieroe-bë, Kramboe-.
Garnaal (zoetwate r-), Wa-fë.
— (ze e-), Sare-.
Krab, Goes.
Schelpdier, Moemoe-, hienö-.
Schelp, Ke-wie.
— Saoe-. 1 )
— Kënda-rie.
1) z. g. „hoorn".
2) Vgl. noot (1) pag. 5.
De k e w i e (°) en saoe § worden
voor den onderbuik gedragen, de
eerste gewoonlijk door de mannen, de
andere door de jongelingen.
Kwal, Baboe-kë.
Kikker, Gëgoe-roe.
Krokodil, Kjoe-, kie-w.
Leguaan, Kadievoe-kë.
Schildpad (zee-) Ba-bë.
— (z o e t w. -) Gau.
Worm, Bato-k. (?)
Kleeren, ml. Kain, Wonoe-goe.
Haar, Bava-.
Tooi van biezen, in de ha-
ren der mannen gevlochten
en over den nek hangende
in vlechten, Majoe-bë (biesa-m ?)
Casuarissen, in het haar
gestoken, Ienö-dë.
Lange haar vlecht, alleen
neerhangende tot het mid-
den van den rug, Sa-më.
Stuk schelp op het hoofd,
waardoor de casuaris-pen
gestoken, Tapie- kënda-rie.
(Gemaakte) neusgaten, Anggie-p
koema-.
In die neusgaten worden ge-
stoken:
Varkenstanden, Gomo-rë, go-
ma-rë.
Kangaroe- nagels, Saha-m ietie-rë.
— -beenderen, Aja-n sa-
ha-m. -)
Vogel -beenderen, Aja-n oesoe-bë. 2 ;
Kleine stukjes bamboe, Soe-bë.
Ringen, van casuarispennen, in het
oor gehangen (soms tot tien stuks),
Ke-e iehie-rë.
Red.
13
Ringen, van pare-staart, ook in het
oor gedragen, Papo- goei.
Kuif (b.v. van paradijs vogelveeren)
met band om het hoofd bevestigd,
Karoerie-.
Casuaris-veeren, achter aan het
hoofd neerhangende, Ke-e poet.
Nauwe halsketting, van kleine
lichtblauwe of groote bruine pitten,
Samö-ndë.
Borstband, van boomschors, Senie-.
I d. waarop eene rij kangoeroe-tanden
bevestigd, Saha-m senie-.
ld. ook wel voorzien van :
- Hondentanden, Gö-t mangga-t.
— varkenstanden, Basie-kë mangga-t.
— Krokodillen-tanden, Kjoe- mangga-t.
Borstriemen, twee cf vier paar
kruiselings, met groote blauwwitte
pitten, Baba-.
Opossum-staart, soms in het
oor hangende, soms boven om het
voorhoofd geslagen, Ba-ngga goei.
Armband van rotan, (korte, om
de bovenarmen), Bara-rë.
(lange, om den linker benedenarm),
Lakarie-kë.
Armband; stukken varkenshuid, opge-
hangen aan de bovenarmbanden,
Kie-mbë.
Rota n-b and om de pols, Karorie-kë.
Buikband van rotan, Segoe-s.
Lendengordel, van biezen, aan de
achterzijde neer hangende als een
staart, tot over de billen, Wie-bë.
Ophalen, opbinden onder den buik-
band, Pietoe-k.
C r o t o n s (of blauwe waterbloemen)
ter versiering bevestigd aan, gestoken
boven in, de »bara-rë", Anggie-në.
Stuk groote schelp, (moetiara)
afhangende op de borst, Kënda-rie.
Enkelband, Tag-oe sie-ga sie-gë.
Haarvlecht, van fijne boomschors,
door de vrouwen gedragen, hangt in
een viertal vlechten tot op de billen,
Moe-mbrë.
Deze wordt gekleurd met
r o o d e aarde, Ava-.
Kokosnootschor s, fijn uitgerafeld,
in bruine draden, door de vrouwen
in het haar gevlochten, alleen de
nek bedekkende (ook terzijde), Bö-së.
Vr. Schaamtegordel van boom-
schors, (eerst een vijftal dagen begraven
in de modder, daarna in de zon ge-
droogd ?) strak doorgehaald en achter-
op tot een kussentje even boven de
billen samengebonden, Nowa-.
Groote mantel, (Rouwkleed ?) van
schors, Sa-rë.
Fijne naaldjes, van klapper-
vezels, door den neus, bij vrouwen,
Soe-roe.
Omhullen, omwikkelen, amba-in.
Binden, Hasie-dë, paroe-dë.
Touw, Do-ndë.
Dik touw (om prauwen vast te
binden), Kara-rë.
Bijéénbinden (aan één rijgen, v.
visch), Ravie-,
Pootstok, Ieto-k.
Tuin, Maroe-. l )
Sloot, (voor af- en bewatering dei-
tuinen), Jö-mbë.
Aanplanten, Roen, roe-në.
1). Maroekë is dus ,,'n of de tuin". Naar de heer Schultz meende, zou men wellicht door ten
onrechte de naam van een aanplant voor dien van de rivier aan te zien, aan den term Merauk,
zijn gekomen. De rivier schijnt althans nimmer zoo genoemd te worden.
Bed
14
Pas uitgeplant, nog niet of even
boven den giond:
van pisang, Napie-t roe-në.
van aardvruchten, Ki-mkë roe-në.
van klappers, Mi-së roe-në.
Pas geplant, zal later uit-
spruiten, Namare-k roe-në, arie-
ndë damie- oewa-r.
Aarde, Daro-.
Zandgrond (Hard), Pare-.
Modder, Grim.
Zandstrand, Sa.
Bewerken van den grond,
Wamba-dë.
R ij p, Eho-.
O n r ij p, Kondie-.
Tabak, Tëmoe-koe. *)
Pijp, van bamboe, Ba-nggë.
Suikerriet, Wö-dë, oewo-dë, oe-dë.
O e b i, Na-rë; Kö-fë; Kim, Kim-bë; Ie-
sieka-vvë.
Kokosboom, Ongga-t de.
Vruchtvleesch, Kana-p.
Jonge klapper, Ongga-t.
Oude klapper, Mi-së.
Zoete klapper, Wiema-p ; wie-
ma-pë.
Stuk niboeng, bijna 2 dm. lang,
gebruikt om kokosnooten open te
steken, Kawö-.
Openen van een klapper, met
de kawö-, Koerabë.
Niboeng, Arie-bë, (z w a r e) gö-nggai
P a n d a n, Oe-ga, rierie-, sarie-nggë.
M a n g g a, Wiewie-.
D j a m b o e, Ebiea-ra.
N i p a, Tamoe-kë.
Sago, Da.
Alang-alang, Masa-.
Biezen, Wie-bë.
Pisan g-soorten: Wierie-n ; Boe-ti ;
Sësa-jo; Napie-t, Warie-; Jori-m, Pa-
sa-rrë; Ese-; Kada-mo; Kidoe-bë, Pau;
Pati-ndë; Mase-mase-; De-napie-t.
Pisang blad, Ja-rë.
P i n a n g, Kanie-së.
5 i r i h, Dëda-mie.
6 a m b i r, Ake-.
Kalk (van schelpen), Koï.
Kalebas, uitgehold om kalk in te
bewaren, Sie-dë.
Sirih eten, Kavoe-s.
Boom, De-.
B a j a n (?), Simö-rë.
Rotan, Toep.
Bamboe, Soe-bë, Soe-ba.
G ë t a h, Dako-vvë.
D a m a r, Oez, (oe-zëkë).
Maan, Mandau-.
Zon, Kato-nnie.
Ster, Ovö-m, oevoe-m.
Hemelgewelf, Omè-m, oemoe-m.
Nacht, Die-nö, ha-pë.
Dag, Hanie-dë.
Het midden van den dag, Ha-
nie-dë. (?)
's Ochtends vroeg, morgen
vroeg, E-tie apa-pë.
Het is al middag (lett. warm),
Mi-ndab pie-gë.
De zon is (al) onder, Katö-nnie
mi-ndab kösa-n.
De zon is (aD o p, Katö-nnie
mi-ndab oewa-r.
De zon is dalende, Kato-nnie
mi-ndab tekë haï.
Morgenrood, Kweme-k.
Avondrood, Ievie-m.
1). De plant was daar reeds bekend vóór onze vestiging.
Red.
15
De zon staat hoog, Kato-nnie
ra-fë ra-fë.
Kort voor zonsopgang, Konie-
kaha-.
Kort na zonsondergang, Oesoe-së.
Regentijd, Bramboe-rë.
Droge t ij d, Pie-gë.
Groote warmte, So-mbë pie-gë.
Warm, Enak, èna-kë.
Koud, Sode-.
Regen, He-ë.
Wolk, Oemoe-m. (?)
Donder, Hanie-vë.
Bliksem, Tragie-, Rara-m.
Wind, Kiewa-rë.
Oosten — , Sënd-awie kiewa-rë.
Westen — , Moe-lie ( l ) kiewa-rë.
De wind waait, Kiewa-rë vada-gë.
Storm, Sö-mbë kiewa-rë.
Water, Daka-,
Vlietend water (beekje), Ara,,
roe-në daka-.
Kreek, Rie-kie.
Rivier, Oeroe-, evëroe-kë.
Zee, Etoe-bë.
Zout water, Jari-t (jarie-t) daka-.
Het is vloed, Etoebë nii-ndab wien.
Het is eb, Etoebë mi-ndab kahanau-dë.
Vloed, Oema-k (?).
E b, Kahanau-dë.
Put, Boei, Ta-kë.
Golf, Ebarie-në, ambarie-n. (?)
Groote golf, Sö-mbe ebarie-në.
Zandstrand, Sa.
Zandbank, Pare-.
Diep, Dese-.
Ondiep, Pare-.
Ikga aan wal, Nok pare miet.
Berg, Pare, sö-mbe pare- ;
Ra-fë ra-fë pare-.
Dal, Kamoe-n.
Vlakte, Mamoe-i.
Kust, zeekant, Doe-vë.
Rif (steen), Kata-rë.
Steen, Kata-rë.
Boom, bosch, De.
Tak, Raha-ta,
Wortel, letie-t.
Blad, Degö-rë, gö-rë.
Schors, Depa-rë.
Sap, De- daka-. 2 )
Vrucht, De- na maka-dë (?); Koema-.
Bloem, Anggie-në (?) pa-nggak.
Pit, spruit, Haja-m. (?)
Kajoepoetih, Boez.
Bosch van kajoepoetih, Boez»
ba-k, boezba-k.
Afdalen, Kamoe-n toma-n.
Beklimmen, Kamoe-n wasie-gë.
Verf, Olie, Mahie-.
R o o d e verf, Ava-.
Witte » Köhie-.
Zwarte » Koenahie-.
Het smeer en van strepen op
de wangen, Kepa-k.
Ophangen, Vahö-gë.
Afsnijden, Warok,- tako-ï ?
Net (Schepnet, een hoepel van ruim
een meter middellijn,) Kiepa-.
Visch scheppen (met de »Kiepa"),
Iembara-k.
K n o o p e n, Adie-dë.
Wortel, om visschen mede te
bedwelmen, Meninggö-p.
Raket (v. rotan) om varkens
mede te vangen, Iewa-r, kada-
hie-bë na-nggoek.
W T e g, Koï.
1). Vgl. noot 2) op pag. 4.
2). Letterl. boom-water.
Red.
16
Groote weg, Sö-mbë koï.
Klein pad, Papi-s koï.
Grens, Esö-n.
Yzer, Wö-kërë.
B ru g g e t j e, vonder, Pa-rëpar.
Dorp, Miera-vë (miela.-) l )
Hoofddorp, Sö-mbë miera-vë.
B ij - d o r p, Papi-s miera-vë.
Anderen, een vreemde stam,
Tö-ndoni-m.
Dat is van een ander, Tö-nd
oni-m kö-mbë.
A d e 1 ij k e (Eig. lieden van de voor-
naamste afkomst, n. 1. van den klap-
perboom), Gi-psie, gipsë.
Andere afstammingen:
van de kangaroe, Samka-kai.
van de groote gr ij ze reiger,
Kaie-se.
uit het vuur, Mahoe-se.
Deze volgorde geeft tevens
een dalende graad van voor-
naamheid aan. Dan zijn er
nog afstammelingen van
krokodillen, varkens, andere
vogels dan de re edsgenoe in-
de, slangen, en van de zee.
Afstamming, Böwa-n.
Waar stamt gij van af? Tö bö-
wa-n wo ?
Oudste, Sömb-onim (Sömbë-onim).
K r ij g s m a n, G oma-r oni-m (van goma-
rë, slagtanden van het zwijn, om de
armen gedragen door hen die al op
een Hongitocht geweest zijn.)
Slaaf, v r e e m d e (b.v. kind van een ande-
ren stam, in gevangenschap medegeno-
men, in den stam opgenomen), Ieko-ni.
Vangen, Ake-vë.
Measchen rooven, Onim a-bnë.
Menschen om te werken,
Sasa-i oni-m.
Misdadiger, Sö-k oni-m, a-bnoni-m,
do-m oni-m. 2 j
Dief, Abnoni-m.
Stelen, Abnë.
Goed mensch, Ka-ïoni-m, ninggi-p
oni-m.
Een bezitter van tuinen, Ma-
roe- oni-m.
Iemand, die geregeld zijn
tuinen bewerkt, Pa-jonim (Paja
onim.)
Die man bewerkt geen tuin
(dus: is lui), Onim e-pe pa-
jane-kë.
Die man hee.ft geen tuin, Onim
e-pe maroene-kë.
Ongehuwd zijn, Moharie-k.
Ongehuwde, Moha-rie oni-m.
Met Moha-rie oni-m en Sasa-ï
oni-m worden wel ketting
g a n g e r s aangeduid.
Vermoorden, dooden, Wazie-bë.
Oorlogvoeren, Nasa-k.
Geweer, Bë-nggie. s )
Soldaat, Bë-nggie oni-m.
Vreemdelingen van verre
(zooals Europeanen), Poe oni-m.
Schieten, Tania-n, Ja-së.
Getroffen door een pijl, Arie-bë
kija-se ; Toerie-p kn'a-së.
Geraakt, Mi-ndab de.
Sneltocht (Hongi), Koe-i.
Snellen (den kalsafsnijden),
Kadaha-b.
1). Vgl. noot 2) op pag. 4.
2). Dus: snij -mensch, steel-mensch, sleclit-mensch.
3). Of bë-ngi?
Red.
17
Sneltocht ondernemen, op h o-
ngi-tocht gaan, Koe-i awe.
"Vrede:
Weer goed geworden, Ninggi-p
mi-ndab wien.
Bondgenoot:
Vereenigd zijn, samengaan,
Ba-i zako-d.
Boe-tëriekë en Sepa-diemë-
riekë, bevechten gezamen-
lijk Sarie-rë, Boe-triekë Sepa-
diemëriekë ba-i zako-d nasa-k Sarie-rë.
Geschenk:
Dit is voor u, dit is het uwe,
Wö kö-mbë, wöha-n kö-mbë.
Ruilen:
Dienende tot, in ruil voor,
Na-nggoek.
Vooreen bijl, Ka-mpak (*) na-ng-
goek.
Andere beteeken is van nang-
go e k:
Dienendeom vuur temaken,
Taka-vë na-nggoek.
Sago-nerf, om mede te roeien,
Sare-, voes na-nggoek.
Hard hout, goed voor huizen-
bouw, De kasie-skë, Sava- na-nggoek.
Stoomschip, Taka-vë javoe-n.
Schip, Sö-mbë javoe-n.
Prau w, Javoe-n, jö-mbë.
Schuitje (Europ. maaksel),
Bö-n jav-oen.
G r o o t e p r a u w, Ja-bë javoe-n.
Kleine prauw, Papi-s javoe-n.
Riem, Itö-k; Ka- via.
Roeien, Voes.
Omslaan, van een prauw, Ka»
hö-bë.
Water scheppen Rissa-ddë.
(Aan) Komen, Naha-m.
Kom hier, A-chman, a-naham.
Vertrekken, Oemoe-vë.
Ga weg! Aumoevi-m !
Zeg hen weg te gaan, Aumoevi-n.
Ik ga weg, Nok ma-kie mana-vë.
Groot So-mbë, ja-bë.
Klein Papi-s.
Veel menschen, Otie-vë oni-m.
Weinig menschen, Papi-s oni-m.
Dwerg, Papi-s oni-ni.
Lang, Wö-nggatö-kkë.
Kort, Dowa-kie.
In stukken, Sasoe-kë.
Een dikke boom, So-mbë de.
Een groote kerel, Ja-bani-m (Ja-
baoni-m.)
Een dikke man, Jabë moe-k oni-m.
Een dikke buik, So-mbë handa-m.
Breuk, verzakking, Sö-mbë ombo-.
Mager, Dö-mwoha-nie.
Vet, Jabëmoe-k.
(Te) Vet, van vleesch, Kabi-rë.
Hoog, Ra-fë ra-fë.
Laag, Maka-n.
Krommingen, (van weg of' rivier),
Kamö-n sama-n; ma-soe.
Scherp, Rera-i.
Hard, Kasie-s (ë).
Krachtig, Kasie-s (ë).
Een sterke vent, Kasie-s oni-m.
Droog, Eha-kë.
Nat.
De regen heeft mijn sago-kock
nat gemaakt, Nok dasipërekë
he-ë mi-ndab nasa-k.
De put is droog, Boei mi-ndab
eha-kë.
1). Dit is een overgenomen Maleisch woord en beteekent een geïmporteerde ijzeren brjL
De inheemsche steenen bijl heet „hazoe-m." K ' '
18
Slecht, Dom, Dom ka-ïkë.
Geen goed mensch, Dö-m oni-m.
Goed, Ka-ïkë.
Mooi, Ninggi-p Sö ! (uitroep.)
Een schoone maagd, Ninggi-p
wahoe-koe.
Een schoone jongeling, Ning-
gi-p ewa-tie.
Een mooie boom, Ninggi-p de.
Lekker eten, Ninggi-p tamoe-.
L e e 1 ij k, Dom.
Leelijk goed, Do-m maka-dë,
Een leelijke vrouw, Do-m
boe-btie.
Leelijk hout, Dö-m de.
Leeg, Bari-n.
Vol, Ta ie-bë.
Zwaar, Kanie-rë.
Licht, Aka-k (?)
Vast binden, Paroe-dë.
Los maken, Eha-k.
Nieuw, Namare-kë, nö.
Pas geverfd, Mahie- namare-kë.
Nieuwe prauw, Nö javoe-n, nama-
re-kë javoe-n.
Arm, geen voedsel hebben,
Ta-moene-ke.
Geen tuin hebben, ma-roene-kë.
Rijk, veel klappers, veel tui-
nen, veel goederen, Ongga-t
otie-vë, maroe- otie-vë, maka-dë
otie-vë.
Gebrekkig, Dakau-.
Ziek, Ierie-rë.
Gezond, Ninggi-p.
Vermoeid, Sasoe-.
Dom, Bimba-i.
Dom mensch, Bimba-i oni-m.
Knap, Meha-i.
Iemand die het begrijpt, Me-
ha-i oni-m.
Trek in, lust in, honger,
Emi-rë.
Trek in eten, Tamoe- emi-rë.
Belust op ijzer, Wö-kërë emi-rë.
Trek in water, Daka- emirë.
Ik heb trek in rijst, Nökna-sie 1 )
emi-rë.
Dorst, (Daka) dahie-bë.
Droog van keel, Cha.
Verzadigd, Dahanie-.
Ik heb mijn dorst gelescht,
Nok mi-ndab dahie-bë daka-.
Lekker, Hi-r(ë)kë, hi-rkë.
Belust op, Kase-.
Ik had graag deze bijl, Nok
kase- ehe- basö-m.
Bitter, Jari-t.
Zout, ziltig, Etoe-bë daka-.
Wit, Köhie-.
Zwart, Könahie-.
Rood, Döhie-.
Geel, Biedowa-.
Zoeken, Narau-.
Vinden, Han.
Zoek water, Daka- anarau-.
Nemen, halen, Hö-gë.
Kennen, begrijpen, Meha-i.
Vooropgaan, de eerste zijn,
Maha-i.
Iemand, die 't weet, Meha-i oni-m.
Iemand, die voorop gaat,
de eerste is, den weg wijst,
(g i d s), Maha-i oni-m.
Beginnen, Maha-i.
Kunnen, Meha-i.
Kunt gij dat goed dragen?
Maka-dë e-pe wö meha-i vieke-vë ?
1). Overgenomen V
Red.
19
Ik ben al begonnen (vooruit)
met planten, Nok maha-i mi-ndab
paja-.
Werken, Sasa-i.
Wegloop en, Wöra-kë.
Bamie-t.
Ievö-n.
Reeds („s o e d a h", aangeven van
den verleden t ij d), Mi-nd;ib.
Genoeg, Tie-skë.
Verbergen, zwijgen, Sarie-n.
Losmaken, Oeboe-gë, eja-kë.
Openen, Ka-bë, kowa-bë.
Open de deur, Koï auka-bë, koï
aukabi-m.
Maak het touw los, Dö-ndë aöeboe-
gë, aöeboegi-m, aëjaki-m.
Slaan, Oesa-k.
Eindigen, beëindigen, Bari-n.
Beëindigd, Mi-ndab bari-n.
M ij n tuin is klaar, Nok maroe-
mi-ndab bari-n.
Beëindig snelUw(werk in den)
tuin, Kama-kë aubari-n maroe-.
Hou op! Tie-skë! J )
Verbergen, Sarie-n, sara-ddë.
Ga je verbergen! Auma-vë wö sarie-n!
Draag dit goed heimei ij k weg,
Akoema-vë sarie-n maka-dë ehe-.
Vragen.
Wat is?, T5 ka-sap?
Hoe heet (dit) dorp? To ka-sap
iegie-së miera-vë ?
— deze rivier? Tö ka-sap iegie-së
oeroe- ehe- ?
— die man? To ka-sap iegie-së
o-nim e-pe ?
Weigeren, niet van u, niet
voor u, Tama-t wöha-në.
1). Letterl. „'t is genoeg".
2). N.B. letterl. slechte hand, mooie hand
Niet van (voor) u, maar va n m ij,
Tama-t wöha-në, nèk ana-mbë (nok,
kè-mbe).
Niet doen (Ml. djangan), Tama-t,
Doe-rë.
Bedriegen, Bamba-rie.
Iets voor de aardigheid doen,
spelenderwijs, Bamba-rie.
Een bedrieger, iemand die
iets doet wat hij niet meent,
Bamba-rie oni-m.
Liegen, Bafea-vë.
Leugenaar, Bata-v oni-m (Bata-v ë
onim). .
Graven (met den ietö-k, eene afwa-
tering in den tuin maken), Jo-mbë.
Ik ben klaar met graven, Nok
min-dab bari-n jo-mbë.
Dichtbij, Ondowa-.
Ver, Mahoe-të.
Links Dö-m sangga-.
Rechts, Ninggi-p sangga-. 2 )
Overkant (van een rivier), Ra.
Waar gaat gij heen? Wo i-ndë ?
Ik ga naar den overkant!
Nok ra!
Hier, Ehe-.
Daar, E-pe.
Ginds, Epi-ndë.
Daar is, (bv. de rivier) ! Epete-kë !
Linksen rechts, Ra ra.
Aan beide zijden van de ri-
vier, Ra oeroe- ra oeroe-.
Rondom, Saki-vvë.
Hierheen, Damie-më.
Zeer vroeg (nog vóór zonsopgang),
Kome-kaha-.
Vroeg, (kort na zonsopgang), E-tie
apa-pë.
Red.
20
Langzaam, Arie-de, ö-gë (?)
Gij z ij t laat, (langzaam), Wö arie-
dë b-ge.
L o o p e n, naha-t.
Daar vooraan, langzaam 1 o o-
p e n ! Maha-i e-pe, arie-dë anahati-m !
Thans, nu, Naina-.
Straks, A-de.
Straks k o m i k, A-de nok naha-m.
Wacht even! A-de !
Vroeger, Mandie-n.
Gisteren, Wie-së.
Eergisteren, Nanawie-së.
Zooeven, Nama-.
Vandaag, Nama-.
Morgen, Apa-pë.
Overmorgen, Höpo-.
Later, Arie-ndë.
Nu en dan, Tanama-.
Nu en dan (van tijd tot tijd) k o m i k,
Tanama- nok naha-m tanama- nok
naham.
Nog een oogenblik, Andie-.
Nog een oogenblik, Siki komt
d a a r, Andie- e-pe Sie-kie damie-
më.
Instorten, van een huis, o m-
vallen, van een boom, Ierie-k.
Onder, Beneden, Maka-n.
Binnen, in, onder, Koeuia-.
Onder dien boom ga ik zit-
t e n, De e-pe maka-n (nok) ma-kkie
ambie-dë.
In de tasch opgeborgen, Wade
koema-.
Onder water, Daka- koema-.
Begraaf (1 e 1 1. verberg), dat
goed onder het zand, Maka-
dë e-pe asara-ddë sa koema-.
In (het) huis, Sava- koema-.
Tot, Bit.
Ik ben gegaan tot het dorp
Oeroemrieke, Nok mi-ndab bit
Oeroe-m miera-vë.
Binnengaan, Koewamie-u, kwa-
mie-n.
Buiten komen, Hoe-së.
De rivier binnengaan, opva-
r e n, Kwamie-n.
Waarvoor, (voor wat, bij het
r u i 1 e n) V To na-nggoek ?
Waarom? Tore-kë.
Waarom z ij t gij naar huis
gegaan? Wö tore-kë mi-ndab
oemoe-vë.
Hoe is dat? Töta-go?
Hoeveel? Onimtö- ?
Ziet, hoeveel menschen (er
z ij n), A-iedie-ëm onimtö-.
Hoeveel kangoeroe's hebt
gij geraakt? Saha-m onimtö- wö
mi-ndab de? *)
Veel, Otie-vë.
Weinig, Papi-s.
Nog meer, Isie-.
Ook, Dö-më.
Vroeger (was) die man (er)
ook (b ij), Maudie-n o-nim e-pe
dö-më.
Wanneer? Ja-ndë.
Ik, Nok.
Gij, Wö.
H ij, E-pë (?). ■)
W ij, Nok wö.
Z ij, O-nim e-pe.
Wij (gij en ik) gaan naar huis,
Nok wö ma-kie mana-vë, (ma-kie
hietö-k.)
i) ?
2) Een Pers. vnw. van den 3en persoon schijnt inderdaad te ontbreken.
Eed.
21
Wij met ons drieën, gaan
naar hu is, Nok wo ie-na zakod,
ma-kie mana-vë (bietö-k).
M ij n, Nok kö-mbë, nok ana-mbë.
Bezit (Ml. » p o e n j a "), Kö-mbë,
ana-mbë ;
M ij n vrouw, Nok ana-mbë oesoe-m ;
nok oesoe-m.
Uw varken, Wo kö-mbë (ana-mbë)
basie-kë.
Niet van m ij, van een ander,
Nok bakë ( l ) kö-mbë, ie-sie o-nim
kö-mbë.
(Dat is) van hem, Hani-p (?) kö-mbë.
Wie? Te oni-m.
Van wien? Te oni-m kö-mbë ?
Van hem, Epete- kö-mbë, pete-
kö-mbë, hani-p (?) kö-mbë.
Wie komt d a a r ? Te oni-m naha-m ?
Een a n d e r m a n 's huis, Tö-nd
oni-m sava-.
Deze, Ehe-.
D i e, E-pe, Eha-n.
Deze man of die man? O-nim
ehe- o-nim eha-n ?
Z o o a 1 s (dit), Epeta-go.
Niet, neen, Ba-kë. 1 )
J a, Ehe-.
Zeker, Meha-n naha-.
Misschien, Agie-.
Duidelijk, Eka-i.
1 Zako-d, zakö-dë.
2 Iena-.
3 Iena zako-d.
4 Iena iena.
5 Iena iena zako-d. 3 )
(Men begint te tellen bij den linker-
duim, waaraan achtereenvolgens de vin-
gers worden toegevoegd, daarna de
rechterpink enz. tenslotte de teenen.)
De voorste, middelste, ach-
terste, Maha-i oni-m, ie-n onim,
hè-së oni-m.
Straks, Damie-.
Naar, Miet.
Ik ga naar Boeter iek e, Nö-k
Boe-tie mie-t.
Ik ga naar de tuinen, Nok ma»
roe mie-t.
Worden, Wien.
B 1 ij v e n, Ma-tie.
Mijn goed blijft (eig, moet blijven,
ongerept blijven, onaangevoerd blijven);
het moet niet gestolen
worden! Nok maka-dë ma-ti,
tama-t a-bnë !
Het blijft (onaangeroerd) ! Ma-tie !
Laat dat maar blijven, het
behoort u toe, Mata-mbë, wö-
ha-n kö-mbë !
B 1 ij i daar (van) a f, het is a n -
d e r m a n 's goed, Ma-tie, o-nim
kö-mbë.
(Ml. tinggal) B 1 ij v e n, verblijven,
Indoe-n.
M ij n plaats, de plaats waar
ik v e r b 1 ij f houd, Indoe-n ook
ana-mbë.
1). Het ontkenningspartikel voor „neen", „niet", „iets niet zijn" schijnt steeds met neusklank
te worden uitgesproken, dus „mbake".
2). De beperktheid van dit talstelsel, dat maar twee woorden kent en slechts tot 5 telt (daar
boven: „otie-vë" of „otie-vëkë" = veel) is wel opmerkelijk. Ook het feit dat de Inboorlingen bij
hunne aanrakingen met ons (bijv. bij het brengen van klapa's, die tot hoopjes van K) gestapel
worden), voor de termen van 6 t/m 10 de Maleische benamingen hebben geassimileerd.
Kod.
22
Ik verblijf te Aarma-ssoe,
Nok indoe-n Arma-soe.
D i t d o r p is (blijft) steeds goed
(goedgezind), Miera-vë ehe- indoe-n
kaï-ke
Gaar, Mi-ndab oenie-p.
In het vuur leggen, Hoe-së.
Uit het vuur halen, Netö-k.
Vast nemen, met twee stok-
jes,
om in het vuur om te
k e e r e n, Kahie-rë.
Een brandend stuk hout weg-
halen (om daarmede een nieuw vuur
aan te leggen), Töngga-p.
Vasthouden, Hanie-rë, kagoe-n.
Houd stijf vast! Ninggi-p aka»
goe-n !
Weggooien, Wagie-m.
Aanleggen, van een prauw,
Tama-bë.
Landen, aan den wal gaan, Va-
zie-gë.
In de prauw leggen, Oekoe-n
(javoe-n.)
Voor den dag halen, Ravoe-i.
In den grond steken, van een
stuk hout, Avie-dë.
Kenteeken (aan een stok gebonden
bosje gras), Tip.
Sago kloppen, Da hörë.
Volgen, Esö-vvë.
Veronderstellen, gissen, Sano-.
Misschien, ik denk het (ver-
onderstel zalks), ik heb het niet
gezien, Agie- sano- nok, ba-kë iedie-.
Staan, de wacht houden, Ieta-r.
Verzamelen, van menscheo
Boetoe-k.
Naar huis brengen (geleiden),
Wahie-kë (?)
Strak (gebonden), Vaka-vvë.
Kapot, Kepa-dë (?).
Samenstellingen met plaatsna-
men :
Ik ga naar W è - n d o e (r i e k ë\
Nok Wè-ndoe mie-t.
Het dorp Boe-te riek e, Boe-
tie (*) miera-vë.
De weg naar Boete riek e, Boe-
tie (!) koï.
Iemand uit Boete riek e, Boe-tie
( x ) oni-m.
Iemand uit Serie re, Kombre,
Serie-rë oni-m, Kö-mbrë oni-m.
Vrouw uit Oeroemerieke
Roem boe-bti.
Vrouw uit Nawarrie, Nawa-rrie
iesoe-s.
Jongeling uit Joeberieke,
Joebër ewa-tie.
1). Of „mboe-tie"?
Red.
B. Gesprekken.
Morgenochtend ga ik naar Kombre, E-tie
apa-pë nok Kö-mbrë miet.
Wijst gij morgen den weg, Apa-pë wo
maha-i. *)
Morgen ga ik (mede), Apa-pë ma-kie
mana-vë.
Breng mij morgen naar Kombre, dan
krijgt gij een bijl, Apa-pë awahie-kë
Kö-mbrë miet, damie-wöha-n ka-m»
pak 3 ) zako-d.
Zijn er nog anderen, die naar Kombre
gaan? le-sie o-nim e-ke Kö-mbrë miet ?
Basiki zal (ook) mede gaan, Basie-kie
damie- oemoe-vë (dö-mmë).
Word wakker, ik ga ! Atiemie-n, ma-kie
mana-vë.
Ik ben al wakker, Nok mi-ndab tiemie-n.
Sta op ! Akwatie-n !
Voorwaarts ! Ha-wa ! ma-kie mana-vë !
Daar vooraan, langzaam loopen ! Maha-i
e-pe arie-dë anahati-m !
Is het een goede weg, naar Kombre?
Ni-nggip koï e-ke, Kö-mbrë miet?
De weg naar Kombre is goed ! Ni-nggip !
Kö-mbrë ko-ï.
De regen is opgehouden, de warmte komt
al door, He-ë mi-ndab bori-n, pie-gë
mi-ndab oewa-r.
Hoe heet dit moeras ? Tö ka-sap boe-bë
iegie-së ?
Het heet Taram, Iegie-së Tara-mkë.
Siki! Waar is harde grond? Sie-kie,
Pare- e-ke?
Vooruit; dichtbij, Maha-i; öndowa-kë.
Er zijn twee wegen, wat is de weg naar
Kombre ? Ko-ï iena-kë, Kö-mbrë ko-ï
e-ke?
Dit is de weg naar Kombre, die daar,
leidt naar Kapondoe, Ehi-të Kö-mbrë
ko-ï, eha-n Kapö-ndoe ko-ï.
Is daar vlakte? Mamoe-i e-ke?
Geen vlakte, maar kajoepoetih bosch,
Mamoe-i ba-kë, boezba-k.
Het is warm, E-nak, (èna-kë).
Onder dien boom wil ik gaan zitten, De
e-pe maka-n nok ma-kie ambie-dë.
Ik ga naar dien boom daar toe, om uit
te rusten, Nok e-pe de miet, ma-kie
bakana-vë.
Is er een put? Boe-i e-ke?
Hier niet, verder op, Ek-e ba-kë, maha-i.
Waar is die put, dichtbij? Boe-i e-ke,
öndowa- ?
Daarginds is een put, Boe-i epete-kë.
Ik ga naar de put en aldaar zitten, Nok
boe-i miet, ambie-dë eha-n.
Dit water is goed, Ehe- ni-nggip daka-.
Dit water is lekker, Daka- ehe- hi- rek B.
Vooruit! Kombre is, (nog) ver! In Kom-
bre (moeten wij) overnachten, Ma-kie
mana-vë! Kö-mbrë mahoe-të; K-ömbrë
noe.
1). Letterlijk: gij (gaat) vóór.
2). Uit het Maleisch.
Red.
24
Daarginds is Kombre, Kö-inbrë epete-kë.
Een mooi dorp, er zijn vele huizen,
Ni-nggip miera-vë, sava- otie-vëkë.
Dat raensch is bang, zij is naar binnen
gegaan, en heeft de deur gesloten.
O-nini e-pe oe-tnë, mi-ndab kwamie-n,
koï- mi-ndab rarie-dë.
Die vrouw heeft de deur al geopend,
Boe-btie eha-n mi-ndab koha-bë koï-.
Hier overnacht ik, is er bamboe? Nok
noe ehe-, soe-bë e-ke?
Er is veel bamboe ! Soe-bë otie-vëkë !
Veel bamboe (is noodig) om huizen van te
bouwen ; straks krijgt gij ijzer (daar-
voor), Soe-bë otie-vëkë sava- na-ng»
goek ; a-de, damie- wöha-n wö-kërë.
Deze bamboe is niet van mij, (maar)
van een ander, Soe-bë eh-e no-kkë
ba-kë, ie-sie o-nim kö-nibë.
Van wien is die bamboe ? Te o-nim
kö-mbë soe-bë ?
Mijn bamboe, Nok ana-mbë soe-bë.
Laat mij (die) kappen, voor een bijl, Kaï-
kë nok warö-k, ka-mpak na-nggoek.
Goed, kapt maar ! Kaï-kë awaröki-in !
(Hier is) een bijl voor U, voor de bamboe,
Ka-mpak wö kö-mbë, soe-bë na-nggoek.
Wat doen die vrouwen daar ? Boe-btie
e-pe, to awe- ?
Sagokloppen, Da hörë.
Jongentje ! Kom hier ! Patoe-rë, a-chman
(anaha-m) !
Van wien is die jongen? Te o-nim
ko-mbë patoe-rë?
Mijn jongen, Nok ana-mbë patoe-rë.
De zon is al onder, ik ga eten, Ka»
to-nie mi-ndab kösa-n, nok tamoe-.
Ik heb genoeg gegeten, ik ga sla-
pen; morgen ochtend ga ik naar de
Badee onim, Nök tamoe- tie-skë,
nok noe ; e-tie apa-pë nök Ba-de
o-nim miet.
Is er iemand, die den weg wijst? O-nim
e-ke maha-i na-nggoek?
Ik wijs den weg, ik ben een flinke ke-
rel, Nök maha-i, nök basie-kë. z )
Morgen een bijl voor mij, Apa-pë nök
ka-mpak zako-d.
's Nachts moet gij niet hier heen komen,
Dienö- wö tama-t damie-man.
Morgen ochtend kom ik bij u, dan gaan
wij samen naar de Badee onim, E-tie
apa-pë manoe-man wö miet, baï-za»
ko-d Ba-de o-nim miet.
II
Gaat daar niet heen, er zijn geen men»
schen, Wö tama-t naha-t e-pe na-ng»
goek, o-nim ba-kë.
Wat is daar ? (wat vindt men daar ?)
To maka-dë e-pe ?
Er zijn geen klappers, geen tuinen, er is
geen put, er is geen weg, Ongga-t ba-kë,
maroe- ba-kë, boei- ba-kë, koï- ba-kë.
Wat is dat voor een land? Miera-vë
e-pe töta-go?
Er is een groot water, er zijn geen
menschen, Sö-mbë daka-, o-nim ba-kë.
Wat voor water? Töta-go daka-?
(Zoo groot) gelijk de zee, Etoe-bë epe»
ta-go.
Gij kunt den overkant niet zien, Ba-kë
wö ie-die ra.
Zijn er geen prauwen ? Javoe-n bakë ?
Er zijn geen prauwen, Ba-kë javoe-n !
(javoe-n ba-kë !)
1.) Elliptisch voor: basie-k(ë) onim = varkenmensch.
Red.
25
Zijn er raenschen aan den overkant?
O-nim e-ke ra ?
Er zijn geen menschen, O-nim ba-kë.
Ik weet het niet, Nok biinba-ikë.
De lieden aan den overkant zijn kop-
pensnellers, O-nim ra e-pe sö-k
oni-m.
Ik wil dat groote water zien, wijst gij
den weg, Nok söm-bë daka- miet, ie-
die, wo maha-i.
Ik ga niet mede (den weg wijzen),
ik ben daar niet bekend, ik weet
den weg niet, Nok maha-i ba-kë,
nok bimba-ike, nük e-pe koï- bim»
ba-ikë.
Kent gij dien weg ? Wö meha-i e-pe
koï-?
Neen! (Onbekend) Bimba-ikë !
Daar ginds is geen water, geen voedsel,
Maha-i e-pe, daka- ba-kë, tamoe-
ba-kë.
Daarginds is alles vlakte, Maha-i e-pe
ba- mamoe-i.
Daarginds zijn koppensnellers, Maha-i
e-pe sö-k oni-m.
Gaat daar niet heen, het is warm, keert
terug ! Wö tama-t oe-më e-pe nang-
goek ; pie-gëkë, a- etöki-m !
Gaat daar niet heen, er is veel water,
het is er diep, er zijn veel krokodil-
len, Wö tama-t oe-më e-pe na-ng»
goek, daka- otie-vekë, dese-kë, kjoe-
(kie-w) otie-vëkë.
Kapt niet daarginds, (dat is) pemalibam-
boe, Tama-t warö-k e-pe, dema- soe-bë.
Waar gaat gij heen ? Wö i-ndë ?
Ik ga daar sirih gebruiken, Nok eha-n
ma-hie kavoe-s.
Waar zijt gij vandaan? Wö te oni-m?
Ik ben van Seriere, Nok Sërie-rë oni-m.
Waarom zijt gij hier gekomen? Wö
tore- naha-m ehe- na-nggoek?
Ik ben gekomen om de vreemdelingen
te zien, Nok naha-m ma-kie iedie-
poe- oni-m.
Waar is de weg? Koï- e-ke?
Daar aan den overkant is de weg, maar
het moeras is diep ; gaat niet naar den
overkant, het is diep, er zijn geen
prauwen, Koï- ra epi-te, boe-bë dese-
kë ; wö mba-kë oemoe-vë ra miet,
javoe-n mba-kë.
Wat is dat voor een weg? Tö koï- eha-n?
Een kangoeroe-pad 1 ) (»wallaby"-pa<l).
Saha-m koï-.
Is daar een weg? Koï- eha-n?
Daar is geen weg, (alleen) een kangoeroe-
pad, Ba-kë koï- e-pe, saha-m koï-.
III
Waarheen gaan die menschen, O-nim e-pe
i-ndë.
Zij gaan kangoeroe's (»wallaby's) jagen,
O-nim e-pe saha-m awe-.
— op de varkensjacht, O-nim e-pe basie-
kë awe-.
Hoe doen zij dat, kangoeroe's jagen?
Töta-go, saha-m awe-?
Dit zijn honden voor de kangoeroe-jacht,
göt saha-m n;i-nggoek.
1.) D. w. z. een pad waarlangs de jagers plegen te gaan.
Ehe-
Ik heb vele honden, Nok göt otie-vekr.
Als de bonden de kangoeroe's zien, huilen
zij ; ik loop (dan) hard naar hen toe om te
zien (wat het is), Göt saha-m narau-, göl
warie-të; nok ivö-n göt mie-të, ie-die.
Ik heb de pees van mijn boog al vast-
gemaakt, Mie-së nok mi-ndab usie-n
toep.
Bed
26
Mijn boog is gebroken, Nok mie-së
nii-ndab kagoe-bë.
Daar boven in den boom zit een kroon-
dnif, Ra-fë ra-fë de mahoe-kë epete-kë.
Schiet het geweer af, opdat ik dat zie,
Bë-nggie atama-n, nok ie-die.
Niet schieten ! Doe-rkë tania-n !
Geen geraas maken ! (niet schreeuwen,
niet luide spreken), Tama-t mi-ng»
goejie-m !
Vele honden huilen aan den overkant,
Göt otie-vë warie-të ra.
Waarom huilen de honden? Tö ka-sap
göt warie-të?
De honden huilen van wege de kangoe-
roe 's, Saha-nikë göt warie-të.
Wat is dat daar ? Tö ka-sap e-ke ?
Een groot wild varken, Só-mbë basie-kë
mó-rë.
De honden zijn weggeloopen, het is een
dapper varken, Göt mi-ndab ievö-n,
basie-kë j ar i-t.
Schiet ! Aja-së !
Schiet het varken ! Aja-së basie-kë !
Het varken is al weggeloopen, Basie-kë
mi-ndab ievö-n.
Die kangoeroe wil ik schieten, Saha-m
e-pe ma-hieja-së.
Die man heeft al geschoten, O-nim e-pe
mi-ndab ja-së.
Hebt gij al eene kangoeroe geschoten?
(geraakt), Wö mi-ndab de saha-m?
Ik heb al raak geschoten, Nö-kkë mi-n»
dab de.
Hier is het (wild), Ehi-te.
Ga naar beneden, de helling af ; haal de
kangoeroe, (hij) is al dood, Atomani-m,
ahake-vë saha-m, mi-ndab kabie-vdë.
Later, in het midden van den warmen
tijd, steken wij de alang-alang in brjmd;
de kangoeroe's komen (dan) voor den
dag; wij houden (dan) de wacht (en)
wij schieten, Arie-ndë, sö-mbë pie-gë,
nia-kie ota-dë masa-; saha-m damie-
oewa-r; nok ieta-r, nok ja-së.
Vandaag heb ik lang gewacht (op den loer
gestaan), (maar) er zijn geen kangoe-
roe's voor den dag gekomen, Nama- nok
mi-ndab ieta-r, saha-m ba-kë oewa-r.
Maak een vuurtje; snijdt de kangoeroe
in stukken, Taka-vë ahoesi-m, saha-m
ahawaiji-m.
Ik heb de kangoeroe al verdeeld (in stukken
gesneden), Nok mi-ndab awa-i saha-m.
Kangoeroe-vleesch is lekker, Saha-m moei
hi-rëkë.
Verdeelt het vleesch, Ahakövvi-m moei.
Ik heb het vleesch al verdeeld, Nok
mi-ndab akö-vvë moei.
De kangoeroe-beenderen zijn voor den
neus (d. i. om in den neus te steken),
Saha-m ajau- anggie-p na-nggoek.
Hoeveel kangoeroe's hebt gij geschoten
(geraakt)? Saha-n o-niin tö wö mi-n»
dab de ?
Het vuur vlamt al op, Taka-vë mi-ndab
aroei-.
Leg de oebi in het vuur, Na-rë auwoe-së
(ahoe-së).
Rijgdevisschen aan elkaar, Para-ré aravie-.
Ik heb de visch al omgekeerd, Nok
mi-ndab netö-k para-rë.
Haal een brandend stuk hout weg om een
nieuw vuur aan te leggen, Atöngga-p.
Het vuurtje is klein; haal geen brandend
hout weg, Papi-s taka-vë; tama-t
töngga-p.
Er is veel voedsel, Tamoe- otie-vëkë.
Er is verscheidenheid van voedsel, le-sie
tamoe-, ie-sie tamoe-.
Doe zand op het vuur, dan gaat het uit,
Taka-vë asake-vë sa, damie- kahie-vdë.
27
IV
Die weg maakt vele bochten, Koï- e-pe
kamö-n sama-n otie-vëkë.
Let op dien gids (hondt dien gids in 't
oog), dadelijk loopt hij weg, Aiedie-im
maha-i oni-m e-pe, damie- wora-kë.
Die twee menschen daar vooruit hebben
reeds samen gesproken (samen overleg
gepleegd), O-nim iena- e-pe maha-i
meha-nne mi-ndab ra.
Hei ! Daar is een dorp ! E ! miera-vë eha-n •
Waar zijn de menschen? O-nim e-ke?
Dat huis is vol menschen, Aha- e-pe
o-nini taie-bë.
Er zijn geen menschen, zij zijn wegge»
loopen, O-nim ba-kë, o-nim mi-ndab
ievo-n.
Dat dorp is leeggeloopen, Miera-vë e-pe
mi-ndab bari-n.
Hei ! Daar is een tuin ! E ! maroe- eha-n.
Waarom (zijn zij) weggeloop en? Tore-kë
ievo-n ?
Zij hebben de stemmen der vreemdelingen
gehoord; zij zijn naar het dorp geloopen
en hebben het verteld, en de menschen
zijn gevlucht, Mi-ndab öga-n Poe oni-m
minggoe-i, mi-ndab naha-m miera-vë
miet, mindab ra, o-nim mi-ndab ievo-n.
Waarom zijn zij bang? Tore-kë oe-tnë?
(Omdat zij) de vreemdelingen gezien (heb»
ben), Poe oni-m ie-die.
Daar ginds, in de verte, heb ik een groote
rookkolom gezien, Mahoe-të e-pe nok
mi-ndab ie-die sö-mbë ra-kë.
De rookkolom (is een teeken dat) de
vreemdelingen gekomen zijn ; opdat de
buren het zien; opdat de buren het
begrijpen (weten), Ra-kë e-pe Poe-
oni-m mi-ndab naha-m ; marie-ndë
oni-m ie-die na-nggoek; meha-i damie-
wien marie-ndë oni-m.
Er zijn twee wegen, laat die daar (d. i.
gaat dien weg niet), de vreemdelingen
(moeten) dezen weg gaan; dezen weg
zal ik een kenteeken geven, ik steek
een stuk hout in den grond (waaraan
dat teeken, b.v. een bosje gras, vast-
gebonden) voor de menschen, die ons
volgen, Koï- iena-, ra ma-take- (ma-tie)
Poe- oni-m e-he koï- oemoe-vë ; ehe-
koï- ma-noe asie-dë tip, manoe (ma-kie)
avie-dë de, hè-së oni-m na-nggoek.
Ik heb wat alang-alang vastgebonden,
Nok mi-ndab asie-dë papi-s masa-.
Bindt nog wat alang-alang (eraan), Masa-
ie-sie ahasie-dë.
Nu is het duidelijk (geworden), Eka-i
mi-ndab wien.
Ziet gij de rookkolom duidelijk? Eka-i
e-ke a- idieï-m ra-kë?
Niet duidelijk, die rookkolom is al weg,
Ekai- ba-kë, ra-kë e-pe mi-ndab bari-n.
Vlamt er vuur op ? ïaka-vë e-ke aroe-i ?
Het groote vuur is al gedoofd, Mi-ndab
kahie-vdë so-mbë taka-vë.
(Dit is) vuur van vandaag (n.1. vandaag
aangestoken), Namare-kë taka-vë.
Gisteren hebt gij gelogen (leugens ver»
teld); gij zijt niet medegegaan om den
weg te wijzen, (letterlijk: gij gingt niet
voorop), Wie-së wö bata-vë meha-n;
wo maha-i ba-kë.
Waarom zijt gij niet naar Kirim gegaan ?
Wö tore-kë ba-kë oemoe-vë Ki-rim
miet?
28
Waarom hebt gij ons laatst niet naai-
de Boeb-onim gebracht (begeleid) ?
Wo tore-kë mandie-n ba-kë wahie-kë
Boeb oni-m miet?
Ik (was) bang; vroeger ben ik bij de
Boeb-onim gaan koppensnellen, Nok
oe-tnë ; mandie-n koe-i awe- Boe-b
oni-m miet.
Vroeger heb ik daarginds een vreemde
(slaaf) gehaald. Mandie-n nok mi-ndab
ake-vë epi-ndë iekö-m zako-d.
Ik. met lieden van Kombre en Misse en
Badee-onim ; ik (nam mede) sagokoe»
ken voor onderweg, veel narre en kimbe
voor reisproviand, en veel pijlen, om
te gaan snellen, Nö-kkë, Kö-mbrë
oni-m, Mi-së oni-m, Ba-de oni-m ;
nö-kkë dasi-pë maha-i na-nggoek ;
nö-kkë na-rë, ki-mbë otie-vë maha-i
na-nggoek ; nö-kkë arie-be, toeri-p
otie-vë, koe-i awe-.
Vroeger heb ik eene vreemde vrouw den
hals afgesneden. Mandie-n nok mi-n»
dab kadaha-b boe-btie iekö-m.
Xa vier malen overnachten waren wij
al dichtbij (genaderd). Noe, noe, noe,
noe ö-ndowa- mi-ndab wien.
Ik heb drie man gelast te gaan zien.
Nok mi-ndab ra o-nim iena- zako-d,
ie-die na-nggoek.
Gaat snel (zien) en vertelt mij hoe het
met het dorp staat, Wö kama-kë
damie-më, aurahi-m nö-kkë töta-go
miera-vë.
Die menschen zijn (terug)gekomen, zeg-
gende dat het een groot dorp was met
veel menschen, O-nim e-pe mi-ndab
naha-m, nieha-n sö-mbë miera-vë,
ö-nim otie-vëkë.
Te middernacht omsingelden wij het dorp,
om 's ochtends vóór het opgaan der
zon de menschen die naar buiten ko-
men neer te schieten, Dienö- naha-m
ma-kie saki-vvë miera-vë, kome-kaha-
na-nggoek, o-nim damie- oewa-r,
ma-kie de.
Eerst kwam eene vrouw naar buiten, die
naar de put ging, Maha-i boe-btie
zako-d oewa-rë, boe-i miet
Ik schoot het eerst ; de vrouw schreeuwde,
Xök maha-i de : boe-btie mi-ndab
esö-rë.
Een man riep : »mijn dorp" en haalde
zijn boog voor den dag; die vreemde
schoot mij in de dij, Amna-ngga zako-d
mi-ndab warie-të : » miera-vë nö-kkë
anambë", mi-ndab ravoe-s mie-së ; e-pe
ieko-m mi-ndab de nö-kkë wa-bë.
Mijn makkers sloegen (hem) met de knots
dood, Nok namie-tkë oesa-k pa-nggë,
kahie-vdë.
De vrouw schreeuwde ; anderen kwamen
haar knuppelen en den hals afsnijden,
Boe-btie esö-rë, ie-sie o-nim damie-më
oesa-k pa-nggë. kadaha-b.
De andere vreemden waren weggeloopen,
Ie-sie ieko-m mi-ndab ievö-n.
De kop der vrouw heb ik mede genomen,
opgeborgen in mijn tasch en ik ben
naar Kombre teruggekeerd, Boe-btie pa
nok mi-ndab era-m, wa-dë koema-,
nö-kkë hietö-k, Kö-mbrë miet.
Vroeger gingen de menschen van Ge-
roemrieke, Boeterieke, Sariere, naar
Kombisse, varende, Mandie-n Oeroe-m
oni-m Boe-tie oni-m Sërie-rë oni-m.
Kömbi-së miet, jö-mbëtie.
Aan de rivier gekomen werden de prau-
wen achtergelaten (aan de rivier) en
wij gingen over land, Ve-roe miet,
javoe-n ma-tie (oeroe-); nok pare-
oemoe-vë.
29
Vroeger ging ik veel snellen, tegenwoor»
dig niet (meer), Mandie-n nok koe-i
awe- otie-vëkë, naraa- ba-kë.
Vroeger had ik een naam (d.i. reputatie,
van dapperheid); nu heb ik dien niet
(n.1. wijl het snellen opgehouden is),
Mandie-n nok iegie-së, nama- nok
iegie-së ba-kë.
Vroeger werd veel gesneden (d.i. gesneld ),
tegenwoordig wordt niet meer gesneld,
Mandie-n sok otie-vëkë, nama- sok
ba-kë.
»Gaat aan dat dorp kennis geven," » Wo
auma-vë miera-vë e-pe aurahi-m."
Overmorgen gaan wij de vreemdelingen
aanvallen, Höpö- ma-kie nasa-k Poe»
oni-m.
Wij zagen één vreemde kiadi gaan balen,
lekö-m zako-d ie-die nö-kkë, ki-mbë
awe-.
ïanai sloop op handen en voeten vooruit
en trof hem met een pijl, waarop de
vreemde schreeuwde, Tana-i maha-i
rörö-së. Tana-i arie-bë zako-d mi-ndab
de, ieko-m mi-ndab esö-rë.
Saringgoei trot hem toen ook, Tanai
sneed hem toen de keel af, Sari-nggoei
tanama- mi-ndab de, Tana-i mi-ndab
kadoha-b.
»Begraaf' dat goed onder het zand,"
»Maka-dë e-pe asara-dë sa koema-."
Het gebeente is ginds verborgen, in bet
zand (begraven), Ajau- epi-ndë mi-ndab
sara-dë, sa koema-.
Ik heb de vreemdelingen gevolgd, (om te)
zien (wat zij deden) ; ik verborg mij, ik
kwam niet naar de vreemdelingen toe ;
ik was bang, Nök mi-ndab esö-vvë Poe-
o-nim, iedie; nök sarie-n (basarie-n),
nok Poe- oni-m miet ba-kë; nok oe-tuë.
Dit land (dorp, negorij, volk) is altijd
goed, Mira-vë ehe- indoe-n kaï-kë.
VI
Ik ben naar Badeerieke gegaan; Kioe-
pangga en Samakorre hebben mij
begeleid naar de Wanggoe, Nök Bade»
rie-kë miet ; Kjoepangga- Sa-makö-rë
mi-ndab wahie-kë Wa-nggoe miet.
Kioepangga, wat is dat? Kjoepangga-,
tö ka-sap e-pe?
(Een stuk) hout breekt; ik gis dat men-
schen aankomen, De kagoe-bë, o-nim
sano- mi-ndab naha-ni.
Kijk uit! Aiedieï-m!
Het is donker, ik zie niets, Ha-pë, nök
ba-kë ie-die.
Alweer! wat is dat? Ie-sie! tö ka-sap e-pe?
(Een stuk doode) bamboe breekt; een vijand
(lett. koppensneller, snijder) besluipt
ons, Soe-bë kagoe-bë, sok oni-m rörö-së.
Gooi water op het vuur, opdat het uitga,
Daka- arowa-dë ; damie- kahie-vdë
taka-vë.
Bij vlammend vuur (schijnsel) kan dr
vijand duidelijk zien, dan schiet bij,
Taka-vë aroei-, sok oni-m eka-i ie-die;
damie- de.
Ik heb al water op het vuur gegooid,
Nök mi-ndab roewa-dë daka-.
Als de vijand komt, schreeuwt dan, Sok
oni-m damie-më, a-esö-rë.
De vijand is in aantocht (in zicht), Sök
oni-m pëtiekanaha-m.
Ik zoek mijn boog, Nök ma-kie uaniu-
nök mie-së.
Ik heb mijn boog al gevonden, Nok
mi-ndab ha-n nök mie-së.
30
Mijn boog is gebroken, Nö-kkë mie-së
mi-ndab kagoe-bë.
Zooeven zag ik iemand, nu (is hij) ver»
borgen, Nama- nok mi-ndab ie-die
o-nim, nama- mi-ndab sarie-n.
De menschen moeten zwijgen ; spreekt
niet; de vijand is gekomen, (zij zijn) al
om (ons) heen, O-nim basarie-n; tama-t
minggoei-; sok oni-m mi-ndab naha-m,
mi-ndab sakie-vë,
Gij zijt bang, gij beeft al, Wö oe-tnë,
wo mi-ndab oeja-vë.
Ik ben niet bang, ik ben dapper (lett. een
varken), Nok oe-tnë ba-kë, nok basie-kë.
Weest niet bang, (de) andere politie»
dienaren komen hier aan, ik heb veel
geweren, Wö tama-t oe-tnë, ie-sie
ö-pas *) epetiekanaha-m, nok bë-nggie
otie-vëkë.
Zegt de menschen bij elkaar te komen
en de afdaken op te breken, dan kunnen
wij duidelijk links en rechts zien, O-nim
aurahi-m damie- boetoe-k, kauha-bë
sava-, eka-i ma-kie narau- (ma-kie
ie-die) ra ra. 3 )
Men kan niet ver zien, het geboomte en
de bamboe staan dicht op elkaar, (er
is veel geboomte, veel bamboe), De
otie-vëkë, soe-bë otie-vëkë ; narau-
mahoe-të ba-kë.
Samakorrë! Daar staat een man, dichtbij
dien grooten boom! Sa-makörë! O-nim
eha-n ie-tar, o-ndowa- sö-mbë de!
Misschien de schaduw van een groot blad,
misschien de schaduw van een mensch,
Agie- sö-mbë de görë (oe)wa-bë, agie-
o-nirn (oe)wa-bë.
Een hond! Götkë!
De zon is opgegaan; laten we in de
rondte kijken, Katönie mi-ndab oewa-rë;
ra ra ma-kie ie-die.
Hier hebben pas menschen gezeten, van
nacht, O-nim dienö- ambiedëre-k e-he.
Veel menschen hebben hier pas gezeten ;
er zijn veel versche voetsporen, O-nim
ambiedëre-k otie-vëkë; o-nim iesa»
sëre-k otie-vëkë.
De vijand was bang en is niet op komen
zetten, Sok o-nim oe-tnë, damie-më
ba-kë.
VII
Morgen ochtend ga ik met de sloep naar
Wamal, E-tie apa-pë nok bö-njavoe-n
Wa-mmal miet.
Het is hier ondiep ! Waar is het diep ?
He pare-kë ! De-se e-ke ?
Waar is (een) kreek? Riekie e-ke?
Daar is het diep, De-se epete-kë.
Aan den anderen kant (is de) bank, Ra
e-pe pare-kë.
Wacht, ik ga aan den wal, A-de nok
ma-kie vazie-gë.
(Dit is een) mooi dorp ! Ni-nggip mie»
1.) Europeesch.
2.) Letterl. „overkant
overkant".
ra-vëkë !
Zegt dien vrouwen niet weg te loopen,
Sa-vë e-pe aurahi-m tama-t wöra-kë.
Dat is een mooi varken, Basie-kë e-pe
ni-nggip.
Van wien is dat varken? Te o-nim kö-mbë
basie-kë ?
Dat varken is van mij (mijn varken), Nok
ana-mbë basie-kë.
Dit varken is van mij, dat varken is van
een ander, E basie-k nok ana-mbë,
e-pe basie-k tö-ndoni-m kö-mbë.
Red.
31
Wat wilt gij in ruil voor uw varken ?
Wöha-n basie-k tö na-nggoek?
(Een) bijl ervoor, Ka-mpak (Basö-m)
na-nggoek.
Brengt touw; bindt het varken, Dó-nde
akama-n, ahasie-dë basie-k.
Waar is het touw? (Het wordt) al ge»
bracht, Dö-ndë e-ke ? mi-ndab naha-t.
Brengt dit touw naar dat varken ginds,
E dö-ndë aukïi-t basie-kë epi-ndë.
Maak dit kleine varkentje los en draag
het en breng het naar de sloep,
A-eha-k papi-s basie-kë ehe-, avieke-vë,
akoema-vë bö-njavoe-n miet.
Bindt het groote varken, Aparoe-dë so-m»
bë basie-kë.
Houdt het goed (strak) vast ! Ahanie-dë
vaka-vvë !
Houdt het goed stijf vast ! Ni-nggip
akagoe-n !
Het touw is gebroken en het varken is
weggeloopen, Dö-ndë rai-ndab kepa-dë,
basie-kë mi-ndab ievö-n.
Vangt het varken ! Ahakevi-m basie-k !
Ik heb (het) al gevangen, Nök mi-ndab
ake-vë.
Bindt (het) stijf vast, Kasie-së ahasie-dë.
» » strak » Vaka-vvë »
Ik heb (het) al stijf vastgebonden, Nök
kasie-së mi-ndab asie-dë.
Gij bindt het niet goed, Wö dö-m asie-dë.
Hier is de bijl, Ehi-të ka-mpak (basö-m.)
Brengt (het) hier, ik wil (bet) goed vast»
binden, Akama-n, nökkë ni-nggip
ma-kie asie-dë.
Door storm uit het Oosten is dat huis
ingestort, Sënda-wie kiewa-rrë sö-mbë,
aha- e-pe mi-ndab ierie-kë.
Zoek een put, Boe-i anarau-.
Zoek tot gij vindt (ziet), Anarau- damie-
ie-die.
Wat is dit voor een huis? Tö ka-sap
sava- e-he ?
Een begraafplaats, (lijken- huisje), Patare-
sava-.
Die man is al begraven, O-nim e-pe
mi-ndab ogi-bë.
Begraaft dien man, A-ogibi-m o-nim e-pe.
Later begraaf ik het gebeente ; ik dood
dan een varken voor het feest, Arie-ndë
ajau-, nök-kë ma-kie ogi-bë, nö-kkë
basie-k ma-kie wazie-bë, zie na-nggoek.
Waarvoor is dat ? Tö na-nggoek ?
Een teeken voor de vreemdelingen (nl.
bosjes gras, bladeren, enz. gebonden aan
stijlen : eene uitnoodiging om achter
de huizen te komen), Poe- oni-m tip
na-nggoek.
Wat is dat daar voor een huisje ? Tö
na-nggoek papi-s sava- e-pe ?
(Dat is) het huis, waar de vrouwen be»
vallen, Wora-m sava-.
Hoogzwangere vrouwen gaan naar dat
huis, Boe-btie ja-bë siepa-r wora-m
sava- miet.
Overmorgen ga ik naar Mamboen, Höpö-
nök Ma-mboen miet.
Die prauw is omgeslagen, Javoe-n e-pe
mi-ndab kahö-bë.
Is daar (er) zand ? Sa e-ke ?
Geen zand, (maar) veel modder, Sa ba-kë,
Sfi-mkë otie-vëkë.
o
VIII
Morgen ochtend ga ik de Boelaka-rivier
binnen, E-tie apa-pë nök ma-kie kwa»
mie-n Boela-ka oeroe-.
's Nachts ga ik naar het schip terug,
Ha-pë nök hetö-k (hietö-k) 80-mbë
javoe-n miet.
32
(Deze) rivier (heeft) vele kronkelingen,
Oeroe- otie-vë masoe-k
Dat hout is hard, (goed) voor huizenbouw,
De e-pe kasie-skë, sava- na-nggoek.
Vooruit is harde oever, Pare-kë maha-i.
Daar vooruit is een groote bocht, (ook
de omschrijving van een landtong),
Maha-i e-pe kamö-n masoe-kë.
Daar aan den overkant is hooge grond,
Ra e-pe sö-mbë pare-.
Op dien hoogen grond zijn drie huizen,
Sö-mbë pare- e-pe papi-s aha- iena-
zako-d.
Deze huizen zijn van de Wamnial-onini
en dienen voor de kangoeroejacht,
E sava- Wa-mmal oni-m kö-mbë,
saha-m awe-.
Na afloop der kangoeroe-jacht keeren zij
naar Wam mal terug, Tie-skë awe-
saha-m hietö-k Wa-mmal miet.
Van tijd tot tijd gaan wij in den drogen
tijd de rivier op, AriendaDe- tanama-,
ariendane- tanama- pie-gë kwamie-n
oeroe- (kanamie-n oeroe-).
In den natten tijd gaan wij naar Wammal
terug, naar de kust, Boeramboe-rë ma-
kie hietó-k Wa-mmal miet doe-vë miet.
Vertoeft gij hier lang? Wö miera-vë
e-he mandie-n?
Ik ben eergisteren gekomen ; ik blijf hier
een maand, Nok nanawie-së kakie-
naha-m ; nok zako-d mandau- ehe-
miera-vë.
Wat gaat gij doen ? Wö tö awe- ?
Ik ga het bosch in, op de varkensjacht
(varkens opzoeken), Nok de-(-gë) miet,
basie-kë awe-, (basie-kë wöba-në).
Ik ga vogels jagen, Nok oesoe-be awe-.
Ik ga kajoe-poetih schors halen, om een
huis (een afdak) van te maken, Nók
boez poe-rë awe-, a-ha na-nggoek.
Vandaag is het huis klaar, morgen ga
ik casuarissen jagen, Nama- sava-
. mi-ndab bari-n, apa-pë ma-kie keë-
awe-.
Thans leggen wij aan om te eten; na
het eten gaan wij verder de rivier
op en verderop (hooger op) over»
nachten, Nama- nö-kkë ma-kie tamabë
tamoe- ahie-ëm na-nggoek, tie-skë
tamoe- ma-kie kanamie-n, maha-i
e-pe noe.
Brengt het touw hier, ik bind de prauw
vast, Kara-rë akama-n, ma-kie asie-dë
javoe-n.
Maakt dat touw los, Kara-rë e-pe a-oe»
boegi-m.
Daar vooruit zijn heuvels, Maha-i e-pe
ra-fë- ra-fë pare-.
Er komt een prauw aan, daar vooruit ;
dadelijk (kunt gij die) zien, Javoe-n
pëtieka-naha-m, maha-i e-pe; damie-
ie-die.
Waarom vaart gij de rivier op ? Wo tore-
kanamie-n oeroe-?
Pijlen halen, Toerie-p (toeri-p) awe-.
Ik ga rotan halen, Nok toep awe-.
Ik ga heden naar Merauke ; gij moet
later (ook eens) naar Merauke komen
en te Merauke overnachten, ten mijnent,
Nók nama- Arma-soe miet, wö arie-ndë
damoe-, man Arma-soe miet, wö noe
Arma-soe, nok sava-.
Gij kent Merauke niet ; gij moet het later
zien; (er zijn) vele huizen ; ik heb een
groot huis, Wö bimbai- Arma-soe ;
arie-ndë wö damie- ie-die; sava- otie-vë;
nök sö-mbë sava-.
Ik zal later komen bij u, met pisang en
(jonge en oude) klappers, Arie-ndë
nök manoe-man, napie-t, ö-ngga-t,
mi-së, wö miet.
33
Voor wat? (om tegen wat te ruilen ?) Tö
na-nggoek ?
Neen (niet om te ruilen) ; als geschenk
voor u ! Ba-kë ; wöha-n kö-inbë !
Daar is een krokodil! Kjoe epete-kë!
De krokodil is ondergedoken, in het
water, Kjoe mi-ndab kösa-n, daka-
koema-.
IX
Waar gaat gij heen ? Wö i-nde ?
Ik ga naar Boeterieke ; naar het strand (de
kust) ; naar de tuinen ; ik ga visschen ;
met de »kiepa" (groot rond schepnet),
Nok Boe-tie miet ; doe-vë miet ; ma-roe
miet ; nuk para-ra awe- ; ie-mbara-k.
Daar is uw vader ! Wöha-n eva-i epete-kë !
Komt hier ! ik wil met u spreken, A-ch»
man! (anaha-m !) ; mehaön makó-rë.
Daar is de groote weg, Sö-mbë koï- e-pe.
Snijdt die pisang af; brengt die naar
huis om op te hangen, Napie-tawarö-k;
aha- miet, avahó-gë.
Ik heb de pisang in huis opgehangen,
Nok mi-ndab vahö-gë napie-t sava-
koema-.
Ik heb ('t) al opgeborgen, Nok mi-ndab
baki-vvë.
Hebt gij uw pisang al gehaald? Wö
mi-ndab hö-gë wöha-n napie-t?
Gaat en brengt dat goed hier, Auma-vë,
maka-dë e-pe akama-n.
Die man heeft zijne vrouw geslagen,
O-nim e-pe mi-ndab oesa-k esoe-m.
Slaat dien man ! A- oesaki-m o-nim e-pe !
Gij zijt laat (langzaam) gij komt niet
gauw, Wö arie-dë ö-gë; wö kama-kë
ba-kë naha-m.
Ik heb (hem) gezien, (maar hij) komt
niet, Nö-kkë mi-ndab narau-, ba-kë
naha-m.
Wanneer komt gij weer? Ja-ndë wó da»
moe-man ?
Zijt gij ziek? Wö ierie-rë?
Vroeger ziek, thans beter (gezond) ge»
worden, Mandie-n ierie-rë, nama-
ni-nggip mi-ndab wien.
De regen heeft mijn sago-koek nat
gemaakt, Nök dasipëre-kë he-ë mi-n»
dab nasa-k.
Kwaamt gij gisteren? Neen, van ochtend
ben ik gekomen, Wó wie-së naha-m?
Ba-kë, e-tie apa-pë nök ma-kie naha-m.
Ik heb te Merauke geslapen, nu ben ik
in Boeti (Boeterieke) gekomen, Nama-
nök noe Arma-soe, nama- nök ma-kie
naha-m Boe-tie.
(Men kan te) Moppe niet slapen, (van»
wege de) vele muskieten, Mö-ppë noe
ba-kë, nanggie-t otie-vëkë.
Gaat gij morgen ochtend? Zeker. E-tie
apa-pë wö mana-vë? Meha-nnaha-.
Ik slaap niet hier; ik slaap daarginds,
Nök ba-kë noe ehe- ; nök noe maha-i
e-pe.
Ik overnacht niet te Boeterieke ; ik over»
nacht in Seepadiemerieke, Nök noe
Boe-tëriekë ba-kë; nök noe Sepa-die»
mëriekë.
Heden, ben ik 's ochtends vroeg naar
Merauke gegaan (na) geslapen (te heb»
ben te) Wiewarre, Nama- e-tie apa-pë
nök Arma-soe miet, noe Wiewa-rë.
Heden kwam ik hier, Nama- nök kakie-
naha-m (ma-kie naha-m).
Gaat naar huis! A-hiet:>ki-m !
Gaat allen henen! Wö o-nim e-pe au»
rna-vë !
34
Zegt dien menscheu, naar huis te gaan,
Otie-vë o-uini e-pe aurabi-m damie-
hieto-k.
Ik heb bet (hen) al gezegd, Xök mi-ndab ra.
Het is al bijna regentijd, B(oe)raniboe-rë
damie- ha-i.
Het is al bijna de droge tijd. Pie-gë
damie- ha-i.
Ik heb mijn tuin afgewerkt. Xök paja-
mi-ndab bari-n maroe-.
Ik ben al begonnen (vooruit) met bewer»
ken, Nok maha-i mi-ndab paja-.
Mijn tuin is klaar, Xök maroe- mi-ndab
bari-n.
Beëindigt snel uw (werk in den) tuin.
Kama-kë aubarin- maroe-.
Vandaag ben ik klaar met bewerken
van den grond; morgen ochtend ga
ik pisang aanplanten, Xök nama-
mi-ndab wambadë, mi-ndab bari-n:
e-tie. apa-pë uök makieroe-n (ma-kie»
aroe-n) napie-t.
Ik ga morgen pisangtrossen omwikkelen
(met bladeren), Apa-pë nok aniba-m
napie-t.
Ik heb al geplant, Xök mi-ndab aroe-n.
Ik ga naar den tuin om aardvruchten te
oogsten, Xök ma-roe miet, ki-mkë awe-.
Van het dorp der Kondonim tot en met
Koembe wordt één taal gesproken. Kon»
doni-m miera-vë bai-zako-d Koe-m»
bë miera-vë bai-zakod ineha-n.
Kombre en Misse hebben een andere taal,
Kö-mbrë Mi-së hora-k meha-n.
Sanggasee en Domandee hebben weer een
andere taal, Sa-nggase- Do-mande-
ie-sie hora-k meha-n.
De Badee-onim hebben weer een andere
taal, Ba-de oni-m ie-sie hora-k meha-u.
De menscheu, die eene andere taal spre»
ken, begrijpen die van hier, Hora-k
oni-m marie-n meha-n meha-ikë.
De Oeroemeriekers gaan de rivier op,
naar Badeerieke, om prauwen, Oeroe-m»
oni-m kanamie-n oeroe-, Ba-derie-kë
miet, javoe-n awe-.
De menscheu der kuststreek laden klap»
pers in de prauwen, om mede stroom»
opwaarts te vareu naar Badeerieke,
om prauwen te halen, Doe-vë oni-m
mi-së oekoe-n, kanamie-n na-nggoek,
Ba-derie-kë miet, javoe-n awe-.
De menscheu uit de boveustreek zijn
gekomen om klappers, De-(gë) oni-m
mi-ndab naha-ni mi-së awe-.
Vroeger werden prauwen geruild voor
klappers, thans worden prauwen ge»
mild voor ijzer, Maudie-n mi-së javoe-n
na-nggoek, nama- wö-kërë javoe-n
na-ngo-oek.
De menscheu uit de kuststreek hebben veel
klappers, veel visch, veel tuinen; de lie»
den uit de boveustreek hebben veel sago.
geen klappers, kleine tuinen (weinig
tuinen), veel kangoeroe's, Doe-vë oni-m
mi-së otie-vë, para-ra otie-vë, maroe-
otie-vë ; de(gë) o-nim da otie-vë, mi-së
ba-kë. maroe- papi-s, saha-m otie-vë.
De menscheu der kuststreek hebbeD
groote tuiuen, Doe-vë oni-m sö-mbë
maroe- (oni-m).
Van Oeroemrieke tot Anasai en Xawarri tot
Seriere zijn veel klappers en veel tuinen,
groote tuinen, Oe-roemërie-kë A-nasa-i
miet, Xawa-rie Sërie-rë miet mi-së
otie-vë. maroe- otie-vë, sö-mbë maroe-.
De andere negorijen zijn zoo niet, die zijn
klein, I-sie niiera-vë epeta-go ba-kë,
papi-skë.
De dorpen aan de kust hebben (zoet)
water; elke negorij heeft een put,
Doe-vë oni-m miera-vë daka- e-pe,
ie-sie miera-vë boei- e-pe, ie-sie rniera»
vë boei- e-pe.
De menschen in de bovenstreek (het
binnenland) zijn weinig in aantal; die
der kuststreek zijn groot in aantal
(velen), De-gë oni-m papi-s oni-ni,
doe-vë oni-in otie-vë oni-m.
De Bovenlanders zijn zwak van lichaam,
de Kustbewoners zijn mooi van lichaam,
groote krachtige, (weldoorvoede) men»
schen, De-gë oni-m dö-m woha-nie,
Doe-vë oni-m ni-nggip wöba-nie, ja-b
o-nim, ja-bëmoe-k oni-m.
De menschen uit het oosten zijn klein
en zwak, Sënda-wie oni-m papi-s wö»
ha-nie, dö-m woha-nie.
Daar zijn veel menschen, Otie-v oni-m
epi-ndë.
Vele menschen zijn gedood, Otie-v
oni-m mi-ndab wazie-bë.
Waarom loopt die vrouw weg ? Boe-btie
e-pe tore-kë wöra-kë?
(Een) kangoeroe ! (beteekent iemand, die
bang is; tegenstelling van „basiekë"),
Saham-kë !
Wie is dat? Te ka-sap o-nim e-pe?
Wie zijt gij ? Te ka-sap wö ?
Hè ! [Uitroep] lang geleden hebben gij
en ik al vriendschap gesloten ! Giera- !
mandie-n wö nok dakoe-më!
Gij hieldt u zooeven verborgen, ik zag u
niet,Nama- wösarie-n, ba-kë nökie-die.
Ik verborg mij niet, ik was binnenshuis,
Nok sarie-n ba-kë, nok sava- koema-.
Ik begrijp (ken U); toen ik vroeger naar
Gandien ging weest gij den weg, Nok
meha-ikë; mandie-n nok Gandie-n miet,
wö maha-i.
Zijt gij alleen? Wö zako-d ?
Wij zijn met ons tweeën, Nok iena- oni-m.
Die man is gisteren gekomen, ik ben
vóór gisteren gekomen, E-pe o-nim
wie-së mi-ndab naha-ni; nö-kkë na»
nawie-së kakie-naha-m.
Hoe staat het met uw tuin? Töta-go
wöha-n maroe-?
(Ik heb een) nieuwen tuin, No maroe-.
Is de klapperaanplant al opgekomen?
Ongga-t roe-në mi-ndab oewa-r ?
De klapperaanplant begint uit te spruiten,
Ongga-t roe-në damie- oewa-r.
(Dat is) later voor Merauke, om tegen
ijzer te ruilen, Arie-ndë Arma-soe
na-nggoek, wö-kërë na-nggoek.
Hè! (uitroep) ik ben moede, Jamba-dë!
nok sasoe-kë.
Waarom zijt gij moede? Wö tore-kë
sasoe- ?
Ik kom van verre, (heb ver geloopen),
Nok mahoe-të menggë.
MAR 31 1916
NEDERLANDSCH=SASAKSCI1E
WOORDENLIJST
(PRAJAASCH DIALECT)
DOOK
R. C. v. d. BOR,
Controleur bij het Binnenlandsch-Bestuur.
Verhandelingen
VAN HET
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.
Deel LVI.
5e Stuk.
Batavia,
ALBRECHT & Co.
's Hage,
M. NIJHOFF.
19 7.
MAR 31 1916
NEDERLANDSCH=SASAKSCHE
WOORDENLIJST
(PRAJAASCH DIALECT)
DOOI?
R. C. v. d. BOR,
Controleur bij het Binnenlandsch-Bestuur,
Verhandelingen
VAN HET
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.
Deel LVI.
5e Stuk.
><s><
BATAVIA,
A LB RECHT & Co.
's Hack.
M. N IJ H O F I'
1 9 7,
Toelichting.
De Sasak is vaak onduidelijk bij het uitspreken der woorden. Verwisseling
van letters, vooral klinkers, komt daarom herhaaldelijk voor, t. w. : van i en
i £ , i £ en é, é en è, é en é c , é £ en è £ , o en ö, van de hamzah [aloeii'tï] en de k.
De voorvoegsels tot vorming van werkwoorden, worden dikwijls, in
welk zinsverband ook, weggelaten ; waar die dus ongebruikelijk zijn, bleven
ze ook in deze lijst achterwege.
De toonlooze e en a zijn weergegeven door ë en a ; een dezer beide
toonlooze klinkers zou dus bij de transcriptie kunnen vervallen ; wegens analogie
in de schrijfwijze van aanverwante talen is dit echter niet geschied.
De overgangsletters j en tv worden gewoonlijk gebruikt, maar somwijlen
ook weggelaten ; men hoort zoowel doivang als hang, balèjan als bcséang, enz.
NEDERLANDSCH-SASAKSCH.
(Prajaasch dialect).
Aal.
Aalmoes.
Aan.
Aandeel.
Aandoen, aangaan.
Aangenaam rieken, geurig.
Aangezicht.
Aanhooren.
Aankleeden, aantrekken.
Aankomen.
Aankijken.
Aannemen.
Aansteken.
Aantal.
Aantoonen.
Aantrekken (zich een zaak niet willen-)
Aantijging.
Aanvangen.
Aap.
Aardappel.
Aardbeving.
Aardbol.
Aarde, grond.
Aardig, mooi, lief.
Aardknol.
Aardnoot.
Lindoeng, loena.
Awon awon.
Odjok, /e £ .
Pijakan, poelihan.
Njèmpang.
Sengèh.
Moewa.
(Dejdengaliang, mirengang.
Ngengadoe, ngenga wilt.
Dateng, rawoeh.
Ngöngó s , njerep.
Nerima, nampi, nanggèp.
Vuur — : njedoel.
Van eene ziekte = besmettelijk: lóntó*.
Tjatjahan.
Meréto z , ng aio erin.
Endé* ngeroengoe (synoniem met Mal.
tida z perdoelï) ; 't kan me niet schelen
= akoe ende* roengoe.
Pilenah, pisoena.
Nembé*, ngawit, nipa z .
Godèk.
Sabrang.
Lindoer.
Goemi.
Tam*, eetbare — : (ana z kaken.
Ma nis, bagoes, solah.
Ambön ( = Mal. oebi.)
Katjang ( = Jav. kaljang tanah).
Aars.
Aars uitzakking, ook aambeien.
Acht,
Boewit, lowang boewit.
Bérot.
[ia loc s : 18 = ba loc £ olas
28 = baloc
Achter.
Achterhalen, achteropkomen.
Achterwaarts gaan.
Acht geven, zorgdragen.
Adellijk.
Adem.
Adres.
Afdalen.
Afdrijven |met den stroom].
Afgodsbeeld.
Afhalen, tegemoet gaan.
Afkappen, afhakken.
Albino.
Alle
Alleen, zelf.
Altijd.
Alvorens, vóórdat.
Antwoorden.
Arm (niet rijk).
Arm (lichaamsdeel).
Armband, armring.
Asch.
likoer, 38= tclocng da sa baloe*; 48
= pelang dasa ba toe of pctang poeloe
baloc c ; 58 = schel baloc z : 68 = nem
dasa baloc z of hempoeloe baloe z :
78 — piloeng dasa baloe z of piloe z poe-
loe baloe z ; 88 = baloe z poeloe baloe z
98 = siiva z poeloe baloc z :
80 = baloc* poeloe; 800 =z dotnas ;
8000 = baloc* lali of baloe* ijoe.
80000 = baloc* laksa.
Mocdi, moeri : naar achteren gaan = be-
moedig bcmocri.
Om terug te laten keeren : loc loei : bij vb.
om iets te geven wat vergeten was:
palc z
Soeroel.
Melênga s
Ménak, prewangsa.
Niet adellijk — kawoela.
Embok, ademen = berëmbok.
Alamal, tjiri.
Enlocn; neerlaten: enloenang.
Ilih : is iemand aan de pokken gestorven
dan bezigt men ook dit woord ilih :
nija oewah ilih.
Pedéwa*, kemali*, telaloe.
Mendakin,
Nelak : aftoppen van een boom = berëngga.
Bodali.
Sclapoc z
Mcsa z (cl. i. in eigen persoon).
Selaé (na), sengonê z (na).
Scnde'man \ cl. i. sa-ende' z -man]
Bédjaivab. nonló* nimbal.
Rara. mis kin.
Be lek.
Teken ima, enkelring = tèkèn naé.
Aixocl, 1
Avond.
Baadje.
Baard.
Baden.
Bamboe.
Bank.
Baren, bevallen.
Barst in glaswerk.
Bedaard.
Bediende.
Bedreigen.
Bedriegen.
Begaan.
Bedwelmd, beneveld, dronken.
Beek.
Been.
Beenderen, bot.
Beenmerg.
Beer.
Beginnen, aanvangen.
Begraven.
Regrijpen, vatten.
Bekennen.
Belasting.
Beleefd.
Belofte.
Beminnen, liefhebben.
Beneden.
Benedenstrooms.
Van 5 — 7 uur: Injan; van 7 — 12 uur:
pëtëng ; van 12 — 3 uur : lingsir, simpir ;
van o — 5 uur : 's morgens z= pure/,
mënah ; 's avonds = këmalëm :
Klambi (in 't algemeen);
kort manneubaadje met mouwen: lanykong;
Ij au Ir':
Uimboeng ;
klambi bélo.
» » zonder »
» vrouwenbaadje zonder »
»
met
»
Lang
Rèrèk.
Mandi*.
Terèng.
Koeda koeda.
Ngana/e.
It<iè z . is er een stuk uit het glaswerk
dan noemt men het: djombèng ofrilas.
Sabar.
Panakawan.
Ngadjat.
Ngapoes ; bedrieger = pëngapoes.
Een weg — — nëmpoeh, ngëlanganin.
Die weg is niet begaanbaar = langan
seno cndé z baoe lëtëmpoeh.
Boivos.
E jat.
Heneden de knie: naé ljokor\ boven de
knie : impocng.
Tolang.
Lölór.
Beroewang.
Nembè?, ngavuit, nipa*.
Ngoeboer, begraafplaats = pëkoeboeran,
mokam (voornaam).
Menga, ngêrli.
Ngalcoe.
Ocpëli, padjek.
Terlip.
Semaja; beloven = bësemaja,
Angën.
Li b<nva z , Ixttnr
Dêré*.
Beproeven.
Njénjoba*.
Berg.
Goenoeng.
Bergtop.
Moer goenoeng. poetjoek.
Beroemd.
Kasoeb.
Berouw.
Nejsël.
Beschaamd.
Lila.
Besnijden.
Njoenat.
Bestellen.
Memhén, mëwëkas.
Betalen.
Bebajah. betaling = pembajahan.
Beurt.
Giliran.
Bevel.
Pangandika.
Beven.
Bëgigit.
Bevreesd.
Ta koel. }>érot.
Bewaren.
Njimpën, ngonja z .
Bezem.
Ojoman. sampat'.
Bezitten.
Bédoeicé. ngépé.
Bezoeken.
Bëdjango.
Bieden, afdingen
B ere ga c .
Bil.
Tongkèl.
Binden.
Nenali*; gebonden = htali z .
Binnen.
Dalem ; binnengaan = lama.
Bitter.
Fait.
Blad.
Daoen. gedéng. vd klapperboom — bom-
bong.
Blaffen.
Ngolok
Blaten, bleeren van een schaap.
Bendjê z ëndjé', bëmbè z embe z .
Blauw.
biroe.
Blazen.
Nënijoep.
Bleek.
Koesëm,
Bliksem.
Kisap; bliksem met gelijktijdigen don-
derslag = gen Ier: getroffen door den
bliksem = Ie laép isi z gènlèr.
Blind.
Boetd,
Bloed.
bc tilt. da ra z .
Bloedschande.
Bcro [Bal.]
Bloem.
Këmbang.
Blijven.
Made z .
Boeren laten.
Ken lër ap.
Boete.
Den da.
Bondgenoot, kameraad.
Ka nijd.
Boog.
Panah. gandéwa; pijl = djèmparing.
Boom.
Boonen.
Boos.
Bord.
Borg.
Borst.
Bosch.
Bot (niet scherp).
Boven.
Bovenstroorns
Braden.
Brand.
Branden.
Breed.
Breken.
Brengen.
Brief.
Broeder.
Broek.
Bron eener rivier.
B
rons.
Brug.
Bruid.
Bruidschat.
Brullen, loeien.
Buffel.
Buik.
Buiten.
Lolo, (in samenstellingen: lolon).
Antap.
Gedék, sili.
Piring.
Tanggoeng.
Dacltr, borsten r= soesoe; tepel = poto/c
soesoe ; hangende borsten = soesoe lapèk.
[eetbaar zeewier = soesoe lopè/i].
Gawah.
Kongol.
Alas, /e £ alas.
Bolo*.
Begorëng.
Djoelat, 1(0 tong. Iets wat reeds verbrand
is, bijvb. sigaar, lampekous, heet lë-
latoek.
JSjala.
Galoeh. gambër.
Mëleng, moka £ .
Djcdjaoe^, gadingang. Breng 't hier!"
maéh.
Toelis, soera t.
Sëmëlon (in 't algemeen); oudere broeder
— ka kif (van niet adellijken); jongere
broeder — adi*, ari z fid].
oudere broeder (van adellijken) : bêli.
jongere » » » : adi z , art.
Djalèr.
Enggër, pengëmpokan, keleboetan. Oor-
sprong eener rivier rr olak ai^
Tembaga.
Djëmbalan lélé.
Pengantèn nind; bruidegom =r pengantèn
mama.
Adjï krama; het geven daarvan — sot ong
of sërah.
Ngëra. z
Kao, koeivao ; buffels hoeden = ngarel.
Tijan, bosangan : buikpijn = ngëlèl, sakit
lijan ; buikloop = molang.
Loewah.
8
Buskruit.
Bij (insect).
Bij (nabij).
Bij aldien.
Bijl.
Bijten.
Obat.
Gegeli.
RapM, parel,;
Lamoen.
Kandili.
Ngakö*.
Cementdeeg.
Cholera.
( 'itroen.
Clitoris.
( 'oïre.
Cijfer.
Lépil.
Mulang | ook balii, groebnegan ~ epidemie | .
lijeroek.
Telé.
Besawa, begalo; van dieren = bekaróng;
van honden = berènlo*.
Angha.
Daar, aldaar.
Dag.
Dagelijks.
Dak.
Dal.
Damp van kokend water.
Dansen.
üausmeisje.
Darmen.
Denken.
Deugd.
Deur.
Deze. dit.
Dichtbij, nabij.
Dichtdoen.
Lé z elo, lè z noto: van daarrréfó s êto,
daarheen =z ódjok elo.
fijêlo.
Bilang dfélo.
A lep. dakpan = dove.
Lekok, lebah.
Koekoes, (ook van 't lichaam).
Van mannen: ngibing, van vrouwen:
ngigel
Gandroeng ) ook djogèt en gamboeh. Een
gandroeng welke eenmaal geslachts-
gemeenschap heeft gehad, mag niet
meer als zoodanig optreden. Verg. Jav.
gandroeng z=r gek van verliefdheid.
Badoek.
Mi/dr.
Kesolah an, kebagoesan.
Lawang.
Enè, senê, dit is een groot huis r= balè
senè belé z : welk huis (bedoelt ge) ?
= balè sembé?; dit (huis)
Parek, rapé!.
jng.
ene
Die, dat.
Die, dat ( betrek k. vuwd).
Dief.
Diep.
Dier.
Dik, mollig.
Dikwijls.
Djagong.
Dj ara boe.
Dochter.
Doerijan.
I >okter (doekoen).
Dol, gek.
Dolk.
I )<)!ll.
Donder.
Dooden.
Doof.
Doorgaan, doorloopen.
Door.
Doorn.
Doos (of mand) met deksel.
Dorstig.
Draaien.
Dragen.
Drie.
Eno, séno, sêtija.
Sa, sa z .
Maltin/: stelen — mêmaling.
Dalem: diepte peilen = roendjoeng.
Salo.
Mököh; van voorwepen : lêbêl.
Rimpês.
Djagoeng.
Njamboe*.
Anak niita.
Doren, doeren.
Heli jan.
Gila (woest), djogang (kalm), gek van
liefde = binsang.
Kris £
Bclök, böngök, gêda*.
Goenloer.
Njémalê *
Gedök, longêl.
Laloe.
Isi.
Poeiei.
Petion long.
Bëdak, kêbarangan.
Mêlènêl.
Op den schouder : bêlèmbah.
» het hoofd : bebanda.
» de heup: nèngkók.
» » » (v. een kind); ngocniba z .
» den rug : njinggë*:
Voor den buik: iigok».
Aan de hand: bcbènlëk.
Tëloc: 13 = têloe olas; 23 = lêloe likoer :
30 = lêloeiuj dasa, 33 = lëlocng dasii
lêloe, 43 =r f ie lang dasa (of poeloe)
lêloe, 53 = sckï'l lêloe, 03 = ném dasa
(of poeloe) leloe, 73 = piloeng dasa (oi
poeloe) leloe, 83 r= baloe* poeloe leloe,
93 -— siwa* poeloe leloe. 300 = tébeng
atoes, 3000 — tëloeng lali of lêloe ijoe,
30000 = lêloe lak sa.
10
Duizend.
Duizendpoot.
Drinken.
Droog.
Droomen.
Dronken.
Droppelen.
Drijven.
Duif.
Duiken.
Duister.
Dun.
Durven.
Duur.
Dwars.
Dwerg.
Dijbeen.
Dijk.
Sijoe, salali.
Limpan.
Ngèném ; uit een këndi
Géro, gering; v/e rivier
Bénpi, ngipi.
Bowos.
JSilih.
Ngambang.
Dara.
Njelem.
Pëleng.
Ni/n*, lipis.
Bani, wanen.
Mahel.
Ma lang.
Dcndé £ .
Impoeng.
Oso £ .
tuit = njèrèl.
lais.
Ebbe.
Echter, maar.
Echtscheiden.
Eed.
Een.
Eend.
Eer.
Eergisteren.
Eerste.
Eetbare aarde.
Ei
Sat.
Lagoe £ , na n ging.
Besèjang.
Soempah.
Sópó^, sa, 11 rr: solas.
21 — salikoer, 3L= teloeng dam söpö z
41 =r pelang dasa sópó £ oïampai poeloe
sópö c ; 51 ~ séket söpó £ ;
61= nem dam söpö £ of nem £ poelne
söpö z . 71 r= pitoeng dasa sópö z ol
pilote poeloe sópö z .
81 = baloe £ poeloe sopo c ; 91 =■ shva c
poeloe sopo %
1100 = sijoe saloes.
11000 = solas ijoe.
Bëbék.
Ilormat.
Djoelocn ocwi^.
Periêmbé c .
Tam £ kaken.
Tèlö*.
11
Eiland.
Eindigen.
Elk.
Elleboog.
Ellendig.
En, met.
Enkel (lichaamsdeel).
Enkelen.
Epidemie.
Erfenis
Eten (rijst-).
E
ven.
Gili.
Bêlelah.
Bilang,
Sikoe.
Sangsara, mocdarat.
Dail, bèkè*.
Malei nac, enkel-ring = teken naé.
Ara z sa.
Bala, wanneer er veel sterfgevallen
plaats vinden, spreekt men van groe-
boegan.
Tcmocan.
Manga/n, ngoken, medaran, madjengan
(het eerste woord beduidt bepaaldelijk
rijst eten, de andere woorden betreffen
ook ander voedsel dan rijst).
Sabera?, samendaF'.
Fakkel.
Familie.
Feest.
Flanel.
Flauw vallen.
Fluisteren.
Fluit.
Fokken.
Fraai, schoon, mooi.
Fijn.
Góbók.
Pekadangan.
Bégawé',
Huwelijksfeest =: begawê troep, besla-
metan.
Ropa (van Europa?).
Palcng.
Bcpèsé.
Soeling.
Nganjam.
Solah, bagoes,
Aloes, dêdék, lade/,-,
Fijn stampen = noetoek ladek 3 .
Gaan, vertrekken.
Gaar.
Loembar, lalo ;
Ga heen = lalo; kom! = anèh (Mal:
ajo).
Weggaan, doorgaan = lalo.
Masak.
12
Gambir.
Gans.
( rapen.
Garnaal.
(last.
Gat.
Gedrag.
Geel.
Geen.
Geest, goede — ,
Geheel, een geheel.
Gehuwd.
Geit.
Gek
Gelasten.
Geleiden, brengen.
Gelooven.
Geluid.
Geluk.
Gelijktijdig, tezamen.
Gemakkelijk.
Gëndi (këndi).
Geneesmiddel.
Genezen.
Gereed.
Geschenk.
Gestold.
Getuige.
Geurig.
Geven.
Gevoelen.
Geweer.
Gewend.
Gezant.
Geul, gleuf.
Gezond.
Gezwel.
Gierig.
Gambir.
Bèbèk augsa, angsa.
Ngowam.
Oedang.
Temoivé.
Loting krongkong, — in den grond =
Long hang.
Bikas, helemên, angkoeh.
Koming.
hJndé z nam*
Dj in.
Polak.
Katvin.
Bèmbè*: | Boeg. | geitenhok = baran
bèmbè E
Gila (woest); djogang (kalm).
Njoeroe*.
Ngatong.
Njadoe.
O&ni, geluid geven r= moeni, bé'ocni.
Agël.
Bareug, sar eng.
Gampang, moedah.
Tjërëlan , f je Ijëpa n .
Owat, geneesmiddel met toverkracht —
pënawar
Selah, kinjam.
Sergep, l ja ir is, légëp.
Païlja, pengëbèng.
Ketilël
Saksi.
Sêngèh .
Ngëbèng.
Idap, rasa
Bedil.
Kosóh.
Oeloesan, soerot^an.
Oröng.
Sela h, sëgër, kinjam.
Ba -.
Pclit.
13
(lissen.
Gisteren.
Glad.
Glas (om uit te drinken).
Glagah [sach. spont.]
Glimlachen.
Goed, juist.
Goederen.
Goedhartig.
Goedkoop.
Golf, branding.
Gordijn.
Goud.
Graf.
Grap.
Gras.
Graven.
Grens.
Groeten.
Groeien.
Groen.
Groenten (toespijs b/d rijst).
Groot.
Grootouders.
Ngctvagah, ngira watarii; gissen (Mal.
aga c a ) = ladah.
Ocwi*.
Lolat.
Loemoer.
Têboe salu.
Tjcmoes.
Rena £ , bagoes.
liandaran [Mal. barang s ].
Semoe.
Moerah.
Oèmba z .
Klamboe.
Mas.
Koeboer, mnham.
Banjnl.
Oepa £3 , grasmes = awis.
Grassnijden =r ngawis,
Grasmaaien — ngawas.
Ngali
Waledan, ivales.
Alan [Mal. bvi tabé].
Téwo c .
Hidjo.
Kando c , kan do
hela
Grot, hol.
Grijpen, vatten.
Gij.
Bclè z ; grooter dan = bele^an dait : groots i
— paling bele z : te groot ■= hebeW'an.
Van adellijken: viiti c
» niet adellijken : papoe z
Goevca.
Baoe |Mal. tang/tap].
Kamoe, dékadji, sida.
Haan.
Haak.
Haar.
Haarwrong.
Haastig.
Sawoeng ; vechthaan = manoelc gotjèftan
hanegevecht =r gotjêkan manoek.
Om iets aan te hangen r= renggaéng.
Op 't hooid = boeloen ocloc.
Op 't lichaam — boeloe.
Poendjoeng.
Kesit.
14
Hagedis.
Hagel.
Hakmes.
Halen.
Half.
Hals.
Hand.
Handschofiel.
Handelaar.
Handwerksman.
Hangen.
Hard.
Hark.
Hars, getali
Hart.
Haten.
Heden.
Heelal.
Heelmeester (cloekoen)
Heerendienst.
Heet.
Heft.
Heilig.
Hek.
Hel.
Helder.
Helpen.
Hem, hen.
Hemel.
Herinneren.
Herkennen.
Herkennings teeken.
Hersenen.
Hersteld.
Blèntjek.
Pïmaboer, pantjeroeta.
Bate*.
Bebait.
Tanga z .
Belong.
Ima, gading ; handpalm = lampak ima.
Adjok.
Dengan dagang, soedagar ; handeldrijven =
bedagang ; handelswaar =: lemcsan.
Toekang.
Ganloeng.
Tëgèng, kras.
Garèng.
Gela^.
kösöng.
Meri^, gedek.
Djelo sèné.
Djagat.
Belijan (ook toovenaar) vrouwelijke doe-
koen : belijan nina.
Ajahan : heerendienstplichtige — penga-
jah : heerendienst verrichten = ngajah.
Panas, angel.
(Mal. tangkei) danda.
Kramal; gevreesde plaats = simbil,
angker
Lambah.
N era ka.
Van water : meȐng; van licht en lucht :
menah, helder — - zichtbaar, openlijk:
trang, njalu.
Noeloeng.
Nija.
Langit, soewarga. Tusschen soewarga en
néraka bevindt zich de panlara.
Ngingat.
Nanda z ang.
Tandd, Ijiri.
Otek.
Zie : genezen.
15
Hert.
Hensch.
Heuvel.
Hiel.
Hier.
Hikken.
Hinneken.
Hoe, hoedanig.
Hoef.
Hoesten.
Hoeveelheid.
Hok, stal.
Hol.
Hommel.
Hond.
Honderd.
Hongerig.
Honig.
Hoofd (lichaamsdeel).
Hoofd (waardigheid).
Hoofddeksel.
Hoofdplaats.
Hoofdpijn.
Hoog.
Hooren.
Hoorn.
Hopen, verwachten.
Houden van iets.
Hout.
Horzel.
Huid.
Huig.
Huis.
Majoeng.
Patjoe, këna z .
Montong.
Tomët.
Lé z eté; van hier: clé z eté; hierheen
= odjoh êté.
Kësëkoe £ .
Ngèrèngèh.
Brembé ; brmibe kênoh [Mal. bageimana-
kah] ; hoeveel — pira ; hoe lang — pira
kangoné c , pira kalae z na.
Koepak.
Batoek.
Tjatjahan, d/oemlah.
Bard.
Goewd.
Kebonëng.
Basong.
Satoes ;
Lapah.
Madoe, honigbij = lam.
Oeloe, lëndés.
Datoe, pemékel, këpala desa, klijang [voor
klihan Bal.]
Songko*, këtjapil (van gevlochten bam-
boe), këtjopong (Mal. koepijah).
Pedjerowan.
Pènèng (M. peiling).
Tinggang.
Dëdëngah, mireng.
Song o.
Kende l.
Dëtnën.
Kajoe; brandhout : kajoe toenoe* : houts-
kool: areng*; brandende houtskool =
barak.
Kënjalong,
Lindong, kolit.
Ënto**
Bale, gedèng.
Huren.
Hurken
Hut.
Hij, zij.
Njéaa
Njengkóng.
Das, (Mal. pondok),
Ha, uijiï.
Ik.
Ilalang.
In.
Indien, als.
Indigo.
Inhalen.
Inham, baai.
Inkrimpen.
In orde maken.
Inslikken.
Ivoor.
Ahoe, kadji, tijang (Bal.)
Hè [verg. Batt ri|.
Dalem
Lamoen [Lamp ]
Taoeni, taroem; indigoblauw maken:
Irlnj : kleeren blauw kleuren : ngames.
Z. a. bij een wedstrijd: baron g arong;
tegemoet gaan = mendakin.
Tëloek, menangu.
Ngëset : van kou ol ouderdom : késoet.
Ngrisa.
Neten.
Dan In.
Ja.
Jaar.
Jaloersch.
Jonsf.
Jong.
Jongen, knaap.
Jongeling.
Juist.
Jij.
Ao c [verg. Boeg. ngaoe = belijden]; om
u te dienen : meran.
Ta on.
Talo alé.
Van levende wezens : badjang : van plan-
ten : oda z .
Van een hond = köjök
» » paard = anak djaran
» » geit = anak bêmbè*
» » hoen = anak manoek
» » eend = meméri.
Kanak" mama, (tot + 15 jaar).
Teroeria. (boven 15 jaar).
Kena*.
Van hoogeren tot lageren en bij adel-
lijken van de ouders tot de kinderen :
Ijaj : bij niet adellijken : kamor.
17
Kaalhooi'dig.
Kaars
Kalf (van buffel en rund).
Kalk.
Kalong [kleine vlederniuis].
Kam.
Kaneel.
Kameraad.
Kanon.
Kant, zijde.
Kant, haakwerk.
Kapel, vlinder.
Kapok.
Kapot.
Kappen.
Kar.
Kast.
Kat
Katoen.
Keel, adamsappel.
Kemiri.
Kennen, kunnen, weten.
Këladi (talës).
Kennis.
Ketel.
Ketting.
Keuken, kookplaats.
Kidang.
Kiekendief.
Kies.
Kiezen.
Kikvorsen.
Kin.
Kind.
Boelak.
LM n.
Njèh.
Apoeh.
Bokal.
Serang.
On la.
Kan tja, baloor.
Mcnjem.
Sï'di (M. lepi): ambing (seblatï),
Rênda } dj ah.
Ewoh 3 ; pop = lèlong; rups = olal.
Kapoek, kapokboom = rangdoe.
Soda.
Omkappen van boomen : badoeng; om
bouwgrond te verkrijgen = nanggas',
kappen van de takken = berènggft] een
weg openkappen = ngoentas.
Grobak.
Lemari.
Mc jong.
Bocnga ; katoenen goed = selêmpoeri.
Baljol.
Lekong.
Naon, ketaon. Ik weet 't niet = dat is
niet bekend — rndr z kelaon.
Lorna c .
Brafa. Kennis r= 't geen men van iets
afweet = penaon.
Koljor.
Banlé.
Paivon.
Senggah
Klijang; het rooven der kiekens dooi-
den kiekendief : njamber.
Mangkem.
Mcmèlc s .
Lêpang.
Sangkok.
Kanak"; jongentje = kanak* mama\
meisje = hana/i" nha\ oudste kind =
18
Kip.
Kist.
Klaar, helder, bewezen.
Klauw.
Kleed [dekenj.
Kleedingstuk.
Klaplooper.
Klein.
Klimmen.
Knap.
Knevel.
Knie.
Knikken.
Knippen.
Knoop.
Knoopen (een net — ).
Knorren van een varken.
Knijpen.
Koe.
anak sengaka : middelste kind = anak
pénenga 5 ". jongste kind = onal; sengaxi:
aangenomen kind — anak akon : klein-
kind = baj (.Tav.).
Manoek.
rr-ii.
Terang, njala.
Koen g koe z .
Simboet, kaing.
Kadoeau ; hawiran : kain in "t algemeen —
kèrèng : kain voor het benedenlichaam
der mannen = selévco z : kain voor id.
der vrouwen = bèndang : gordeldoek
of band tusseben buik en borst om
't lichaam gewikkeld der mannen =
saboek en bebel: id. der vrouwen =
saboek : slendang der vrouwen = lèmpol:
korte doek die aan het eind van de
bebel of saboeh der mannen wordt
vastgemaakt = lêjang en dodöl. Het
weglaten van deze léjang of dödót
staat gelijk met eene doodelijke belee-
diging, waarop in den oertijd zelfs de
doodstraf stond.
Dengan bekali omang : kali omang of
kelomang is een klein zeediertje het-
welk op andere dieren parasiteert.
Kodé z .
Moenggah, naèk :
Pen Ier, ririh.
SèmèC
Djadjengkoe, knieschijf = lolang <lja-
dj eng koe.
Ja knikken rr nganggoet : neen knikken
— ngèntek.
Bëyoenling.
Kantjing.
Ngoelat, ngoelat péntjar.
Bëngoekngoek.
Tcki z : knijpen van een kreeft = djëpil.
Sampi.
19
Koek.
Koekoesan voor 't rijstkoken.
Koel.
Koenjit (cürcuma).
Koffie.
Kogel.
Koken.
Kokos.
Kolk (diepte in eene rivier).
Komen.
Kom kommer.
Kooi.
Koopeu.
Koorts.
Koper.
Kopje.
Kort.
Koud.
Krab.
Krabben.
Krachtig.
Kramp.
Kreupel.
Kreupelbosch.
Kris.
Krokodil.
Krom.
Kropgezwel.
Kruin van het hoofd.
Djadja.
Koekoes.
Telih.
Koenji £ .
Kahwa, hoepi.
Mimis.
In 't algemeen = mërijap ; rijst koken =z
ngemi, riéding mi; toespijs koken =
ngëlak; water koken = neding ai z ;
koken, borrelen v/h water = bang kal*
Kokospalm = lolon njioer; kokosvrucht
= boeiva z njioer; kokosmelk = ai z
njioer; kokosschaal = tangkél; kokos-
schil ( — vezel) = kamboet ; kokosschaal
als drinknap of' waterschepper = djaj.
Tiwoe.
Dateng, rawoeh : kom hier = ëntèh. Roept
men iemand om 't een of ander uai
hij bij zich draagt mede te brengen
dan zegt men: mach.
Timoen.
Balèjan.
Meli.
Telih bakè z .
Koeningan.
Tjangkir.
Konle z ; kort geleden, pas = baroc.
Telih.
Kepiling.
Van een mensch = kaok.
» » dier := ngramak.
Kêreng, kentjêng.
Antoe, anloen.
Tèmpang.
Djempong.
Kris.
Bebalö*.
Béngkök.
Bëdók.
Sëmangët.
20
Kruispunt.
Krij gsgevangene.
Krijgsgevangenen maken.
Krijt.
Kuchen.
Kuif.
Kuit (lichaamsdeel).
Kuit (van de visch).
Kunnen, vermogen.
Kussen, zoenen.
Kussen (om op te slapen).
Kwaad, nijdig.
Kijken.
Kijven.
Van t wegen = përapalan.
» 3 » = pclëloean.
Bëbandan.
Njéko*, of' bëbaoe.
Apoeh blanda.
Kesendam.
Djamboel.
Detis.
Tglo s hnpa £
Tao, baoe, ik kan 't niet vervaardigen
== ahoe ëndé* lan mi ja*; de rivier
kan niet bevaren worden = kóköh
ëndé* baoe bésampan.
Siroek.
Galeng.
Meri*.
Njeréjo £ , njerminang.
Njénjp.
Laag.
Laat (d. i. te laat).
Laatste.
Laboe.
Lachen.
Ladder.
Laf.
Laken (stof).
Lamp.
Land.
Landbouwer,
Landtong.
Lang.
Langzaam.
Last, zorg.
Lebah.
Kasép.
Pëngëbihan, pënjembih, penoeloc 2
B o ha li.
Ngëtelé*, hij at.
Andjali.
Endé* bani.
Seklat, sëngkëlat.
Lampoe : lamp zonder lampeglas — dilah
(Mal. pa lila)
lampepit rz: sigi.
Paér, taua £
Dciigan laai. lane lani.
Tandjongan.
Lang van maat =: bëlo.
lang van duur = ngoné*, lac z . Hoe
lang is 't geleden = oeivali sëbrembê
hangonè* (of kalaè z ).
Adèng.
Ipoeh, soesa h.
21
Laten begaan, op zijn beloop laten.
Laten weten.
Ledig.
Leenen.
Leereu.
Leeuw.
Lekken.
Lekker.
Lendenen.
Lepel.
Letter.
Leven, lawaai.
Leven (werkwoord).
Lever.
Lezen.
Lichaam.
Licht, niet zwaar.
Licht, niet duister.
Lichtekooi.
Lid teeken.
Lief, aardig', mooi.
Liegen.
Liggen.
Ligmatje.
Links
Lippen.
Loeien van een rund.
Loeren.
Lombok.
Lontarpalm.
Lood, tin.
Loon.
Aloer [Mal bijar~\.
Bara z maloer, midarla (Bal).
GombaSf soewoeng.
Van iemand — njingga*,ngoelang njelang;
aan iemand = njingga^in, ngoelangin,
njelangin.
Ngadjah, ngocroek.
Singa,
Bos.
Mai z , ënah.
Kèng, wangkingan.
Sidocl (klein) sendoek (groot).
Sas tra, aksara.
Oejoet.
hoep, idoep.
A lë.
Ma tja, maos.
Radan, awak, raga.
Mènsang.
Tënang, menah.
Bèlang } bêlèr,
Kèlap.
Manis, bagoes.
Bëroegoeng, le/cak.
Begèld* (in 't algemeen met de bedoe-
ling om te slapen); bêgoeling (d. i.
heen en weer rollen) ;
op den rug liggen = ngalïi ''
» » buik » = langkep
» zijde » = njelili.
Tipah.
Kiri.
Djamèr, djelamèr.
Ngoii'è z .
Ngènlé.
Sebija.
Uonlal.
Timah.
Oepa* ; daglooner.sarbeid verrichten =
nanggep ocpa z
22
Loopen, gaan.
Lampa*, memargi, loenga.
Hard loopen = plaj.
Los.
Obak, lèpas.
Losknoopen, losmaken.
Ngelepasang.
Lucht.
Awang awang.
Lucifers.
Tjolok.
Lui.
)Jnjoes, abol.
Luis.
Goetoe: luizen zoeken rr begoeloe.
Lijk.
Majit, la jon, bangké.
Maag.
Tempoela .
Maagd
Dedara.
Maan.
Boe la ti ; maanéclips r= gèralt.
Maar.
Lagoe z , nangmg.
Macht, bevoegdheid.
Koewasa.
Mager.
Koeroes.
Mak.
In sa h.
Maken.
Memija*, ngarja.
Malen (tusschen steenen).
Mélosèl.
Man.
Dengan mama, taoe mama ; echtgenoot
= semnma :
mannelijk = mama ;
maunetje van dieren — pêrama.
Mand.
Keraro (groot), peraras (kleia) : mand met
deksel -_- soksokan.
Mangga.
Pao z .
Mangkoedoe.
Pal je.
Mank.
Mi kal.
Markt.
Pêkén
Masker.
Mast.
Mat.
Mazelen.
Medenemen.
Meel.
Meer.
Meisje.
Melaatsch.
Melk.
Topèng.
Pelijangan, pénandjeran bidak.
Tipah.
Édèh.
Djedjaoe i , gadingang
Tepoeng; tot meel stampen — nèpoeng.
Lëbih.
Kanak- nina, dedara.
Berong.
Van een mensch — ai ~ soesoe :
» » dier —përah.
23"
Mensch.
Mengen.
Menstrua.
Mes.
Met.
Meten.
Miauwen.
Midden, helft.
Mier.
Miereneter.
Milt
Minder.
Mishandelen.
Misschien.
Mist.
Modder.
Moeder.
Moedig.
Moeilijk.
Moesson.
Moeten, belmoren.
Mogen.
Mond
Mooi. lief. aardig".
Morgen
Moskee.
Muis.
Muskiet,
Muur.
Muziekbekken.
Mijn
Manoesija, dengan, laoe (Boeg.)
Awor.
Tjampoer.
Lading, ladik, avois. Mesje om op lon-
tarblad te schrijven = pemadja; hak-
mes = batè*~.
Dail, béké z .
Sikoet.
Beméjong.
Tenga z .
Tèdès, lèrès. Groote, roode mier = sëma-
ngah; witte mier = tëmërénê.
Kloesih.
Limpa.
Koerang.
Meribasa.
Bade z .
Awoen awoen.
Baok.
[nar (Batt).
Bani.
Iipoeh, soesa li.
Masa.
Tjndé' baocn mdé* [Mal. to e bolih iid<r\
's avonds moet men met licht loopen
z= kémaUm endé baocn ëndè begobok.
Kanggo
Biwih.
Ma nis, bagoes.
Lèma z .
Morgen ochtend = lénnr kléma s of lémcf
aroe:
morgen avond =. léma ' bijan
's morgens vroeg =r kléma B léma ' oi
nmr: overmorgen
= lal.
Hjtnj
,/,.
léma '
Mesigif.
Ti ko< 's.
Bram/kak: kleine ateekmug
Ti' in bok.
Gong, kemong.
Akoe ngépé. I w = kamoe ngépé\ bun,
zijn =z tja ngépé.
24
Naaien.
Naakt.
Naald
Naam
Naar.
Nabij.
Nacht.
Nadeel, schade, verlies.
Nadenken.
Naderen.
Naderhand.
Nagel, klauw.
Nangka.
Nat.
Nauw, smal.
Bedjail.
Melondan.
Djaoem.
Aran, pasèngan. Gehuwde mannen van
adel voeren de titels van Üalue, Raden,
Mami z , Djero [Bal.] of ' Bapa z . Achter
Daloe, Raden en Djero volgen dan hunne
eigennamen, terwijl achter Mami* eu
Bapa z de naam van het kind volgt.
Zoons van Daloe en Raden voeren als
kind en later